Zoekopties
Home Media Explainers Onderzoek & publicaties Statistieken Monetair beleid De euro Betalingsverkeer & markten Werken bij de ECB
Suggesties
Sorteren op

Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden

Voorwoord van Christine Lagarde, president van de ECB

Het waarborgen van de weerbaarheid van banken onder Europees bankentoezicht was in 2025 opnieuw een belangrijke prioriteit. Ook dit jaar hadden de financiële stelsels te kampen met mondiale economische en geopolitieke uitdagingen, wat eens te meer duidelijk maakt dat sterk toezicht nodig is zodat de banksector van het eurogebied de reële economie kan blijven ondersteunen.

De banken bouwden voort op de grote vooruitgang die al meer dan tien jaar wordt geboekt binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en bleven veerkrachtig ondanks de toenemende geopolitieke onzekerheid en macro-economische druk. In het derde kwartaal van 2025 bedroeg de totale tier 1-kernkapitaalratio 16,1% en bleef de liquiditeitsdekkingsratio met 157% robuust; beide cijfers zijn aanzienlijk hoger dan de toepasselijke vereisten. De winstgevendheid bleef eveneens op peil, met een gemiddeld rendement op eigen vermogen van ongeveer 10%. Dit heeft ertoe bijgedragen dat de steun van banken aan huishoudens en bedrijven stabiel is gebleven in een periode van tragere groei en structurele verschuivingen.

De uitdagingen als gevolg van de oplopende handelsspanningen, toegenomen onzekerheid en sectorspecifieke kwetsbaarheden komen nog niet volledig tot uiting in de balansen van banken. Schokken kunnen echter op een later moment en op niet-lineaire wijze doorwerken, waardoor het voor banken en toezichthouders cruciaal is naar de toekomst te blijven kijken en tijdig in te grijpen wanneer ze risico’s zien toenemen.

Bovendien heeft de ECB tegen de achtergrond van het lopende mondiale debat over de complexiteit van de financiële regels aanbevelingen gedaan aan de Europese medewetgevers om het prudentiële kader van de EU voor regelgeving, toezicht en rapportage te helpen stroomlijnen. Daarnaast voert ECB-Bankentoezicht samen met de nationale bevoegde autoriteiten een reeks hervormingen van de toezichtsprocessen uit om ze risicogerichter en efficiënter te maken. Deze inspanningen zijn erop gericht de regelgeving minder complex te maken en tegelijkertijd de Europese banksector krachtig en weerbaar te houden.

Intussen blijft de toezichtsagenda gericht op de structurele uitdagingen die het bankenlandschap transformeren. Klimaat- en natuurrisico’s blijven een topprioriteit voor banken nu ze geloofwaardige transitieplannen opstellen. Bovendien bieden de digitalisering en het snel toenemende gebruik van kunstmatige intelligentie kansen voor innovatie en efficiëntie, maar tegelijkertijd stellen ze banken bloot aan nieuwe operationele risico’s, zoals cyberdreigingen, kwetsbaarheden in ICT-infrastructuren en meer concurrentie.

Tot slot versterken de ontwikkelingen in 2025 het pleidooi voor ‘meer Europa’. Voortbouwen op de vooruitgang die is geboekt met het kader voor crisisbeheersing en depositoverzekering, de bankenunie voltooien – met inbegrip van de invoering van een Europees depositoverzekeringsstelsel – en de interne markt verdiepen is van essentieel belang om integratie te bevorderen, het concurrentievermogen te stimuleren en het economisch potentieel van Europa te ontsluiten.

Wat de toekomst betreft, blijft de ECB vastbesloten om een robuuste en flexibele banksector in het eurogebied te bevorderen. Door middel van doeltreffend, efficiënt en risicogebaseerd toezicht blijft de ECB helpen om de financiële stabiliteit te waarborgen, duurzame groei te ondersteunen en ervoor te zorgen dat de banksector van het eurogebied weerbaar blijft en de reële economie kan dienen in een snel veranderende wereld.

Voorwoord van Claudia Buch, voorzitter van de Raad van Toezicht

In 2025 heeft ECB-Bankentoezicht verdere stappen gezet om het toezicht te stroomlijnen en tegelijkertijd de schokbestendigheid van de banksector in het eurogebied te waarborgen. Naar aanleiding van de hervorming van de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (supervisory review and evaluation process – SREP), die in 2026 volledig wordt afgerond, hebben we onze toezichtsprocedures in ruimere zin geëvalueerd.

Onze belangrijkste doelstelling is het Europees bankentoezicht effectiever, efficiënter en meer op risico’s gericht te maken. Op basis van input van verschillende belanghebbenden hebben we een brede hervormingsagenda opgesteld en de uitvoering daarvan is in volle gang, zoals toegelicht in ons verslag Streamlining supervision, safeguarding resilience: the ECB’s agenda for more effective, efficient and risk-based European banking supervision. De voortgang en de impact van deze hervormingen lichten we toe in het Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden, te beginnen met deze editie.

Gestroomlijnd toezicht helpt banken veerkrachtig houden. Het doel van het toezicht is banken veilig en gezond te houden. Dit betekent dat we kwetsbaarheden in een vroeg stadium in kaart moeten brengen, zodat banken deze kwetsbaarheden doortastend aanpakken en, waar nodig, de toezichtsmaatregelen opschalen. Met dergelijke hervormingen maken we toezichtmiddelen vrij om ons te richten op het veranderende risicolandschap en onze flexibiliteit te behouden in een snel veranderende omgeving. Dit zal toezichthouders in staat stellen tekortkomingen vroeger op te sporen en ervoor te zorgen dat banken tijdig actie ondernemen om hun algehele schokbestendigheid te behouden. Schokbestendigheid gaat niet alleen over een gezonde financiële positie, maar ook over operationele flexibiliteit, solide governance en goed risicomanagement. Schokbestendigheid stelt banken in staat om ook onder stress hun financiële dienstverlening voort te zetten. Dit is ook belangrijk voor het concurrentievermogen van banken en hun bedrijfsmodellen op lange termijn.

Met name in de huidige omgeving is het van belang dat de schokbestendigheid van banken gewaarborgd wordt. De onzekerheid over het handelsbeleid, de economie en de internationale politiek is groot. Deze onzekerheid komt echter onvoldoende tot uiting in marktgebaseerde indicatoren van financiële stress, wat zou kunnen leiden tot abrupte herbeprijzing van risico’s. Momenteel liggen de kapitaal- en liquiditeitsbuffers van banken ruim boven de regelgevingsvereisten en is hun winstgevendheid gezond. De vooruitzichten voor de financiële stabiliteit op middellange tot lange termijn zijn echter onzekerder geworden. Als gevolg van verhoogde geopolitieke spanningen, te hoge waarderingen in verschillende segmenten van de financiële markten, toenemende onderlinge verwevenheid met niet-bancaire financiële intermediairs en het risico van plotse schommelingen in het marktsentiment, zouden schokken zich onverwacht kunnen manifesteren en zich snel kunnen verspreiden.

Daarom moeten we verder blijven kijken dan de kortetermijnindicatoren voor het functioneren van de banken en kwetsbaarheden voor negatieve externe ontwikkelingen opsporen. Tegen deze achtergrond hebben we onze toezichtsprioriteiten voor de cyclus van 2026-2028 vastgesteld.

De eerste prioriteit is de banken beter bestand te maken tegen geopolitieke risico’s en macrofinanciële onzekerheden. Dat betekent zorgen voor solide kredietnormen, voldoende kapitalisatie en prudent beheer van klimaat- en natuurrisico’s. Daartoe voeren we in 2026 een omgekeerde stresstest uit om bankspecifieke geopolitieke risicoscenario’s in kaart te brengen die de financiële positie van individuele banken ernstig zouden kunnen aantasten.

De tweede prioriteit draait om hoe banken operationeel weerbaar blijven en hun technologie veilig houden. Banken moeten operationele risico’s beter beheren, zwakke punten verhelpen in de manier waarop ze risico-informatie verzamelen en gebruiken en ervoor zorgen dat de digitale transformatie – inclusief het gebruik van kunstmatige intelligentie – wordt ondersteund door sterke risicogovernance en -beheersingsmaatregelen.

Flexibel toezicht, met een duidelijke focus op de belangrijkste risico’s en het waarborgen van de algehele weerbaarheid van banken in het eurogebied, is een slimme manier om in te spelen op de veranderende risico’s. Om de banken veilig en gezond te kunnen houden, hebben we goede regelgeving nodig. Meer harmonisatie van de Europese bankregels en depositogarantie zou bevorderlijk zijn voor integratie en vereenvoudiging. En de versterking van de interne markt zou de efficiëntie van de banksector ten goede komen.

Internationaal is een schokbestendig mondiaal financieel stelsel essentieel voor groei en stabiliteit. Dit hangt af van gemeenschappelijke regelgeving en goede coördinatie tussen de toezichthouders. Deze waarborgen moeten behouden blijven nu de geopolitieke spanningen toenemen. Versnippering of verzwakking van de normen kan ten koste gaan van het vermogen van banken om ongunstige ontwikkelingen het hoofd te bieden.

1 Bankentoezicht in 2025

1.1 Weerbaarheid van banken onder rechtstreeks toezicht van de ECB in 2025

De banken die onder direct toezicht van de ECB staan, toonden zich aanhoudend weerbaar in 2025.

De bankensector van het eurogebied[1] is het afgelopen jaar weerbaar gebleven, waarbij het risicoprofiel robuust bleef en de fundamentele factoren solide. De totale kapitaalratio (Common Equity Tier 1 – CET1, overgangsdefinitie) van belangrijke instellingen (significant institutions − SI’s) nam in het derde kwartaal van 2025 op jaarbasis licht toe tot 16,1%, van 15,7% in 2024.[2] Deze verbetering werd vooral veroorzaakt door een sterke winstgevendheid en hoge winstinhoudingen bij SI’s. De totale overgangshefboomratio’s bleven grotendeels onveranderd op 5,9% voor SI’s.

Tegen de achtergrond van de geleidelijk afnemende overliquiditeit in het eurogebied bleef de bankensector robuuste liquiditeitsratio’s vertonen, ruim boven de minimumvereisten. In 2025 bedroeg de totale liquiditeitsdekkingsratio voor SI’s 157% en de totale nettostabielefinancieringsratio 126%.

De winstgevendheid van SI’s bleek in 2025 veerkrachtig. Ondanks de versoepeling van het monetair beleid bleven de nettorentebaten hoog, fors hoger dan tijdens de periode van lage rentetarieven. Daarnaast lieten de niet-rentebaten een sterke groei zien, als gevolg van vermogensbeheeractiviteiten en hogere netto baten uit provisies voor betaaldiensten.

Ook de activakwaliteit bleef stabiel, gesteund door gematigde macro-economische omstandigheden en solide balansverhoudingen in de particuliere sector. Het totale percentage niet-renderende leningen (non-performing loans – NPL’s) van SI’s bedroeg[3] in de eerste drie kwartalen van het jaar 1,9%. In de hoogte van de voorzieningen van de banken komt de verwachting tot uiting dat de activakwaliteit in de toekomst stabiel zal blijven. Achter deze stabiliteit gingen echter enkele verschillen schuil tussen landen en activacategorieën. De zwakke kredietvraag van niet-financiële ondernemingen (non-financial corporations – NFC’s) en de per saldo aanscherping van de acceptatiecriteria door banken in de afgelopen kwartalen kwamen voort uit diverse punten van zorg, zoals handelsspanningen en daarmee samenhangende onzekerheden tijdens het afgelopen jaar. Het aantal faillissementen in het eurogebied steeg - weliswaar vanaf een laag niveau – vanaf het derde kwartaal van 2025 met 5,1% op jaarbasis[4]. Het zwaartepunt lag daarbij op het midden- en kleinbedrijf (mkb).

Over het geheel genomen bleven de NPL-ratio’s van SI’s stabiel voor zowel het mkb als de bredere NFC-portefeuilles, met respectievelijk ongeveer 4,9% en 3,5%. De fase 2-ratio’s, d.w.z. het aandeel leningen met een significante toename van het kredietrisico sinds de eerste verantwoording, daalden licht naar 15,4% voor het mkb (-0,16 procentpunt op jaarbasis) en 13,6% voor NFC’s (-0,46 procentpunt).

In de sector commercieel vastgoed (commercial real estate – CRE) wezen sentimentsindices en geaggregeerde maatstaven voor de activakwaliteit op een stabilisering van de markten in het eurogebied, ondanks tegenwind in het kantorensegment. De fase2-ratio’s voor CRE-portefeuilles daalden met 1,74 procentpunt op jaarbasis tot 17,8%. Sommige landen noteerden echter materiële stijgingen van NPL’s in hun mkb- en CRE-portefeuilles, wat de noodzaak van aanhoudende bewaking van deze segmenten onderstreept.

In het segment huishoudens leidden de lagere rentetarieven en de verbeterde vooruitzichten voor de huizenmarkt tot een sterke vraag naar hypothecaire leningen, waarbij de activakwaliteit aanhoudend verbeterde. De activakwaliteit bij het consumptief krediet is daarentegen licht verslechterd, zoals blijkt uit een jaar-op-jaar stijging van de NPL-ratio met 0,16 procentpunt tot 5,5%.

1.1.1 Stresstest 2025

In 2025 heeft ECB-Bankentoezicht voor SI’s in het eurogebied een solvabiliteitsstresstest uitgevoerd.[5] Aan de door de Europese Bankautoriteit (European Banking Authority – EBA) gecoördineerde EU-brede stresstest namen in totaal 51 grote banken in het eurogebied deel, terwijl 45 middelgrote banken deelnamen aan de door de ECB gecoördineerde parallelle stresstest. Voor alle instellingen is gebruikgemaakt van een gemeenschappelijk analytisch kader. De EBA heeft gedetailleerde resultaten van haar EU-brede stresstest van 2025 (Engels) voor de 51 grootste banken in het eurogebied gepubliceerd. De ECB heeft individuele resultaten voor de 45 middelgrote banken gepubliceerd, evenals een verslag over de geaggregeerde eindresultaten van haar stresstest van banken in het eurogebied van 2025 voor de volledige steekproef van 96 onder toezicht staande instellingen.[6]

Al met al bleek uit de stresstest dat de bankensector van het eurogebied bestand is tegen een ernstige maar plausibele economische neergang. De test van 2025 bevestigde nogmaals dat de veerkracht van de bankensector sinds de oprichting van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM) in 2014 is toegenomen. Vanaf een niveau van 11,1% eind 2013 steeg de totale CET1-ratio met 4,9 procentpunt tot 16,0% eind 2024 (Grafiek 1). In het ongunstige scenario steeg de CET1-ratio in deze periode geleidelijk tot een niveau dat 3,5 procentpunt hoger lag in de exercitie voor 2025 dan in de alomvattende beoordeling van de ECB voor 2014. In vergelijking met de stresstest van 2023 kwamen uit de resultaten van de stresstest in 2025 hogere totale verliezen uit hoofde van het kredietrisico naar voren door een grotere toename van de NPL’s, terwijl de verliezen uit hoofde van marktrisico en operationeel risico en de impact op het bedrag van de risicoblootstelling in grote lijnen gelijk waren aan die in de vorige exercitie in 2023.

Dankzij de verbeterde winstgevendheid konden de banken in de stresstest negatieve schokken echter beter opvangen en werden de hogere verliezen ruimschoots gecompenseerd. Als gevolg hiervan was de kapitaalvermindering geringer, waarbij de netto rentebaten goed waren voor het grootste deel van de verbetering van de resultaten van de stresstest voor 2025 ten opzichte van de stresstest van 2023.

De uitkomsten van de stresstest worden meegenomen in de toezichtsdialoog met de instellingen onder toezicht van de ECB. Kwalitatieve tekortkomingen die tijdens de stresstest zijn vastgesteld, komen aan bod bij het onderdeel governance van de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process - SREP) en kunnen daarmee van invloed zijn op de Pijler 2-vereisten. Bij het vaststellen van de Pijler 2-aanbeveling en de bijbehorende hefboomratio worden de kwantitatieve resultaten in aanmerking genomen. In Grafiek 1 worden de ontwikkelingen weergegeven van de totale CET1-ratio’s met en zonder stresstests voor toezichtsdoeleinden die in de gehele EU zijn uitgevoerd.

Grafiek 1

Totale CET1-kapitaalratio aan het begin en einde van een ongunstig driejaars scenario

(percentage van risicoblootstelling)

Bronnen: EU-brede stresstests, ECB en berekeningen van de ECB.
Toelichting: ST staat voor EU-brede stresstest en VA staat voor kwetsbaarheidsanalyse, een ECB-exercitie op afstand.

Parallel aan de EU-brede stresstest van 2025 heeft de ECB een verkennende scenarioanalyse van het tegenpartijkredietrisico uitgevoerd om te beoordelen in hoeverre geselecteerde banken in staat waren om tegenpartijkredietrisico’s in verschillende stressscenario’s te modelleren en om kwetsbaarheden in verband met blootstellingen aan niet-bancaire financiële instellingen (NBFI’s) in kaart te brengen. Hoewel deze exercitie niet rechtstreeks van invloed was op de kapitaalvereisten, zijn de bevindingen gebruikt als input voor de toezichtsdialoog met deelnemende instellingen.

Uit de resultaten van de analyse bleek dat met name de tegenpartijkredietrisico’s, na aftrek van onderpand, aan in de Verenigde Staten gevestigde NFC’s en NBFI’s bijzonder groot waren. Bovendien vertoonde een scenario met een waardevermindering van de euro over het algemeen hogere verliezen uit hoofde van tegenpartijkredietrisico’s dan een scenario met dalende rente. Tegelijkertijd leek het wrong-way-risk, dat de mate van positieve correlatie vaststelt tussen de blootstelling aan een tegenpartij en diens wanbetalingsrisico vaststelde, relatief beperkt.

1.2 Toezichtsprioriteiten voor 2025-2027

1.2.1 Inleiding

De vooruitzichten voor de bankensector worden gedomineerd door de aanhoudende onzekerheden rond het geopolitieke klimaat en de gevolgen daarvan voor de economie van het eurogebied. Hoewel de bankensector van het eurogebied tijdens recente stressperioden veerkrachtig is gebleven, heeft ECB-Bankentoezicht in de toezichtsprioriteiten opnieuw gemaand tot voorzichtigheid en de noodzaak benadrukt van voortdurende waakzaamheid en het regelmatig nagaan welke gevolgen deze externe schokken voor de sector zouden kunnen hebben. In dit verband is de onder toezicht staande instellingen gevraagd hun weerbaarheid tegen onmiddellijke macrofinanciële bedreigingen en ernstige geopolitieke schokken te vergroten (Prioriteit 1, zie paragraaf 1.2.2), met bijzondere aandacht voor de kaders voor kredietrisicobeheersing en operationele weerbaarheid. Vanwege het doordringende karakter van geopolitieke risico’s zijn onder toezicht staande instellingen aangemoedigd om de mogelijke implicaties van deze risico’s op te nemen in hun bedrijfsstrategieën en kaders voor risicobeheersing. Daarnaast is de onder toezicht staande entiteiten gevraagd hun inspanningen op te voeren om aanhoudende materiële tekortkomingen die waren vastgesteld in hun aggregatie van risicogegevens en risicorapportage, evenals in hun bedrijfsstrategieën en risicobeheer met betrekking tot klimaat- en milieurisico’s (Prioriteit 2, zie paragraaf 1.2.3), effectief en tijdig te verhelpen, hetgeen een weerspiegeling vormt van het verscherpte toezicht op deze kritieke gebieden is verricht. Aangezien technologische vooruitgang een prioriteit wordt voor de toekomst van de bankensector, is de onder toezicht staande entiteiten tot slot verzocht hun digitaliseringsstrategie te versterken en nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden die voortvloeien uit het gebruik van nieuwe technologieën (Prioriteit 3, zie paragraaf 1.2.4).

1.2.2 Prioriteit 1: de weerbaarheid tegen onmiddellijke macrofinanciële bedreigingen en ernstige geopolitieke schokken vergroten

1.2.2.1 De beheersing van geopolitieke risico’s in de toezichtsprioriteiten

De geopolitieke risico’s bleven een belangrijk aandachtspunt in de toezichtsprioriteiten van de ECB voor 2025-2027, gezien de toegenomen mondiale onzekerheden en de onderlinge verwevenheid van dergelijke risico’s. Verder benadrukte de ECB dat banken deze risico’s dienen te integreren in hun algehele kaders voor risicobeheer en dat zij over een breed front veerkrachtig moeten blijven.

Omgaan met geopolitieke risico’s

De toezichtbeoordelingen in 2025 bouwden voort op het in 2024 uiteengezette kader[7] om beter inzicht te verkrijgen in de wijze waarop geopolitieke schokken het financiële stelsel en de banken raken. De Joint Supervisory Teams (JST’s) hebben geopolitieke factoren opgenomen in de beoordeling van krediet-, markt-, liquiditeits-, operationele en governancerisico’s en behandelen deze als universeel bepalende factoren. De toezichthouders richtten zich op de governance en het risicobeheer van banken, met inbegrip van hun vermogen om geopolitieke schokken te identificeren, te beoordelen en erop te reageren. In januari 2025 organiseerde de ECB een rondetafelgesprek met banken om inzicht te verkrijgen in de werkwijzen van banken bij het beheersen van geopolitieke risico’s. Dit overleg diende als input voor de toezichtswerkzaamheden en ondersteunde de bredere initiatieven van de ECB om banken beter bestand te maken tegen geopolitieke schokken. Ook werden geopolitieke risico’s opgenomen in de EU-brede stresstest voor 2025,[8] die gebaseerd was op een ongunstig mondiaal geopolitiek scenario (zie paragraaf 1.1.1).

In 2025 heeft ECB-Bankentoezicht het belang van de operationele dimensie van geopolitieke risico’s benadrukt.

In 2025 heeft ECB-Bankentoezicht het belang van de operationele dimensie van geopolitieke risico’s benadrukt. De JST’s onderzochten de mate waarin banken voorbereid zijn op cyberdreigingen, fysieke beveiligingsproblematiek en verstoringen van uitbestede diensten. De ECB gaf gevolg aan de bevindingen van de stresstest van 2024 voor cyberweerbaarheid[9], waaruit bleek dat banken over het algemeen goed voorbereid waren op herstel na een cyberaanval, maar de test bracht ook gebieden aan het licht waar verdere inspanningen nodig waren. Het toezicht op dit gebied vormde een aanvulling op de lopende implementatie van de Verordening digitale operationele weerbaarheid (DORA) van de EU.[10]

Daarnaast bleef ECB-Bankentoezicht banken in het eurogebied met dochterondernemingen in Rusland nauwlettend volgen, waarbij werd gevraagd om heldere routekaarten voor derisking, evenals periodieke rapportages en risicogebaseerde maatregelen om de tijdige en ordelijke afbouw van blootstellingen te waarborgen.

Tot slot heeft de ECB op de website van ECB-Bankentoezicht ook een speciale webpagina over geopolitieke risico’s ingericht.

1.2.2.2 Kaders voor kredietrisicobeheersing

De toezichthouders bleven waakzaam ten aanzien van opkomende risico’s en riepen banken op om tekortkomingen aan te pakken en hun kaders voor risicobeheersing te verbeteren.

Gedurende geheel 2025 bleven de toezichthouders de structurele tekortkomingen in de kredietrisicobeheersingskaders van de banken aan de orde stellen en bewaakten ze geopolitieke risico’s, macro-economische onzekerheden en opkomende risico’s in kwetsbare sectoren, die allemaal kunnen leiden tot een verhoogd kredietrisico. Zo kunnen de snel veranderende relaties tussen banken en NBFI’s, zoals particuliere marktfondsen, banken blootstellen aan nieuwe directe en indirecte risico’s die in het toezicht meer aandacht vereisen[11]. Ondanks veranderende risico’s bleven de fundamentele factoren van het kredietrisicotoezicht ongewijzigd. In 2025 bleef de ECB zich richten op de gehele kredietrisicobeheersingscyclus, van leningverstrekking tot NPL-beheer, en zag zij erop toe dat banken over proactieve beheersingsprocessen beschikten.

De JST’s hebben onderling verband houdende toezichtswerkzaamheden zowel ter plaatse (on-site) als op afstand (off-site) geconsolideerd en gemanaged, zodat een holistische en efficiënte aanpak van het toezicht op kredietrisico’s werd gewaarborgd.

De on-site onderzoeken (on-site inspections – OSI’s, zie paragraaf 1.4.2) waren in 2025 gericht op retail-, commercieel vastgoed-, hefboomfinancierings- en bedrijfs- of mkb-portefeuilles, met name waar het gaat om leningverstrekking, risicoclassificatie en modelleringsmethoden voor verwachte kredietverliezen.

Bij de horizontale werkzaamheden op afstand (zie paragraaf 1.4.1) is opvolging gegeven aan de belangrijkste bevindingen van on-site onderzoeken. JST’s naar aanleiding van een uitgebreide beoordeling van hefboomfinanciering brieven aan twaalf banken gestuurd met aanbevelingen omtrent het aanpakken van de bevindingen van deze beoordeling. De horizontale functies en de JST’s hebben ook beoordelingen op afstand uitgevoerd door middel van zowel horizontale gerichte beoordelingen als diepgaande onderzoeken van banken. Zo is een gerichte beoordeling van de beheersing van opkomende risico’s in mkb-portefeuilles afgerond[12] en hebben JST’s diepgaande onderzoeken uitgevoerd naar onderwerpen en risico’s die specifiek zijn voor hun banken, zoals forbearance en de effectiviteit van systemen voor vroegtijdige waarschuwing.

Er werd ook voortdurend aandacht besteed aan de beoordeling van klimaatrisico’s en de wijze waarop die van invloed zijn op kredietrisico’s, en meer in het bijzonder op de energieprestatie van gebouwen en de beschikbaarheid van verzekeringsdekking voor fysieke rampen. In het kader van deze inspanningen organiseerde de ECB twee speciale conferenties met sectorvertegenwoordigers om de uitdagingen en mogelijke oplossingen te bespreken.[13]

In 2025 is verdere vooruitgang geboekt met het herstel van de bevindingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico’s. Daarnaast werd verder samengewerkt met de Federal Reserve Board en de Bank of England aan de blootstelling aan tegenpartijkredietrisico’s op NBFI’s, met bijzondere aandacht voor de meting van het tegenpartijkredietrisico en blootstellingen aan niet-banken die marketmakingactiviteiten verrichten. Uit de analyse is gebleken dat banken zich moeten blijven inspannen om de gegevenskwaliteit te verbeteren zodat hun beoordeling van het tegenpartijkredietrisico op orde en betrouwbaar is. Bij stresstests door banken van de blootstelling aan tegenpartijkredietrisico’s dienen niet alleen de marktrisicofactoren aan de orde te komen, maar ook portefeuilleconcentraties en de liquiditeit van de portefeuilles. Bovendien dienen banken te beschikken over een robuuste beheersing van het intraday-tegenpartijkredietrisico waarbij op passende wijze rekening wordt gehouden met de activiteiten van hun tegenpartijen gedurende de hele dag, met name voor niet-bancaire market makers.

In 2025 bleef de ECB eveneens het valuta-afwikkelingsrisico monitoren aan de hand van een steekproef van SI’s die het meest actief zijn op dit gebied. Daartoe verzamelt de ECB halfjaarlijkse gegevens en statistieken over het afwikkelingsrisico bij valutatransacties, op basis van de herziene methodiek van het Global Foreign Exchange Committee, en werkt zij regelmatig met SI’s samen op het gebied van interne veranderingen en algemene markttrends.

De gedetailleerde bevindingen van alle afgeronde off-site en on-site toezichtactiviteiten zijn schriftelijk aan de banken gecommuniceerd, en in speciale bijeenkomsten is iedere uitkomst uitgebreid toegelicht (zie paragraaf 1.3.1). Deze zijn waar van toepassing meegenomen in de SREP-uitkomsten, en de daarmee samenhangende toezichtmaatregelen zijn in het kader van de reguliere toezichtsdialoog met de onder toezicht staande instellingen besproken.

1.2.2.3 Kaders voor operationele weerbaarheid voor ICT-risico’s, inclusief cyberbeveiliging en risico’s van externe ICT-dienstverleners

Met DORA zijn de toezichtwerkzaamheden heringericht, en moeten banken overgaan tot versterking van hun ICT-risicobeheersing, inclusief de beheersing van risico’s van externe ICT-aanbieders en de melding van ICT-gerelateerde incidenten.

In 2025 bleef de ECB prioriteit geven aan de operationele weerbaarheid van SI’s, met bijzondere aandacht voor de beveiliging van informatie- en communicatietechnologie (ICT-beveiliging), waaronder cyberbeveiliging, en risico’s van externe ICT-dienstverleners. Met de inwerkingtreding van DORA zijn vanaf januari 2025 de toezichtwerkzaamheden heringericht, en moeten banken overgaan tot versterking van hun ICT-risicobeheersing, inclusief de beheersing van risico’s van externe ICT-dienstverleners en de melding van ICT-gerelateerde incidenten. De toezichtsmethodieken zijn geactualiseerd zodat ze voor alle toezichtactiviteiten in overeenstemming zijn met de vereisten in het kader van DORA. De ECB-kaders voor de melding van cyberincidenten en uitbestedingen zijn ingetrokken en vervangen door de meldingstermijnen en gestandaardiseerde templates die in het kader van DORA zijn voorgeschreven.

In reactie op het veranderende cyberrisicolandschap hebben de toezichthouders een uitgebreid draaiboek voor cyberincidenten opgesteld om de coördinatie en capaciteiten tussen interne en externe kaders voor cyberrisico’s te verbeteren. Bij deze capaciteiten gaat het om zowel de interne voorbereidingen van de ECB als de internationale protocollen voor incidentrespons.

De OSI’s ten aanzien van ICT-risico’s waren in 2025 grotendeels gebaseerd op de toezichtsprioriteiten van de ECB en waren gericht op cyberbeveiliging en de risicobeheersing van externe ICT-dienstverleners. Op verzoek van de JST’s werden aanvullende OSI’s uitgevoerd volgens een idiosyncratische aanpak (zie paragraaf 1.3.1 en 1.4.2). Daarnaast heeft de ECB een team opgezet dat toezicht houdt op de dreigingsgestuurde penetratietests (threat-led penetration testing – TLPT) van SI’s. TLPT is een nieuw toezichtsinstrument dat in het kader van DORA wordt gebruikt en waarvoor de ECB optreedt als verantwoordelijke autoriteit ten aanzien van SI’s. In 2025 heeft de ECB voor de eerste keer gegevens opgevraagd uit de informatieregisters over contractuele overeenkomsten met externe ICT-dienstverleners die SI’s moeten aanhouden in het kader van DORA. Analyses van deze gegevens bevestigden een grotere afhankelijkheid van externe ICT-dienstverleners, een concentratie van een klein aantal externe ICT-dienstverleners, met name aanbieders van clouddiensten, en een geringe vervangbaarheid van externe ICT-dienstverleners, in combinatie met moeilijkheden om eerder uitbestede diensten opnieuw te integreren.

De Gids van de ECB voor het uitbesteden van clouddiensten aan aanbieders van clouddiensten is bedoeld om de verwachtingen van de ECB met betrekking tot de vereisten van de DORA-verordening te verduidelijken, consistentie in het toezicht te bevorderen, transparantie te vergroten en daarmee een gelijk speelveld te helpen waarborgen.

Cyber- en IT-uitbestedingsrisico’s blijven een belangrijke uitdaging voor banken, aangezien de toenemende bedreigingen als gevolg van geopolitieke risico’s vereisen dat zij hun risicobeheer op het gebied van cyberbeveiliging en ICT-diensten verder aanpassen.

1.2.3 Prioriteit 2: tijdig en effectief herstel van hardnekkige materiële tekortkomingen

De toezichtsstrategie van de ECB richtte zich op een verschuiving van risico-identificatie naar risicoherstel, waarbij banken verplicht worden om hardnekkige materiële tekortkomingen aan te pakken en aan de toezichtsverwachtingen van de ECB te voldoen. Eerdere beoordelingen hadden aanzienlijke tekortkomingen aan het licht gebracht bij het beheers van klimaat- en milieurisico’s door banken en met betrekking tot hun capaciteiten op het gebied van aggregatie van risicogegevens en risicorapportage. Dit blijven dan ook belangrijke aandachtspunten in de toezichtsprioriteiten van de ECB voor 2025-2027. Hoewel op beide terreinen aanzienlijke vooruitgang is geboekt, zijn verdere herstelmaatregelen in de komende toezichtscycli essentieel.

1.2.3.1 Tekortkomingen in bedrijfsstrategieën en de beheersing van klimaat- en natuurgerelateerde risico’s

Het toezicht op het vermogen van banken om klimaat- en natuurgerelateerde[14] risico’s adequaat te beheersen bleef in 2025 hoog op de agenda staan. Fysieke en transitierisico’s bleven zich immers materialiseren en in omvang en frequentie toenemen, waarbij de kaders voor risicobeheer banken op het gebied van klimaat en innovatie hardnekkige tekortkomingen bleven vertonen.

In 2025 heeft de ECB een meerjarig verbeterprogramma voor de risicobeheersing van banken afgerond en zich verder ontwikkeld in de richting van een business-as-usual-aanpak door het toezicht op klimaat- en natuurgerelateerde risico’s op te nemen in de reguliere toezichtsbeoordelingen en -procedures. Op basis van de huidige regelgevingsvereisten had de ECB de banken tot het eind van 2024 de tijd gegeven om hun risicobeheersingspraktijken te verbeteren. In voorgaande jaren, en na verschillende dialoog- en feedbackrondes, had de ECB bindende toezichtsbesluiten opgelegd aan banken met materiële tekortkomingen, die gepaard gingen met per dag oplopende dwangsommen als de banken niet binnen de gestelde termijnen aan deze risicovereisten zouden voldoen (“gecombineerde besluiten”)[15]. In 2025 heeft de ECB één dergelijk gecombineerd besluit met betrekking tot deze vereisten opgelegd. Ook heeft zij één handhavingsprocedure afgerond met betrekking tot een instelling die niet voldeed aan een ECB-besluit betreffende deze risicovereisten, waarbij zij het totale bedrag aan dwangsommen vaststelde (zie paragraaf 2.3.1).

De banken hebben aanzienlijke vooruitgang geboekt bij het beheersen van de risico’s die voortvloeien uit aanhoudende klimaat- en natuurcrises.

Over het algemeen hebben de banken aanzienlijke vooruitgang geboekt bij het beheersen van de risico’s die voortvloeien uit aanhoudende klimaat- en natuurcrises door de juiste architectuur op te zetten om klimaat- en natuurgerelateerde risico’s in kaart te brengen, te bewaken en te beheersen. Uit analyses van de ECB blijkt dat meer dan 90% van de banken van mening is hun blootstelling aan deze risico’s materieel is (tegen 50% in 2021),[16] en dat alle banken inmiddels over kaders voor klimaatstresstesten beschikken. De meeste banken zijn ook begonnen met het opzetten van relevante kaders om hun kapitaalbehoeften te kwantificeren. Aanhoudende aandacht van het toezicht is echter nog steeds geboden, gezien de opkomende risicokwantificeringsmethodieken, de aanhoudende uitdagingen bij de beheersing van fysieke en transitierisico’s en de resterende bankspecifieke zwakheden die bij individuele instellingen worden vastgesteld.

De ECB erkent de verschillende uitdagingen waarmee banken worden geconfronteerd en legt momenteel de laatste hand aan een geactualiseerde versie van haar compendium uit 2022 over goede praktijken op het gebied van klimaat- en milieurisicobeheersing. Voor banken is dit een nuttig instrument om de mogelijkheden te verkennen waarmee ze hun risicobeheersing kunnen verbeteren. Daarnaast is de ECB een permanente dialoog aangegaan met de banken om hun algemene vooruitgang te bespreken en de uitdagingen te begrijpen waarmee zij worden geconfronteerd, bijvoorbeeld tijdens de sectordialoog over klimaat- en milieurisicobeheersing op 1 oktober 2025.

1.2.3.2 Aggregatie van risicogegevens en risicorapportage

Robuuste capaciteiten voor het verzamelen van risicogegevens en het rapporteren van risico’s vormen een eerste vereiste voor gezond en prudent risicobeheer. ECB-Bankentoezicht is hierop blijven toezien gedurende 2025.

Aggregatie van risicogegevens en risicorapportage (risk data aggregation and risk reporting – RDARR) is essentieel voor gedegen risicobeheersing en effectieve besluitvorming, aangezien tekortkomingen in de datakwaliteit en rapportages het vermogen van banken ondermijnen om risico’s correct te identificeren, te bewaken en te beperken. Met robuuste RDARR-capaciteiten kunnen banken hun operationele efficiëntie en concurrentievermogen vergroten en digitale instrumenten en innovatieve technologieën, zoals kunstmatige intelligentie (Artificial Intelligence – AI) en geavanceerde analyse, gemakkelijker inzetten.

Aangezien banken in 2025 nog steeds onvoldoende vooruitgang hadden geboekt op het gebied van hun RDARR-capaciteiten, mede op basis van de verwachtingen in de Gids die in mei 2024 over dit onderwerp is gepubliceerd, heeft de ECB in 2025 een uniforme aanpak voor alle banken toegepast. Het doel van deze aanpak was de ontwikkelingen in de RDARR-capaciteiten van alle belangrijke instellingen nauwlettend te volgen om eventuele tekortkomingen vast te stellen en op te volgen.[17] Een belangrijk element van deze aanpak bestond uit het vaststellen van een duidelijk escalatieproces, waarbij banken duidelijke tijdschema’s met tussentijdse mijlpalen moesten overleggen om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen en de onderliggende oorzaken aan te pakken. Als banken er op basis van de initiële maatregelen niet in slaagden om tijdig resultaten te boeken, werden effectievere instrumenten ingezet om alsnog herstel te waarborgen. Deze instrumenten zijn gebaseerd op de bindende toezichtsmaatregelen die zijn vastgelegd in artikel 16 van de SSM-Verordening[18], waaronder dwangsommen als mogelijke handhavingsmaatregelen.

De ECB is verdergegaan met haar holistische benadering van problemen met de gegevenskwaliteit, waarin de bevindingen uit andere toezichtsactiviteiten worden meegenomen als onderdeel van de algehele beoordeling van het RDARR-vermogen van banken. Deze bevindingen omvatten de kwaliteit van de gegevens die waren aangeleverd voor de kortetermijnexercitie van de ECB en de stresstests, en voor de effectieve aggregatie van blootstellingen aan de particuliere kredietmarkt. Om de inspanningen op dit gebied te versterken, heeft de ECB begin januari 2025 een juridisch kader vastgesteld om een toereikende gegevenskwaliteit in de stresstestrapportage te waarborgen.[19] Ook is de ECB, na een succesvolle pilot in 2023, doorgegaan met het opstellen van haar jaarlijkse managementverslag over datagovernance en gegevenskwaliteit.[20] Vergeleken met de exercitie in 2024 toonde het senior management van banken dit jaar meer betrokkenheid bij het herstel van geconstateerde tekortkomingen, waarbij op bestuursniveau duidelijk verantwoordelijkheid werd genomen voor het projectmanagement.

Over het geheel genomen heeft de toegenomen aandacht voor RDARR-capaciteiten in de afgelopen drie jaar geleid tot geleidelijke vooruitgang. De RDARR-capaciteiten vallen nu onder de verantwoordelijkheid van het senior management van de banken. Ook zijn er belangrijke stappen gezet om de bevindingen van eerdere toezichtsactiviteiten te herstellen. Niettemin bevestigden de lopende toezichtswerkzaamheden, zoals on-site onderzoeken, dat de onder toezicht staande instellingen nog steeds stappen te zetten hebben op het gebied van datagovernance, de reikwijdte van het kader voor datagovernance, de gegevensarchitectuur en de IT-infrastructuur.

1.2.4 Prioriteit 3: digitaliseringsstrategieën en het gebruik van nieuwe technologieën

1.2.4.1 Digitale transformatiestrategieën

In 2025 bleef de ECB nauwlettend toezien op de weerbaarheid van banken tijdens hun digitale transformatie.

De digitale transformatie van banken en het gebruik van nieuwe technologieën vereisen een robuuste governance en een gedegen risicobeheersing. Digitalisering gaat niet alleen over technologie, maar vooral ook over de interne cultuur en de capaciteiten van instellingen. Om digitale strategieën te laten slagen, is het verankeren van innovatie in de organisatie en het waarborgen van de algemene digitale paraatheid van cruciaal belang Het is aan de banken zelf om de timing en omvang van digitalisering te bepalen, maar dergelijke strategische beslissingen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor hun operationele en financiële risico’s en hun risicoprofiel beïnvloeden.

In 2025 voerde de ECB verschillende toezichtsactiviteiten uit om inzicht te krijgen in nieuwe technologische toepassingen en in de wijze waarop deze toepassingen van invloed kunnen zijn op de risicobeheersing van banken.[21] Zo zette de ECB voor het vierde opeenvolgende jaar haar gerichte inspecties ter plaatse voort, met een uitgebreid onderzoek naar de digitaliseringsstrategieën van banken en de mogelijkheden om deze uit te voeren, zoals nieuwe technologieën, het vermogen om middelen beschikbaar te stellen en projectbeheer, en een beoordeling van de financiële en niet-financiële gevolgen van de digitalisering. Off-site activiteiten omvatten workshops bij 13 belangrijke instellingen over het gebruik van AI voor kredietscores en fraudeopsporing.

In het kader van de digitale transformatie zijn data van essentieel belang, zowel voor de banken zelf als voor de toezichthouders. De jaarlijkse gegevensverzameling door de ECB over digitalisering en het gebruik van innovatieve technologieën werd verfijnd om technologie en innovatie nauwkeuriger in kaart te brengen. Deze analyse maakte deel uit van de kortetermijnexercitie, waarbij de ECB gegevens verzamelt ter aanvulling op de reguliere toezichtsrapportages. Het bleef een belangrijke gegevensbron om de voortgang van de banken in hun digitale transformatie te beoordelen, door de ontwikkelingen in hun digitaliseringsactiviteiten, de samenwerking op het gebied van technologie en het gebruik van technologie in kaart te brengen. Op basis van de verzamelde gegevens werden use cases geselecteerd voor verdere beoordeling en banken voor deelname aan workshops en andere interactieve activiteiten.

Als onderdeel van haar gerichte aanpak heeft de ECB ook twee horizontale analyses uitgevoerd om het gebruik van digitalisering in specifieke bedrijfsonderdelen te onderzoeken. Dit gebeurde via workshops over digitale betalingen en digitale retailactiviteiten met 12 belangrijke instellingen. Bovendien kwamen toezichthouders en banken bijeen op 16 oktober 2025 tijdens de SSM-conferentie over digitalisering om van gedachten te wisselen over digitale strategieën, de uitvoering van deze strategieën in specifieke bedrijfsonderdelen zoals retail en betalingen, en over ontwikkelingen op het gebied van AI en de daaraan verbonden risico’s.

1.3 Efficiënt en effectief risicogebaseerd toezicht

Sinds de oprichting van het SSM in 2014 is de wijze waarop het bankentoezicht wordt uitgeoefend aanzienlijk veranderd. In de eerste jaren was het Europees bankentoezicht vooral gericht op het harmoniseren van de toezichtspraktijken. De afgelopen jaren is de nadruk meer komen te liggen op wendbaarheid, waarbij minder complexe, maar nog steeds even grondige methodes en flexibelere processen hebben geleid tot efficiëntere en consistentere uitkomsten. In 2023 heeft de ECB een risicotolerantiekader ingesteld waarmee toezichthouders prioriteit kunnen geven aan kritieke risicogebieden en wat hen meer flexibiliteit biedt bij het vaststellen en aanpakken van nieuwe en opkomende risico’s.

In 2025 heeft de ECB een uitgebreide agenda ontwikkeld om de efficiëntie, effectiviteit en risicogerichtheid van het Europees bankentoezicht verder te vergroten. Deze agenda, die wordt beschreven in het rapport Streamlining supervision, safeguarding resilience uit december 2025, bestaat uit vier initiatieven. Ten eerste werd de hervorming van de SREP, die in 2024 van start ging, in 2025 voortgezet om in 2026 afgerond te worden (zie paragraaf 1.3.1).[22] Ten tweede zijn de doelstellingen van de SREP-hervorming, als gevolg van het Next-level toezicht-project, uitgebreid naar terreinen zoals besluitvorming, goedkeuring van interne modellen, stresstests, kapitaalgerelateerde besluiten, rapportage en on-site onderzoeken (zie paragraaf 1.3.2). Ten derde is er een initiatief gelanceerd om een gemeenschappelijke toezichtscultuur onder het SSM verder te bevorderen (zie paragraaf 1.3.3). Tot slot ontwikkelt de ECB momenteel een kader om de effectiviteit van het toezicht te evalueren (zie paragraaf 1.3.4).

Kader 1
De bijdrage van de ECB aan de werkzaamheden ter vereenvoudiging van het Europese prudentiële regelgevings- en toezichtskader

De hervormingsagenda van de ECB voor het Europees bankentoezicht heeft betrekking op veranderingen die de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten kunnen invoeren binnen het bestaande kader van de EU-wetgeving. Tegelijkertijd erkent de ECB dat Europese en nationale wetgeving gewijzigd moet worden om het Europese prudentiële regelgevings- en toezichtkader verder te vereenvoudigen.

In maart 2025 heeft de Raad van Bestuur van de ECB een High-Level Task Force (HLTF) opgericht om dergelijke wetswijzigingen te onderzoeken. De HLTF deed een reeks aanbevelingen aan de medewetgevers van de EU, die in december 2025 door de Raad van Bestuur zijn goedgekeurd en op de website van de ECB zijn gepubliceerd . De HLTF heeft de Raad van Toezicht geraadpleegd over toezichtskwesties en de vertegenwoordiger van de ECB, Sharon Donnery, nam als lid van de HLTF deel.

De lopende hervormingen van het Europees bankentoezicht, die worden beschreven in het rapport Streamlining supervision, safeguarding resilience, vormen een aanvulling op de aanbevelingen van de HLTF, maar blijven onafhankelijk van die aanbevelingen volledig uitvoerbaar.

1.3.1 Uitvoering van de SREP-hervorming

Overeenkomstig haar mandaat beoordeelt ECB-Bankentoezicht regelmatig de financiële soliditeit van banken die onder haar directe toezicht staan via de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP). Om in te spelen op een snel veranderende risicolandschap en na een evaluatie door onafhankelijke deskundigen[23] begon de ECB in 2024 aan een uitgebreide hervorming van de SREP om de effectiviteit, efficiëntie en risicogerichtheid van dit proces te vergroten.

De eerste SREP-hervormingscyclus werd in oktober 2025 afgerond. De besluiten werden zes weken eerder vastgesteld dan in voorgaande jaren. Deze mijlpaal is slechts één van de tastbare resultaten van de SREP-hervorming. Bovendien is er aanzienlijke vooruitgang geboekt bij alle zes de hervormingsdoelstellingen:[24]

  • Gerichtere risicobeoordelingen: sinds 2023 hanteert de ECB een meerjarige beoordelingsaanpak en gebruikt zij een risicotolerantiekader bij haar beoordelingen.[25] In 2025 werd de meerjarige beoordeling uitgevoerd voor 75% van de SREP-elementen en uitgebreid naar dochterondernemingen van banken.
  • Betere integratie van toezichtactiviteiten: om een vollediger beeld te krijgen van de risico’s van de banken en dubbel werk te voorkomen, maken de JST’s nu systematischer gebruik van inzichten uit hun on-site onderzoeken, thematische onderzoeken en andere bronnen, die verder gaan dan een beroep op gegevens aan het einde van het jaar. Daarnaast ontvangen de banken de onderzoeksplanning van de toezichthouder eerder in het jaar, zodat ze hun eigen planning daar beter op af kunnen stemmen.
  • Volledig gebruik van het toezichtinstrumentarium: tijdige communicatie en opschaling[26] van toezichtmaatregelen krijgen nu meer nadruk. Naast de invoering van een gelaagde aanpak voor de follow-up van maatregelen[27] zijn de SREP-besluiten nu meer gericht op de meest structurele en ernstige problemen en worden andere bevindingen het hele jaar door aangepakt.
  • Betere communicatie: het nieuwe SREP-besluiten-format[28] bevordert een meer gerichte dialoog met de banken, aangezien belangrijke risicofactoren en toezichtsproblemen hierin duidelijker en in een vaste vorm worden aangegeven.
  • Stabielere toezichtsmethodiek: de ECB streeft ernaar de toezichtsmethodiek stabieler en voorspelbaarder te maken. Zo maakt de herziene methodiek voor de Pijler 2-vereiste[29] de toezichtsmethodologie eenvoudiger en robuuster.
  • Beter gebruik van IT-systemen en gegevensanalyse: digitale instrumenten ondersteunen datagedreven toezicht en effectieve interactie met banken, zoals de mogelijkheid voor banken om de status van hun kwalitatieve maatregelen te volgen en bewijsmateriaal rechtstreeks bij hun toezichthouders in te dienen.

1.3.1.1 Voortgang bewaken

Om ervoor te zorgen dat de SREP-hervorming de beoogde resultaten oplevert, bewaakt ECB-Bankentoezicht consequent de impact ervan ten opzichte van de belangrijkste doelstellingen. Dit doet zij aan de hand van een reeks indicatoren die verder worden ontwikkeld en verfijnd en die betrekking hebben op de zes hervormingsdoelstellingen. Een van die indicatoren is de beschikbaarheid en effectiviteit van de meerjarige beoordeling binnen de SREP, de doorlooptijd en relevantie van SREP-besluiten en -maatregelen, het gebruik van digitale hulpmiddelen om real-time opvolging van bevindingen en maatregelen te ondersteunen, de inzet van SREP-maatregelen en de algemene tijdigheid van de SREP-cyclus. Over deze indicatoren zal verslag worden uitgebracht in toekomstige jaarverslagen van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden.

1.3.2 Toezichtshervormingen die verder gaan dan de SREP: het Next-level toezicht-project

In 2025 lanceerden de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten (NCA’s) het ‘Next-level toezicht-project’ met een uitgebreide reeks hervormingen. Het doel van dit project is het stroomlijnen en vereenvoudigen van belangrijke toezichtsprocessen, in aanvulling op de SREP-hervorming. Het is gebaseerd op een bottom-up-enquête die werd uitgevoerd door enkele van de NCA’s die deelnemen aan het Europees bankentoezicht en op input van de bankensector.

Het project heeft betrekking op de volgende kerngebieden.

  1. Besluitvorming: de ECB verbetert de efficiëntie, effectiviteit en risicogebaseerde aanpak van haar besluitvormingsprocessen voor het toezicht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bestuurderstoetsingen en aan gemeenschappelijke procedures zoals vergunningverlening en verklaringen van geen bezwaar. Gestroomlijnde besluitvorming versnelt de toezichtsprocessen voor de onder toezicht staande instellingen en stelt de ECB in staat haar middelen in te zetten voor de meest relevante aspecten. Gestroomlijnde besluiten moeten uiterlijk in de tweede helft van 2026 worden uitgevoerd, waarbij in de loop van de tijd aanvullende verbeteringen zullen worden doorgevoerd naarmate digitale hulpmiddelen worden geïmplementeerd. Daarnaast zal begin 2026 een versnelde procedure voor eenvoudige securitisaties met betrekking tot significante risico-overdracht worden ingevoerd (zie Kader 2).
  2. Interne modellen: het stroomlijnen van de toezichtsprocessen met betrekking tot interne modellen is van cruciaal belang voor het verminderen van de werkbelasting voor banken en toezichthouders als gevolg van de goedkeuring van materiële modelwijzigingen. De ECB voert geleidelijk meer risicogebaseerde benaderingen in voor de goedkeuring van modelwijzigingen in het algemeen en modelwijzigingen die in een eerder stadium van het proces worden aangebracht, zodat het voor banken niet langer noodzakelijk is om meerdere modelversies tegelijkertijd aan te houden. Deze veranderingen zullen in de loop van 2026 worden doorgevoerd.
  3. Stresstesten: de ECB heeft in eerdere stresstestcycli al stappen gezet om de proportionaliteit te vergroten, meer risicogebaseerde gegevenskwaliteitsborging te introduceren en de frequentie van rapportages/de duur van rapportagecycli te verminderen. De ECB neemt daarnaast stappen om haar stresstests te stroomlijnen door toe te werken naar flexibelere en snellere benaderingen, sjablonen te vereenvoudigen en de inzet van middelen voor zowel banken als toezichthouders naar beneden te brengen. Deze wijzigingen zullen worden ingevoerd met ingang van de thematische stresstest in 2026 en de EU-brede stresstest in 2027.
  4. Kapitaalgerelateerde beslissingen: de ECB voert een versnelde procedure in voor de goedkeuring van duidelijk omschreven eigenvermogenstransacties met een laag risico. Dit initiatief om de verwerkingstijd te verkorten zal vanaf het eerste kwartaal van 2026 van start gaan. Door voortdurend te investeren in digitale technologieën streeft de ECB ernaar de verwerkingstijden voor de eenvoudigste gevallen terug te brengen tot twee weken.
  5. Toezichtrapportages: de ECB streeft ernaar het rapportageproces te stroomlijnen en de kosten voor banken te verlagen, en daarbij tegelijkertijd de kwaliteit en relevantie van de verzamelde gegevens te handhaven. In 2025 heeft de ECB een enquête uitgestuurd om voorstellen van de sector te verzamelen om het rapportagelandschap te vereenvoudigen, gevolgd door een workshop. De ECB heeft de ‘minstgebruikte sjablonen’ tegen het licht gehouden en het aantal bestaande rapportagevereisten teruggebracht. Zo is het aantal gegevenspunten in het rapportagepakket voor de kortetermijnexercitie van 2026 teruggebracht met 18,5%. In 2026 is de ECB voornemens haar horizontale rapportageverzoeken verder te verfijnen en te verbeteren, en materialiteitsdrempels voor herrapportage vast te stellen. In de SREP-cyclus 2027 zullen ook verdere verfijningen van de kortetermijnexercitie geïntroduceerd worden. De ECB implementeert ook maatregelen om de proportionaliteit in de rapportagevereisten voor kleine en niet-complexe instellingen (SNCI’s) te verbeteren, waaronder de integratie van het SNCI-concept in de FINREP-verordening van de ECB.
  6. On-site toezicht: de ECB en de NCA’s zijn overeengekomen om in 2026 een reeks verbeteringen aan te brengen in het on-site onderzoeksproces. Het gaat hierbij om het herzien en stroomlijnen van interne en externe richtsnoeren in verband met on-site toezicht, het opstellen van beknoptere onderzoeksrapporten, het versterken van de coördinatie tussen de onderzoeksteams ter plaatse en het invoeren van kortere, meer gerichte missies.

In elk van deze zes werkterreinen breidt de ECB het gebruik van digitale instrumenten voor haar oversight verder uit (supervisory technology – SupTech). In dit verband start de ECB een meerjarig IT-project (2026-2028) om de toezichtsprocessen van begin tot eind verder te digitaliseren, inclusief besluitvormingsprocedures, door een betere integratie van interne systemen en het beoogde gemeenschappelijke SSM-portaal (zie paragraaf 5.2.1). Deze versterking van de digitale infrastructuur van de ECB helpt toezichthouders niet alleen hun taken efficiënter en effectiever te vervullen, maar komt uiteindelijk ook ten goede aan de onder toezicht staande instellingen door eenvoudigere communicatie, snellere verwerking van toezichtstaken en een efficiënter gebruik van middelen.

1.3.2.1 Andere geplande initiatieven

In 2026 begint de ECB met herziening van haar toezichtsgidsen en andere uitingen om meer transparantie over haar verwachtingen en toezichtsbenaderingen te geven. Een van de doelstellingen hierbij is om nogmaals te benadrukken dat de ECB-richtsnoeren geen bindende vereisten bevatten die verder gaan dan de toepasselijke EU-wetgeving.

Daarnaast zal de ECB de toepassing van proportionaliteit in het toezicht op minder belangrijke instellingen (less significant institutions – LSI’s) evalueren. Daarbij zal met name worden gekeken naar de LSI’s die onder het bestaande SNCI-kader vallen. De evaluatie betreft onder meer de frequentie en diepgang van de SREP-beoordeling, het interne beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid (internal capital adequacy assessment process – ICAAP) en van de liquiditeitstoereikendheid (internal liquidity adequacy assessment process – ILAAP), en sectorbrede stresstests.

1.3.2.2 Invoering en opvolging

De wijzigingen die in het kader van het Next-level toezicht-project zijn overeengekomen, zullen in 2026 en de jaren erna worden doorgevoerd, naast de lopende werkzaamheden ter versterking van de gemeenschappelijke toezichtcultuur (zie paragraaf 1.3.3). De ECB zal de voortgang van de uitvoering van de verschillende hervormingsinitiatieven blijven volgen, en hierover rapporteren in het jaarverslag over haar toezichtswerkzaamheden.

Kader 2
Versnelde beoordeling van significante risico-overdracht voor securitisatietransacties

Volgens de EU-regels voor banken mogen de kapitaalvereisten voor gesecuritiseerde blootstellingen alleen worden verlaagd wanneer de toezichthouder heeft geverifieerd dat een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen aan derden (significant risk transfer – SRT).

In januari 2025 startte de ECB een testperiode van zes maanden voor een versnelde beoordelingsprocedure voor meer gestandaardiseerde SRT-securitisaties, waarbij de nadruk in eerste instantie lag op synthetische securitisaties. Tijdens de testperiode werd gekeken naar manieren om de beoordeling van routinetransacties te stroomlijnen en tegelijkertijd een sterke nadruk te blijven leggen op risico’s en veerkracht. Gedurende deze periode volgde de ECB ook de ontwikkelingen op de securitisatiemarkt.

Op basis van de opgedane ervaringen is de versnelde beoordelingsprocedure in januari 2026 ingevoerd, zoals uiteengezet in de Gids over de kennisgeving van overdracht van een aanzienlijk deel van het risico en stilzwijgende steun voor securitisaties van de ECB.

Volgens de versnelde beoordelingsprocedure komen alleen gestandaardiseerde SRT-securitisaties in aanmerking. De procedure is gebaseerd op een geharmoniseerd kennisgevingsmodel dat kwalitatieve en kwantitatieve informatie vereist. Door gebruik te maken van productstandaardisering en geharmoniseerde sjablonen kunnen toezichtmiddelen worden ingezet voor diepgaande beoordeling van complexere securitisaties en versterkt toezicht op bankniveau. Voor transacties met bijzondere kenmerken, zoals geconcentreerde portefeuilles of non-standaardcontractbepalingen, is nog steeds verscherpt onderzoek nodig. Ondanks de versnelde procedure blijven alle toepasselijke mondiale normen en Europese regelgevingseisen onverkort van toepassing. De ECB zal de versnelde beoordelingsprocedure aanvullen met steekproefsgewijze controles achteraf .

Zoals benadrukt in het advies van de ECB van 11 november 2025[30], kan de grootschalige uitgifte van synthetische securitisaties leiden tot risico’s voor de financiële stabiliteit, waaronder risico’s die voortvloeien uit doorrolrisico’s. De ECB zal de potentiële opbouw van risico’s in verband met de totale uitgifte van synthetische securitisaties daarom blijven volgen, op basis van gedetailleerde gegevens ter ondersteuning van toezichts- en macroprudentiële analyses.

1.3.3 SSM-toezichtcultuur

In februari 2025 heeft de Raad van Toezicht van de ECB haar toezichtscultuurinitiatief[31] gelanceerd: een platform voor discussies over onderwerpen als de SREP-hervorming (zie paragraaf 1.3.1) en het Next-level toezichtproject (zie paragraaf 1.3.2). Het doel van dit meerjarige initiatief is een consistente en effectieve uitvoering van dergelijke hervormingen en projecten binnen het Europees bankentoezicht te waarborgen, door een gemeenschappelijke toezichtscultuur te bevorderen die in overeenstemming is met de drie belangrijkste strategische doelstellingen.

  • Risicogebaseerd toezicht: prioriteit geven aan materiële risico's, verantwoordelijkheid nemen voor beslissingen en daadkrachtig optreden
  • Efficiënt en effectief toezicht: tijdige resultaten leveren, tekortkomingen zo snel mogelijk herstellen en voortdurende verbetering stimuleren
  • Geïntegreerd toezicht: samenwerking binnen het Europees bankentoezicht om als team betere resultaten te behalen.

Om deze strategische doelstellingen te bereiken, is een activeringsplan opgesteld om communicatie en samenwerking te versterken, vaardigheden en leiderschap te ontwikkelen, de aandacht voor risico’s en prioriteiten te vergroten en de operationele efficiëntie te verbeteren.

Dit meerjarige initiatief wordt gezamenlijk uitgevoerd door ECB-Bankentoezicht en de NCA’s.

1.3.4 Beoordeling van de effectiviteit van het toezicht

Effectief toezicht zorgt ervoor dat banken hun tekortkomingen tijdig herstellen. ECB-Bankentoezicht streeft naar voortdurende verbetering van de effectiviteit van haar toezicht door toezichthouders in staat te stellen prudentiële risico’s te beoordelen, materiële tekortkomingen vast te stellen en effectiever gebruik te maken van het toezichtsinstrumentarium en hun toezichtsbevoegdheden.

In 2025 ontwikkelde de ECB een kader om de effectiviteit van haar toezicht te beoordelen. Hierin zijn de methodieken gedefinieerd die gebruikt kunnen worden om de effectiviteit van relevante toezichtsactiviteiten te beoordelen, met name de methodieken die worden gebruikt om de toezichtsprioriteiten uit te voeren.

Daarbij moet rekening worden gehouden met bepaalde belemmeringen, zoals het feit dat de uitkomsten van toezichtactiviteiten mogelijk (i) niet direct waarneembaar zijn in financiële of statistische gegevens, (ii) een vertraagde impact hebben, en (iii) worden beïnvloed door externe factoren die buiten de invloedssfeer van de toezichthouder vallen. Daarom is het van cruciaal belang dat toezichthouders hun beoordelingen van begin af aan zorgvuldig voorbereiden. Tijdens de planningsfase worden de JST’s geacht duidelijke doelstellingen vast te stellen die de beoogde impact op hun onder toezicht staande instellingen specificeren, bepalen hoe deze impact kan worden gemeten aan de hand van specifieke indicatoren, zelfs als dit alleen gedeeltelijk mogelijk is, en de bijbehorende gegevensvereisten vaststellen.

Door de effectiviteit van haar toezicht te beoordelen, kan de ECB de conclusies van deze beoordelingen uiteindelijk gebruiken om de manier waarop zij haar toezichtsactiviteiten uitvoert voortdurend te verbeteren, bijvoorbeeld door te besluiten of een geprioriteerde kwetsbaarheid op de juiste wijze is aangepakt of dat haar toezichtstrategie voor het verhelpen van dergelijke kwetsbaarheden moet worden aangepast. Deze beoordelingen kunnen ook worden gebruikt als input voor de aanbevolen procedures of methoden die worden gebruikt om bepaalde beoogde toezichtsresultaten te bereiken.

Deze beoordeling van de effectiviteit van het toezicht van de ECB kan bovendien bijdragen aan de communicatie met haar externe belanghebbenden, zoals het Europees Parlement, en kan daarmee worden meegenomen in een discussie over de verantwoordingsplicht van het ECB-bankentoezicht.

1.4 Rechtstreeks toezicht op belangrijke instellingen

1.4.1 Off-site toezicht

Het rechtstreekse toezicht op kredietinstellingen is gericht op het vaststellen en aanpakken van risico’s om ervoor te zorgen dat banken weerbaar blijven en goed worden geleid in een steeds complexere en dynamische omgeving.

De effectiviteit van het off-site toezicht wordt vergroot door gebruik te maken van een geïntegreerd en gecoördineerd planningssysteem waarmee de JST’s een evenwicht kunnen vinden tussen hun horizontale, bankspecifieke en ad-hoc toezichtstaken (zie ook paragraaf 1.4.1.2).

1.4.1.1 Proportionaliteitsbeginsel

ECB-Bankentoezicht past het proportionaliteitsbeginsel toe op haar toezichtswerkzaamheden en -methoden. De reikwijdte en intensiteit van het toezicht zijn afhankelijk van factoren zoals de omvang, de systeemrelevantie, het risicoprofiel en de complexiteit van het bedrijfsmodel van de bank.

In overeenstemming met de meerjarige SREP-benadering van ECB-Bankentoezicht (zie paragraaf 1.3.1) kunnen banken met een stabiel en minder complex risicoprofiel toe met minder of minder frequente toezichtbeoordelingen, terwijl voor instellingen met een hoger risico of een grotere systeemrelevantie een meer alomvattende beoordeling gepast is.

Als gevolg daarvan plannen en verrichten JST’s die verantwoordelijk zijn voor grotere en/of risicovollere SI’s doorgaans meer toezichtsactiviteiten per jaar dan de JST’s die toezicht houden op kleinere en/of minder complexe instellingen.

1.4.1.2 Proces van toezichtsplanning en toezichtactiviteiten

Het toezichtsplanningsproces volgt een consistente en geïntegreerde benadering, waarbij de planning van horizontale activiteiten, on-site onderzoeken, beoordelingen van interne modellen en de toezichtswerkzaamheden van de JST’s worden gestuurd door de toezichtsprioriteiten.

Om effectief toezicht te waarborgen, werken de verschillende organisatie-eenheden van de ECB nauw samen bij de planning van hun activiteiten, met inachtneming van de toezichtsprioriteiten, de bankspecifieke risico’s en het risicotolerantiekader. Een onderdeel van deze planning is de selectie van onder toezicht staande instellingen voor horizontale activiteiten en on-site onderzoeken. Een van de resultaten van dat proces is een werkprogramma op hoofdlijnen, dat een aanvulling vormt op het algemene planningsproces van de JST’s.

De door de JST’s geplande toezichtswerkzaamheden worden opgenomen in het jaarlijkse programma voor onderzoek door de toezichthouder (Supervisory Examination Programme – SEP). De toezichtsplanning vormt een belangrijk onderdeel van de communicatie van de JST’s met de onder toezicht staande instellingen. Tegen het einde van het jaar ontvangen de banken een vereenvoudigde planning met een beschrijving van de toezichtsactiviteiten die betrokkenheid of input vragen van de onder toezicht staande instellingen.

Na de SREP-hervorming en de overgang naar een meer geïntegreerd meerjarig beoordelingskader leveren de geplande toezichtswerkzaamheden in het kader van bovengenoemd programma belangrijke analytische informatie voor de SREP-beoordelingen van de JST’s (zie paragraaf 1.3.1).

Met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel bestaan de planningen voor de off-site werkzaamheden uit: (i) op risico's gerichte activiteiten (zoals de SREP), (ii) overige activiteiten gericht op organisatorische, administratieve of juridische vereisten (zoals de jaarlijkse significantiebeoordeling), en (iii) additionele activiteiten die de JST’s inzetten om de werkplanning toe te spitsen op de specifieke kenmerken van de onder toezicht staande groep of instelling (bijv. analyses van het bedrijfsmodel of de governancestructuur van een bank).

1.4.1.3 Toezichtsmaatregelen

De toezichtsmaatregelen[32] zijn een van de belangrijkste uitkomsten van de reguliere toezichtswerkzaamheden ter plaatse en op afstand. Hierin staan gedetailleerde acties beschreven die de onder de toezicht staande instellingen moeten ondernemen om tekortkomingen te herstellen. De JST’s zijn verantwoordelijk voor de controle op de tijdige en doeltreffende uitvoering van deze maatregelen. In 2025 nam het aantal nieuwe toezichtsmaatregelen af ten opzichte van 2024. De meeste toezichtsmaatregelen hadden betrekking op werkzaamheden ter plaatse: bijna 63% bestond uit on-site onderzoeken en beoordelingen van interne modellen (die ook grotendeels ter plaatse werden uitgevoerd). Net als in voorgaande jaren hield het grootste aandeel van de nieuwe toezichtsmaatregelen verband met kredietrisico (42,5%), gevolgd door interne governance (10,7%) (Grafiek 2).

Grafiek 2

Toezichtsmaatregelen

a) Aantal maatregelen die elk jaar worden geregistreerd


b) Nieuwe maatregelen in 2025 per activiteit

c) Nieuwe maatregelen in 2025 per risicocategorie

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat maatregelen bij alle instellingen onder rechtstreeks toezicht van de ECB (variërende steekproef). IRRBB staat voor renterisico in het bankenboek. Gegevens per 31 december 2025.

1.4.1.4 Horizontale SREP-analyse

De ECB heeft de geaggregeerde resultaten van de SREP 2025 voor onder toezicht staande instellingen gepubliceerd op 18 november 2025, met ontwikkelingen in de SREP-scores en de Pijler 2-kapitaalvereisten en -aanbevelingen, kwalitatieve maatregelen en een analyse van bepaalde risicogebieden. De ECB heeft de bankspecifieke Pijler 2-kapitaalvereisten voor 2026 beschikbaar gesteld, waaronder de vereisten die worden gebruikt om het risico van buitensporige hefboomwerking aan te pakken. Alle onder toezicht staande instellingen stemden in met de publicatie van hun Pijler 2-vereisten en hun Pijler 2-vereisten voor de hefboomratio.

De totale SREP-score verbeterde van 2,6 in 2024 tot 2,5 in 2025, waarbij voor 6% van de banken de score verslechterde en deze voor 19% verbeterde. De totale kapitaalvereisten en -aanbevelingen bleven gemiddeld stabiel op 15,6% van de risicogewogen activa, terwijl de mediaan van de Pijler 2-vereisten 2,3% bedroeg, grotendeels onveranderd ten opzichte van het voorgaande jaar. Daarnaast daalde de gemiddelde Pijler 2-aanbeveling van 1,3% naar 1,1%, waarbij uit de resultaten van de stresstest voor 2025 blijkt dat de hogere geraamde kredietrisico’s, marktrisico’s en operationele risicoverliezen werden gecompenseerd door de hoge geaggregeerde winsten die in 2024 werden geboekt. Dit leidde tot een lagere totale kapitaalafname en daarmee tot een lagere Pijler 2-aanbeveling (zie paragraaf 1.1.1).

De SREP van 2025 bevestigde dat de banken onder toezicht van de ECB over het geheel genomen weerbaar bleven, met solide kapitaal- en liquiditeitsposities. Dit werd ondersteund door robuuste regelgeving, efficiënt toezicht en de buitengewone budgettaire en monetaire beleidsreactie op recente macro-economische schokken, zoals de COVID-19-pandemie, de oorlog van Rusland tegen Oekraïne en de daaropvolgende energiecrisis. Banken blijven echter opereren in een steeds uitdagender omgeving, met meervoudig gelaagde geopolitieke risico’s en economische onzekerheid. Vooruitkijkend is het belangrijk dat banken hun financiële en operationele veerkracht behouden, hun bedrijfsmodellen versterken en concurrerender worden, zodat ze beter in staat zijn de reële economie van Europa te ondersteunen.

1.4.2 Toezicht ter plaatse

Overeenkomstig de GTM-verordening bestaat het ECB-toezicht uit een combinatie van toezicht op afstand en toezicht ter plaatse, met als doel een gedetailleerde en grondige analyse van de bedrijfsactiviteiten. Het toezicht ter plaatse omvat enerzijds inspecties ter plaatse (on-site inspections - OSI’s), d.w.z. diepgaande onderzoeken naar risico’s, risicobeheersingsmaatregelen en governance, en anderzijds onderzoeken van interne modellen (internal model investigations − IMI’s): grondige beoordelingen van de interne modellen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar de methodologieën, risico’s, risicobeheersingsmaatregelen en governance.

In 2025 zijn voor belangrijke instellingen 163 OSI’s en 77 IMI’s gestart. De in 2025 uitgevoerde OSI's hadden betrekking op zowel financiële als niet-financiële risico’s. De onderzoeksgebieden sloten aan bij de toezichtsprioriteiten van de ECB, zodat ook bankspecifieke punten van zorg werden aangepakt. Daarnaast is de ECB in 2025 begonnen met haar dreigingsgestuurde penetratietests voor belangrijke instellingen, een nieuwe taak die voortvloeit uit artikel 26, lid 1, van DORA.

Tabel 1

OSI's uitgesplitst naar risicosoort

Risicosoort

2024

2025

OSI’s

Belangrijke instellingen*

OSI’s

Belangrijke instellingen*

Bedrijfsmodel en winstgevendheid

22

20

15

15

Kapitaal (ICAAP en toetsingsvermogen)

13

13

15

15

Kredietrisico

44

36

40

35

Renterisico en creditspreadrisico in het bankboek

18

18

9

9

Interne governance

24

22

31

31

Liquiditeitsrisico

14

14

10

10

Marktrisico

9

9

13

13

IT-risico

19

18

22

22

Operationele weerbaarheid

2

2

8

6

Bron: ECB.
* Aantal afzonderlijke geïnspecteerde belangrijke instellingen.

De IMI’s die in 2025 zijn gehouden, hadden meestal betrekking op gebieden zoals materiële modelwijzigingen als gevolg van regelmatig modelonderhoud en de uitvoering van verplichte verbeterpunten die voortvloeiden uit eerdere IMI’s.

In juli 2025 heeft de ECB haar gids over interne modellen bijgewerkt op basis van de wijzigingen die met CRR III zijn ingevoerd, om de interpretatie van de regelgevingsvereisten door de ECB te verduidelijken en tegemoet te komen aan verzoeken vanuit de sector voor richtsnoeren, zoals over de toepassing van machinelearning bij interne modellen. De gids bevat ook verduidelijkingen van bepaalde kwesties die de ECB tijdens haar IMI’s heeft geconstateerd.

Tabel 2

IMI's uitgesplitst naar risicosoort

Risicosoort

2024

2025

IMI’s

Belangrijke instellingen*

IMI’s

Belangrijke instellingen*

Kredietrisico

71

48

66

38

Tegenpartijkredietrisico

6

6

5

5

Marktrisico

1

1

6

6

Bron: ECB.
* Aantal afzonderlijke geïnspecteerde belangrijke instellingen.

Grafiek 3

In 2023, 2024 and 2025 gestarte inspecties ter plaatse en onderzoeken van interne modellen

(aantal onderzoeken)

Bron: ECB.

De ECB heeft over de werkzaamheden en uitkomsten van het toezicht ter plaatse ook bericht in haar Supervision Newsletter.[33]

1.4.2.1 Belangrijkste bevindingen van inspecties ter plaatse, per risicosoort

Wat betreft de berekening van het toetsingsvermogen (Pijler 1), waren de belangrijkste bevindingen: (i) aan risicoposities waren te geringe risicogewichten toegekend; (II) technieken voor het beperken van kredietrisico's waren niet juist bepaald; en (iii) de beheersingskaders voor de berekening van de kapitaalvereisten, met name het kredietrisico, waren ontoereikend.

De ernstigste bevindingen uit het interne beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid (internal capital adequacy assessment process – ICAAP), betroffen (i) interne methoden en aannames voor de kwantificering van intern kapitaal die onvoldoende robuust, inconsistent en te optimistisch waren en niet afdoende waren ingevoerd; en (ii) tekortkomingen in instellingsbrede stresstests als gevolg van een onjuiste frequentie en een ontoereikende dekking van zowel het normatieve als het economische perspectief.

Wat het kredietrisico betreft, vertoonden banken aanzienlijke tekortkomingen bij de kwantificering van de verwachte kredietverliezen voor renderende leningen. Met name bij inspecties ter plaatse werden nog steeds materiële verbeterpunten geconstateerd in de kaders voor de significante toename van kredietrisico’s. Door zulke tekortkomingen ontstaat het risico van ontoereikende herrubriceringen in fase 2 en mogelijk te laag geraamde bijzondere waardeverminderingen. Er werden ook tekortkomingen vastgesteld bij de parameters voor het ramen en kalibreren van de kans op wanbetaling en het verlies bij wanbetaling in de modellen voor verwacht kredietverlies. Sommige banken hadden moeite om verslechteringen van de kredietwaardigheid van tegenpartijen op te sporen, waarbij problemen ontstonden in monitoringprocessen zoals de waardering van onderpand en vroegtijdige waarschuwingssystemen.

Verder werden er tekortkomingen vastgesteld op het gebied van governance, waaronder zwakke interne beheersingsmaatregelen en ontoereikende risicobeheerkaders en kredietverleningsprocessen. Ook bleven er uitdagingen bestaan bij het vaststellen van wanbetalingen bij posities waarvan de betaling als onwaarschijnlijk was aangemerkt, met slechte triggerkwaliteit en uitvoering. Deze kwesties onderstreepten de noodzaak om op het gebied van risicobeheer en krediettoezicht tot betere werkwijzen te komen om aan de regelgevingsnormen te voldoen.

De ernstigste bevindingen ten aanzien van het liquiditeitsrisico hadden betrekking op de toezichtsrapportages, de liquiditeitsdekkingsratio en de nettostabielefinancieringsratio. Uit kritieke bevindingen kwamen ook inconsistenties tussen het financieringsplan, het noodfinancieringsplan en de liquiditeitsrisicostrategie naar voren. Andere bevindingen hebben betrekking op tekortkomingen in het organisatorische kader voor het beheer van liquiditeitsrisico’s, zoals zwakke punten in de governance, de risicostrategie en in de opzet van scenario’s voor liquiditeitsstresstests.

Wat betreft het renterisico en het creditspreadrisico in het bankboek (IRRBB/CSRBB) zijn er ernstige problemen vastgesteld bij het meten en beheren van het IRRBB, zoals ontoereikende modelleringsaannames, onvoldoende formalisering, slechte opzet van IRRBB-strategieën, verouderde gegevens en zwakke IT-systemen of modelrisicokaders. Andere ernstige bevindingen betroffen het gebrek aan betrokkenheid van leidinggevende organen bij het vaststellen en monitoren van IRRBB-risicoprocessen en het ontwikkelen van kaders voor het beheersen van het CSRBB.

De belangrijkste bevindingen ten aanzien van het marktrisico hadden betrekking op het waarderingsrisico, de governance, het risicobeheer en het tegenpartijkredietrisico. Zo werden met betrekking tot het waarderingsrisico zwakke punten geconstateerd bij de prudentiële en administratieve aanpassingen, de onafhankelijke prijsverificatie en de dagelijkse winstafschrijving. Er werden ook tekortkomingen aangetroffen in de governance, limietenkaders en methoden voor de handelsportefeuille en het bankboek. De inspecties van het tegenpartijkredietrisico brachten tekortkomingen aan het licht in de belangrijkste maatstaven voor modellering en validatie (bijv. voor mogelijke toekomstige risicoposities of stresstests), de bewaking van limieten en het onderpandbeheer. Ter voorbereiding op de uitvoering van de fundamentele herziening van de handelsportefeuille zijn zowel kwalitatieve als kwantitatieve verbeterpunten geconstateerd, waaronder onduidelijke taken en verantwoordelijkheden, problemen met uitbesteding, het ontbreken van onafhankelijke validatie en methodologische tekortkomingen.

De zwakke punten met betrekking tot de interne governance en nauw daarmee samenhangende bevindingen hadden te maken met (i) tekortkomingen in de aggregatie van risicogegevens en risicorapportages door zwakke governancekaders en een dito gegevensarchitectuur en IT-infrastructuur, die van invloed waren op de nauwkeurigheid en integriteit van de gegevens; (ii) de onafhankelijkheid, het takenpakket en de middelen van alle interne controlefuncties; en (iii) tekortkomingen in de uitbesteding van risicobeoordelingen, met name van IT-diensten (zie verderop).

De kritische bevindingen ten aanzien van het bedrijfsmodel en de winstgevendheid hadden betrekking op: problemen met het sturen op winstgevendheidsfactoren, met de implementatie van de strategie, met kaders voor productbeprijzing, met methoden en monitoring alsook met kostentoerekening, aannames in het bedrijfsplan en financiële prognoses. De activiteiten op het gebied van de digitale transformatie vertoonden dezelfde zwakke punten als bij eerdere inspecties ter plaatse.

Wat betreft het klimaat- en milieurisico blijkt uit OSI’s dat banken de risico’s niet volledig in kaart hadden gebracht noch de materialiteit ervan hadden geanalyseerd of juiste risicobereidheidsverklaringen hadden afgegeven. Een andere veelvoorkomende bevinding was dat klimaatrisicofactoren geen deel uitmaakten van het kredietrisicobeheer, het toezicht door het leidinggevend orgaan of het gegevenskader.

Wat betreft het IT-risico had het grootste deel van de ernstige bevindingen opnieuw betrekking op het IT- en cyberveiligheidsbeheer; met name de capaciteiten op het gebied van gegevensbescherming en signalering schoten tekort. Net als vorig jaar werden er aanzienlijke tekortkomingen vastgesteld bij de uitbesteding van IT en de beheersing van het IT-risico van derden, met aanzienlijke risico’s voor de bedrijfscontinuïteit tot gevolg, vooral gezien de snelle geopolitieke veranderingen.[34] Daarnaast deden zich grote tekortkomingen voor in het risicobeheer en de governance op IT-gebied. De bevindingen houden vaak verband met de signalering en beoordeling van risico's en de houding van het leidinggevend orgaan tegenover zijn toezichtsverantwoordelijkheden.[35]

Concluderend kan worden gesteld dat er bij het risicobeheer over het algemeen vooruitgang is geboekt, maar dat de inspecties overtredingen van de regels en verkeerde berekeningen van risico’s aan het licht hebben gebracht. Uit de aanzienlijke tekortkomingen op het gebied van risicokwantificering, governance en interne beheersingsmaatregelen blijkt dat nadere maatregelen nodig zijn voor een weerbare banksector, vooral gezien de aanhoudende geopolitieke en economische onzekerheid.

1.4.2.2 Onderzoeken van de interne modellen: de belangrijkste bevindingen

Bij onderzoeken van interne modellen wordt beoordeeld of de interne modellen die banken gebruiken om hun kapitaalvereisten te berekenen, voldoen aan de vereisten van wet- en regelgeving. Zulke onderzoeken kunnen worden gehouden op verzoek van een bank (bijv. wanneer een model voor het eerst moet worden goedgekeurd, bij materiële wijzigingen van modellen, bij de uitbreiding of uitrol van een model, of wanneer deels permanent gebruik wordt gemaakt van –of wordt teruggekeerd naar – minder geavanceerde modelbenaderingen), of op initiatief van de ECB.

Meer dan 90% van de IMI’s in 2025 werd gehouden op verzoek van de banken, ter beoordeling van modelwijzigingen, initiële modelgoedkeuringen of modeluitbreidingen. Net als in 2024 bedroeg het aandeel van door de ECB geïnitieerde IMI’s ongeveer 5%. De ECB ontving en beoordeelde ook tal van aanvragen om terug te keren naar een minder geavanceerde modelbenadering. Deze verzoeken pasten in de algemene ontwikkeling om interne modellen te vereenvoudigen, in reactie op de gedetailleerdere en aangescherpte normen die voortvloeien uit de EBA-regels en de EU-regelgeving, met name bij portefeuilles met een relatief kleine omvang en/of met data die weinig representatief zijn.

De in 2025 uitgevoerde IMI’s brachten verschillende tekortkomingen aan het licht. Een IMI telde gemiddeld 16 bevindingen, waarvan bijna de helft zeer ernstig.[36]

Als er puur gekeken wordt naar de procedurele aspecten van op interne ratings gebaseerde modellen voor kredietrisico’s was ongeveer twee vijfde van de bevindingen zeer ernstig. Daarvan had meer dan de helft betrekking op tekortkomingen in de IT-infrastructuur, de documentatie en de toekenning van ratings. Een vergelijkbaar aandeel (twee vijfde) zeer ernstige bevindingen zagen we bij de modellering van de kans op wanbetaling en het verlies bij wanbetaling. Bij de modellen voor de kans op wanbetaling had bijna twee derde van de ernstige bevindingen betrekking op risicokwantificering en de structuur van het ratingsysteem, bij de modellen voor het verlies bij wanbetaling was dat ongeveer de helft. Voor onderwerpen met veel ernstige bevindingen verschafte de ECB een aanvullende toelichting in haar herziene gids voor interne modellen.

Tijdens de verslagperiode werd één onderzoek naar marktrisico afgerond, vanwege de aanstaande nieuwe vereisten voortvloeiend uit de fundamentele herziening van de handelsportefeuille. De belangrijkste vastgestelde tekortkomingen betroffen enkele bouwstenen van de nieuwe benadering.

Er vonden verschillende nieuwe onderzoeken plaats om de gestandaardiseerde benadering voor aanpassingen van de kredietwaardering te beoordelen die met ingang van januari 2025 is ingevoerd op grond van een nieuwe verordening. Onderdeel daarvan was een nieuw model om de gevoeligheid voor regelgeving te bepalen dat door de toezichthouder moet worden goedgekeurd. Er werden voornamelijk tekortkomingen vastgesteld wat betreft de reikwijdte van het model, de wettelijk voorgeschreven berekeningen en de kwaliteit en het onderhoud van de data.

Bij het tegenpartijkredietrisico hadden de belangrijkste zwakke punten betrekking op materiële uitbreidingen van modellen voor equity prime brokerage. In deze gevallen vloeiden de meeste problemen voort uit het gebruik van een VaR-rekenmodule die oorspronkelijk was ontworpen voor het marktrisico als gevolg van tegenpartijkredietrisico, uit tekortkomingen in het modelleren van de risicopieken en de bijbehorende risicofactoren, en uit backtesting en validering van de prijsstelling.

1.4.3 Fundamentele herziening van de handelsportefeuille

De fundamentele herziening van de handelsportefeuille is een essentieel onderdeel van het herziene Bazel III-raamwerk. Deze bestaat uit ingrijpende aanpassingen van de Pijler 1-kapitaalvereisten voor marktrisico. Daarbij wordt voortgebouwd op de lessen die zijn getrokken uit de wereldwijde financiële crisis van 2007-2008, met als doel de kans op – en de gevolgen van – soortgelijke gebeurtenissen in de toekomst te verkleinen. Nieuw zijn met name de strengere regels voor de classificatie van activa binnen of buiten de handelsportefeuille, een alternatieve standaardbenadering, die zowel risicogevoeliger als complexer is dan de huidige standaardbenadering, en aanvullende vereisten voor het gebruik van interne modellen.

Als gevolg van de grote onzekerheid over de tenuitvoerlegging van Bazel III in andere rechtsgebieden die de regels van het Bazels Comité voor bankentoezicht hanteren, heeft de Europese Commissie de toepassing van deze normen voor de handelsportefeuille in de EU met één jaar uitgesteld tot 1 januari 2027, overeenkomstig haar gedelegeerde verordening van 12 juni 2025[37]. Tussen 6 november 2025 en 6 januari 2026 heeft de Commissie een gerichte raadpleging gehouden over beleidsopties om de negatieve kapitaaleffecten voor EU-banken gedurende drie jaar, tot en met 2029, te beperken.[38]

In 2025 heeft de ECB opvolging gegeven aan de bevindingen van een gerichte toetsing op afstand en verschillende OSI’s en IMI’s door actieplannen van banken voor herstel te analyseren en te benchmarken. Bij sommige OSI’s, waarbij de tenuitvoerlegging van de alternatieve standaardbenadering werd beoordeeld, zijn daarnaast bankspecifieke tekortkomingen vastgesteld in de onderliggende berekeningen, de operationele processen en het gegevensbeheer, zoals boekingsproblemen, die voorkomen dat gevoeligheden correct worden doorgegeven, en in het optreden van de tweede en derde verdedigingslinie; daarbij valt te denken aan onvolledige autorisaties van gevoeligheden of het ontbreken van interne audits. Zowel kwalitatieve als kwantitatieve problemen kwamen aan het licht, waaronder een onduidelijke verdeling van taken en verantwoordelijkheden, problemen met uitbesteden, het ontbreken van onafhankelijke validatie, alsook inconsistenties in de reikwijdte van de berekeningen bij de alternatieve standaardbenadering. Voorbeelden hiervan zijn ontbrekende curvaturen bij financiële instrumenten met optionaliteit en methodologische tekortkomingen, waaronder de onjuiste categorisering van bepaalde risicofactoren met behulp van op gevoeligheid gebaseerde methoden, of de onjuiste berekening van notionele waarden in opslagfactoren voor restrisico’s. Bij de operationele tenuitvoerlegging hadden de banken te maken met uitdagingen op het gebied van gegevensbeheer, vooral wat betreft de kwaliteit en de beschikbaarheid van grote hoeveelheden gedetailleerde gegevens, de technologische infrastructuur, alsook de interpretatie en consistentie van de regelgeving als gevolg van verschillen tussen rechtsgebieden. Ondanks de alternatieve standaardbenadering vormde de complexiteit van de berekeningen eveneens een uitdaging voor de banken. Zo moesten er bijvoorbeeld op grond van de op gevoeligheid gebaseerde methode drie verschillende maatstaven worden berekend.

De eerste twee OSI’s waarbij de alternatieve standaardbenadering werd onderzocht vonden in 2023 plaats, een derde in 2024 en nog eens vier in 2025. Daarnaast zijn er, naast het lopende toezicht, voor 2026 nog zes van deze OSI’s gepland in het kader van een campagne om de uitvoering van de FRTB vlot te laten verlopen.

1.4.4 Toezicht op niet-EU-banken

In 2025 hield de ECB toezicht op 14 dochterondernemingen van niet-EU-banken die actief zijn in het eurogebied. Deze entiteiten bezitten samen in totaal € 1,9 biljoen aan activa, ofwel 7% van de totale activa die onder het bankentoezicht van de ECB vallen, en spelen een belangrijke rol in het financiële stelsel en de reële economie van de EU als aanbieders van producten van zakelijke en investeringsbanken. Hun gezamenlijke handelsportefeuille bedroeg € 815 miljard, goed voor 19% van de totale financiële activa onder ECB-toezicht. In het derde kwartaal van 2025 bedroegen hun activa in bewaring € 17 biljoen, ofwel 38% van de totale activa in bewaring onder ECB-Bankentoezicht.

In 2025 is het aandeel van niet-EU-banken in Europa licht toegenomen ten opzichte van 2024, aangezien de invoering van de gewenste nieuwe operationele modellen na de Brexit haar voltooiing naderde. Voor deze instellingen markeerde deze mijlpaal de overgang naar een meer stabiele en ontwikkelde operationele fase. Daarom verschoof de toezichtsfocus van de ECB van de oorspronkelijke prioriteiten na de Brexit – zoals het beoordelen van de bedrijfsmodellen van banken, governanceregelingen, banden met moedermaatschappijen en het voorkomen van lege vennootschappen – naar een meer bankspecifieke benadering, gericht op de eigen risico’s en kenmerken van individuele instellingen.

De consequente toepassing van regelgevende en toezichtsnormen op alle entiteiten van niet-EU-banken blijft voor de ECB een belangrijke prioriteit. Daarom blijven de toezichthouders samen gemeenschappelijke thema’s aanpakken, met name op gebieden waar de grootte van een dochteronderneming of een sterke (onderlinge) groepsafhankelijkheid een rol speelt, zoals bij de schokbestendigheid van het bedrijfsmodel, de aggregatie van risicogegevens en risicorapportage, de kaders voor operationele weerbaarheid, de beoordeling van herstelplannen en de beheersing van geopolitieke risico’s.

De ECB heeft ook dit jaar de implementatie gemonitord van de uitvoeringsplannen die voortvloeiden uit de deskmapping review (zie Kader 2 van het Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden 2023). De ECB heeft daarnaast voortdurend overlegd met niet-EU-banken over de implicaties van artikel 21 quater van de richtlijn kapitaalvereisten en de geplande implementatie van de vereisten op nationaal niveau. Vanaf 11 januari 2027 vereisen de bepalingen dat bankgroepen uit derde landen fysiek in de EU aanwezig zijn voor activiteiten waarbij deposito’s worden geïnd en leningen en garanties worden verstrekt. Naar verwachting leidt dit tot een materiële toename van de activa en tot verdere wijzigingen in de operationele modellen van niet-EU-banken, waardoor een grotere toezichtsintensiteit nodig is, met name met betrekking tot een breder scala aan activiteiten en risicoprofielen.

1.5 Oversight en indirect toezicht op minder belangrijke banken door de ECB

1.5.1 Structuur van de sector minder belangrijke instellingen

Het aantal LSI’s is verder gedaald tot 1.828.

Het aantal LSI’s daalde in het derde kwartaal van 2025 naar 1.828 entiteiten, op het hoogste consolidatieniveau, in vergelijking met 1.864 LSI’s eind 2024. 77% van alle Europese LSI’s bevindt zich in Duitsland en Oostenrijk. In 2025 hielden de veranderingen in de LSI-sector verband met 49 fusies, waarvan de meeste in Duitsland. Bovendien werden acht bankvergunningen ingetrokken en zes nieuwe vergunningen verleend.

Hoewel de LSI-sector uiteenlopende en soms zeer gespecialiseerde bedrijfsmodellen omvat, blijven retail- en consumentenkredietverstrekkers de belangrijkste categorie, met circa 61%. Dit zijn vaak regionale spaarbanken of coöperatieve banken, veelal lid van institutionele protectiestelsels.

Ondanks de aanhoudende consolidatie bleef het marktaandeel van LSI’s relatief stabiel op ongeveer 15% van de totale bancaire activa onder Europees bankentoezicht, met aanzienlijke verschillen tussen de landen.

Ondanks het over het geheel genomen afnemende aantal LSI’s bleef deze sector een belangrijk deel van de banksector in het eurogebied vertegenwoordigen, met ongeveer 15% van de totale bancaire activa (exclusief de financiëlemarktinfrastructuren die opereren met een bankvergunning). Het aandeel van de LSI-activa in de totale bancaire activa van elke lidstaat verschilt aanzienlijk, wat duidt op structurele verschillen tussen de eurolanden. In Oostenrijk, Duitsland, Luxemburg en Malta waren LSI’s goed voor meer dan een derde van de totale activa in de binnenlandse banksector, terwijl in de meeste andere landen de LSI-sector juist relatief klein is. In België, Frankrijk en Griekenland vertegenwoordigt deze sector bijvoorbeeld slechts respectievelijk 3,7%, 1,5% en 5,1% van de totale bancaire activa.

Grafiek 4

Onderverdeling van minder belangrijke instellingen naar bedrijfsmodel

(in procenten)

Bron: Berekeningen van de ECB op basis van het kader voor de classificatie van interne bedrijfsmodellen.
Toelichting: De grafiek toont het aantal LSI’s op het hoogste consolidatieniveau per bedrijfsmodel (exclusief bijkantoren en intermediairs op de financiële markten) in het tweede kwartaal van 2025.

1.5.2 Geselecteerde toezichtactiviteiten

Een belangrijke opdracht bij het toezicht op LSI’s is het bevorderen van hoge en consistente toezichtsnormen voor alle onder Europees bankentoezicht vallende LSI's. Een belangrijk aandachtspunt de afgelopen jaren is de behandeling van NPL’s, met name omdat de NPL-ratio voor leningenportefeuilles van LSI’s recentelijk opnieuw is gestegen. Een aanzienlijk aantal LSI’s had nog steeds te kampen met NPL’s uit het verleden die al vele jaren in de boeken stonden. Dit zou verdere verliezen kunnen veroorzaken en het kredietverlenend vermogen van deze banken beperken. Daarom heeft de ECB, in samenwerking met de NCA’s, een nieuw richtsnoer[39] opgesteld met een gemeenschappelijke benadering voor de toezichtsverwachtingen ten aanzien van de dekking van NPL’s uit het verleden. Dit initiatief profiteert van verschillende jaren ervaring met een vergelijkbare aanpak voor belangrijke instellingen, waarbij voor LSI’s alleen wel een aanzienlijk hogere mate van evenredigheid wordt gehanteerd.

Verdere initiatieven ter bevordering van deze hoge en consistente toezichtsnormen voor LSI’s waren onder meer (i) het aanpakken van ICT-risico’s, bijvoorbeeld door DORA te implementeren en instrumenten voor ICT-risicomonitoring te ontwikkelen; (ii) het ontwikkelen van gezamenlijke benaderingen voor het toezicht op bepaalde kenmerken of risico’s van bedrijfsmodellen, zoals fintech en een sterke concentratie financieringskanalen; en (iii) het opzetten van een contactgroep, waarin de ECB en verschillende NCA’s deelnemen, om de toezichtspraktijken ten aan zien van de klimaat- en natuurrisico’s van LSI’s te verbeteren. Daarnaast werden verschillende met LSI’s verband houdende exercities uitgevoerd, zoals regelmatige monitoring van kredietrisico’s en SREP-benchmarking, de horizontale analyse van het renterisico in het bankboek (IRRBB), de monitoring van hybride institutionele protectiestelsels en signalering van LSI’s die materiële groei doormaken bij belangrijke activiteiten. Deze initiatieven kunnen resulteren in vervolgactiviteiten door de NCA’s of de ECB indien significante zwakke punten of risico’s worden vastgesteld.

Naast de harmonisatie van de toezichtsnormen bleef de oversightfunctie zich richten op toezichtsprocedures en het bevorderen van gemeenschappelijke benaderingen. In dat kader werd in 2025 gestart met een project om de toezichtsbenaderingen voor het aanpakken van bevindingen bij en het nemen van toezichtsmaatregelen voor LSI’s te inventariseren en verder te verbeteren. Het project zal in 2026 worden voortgezet.

In 2025 hebben de toezichthouders van LSI’s bijzondere aandacht besteed aan de evaluatie en aanpak van de uitdagingen waarmee kleinere banken worden geconfronteerd als gevolg van de toenemende regelgevingsvereisten. De werkzaamheden op het gebied van evenredigheid waren met name gericht op kleine, niet-complexe instellingen en zullen in 2026 worden voortgezet, met als doel het bij het toezicht gehanteerde evenredigheidsniveau te verhogen zonder de schokbestendigheid van de LSI-sector als geheel in het gedrang te brengen.

1.5.3 Horizontale werkzaamheden op het gebied van stresstests van minder belangrijke instellingen

In 2025 hebben de ECB en de NCA’s een follow-up afgerond van de in 2022 gehouden beoordeling van de nationale toezichtspraktijken voor de LSI-stresstests. Deze omvatte een kwantitatieve inventarisatie van de meest recente geaggregeerde resultaten van de LSI-stresstests en verschillende daarmee verband houdende maatstaven voor stresstests.

Om de kennis die is opgedaan bij de stresstests te delen, hebben de ECB en de NCA’s regelmatig workshops georganiseerd over goede praktijken, bepaalde methodologische aspecten en de toepasselijke toezichtsinstrumenten.

1.6 Macroprudentiële taken van de ECB

De rol van de ECB in het macroprudentieel beleid is cruciaal voor de consistentie en de doeltreffendheid van dit beleid bij de aanpak van systeemrisico’s in het gehele eurogebied. Via haar oversightactiviteiten en soortgelijke functies onderzoekt de ECB de maatregelen die de nationale autoriteiten nemen om afzonderlijke lidstaten en de Europese Unie als geheel goed voor te bereiden op economische onzekerheid en op risico’s voor de financiële stabiliteit.

De ECB heeft in 2025 actief contact onderhouden met de nationale autoriteiten, overeenkomstig de macroprudentiële taken die haar krachtens artikel 5 van de GTM-verordening zijn opgedragen. Evenals in voorgaande jaren ontving en beoordeelde de ECB meldingen over het macroprudentieel beleid van de betrokken nationale autoriteiten. Het merendeel van deze meldingen had betrekking op besluiten over het vaststellen van contracyclische kapitaalbuffers (CCyB), op de vaststelling en kapitaalbehandeling van mondiaal systeemrelevante instellingen (G-SII’s) of andere systeemrelevante instellingen (O-SII’s), en op andere macroprudentiële maatregelen, zoals de vaststelling van systeemrisicobuffers en strengere risicowegingen voor banken met risicoposities in vastgoed.[40]

Verschillende nationale autoriteiten hebben in 2023 en 2024 cyclische of structurele kapitaalbuffers opgelegd of verhoogd. Deze trend zette zich voort tot in 2025, waardoor alle macroprudentiële autoriteiten in de bankenunie een of andere vorm van vrij te geven buffervereiste hadden aangekondigd of ingevoerd, waarbij tien landen een beleidskader voor de invoering van een zogeheten positief neutraal percentage voor de CCyB hebben aangenomen, oftewel een positief percentage voor de CCyB zolang conjuncturele systeemrisico’s nog niet verhoogd zijn. De nationale autoriteiten hebben kapitaalbufferpercentages voor 125 O-SII’s vastgesteld. Deze bufferpercentages waren in overeenstemming met de door de Raad van Bestuur van de ECB in december 2024 aangekondigde verbeterde methodiek voor de vaststelling van de ondergrens voor O-SII-buffers,[41] waarbij rekening wordt gehouden met het systeembelang van O-SII’s voor de bankenunie als geheel.

ECB-Bankentoezicht leverde ook een actieve bijdrage aan diverse werkzaamheden van het Europees Comité voor systeemrisico’s, zoals de periodieke beoordelingen van de risico’s en kwetsbaarheden in het financiële stelsel van de EU, de beoordeling van de weerbaarheid van dit stelsel tegen rentewijzigingen, de analyse van systeemrisico’s in de cryptosector en werkzaamheden op het gebied van securitisatie en creditdefaultswaps.

1.7 Risico’s en toezichtsprioriteiten voor 2026-2028

De toezichtsprioriteiten vormen een afspiegeling van de beoordeling door ECB-Bankentoezicht van de belangrijkste risico’s en kwetsbaarheden voor onder toezicht staande entiteiten op basis van de huidige risico's, toekomstgerichte informatie, zoals de macrofinanciële vooruitzichten en de resultaten van de EU-brede stresstest, en de herstelstatus van materiële tekortkomingen die tijdens zijn toezichts­werkzaamheden aan het licht zijn gekomen.

De banksector van het eurogebied is er tot dusver in geslaagd het hoofd te bieden aan de toegenomen geopolitieke en meer structurele economische uitdagingen die voortvloeien uit verschillende mondiale gebeurtenissen, zoals oorlogen en conflicten in verscheidene delen van de wereld, waaronder Europa, en de meer recente escalatie van de spanningen op het gebied van de wereldhandel. Al deze gebeurtenissen veroorzaakten perioden van grote volatiliteit op de financiële markten en vertroebelden de macrofinanciële vooruitzichten. Hoewel de financiële en prudentiële indicatoren de algehele schokbestendigheid van de banksector in het eurogebied bevestigen, zoals ook blijkt uit de EU-brede stresstest voor 2025 (zie paragraaf 1.1.1), hebben potentiële negatieve effecten als gevolg van deze externe uitdagingen nog geen materiële impact op de banksector gehad, terwijl de neerwaartse risico’s groot blijven gezien de aanhoudend grote onzekerheid.

Daarom heeft ECB-Bankentoezicht enkele gerichte aanpassingen aangebracht aan zijn toezichtsprioriteiten voor 2026-2028, maar blijft het de banken oproepen waakzaam te blijven en op korte tot middellange termijn prudent en gezond risicobeheer te waarborgen. De toezichtsprioriteiten voor 2026-2028 zijn daarom vooral gericht op de noodzaak voor banken om geopolitieke risico’s en macrofinanciële onzekerheden op te kunnen vangen door zich in de eerste plaats te richten op gedegen risicobeleid en kredietnormen, de consistente uitvoering van CRR III en verantwoord beheer van klimaat- en natuurrisico’s (prioriteit 1). Prioriteit 2 heeft versterking van de operationele weerbaarheid van banken en bevordering van robuuste ICT-capaciteiten ten doel, waaronder ook naleving van de nieuwe DORA-vereisten en het tijdig verhelpen van tekortkomingen in de risicorapportage en de daarmee samenhangende informatiesystemen.

ECB-Bankentoezicht ontwikkelt op grond van prioriteit 2 ook een middellange- tot langetermijnstrategie, die gericht is op de digitale (en AI-) strategie, de governance en het risicobeheer van onder toezicht staande entiteiten, zodat structurele trends en risicofactoren die de toekomst van de banksector bepalen in kaart gebracht worden. De toezichthouders zijn daarom van plan om in de loop van 2026 gericht met de banken in gesprek te gaan over een aantal van deze belangrijke thema’s. Zie voor meer informatie de Toezichtsprioriteiten 2026-2028.

2 Autorisaties, deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures en handhavings- en sanctieprocedures

2.1 Autorisaties

2.1.1 Significantiebeoordelingen

Na de jaarlijkse significantiebeoordeling en ad-hocbeoordelingen, houdt de ECB sinds 1 januari 2026 rechtstreeks toezicht op 112 banken.

De jaarlijkse beoordeling of een bank of bankgroep voldoet aan de criteria voor belangrijke instellingen[42] op basis van de GTM-kaderverordening[43] is in november 2025 afgerond. Daarnaast waren er verschillende ad-hocbeoordelingen, die uitgevoerd werden naar aanleiding van veranderingen in groepsstructuren. Dit resulteerde in 51 significantiebesluiten.

Als gevolg daarvan zijn 112 instellingen[44] per 1 januari 2026 als belangrijk aangemerkt.

De jaarlijkse beoordeling van 2025 resulteerde in de volgende wijzigingen.

Tabel 3

Wijzigingen ten gevolge van de jaarlijkse beoordeling van 2025

Daarnaast hebben de volgende veranderingen in groepsstructuren plaatsgevonden die invloed hadden op het aantal belangrijke onder toezicht staande entiteiten:

Tabel 4

Veranderingen in groepsstructuren die invloed hadden op het aantal belangrijke onder toezicht staande entiteiten

Tenslotte hebben de volgende veranderingen in groepsstructuren plaatsgevonden die echter geen invloed hadden op het aantal belangrijke onder toezicht staande entiteiten:

Tabel 5

Veranderingen in groepsstructuren die geen invloed hadden op het aantal belangrijke onder toezicht staande entiteiten

Instelling

Motivering

ALPHA BANK S.A.

Met ingang van 27 juni 2025 is ALPHA SERVICES AND HOLDINGS S.A. opgegaan in ALPHA BANK S.A.

Morgan Stanley Europe SE

Morgan Stanley Europe Holding SE is met ingang van 23 september 2025 opgegaan in Morgan Stanley Europe SE.

De lijst met onder toezicht staande entiteiten wordt regelmatig geactualiseerd en is te vinden op de website van ECB-Bankentoezicht.

Tabel 6

Belangrijke onder toezicht staande entiteiten op geconsolideerd en individueel niveau onder Europees bankentoezicht: jaarlijkse significantiebeoordelingen van 2015 tot en met 2025

Totale activa
(EUR miljard)

Aantal entiteiten op geconsolideerd niveau

Aantal entiteiten op individueel niveau

Gemiddelde omvang op geconsolideerd niveau
(EUR miljard)

2015

21.818,10

129

1.117

169,13

2016

21.114,75

127

951

166,25

2017

21.171,80

119

869

177,91

2018

21.399,70

119

822

179,82

2019

21.377,50

117

1.004

182,71

2020

21.981,10

115

974

191,14

2021

23.784,40

115

935

206,82

2022

24.249,60

113

900

214,59

2023

25.134,76

113

879

222,43

2024

25.188,87

114

872

220,95

2025

26.111,72

112

820

233,14

Bron: ECB.
Toelichting: De referentiedatum voor de totale activa is bijna een jaar eerder dan die voor het aantal entiteiten, aangezien het gaat om 31 december van het jaar voorafgaand aan de beoordeling. Het aantal entiteiten komt daarentegen voort uit informatie die aan het einde van het beoordelingsjaar beschikbaar was. ‘Totale activa’ verwijst specifiek voor 2025 naar de totale activa van entiteiten die zijn opgenomen in de lijst met entiteiten onder toezicht, zoals gepubliceerd in december 2025 (met als referentiedatum 30 november 2025 voor de significantiebesluiten die aan de onder toezicht staande instellingen zijn meegedeeld naar aanleiding van de jaarlijkse significantiebeoordeling en 1 november 2025 voor overige veranderingen en ontwikkelingen in belangrijke groepsstructuren). De referentiedatum voor de totale activa is 31 december 2024 (of de meest recent beschikbare datum zoals gebruikt voor de meest recente significantiebeoordeling). Het aantal entiteiten houdt rekening met alle ontwikkelingen in belangrijke groepsstructuren tot en met 1 november 2025 en alle ontwikkelingen in significantiebesluiten tot en met 30 november 2025.

2.1.2 Activakwaliteitsbeoordelingen

De activakwaliteitsbeoordelingen (asset quality reviews – AQR’s) moeten ervoor zorgen dat banken die onder direct toezicht staan of komen van de ECB voldoende gekapitaliseerd zijn. De bij de AQR’s toegepaste methodiek staat beschreven in een speciaal handboek[45].

In 2025 heeft de ECB de AQR van Raiffeisen-Holding Niederösterreich-Wien reg.Genm.b.H. in Oostenrijk afgerond. De AQR’s van twee Duitse banken – LBS Landesbausparkasse Süd en Wüstenrot Bausparkasse Aktiengesellschaft – zullen naar verwachting begin 2026 worden afgerond. In juni 2025 startte de ECB AQR’s van twee banken, KfW Beteiligungsholding GmbH in Duitsland en Promontoria 19 Coöperatie U.A. in Nederland. De vijf beoordeelde banken voldeden elk aan het omvangscriterium om onder rechtstreeks toezicht van de ECB te staan.

2.1.3 Minder belangrijke instellingen met grote impact

Vanwege het grote aantal minder belangrijke instellingen (less significant institutions − LSI’s) en de verschillen daartussen wat betreft omvang, complexiteit en risicoprofiel, classificeert het Europees bankentoezicht deze instellingen op basis van hun impact op het financiële stelsel en hun risicoprofiel. LSI’s met grote impact worden jaarlijks bepaald voor elk van de landen die aan het Europees bankentoezicht deelnemen. De criteria voor het bepalen van LSI’s met grote impact zijn onder andere omvang, belang voor de economie, grensoverschrijdende activiteiten, bedrijfsmodel en minimale dekking per land.[46] Per 1 januari 2026 werden 105 LSI’s aangemerkt als instellingen met grote impact. Dit aantal is de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven.[47]

2.1.4 Autorisatieprocedures

In 2025 werden 676 autorisatieprocedures gemeld bij de ECB.

In 2025 werden in totaal 676 autorisatieprocedures gemeld bij de ECB (Tabel 7). Deze meldingen omvatten 14 vergunningaanvragen, 11 intrekkingen, 42 vervallen autorisaties, 110 verwervingen of uitbreidingen van gekwalificeerde deelnemingen, 496 paspoortprocedures en 3 autorisaties van financiële holdingmaatschappijen.

Tabel 7

Bij de ECB gemelde autorisatieprocedures (belangrijke en minder belangrijke instellingen)

Verlenen vergunning

Intrekken vergunning

Vervallen autorisatie

Gekwalificeerde deelnemingen

Paspoort

Financiële holding­maatschappijen

2021

29

24

52

111

404

31

2022

30

22

64

87

549

7

2023

25

10

61

112

558

11

2024

15

9

29

91

596

2

2025

14

11

42

110

496

3

Bron: ECB.

In 2025 zijn 194 besluiten over autorisatieprocedures[48] uitgevaardigd. Deze vertegenwoordigden 7,7% van alle individuele toezichtsbesluiten van de ECB in 2025.

Daarnaast is één vergunningaanvraag en zijn drie meldingen van verwervingen of uitbreidingen van gekwalificeerde deelnemingen op grond van een negatieve beoordeling ingetrokken voordat een besluit werd afgerond.

2.1.4.1 Ontwikkelingen in gemeenschappelijke procedures

In 2025 is het aantal meldingen van bij de ECB ingediende gemeenschappelijke procedures gestegen ten opzichte van 2024.

Over het geheel genomen is in 2025 het aantal bij de ECB ingediende meldingen van gemeenschappelijke procedures voor vergunningen, gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingen gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar.

De ECB heeft een groot aantal gekwalificeerde deelnemingen beoordeeld. Verschillende procedures voor gekwalificeerde deelnemingen waren het gevolg van interne reorganisaties binnen onder toezicht staande groepen waarop de vereenvoudigde benadering voor de beoordeling van gekwalificeerde deelnemingen van toepassing was. De procedures voor gekwalificeerde deelnemingen in 2025 betroffen hoofdzakelijk op consolidatie gerichte transacties, meestal op nationaal niveau, hoewel sommige wel gericht waren op grensoverschrijdende consolidatie. Ook zijn diverse vijandige verwervingen – waaronder overnames – beoordeeld waarbij openbare aanbiedingen zijn gedaan.

In 2025 hielden de meeste vergunningsprocedures verband met de oprichting van nieuwe LSI’s. De weinige vergunningsprocedures met betrekking tot belangrijke instellingen vloeiden voornamelijk voort uit de verzoeken om vergunningen te verlengen voor door banken geplande aanvullende gereguleerde activiteiten, wat in bepaalde lidstaten vereist is. In sommige gevallen hadden de vergunningsprocedures betrekking op de verhuizing van een belangrijke instelling naar een andere lidstaat of de vestiging van een dochteronderneming van een belangrijke instelling in een andere lidstaat.

Sommige vergunningaanvragen in 2025 werden ingediend door entiteiten uit derde landen met het voornemen om hun activiteiten naar de EU uit te breiden. In die gevallen waren de beoordelingen gericht op de goede reputatie van de entiteiten en hun naleving van de normen ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering.

De nationale bevoegde autoriteiten (national competent authorities – NCA’s) zijn voor twee LSI’s (in Duitsland en Oostenrijk) gestart met de intrekking van een vergunning. De ene had te maken met het feit dat de kredietinstelling insolvent werd en de andere vanwege ernstige inbreuken op de antiwitwasvereisten, inbreuken op governanceregelingen en omdat de instelling het onderwerp was van een insolventieprocedure.

In 2025 heeft de ECB een op risico’s gebaseerde strategie voor gemeenschappelijke procedures ingevoerd die naar verwachting zowel de onder toezicht staande entiteiten als de kandidaat-verwervers ten goede zal komen dankzij verminderde interacties en snellere verwerkingstijden voor minder complexe zaken (zie paragraaf 1.3.2).

2.1.4.2 Ontwikkelingen in paspoortprocedures, (gemengde) financiële holdings, en fusies en splitsingen

In 2025 hebben de ECB en de NCA’s 496 paspoortprocedures afgehandeld.

Na een grote toename van het aantal procedures in verband met financiële holdings in 2021 en 2022, na de omzetting van de richtlijn kapitaalvereisten (CRD V)[49], is het aantal procedures in 2023, 2024 en 2025 gestabiliseerd. In 2025 ontving de ECB drie verzoeken tot goedkeuring van (gemengde) financiële holdings van belangrijke groepen.

In 2025 heeft de ECB zich ook voorbereid op de toepassing van de herziene richtlijn kapitaalvereisten (Capital Requirements Directive – CRD VI)[50] vanaf januari 2026. In CRD VI worden via herzieningen van artikel 21 bis van de richtlijn bepaalde wijzigingen in de prudentiële behandeling van (gemengde) financiële holdings ingevoerd. Onder deze wijzigingen is een nieuw vereiste voor toezichthoudende autoriteiten om jaarlijkse een lijst te publiceren met financiële holdings en gemengde financiële holdings waaraan goedkeuring is verleend of die zijn vrijgesteld van goedkeuring, en de aangewezen onder toezicht staande entiteit overeenkomstig artikel 21 bis, lid 4, punt c), van CRD VI.

In CRD VI staan ook nieuwe hoofdstukken over de verwerving of afstoting van een deelneming van materieel belang, materiële overdrachten van activa en passiva, en fusies en splitsingen, waarbij de vroegere regelingen inzake ‘nationale bevoegdheden’ worden geharmoniseerd.[51] Op grond van CRD VI is de ECB de enige bevoegde autoriteit om deze transacties te beoordelen zodra er belangrijke instellingen bij betrokken zijn. Met name voor fusies is de ECB bevoegd voor de desbetreffende prudentiële beoordeling indien de resulterende entiteit als belangrijke instelling kan worden aangemerkt. Voor splitsingen is de ECB bevoegd als de te splitsen entiteit een belangrijke instelling is.

2.2 Deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures

In 2025 werden met betrekking tot belangrijke instellingen 1.672 individuele deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures[52] gemeld bij de ECB (Tabel 8).

Tabel 8

Deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures gemeld bij de ECB

Jaar

Deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures ingediend door belangrijke instellingen

2017

2.301

2018

2.026

2019

2.967

2020

2.828

2021

2.627

2022

2.445

2023

2.573

2024

1.557

2025

1.672

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle belangrijke instellingen onder Europees bankentoezicht die een aanvraag hebben ingediend om als deskundig en betrouwbaar te worden erkend. De daling van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen tussen 2023 en 2024 kan voornamelijk worden toegeschreven aan een wijziging van de Italiaanse regelgeving, waardoor verlengingen/herbenoemingen van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen worden uitgesloten, tenzij er zich materiële nieuwe feiten hebben voorgedaan.

Van alle in 2025 ontvangen individuele deskundigheids- en betrouwbaarheids­procedures had 67,2% betrekking op leden van het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie en in 24,9% van de gevallen ging het om uitvoerend bestuurders. In de overige individuele procedures ging het om sleutelfunctionarissen (6,2%), niet-uitvoerende nevenfuncties (1,0%) en managers van bijkantoren in derde landen (0,7%).

Vanaf de ontvangst van de kennisgeving aan de ECB tot vaststelling van een besluit bedroeg de gemiddelde tijd om een deskundigheids- en betrouwbaarheids­beoordeling uit te voeren 113 dagen, tegen 109 dagen in 2023, wat binnen de maximumperiode van vier maanden is zoals bedoeld in paragraaf 179 van de gezamenlijke ESMA- en EBA-richtsnoeren inzake de beoordeling van de geschiktheid van leden van het bestuursorgaan en medewerkers met een sleutelfunctie.

2.2.1 Ontwikkelingen in deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures

De ECB onderzoekt hoe de besluitvorming kan worden gestroomlijnd door gebruik te maken van digitale instrumenten en door risicogebaseerde processen in te voeren. Het is de bedoeling zo de verwerkingstijd te verkorten en tegelijkertijd de hoge kwaliteit en consistentie van de toezichtsbesluiten van de ECB te handhaven (zie paragraaf 1.3).

Op 27 oktober 2025 organiseerde de ECB in Florence een gezamenlijk seminar met het European University Institute om binnen de banksector bewustzijn te creëren over degelijke governance.

Een geschiktheidsbeoordeling kan leiden tot het opleggen van bijkomende voorschriften wanneer, op basis van de vijf deskundigheids- en betrouwbaarheidscriteria, bepaalde zorgen over een kandidaat voor een beoogde bestuurs- of sleutelfunctie moeten worden weggenomen. Bij 40,85% van de beoordelingen heeft de ECB bedenkingen geuit ten aanzien van een of meer van de deskundigheids- en betrouwbaarheidscriteria. Het aandeel besluiten met aanvullende bepalingen daalde van 14,5% in 2024 tot 9,15% in 2025. De meest voorkomende punten van zorg in 2025 hadden betrekking op beschikbare tijd, ervaring en belangenverstrengeling. Dit leidde in 2025 tot 27 voorwaarden, 122 verplichtingen en 4 aanbevelingen, vergeleken met respectievelijk 55, 151 en 20 in 2024.

Als er ernstige twijfel wordt geuit over de geschiktheid van een kandidaat voor een beoogde bestuurs- of sleutelfunctie, kan de ECB het noodzakelijk achten een meer diepgaande beoordeling uit te voeren en kan de ECB uiteindelijk aangeven dat zij voornemens is een negatief besluit te nemen. Banken trekken dan tijdens de toezichtsdialoog doorgaans de aanvraag in. Dit gebeurde in 30 gevallen in 2025.

2.3 Handhavings- en sanctiemaatregelen, en klokkenluiden

2.3.1 Handhavings- en sanctiemaatregelen

De ECB heeft in 2025 16 procedures behandeld, waarvan er aan het einde van het jaar tien waren afgerond.

Volgens de GTM-verordening en de GTM-kaderverordening hangt de verdeling van de handhavings- en sanctiebevoegdheden tussen de ECB en de NCA's af van de aard van de vermeende schending, de verantwoordelijke persoon en de te nemen maatregel. De door de ECB binnen de grenzen van haar toezichtstaken opgelegde sancties en de sancties die op verzoek van de ECB door de NCA’s worden opgelegd, worden bekendgemaakt op de webpagina van de ECB over toezichtssancties.

Sancties zijn bedoeld om lopende of eerdere schendingen door een onder toezicht staande entiteit te bestraffen en als afschrikmiddel om toekomstige overtredingen elders in het bankwezen tegen te gaan. Handhavingsmaatregelen, zoals dwangsommen, zijn bedoeld om onder toezicht staande entiteiten te dwingen te voldoen aan de prudentiële vereisten bij voortdurende inbreuken.

In totaal heeft de ECB in 2025 16 handhavings- en sanctieprocedures behandeld. Hiervan ging het in veertien gevallen om sanctieprocedures, die leidden tot negen ECB-besluiten, en twee handhavingsprocedures, die leidden tot één ECB-besluit (Tabel 9).

Tabel 9

Handhavings- en sanctiewerkzaamheden van de ECB in 2025

Aantal procedures

Lopende procedures ultimo 2024

4

waarvan sanctieprocedures/handhavingsprocedures

3/1

Procedures gestart in 2025

12

waarvan sanctieprocedures/handhavingsprocedures

11/1

Totaal procedures behandeld in 2025

16

waarbij de ECB een geldboete heeft opgelegd

5

waarvan afgerond met ECB-besluiten waarbij handhavingsmaatregelen werden opgelegd (dwangsommen)

1

waarvan afgerond met verzoeken van de ECB aan NCA’s om een sanctieprocedure te starten

4

waarvan gesloten zonder oplegging van boetes

0

waarvan lopend ultimo 2025

6

waarvan sanctieprocedures/handhavingsprocedures

5/1

Bron: ECB.

In 2025 heeft de ECB zes geldboetes (waaronder zowel sancties als handhavingsmaatregelen) opgelegd voor een bedrag van € 8.772.650.

In totaal tien van de veertien sanctieprocedures hadden betrekking op schendingen van rechtstreeks toepasselijk EU-recht, waaronder besluiten en verordeningen van de ECB, begaan door negen belangrijke instellingen. Vijf van deze procedures liepen nog aan het einde van het jaar. Vijf procedures werden afgerond in 2025, waarbij de ECB in vijf besluiten boetes oplegde, voor een totaalbedrag van € 8.585.000. Deze boetes werden opgelegd aan vijf onder toezicht staande entiteiten. Vier van deze besluiten hadden betrekking op schendingen van ECB-besluiten over interne modellen voor kredietrisico en één besluit hield verband met de rapportage van verkeerd berekende risicogewogen activa voor marktrisico.

Van de vier uitstaande sanctieprocedures die in 2025 werden behandeld, hadden er drie betrekking op schendingen van de governancevereisten en de vereisten voor gekwalificeerde deelnemingen die zijn vastgelegd in nationaal recht tot omzetting van de richtlijn kapitaalvereisten. Daarnaast had één procedure betrekking op schendingen van relevant, direct toepasselijk EU-recht met betrekking tot eigenvermogens- en rapportagevereisten. Deze procedures werden afgesloten met vier verzoeken van de ECB aan de betrokken NCA’s om een procedure in te stellen om ervoor te zorgen dat passende sancties worden opgelegd aan de verantwoordelijke partijen. Dit betrof één belangrijke instelling, personen die in dienst zijn van belangrijke instellingen die de schendingen hebben gepleegd, en niet onder toezicht staande entiteiten en natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen in een belangrijke instelling.

De ECB heeft twee handhavingsprocedures behandeld en één gecombineerd besluit genomen op het gebied van klimaat- en natuurrisico’s.

De twee in 2025 behandelde handhavingsprocedures hadden betrekking op het niet naleven door twee belangrijke instellingen van vereisten in ECB-besluiten ter versterking van het proces voor het signaleren van klimaat- en natuurrisico’s binnen een vastgelegde termijn in 2024. Een van deze procedures liep eind 2025 nog en de andere werd afgerond met een ECB-besluit tot vaststelling van een totaalbedrag van € 187.650 aan dwangsommen.

Grafiek 5 toont een uitsplitsing naar onderwerp van de handhavings- en sanctieprocedures die de ECB in 2025 heeft behandeld, evenals van de procedures die tussen 2020 en 2024 zijn afgerond.

Grafiek 5

Handhavings- en sanctieactiviteiten per onderwerp tussen 2020 en 2025

(aantal procedures)

Bron: ECB.

In 2025 heeft één NCA twee geldboetes opgelegd, voor een totaalbedrag van € 30.000.000.

Naar aanleiding van eerdere verzoeken van de ECB om een procedure te starten en na beoordeling van de zaken in overeenstemming met de nationale wetgeving heeft één NCA in 2025 twee geldboetes opgelegd, voor een totaalbedrag van € 30.000.000. Nadere informatie over geldboetes die op verzoek van de ECB door NCA’s zijn opgelegd, is te vinden op de webpagina van de ECB over toezichtssancties.

Gedetailleerde informatie, inclusief uitgebreide statistische gegevens over de sanctieactiviteiten die de ECB en NCA’s met betrekking tot schendingen van prudentiële vereisten in 2025 hebben uitgevoerd, zal worden gepresenteerd in het “Jaarverslag over de sanctieactiviteiten in het SSM in 2025”. Dit verslag zal in het tweede kwartaal van 2026 worden gepubliceerd op de website van ECB-Bankentoezicht.

In 2025 heeft de ECB een gecombineerd besluit uitgebracht dat voorziet in de oplegging van dwangsommen in geval van niet-naleving van de in het besluit vastgestelde toezichtsvereisten.

Daarnaast heeft de ECB in 2025 een bindend toezichtsbesluit uitgebracht dat voorziet in de oplegging van dwangsommen voor iedere dag dat de overtreding voortduurt indien de betreffende bank niet voldoet aan de in dit ECB-besluit vastgelegde prudentiële vereisten. Het besluit bevatte prudentiële vereisten ter versterking van het proces voor het signaleren van klimaat- en natuurrisico’s.

Als de ECB redenen heeft om aan te nemen dat er mogelijk een strafbaar feit is gepleegd, vraagt zij de desbetreffende NCA om de zaak door te verwijzen naar de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en mogelijke strafrechtelijke vervolging, in overeenstemming met nationale wetgeving. In 2025 zijn twee van dergelijke verzoeken bij de desbetreffende NCA ingediend.

2.3.2 Klokkenluiden

In 2025 heeft de ECB 416 meldingen van klokkenluiders ontvangen, vergelijkbaar met 2024, terwijl het aandeel meldingen over vermeende schendingen van toepasselijk EU-recht steeg van 30% naar 40%.

Overeenkomstig artikel 23 van de GTM-verordening is het de taak van de ECB om te zorgen dat schendingen van toepasselijk EU-recht door iedereen op effectieve wijze gemeld kunnen worden, het zogeheten klokkenluiden. De ECB heeft daarom een online klokkenluidersplatform.

De ECB waarborgt volledige vertrouwelijkheid van de meldingen van klokkenluiders die worden ontvangen via het onlineformulier of andere kanalen (bijvoorbeeld e-mail of post) en houdt rekening met alle beschikbare informatie bij de uitvoering van haar toezichtstaken.

De ECB heeft in 2025 416 meldingen van klokkenluiders ontvangen, een aantal dat vergelijkbaar is met de 421 ontvangen in 2024 en een stijging ten opzichte van de 355 in 2023. Daarbij ging het in 165 gevallen om een vermeende schending van toepasselijk EU-recht, waarvan 155 gevallen onder het toezichtstakenpakket van de ECB zouden vallen en tien onder dat van de NCA’s. De resterende meldingen betroffen voornamelijk vermeende schendingen die geen verband hielden met prudentiële vereisten (bijvoorbeeld consumentenbescherming) en vielen daarmee buiten de werkingssfeer van de meldingsfaciliteit voor klokkenluiders.

De vaakst gemelde vermeende schendingen binnen het toezichtsmandaat van de ECB waren governancekwesties (80%), gevolgd door openbaarmakingen en rapportages (6%) en een tekortschietende berekening van eigenvermogens- en kapitaalvereisten (6%). Bij governancekwesties ging het hoofdzakelijk om risicobeheer en interne beheersingsmaatregelen, functies in bestuursorganen en deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten. Grafiek 6 geeft een volledig uitgesplitst overzicht.

Grafiek 6

Vermeende schendingen die in het kader van klokkenluiden zijn gemeld

(in procenten)

Bron: ECB.

De betreffende gezamenlijke toezichthoudende teams (joint supervisory teams – JST’s) zijn op de hoogte gesteld van de via de meldingsfaciliteit gerapporteerde informatie, waarna zij besluiten namen over passende vervolgacties.

De belangrijkste onderzoeksactiviteiten die in 2025 zijn uitgevoerd met betrekking tot de meldingen door klokkenluiders van schendingen van toepasselijk EU-recht die zijn ontvangen in de loop van het jaar of eerder zijn onder andere:

  • interne beoordeling aan de hand van bestaande documentatie (38% van de gevallen)
  • verzoek om documentatie of een toelichting, gericht aan de onder toezicht staande entiteit (35% van de gevallen)
  • verzoek om een interne audit of inspectie ter plaatse (24% van de gevallen)
  • gesprek met de vermeende daders (3% van de gevallen).

3 Bijdrage aan de crisisbeheersing

3.1 Crisissituaties in 2025

Er waren geen crisissituaties bij belangrijke instellingen in 2025.

In 2025 werd geen enkele belangrijke instelling als falend of waarschijnlijk falend aangemerkt in de zin van artikel 18, lid 1, onder a), en overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de Verordening inzake het Gemeenschappelijk Afwikkelingsmechanisme (Single Resolution Mechanism Regulation – SRMR)[53]. Het macro-economisch klimaat bleef in 2025 over het algemeen gunstig voor banken, vooral op het gebied van winstgevendheid. Vooruitkijkend staan banken echter voor uitdagingen die hun toekomstige winsten kunnen aantasten, waaronder een mogelijke verslechtering van de activakwaliteit, aanhoudende druk op de marges en gematigde kredietvolumes.

3.2 Interactie met de gemeenschappelijke afwikkelingsraad

De nauwe samenwerking tussen de ECB en de SRB werd in 2025 voortgezet.

In 2025 hebben de ECB en de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (Single Resolution Board – SRB) wederom nauw samengewerkt. Er vonden regelmatig uitwisselingen plaats tussen de voorzitter van de Raad van Toezicht van de ECB en de voorzitter van de SRB, en samen bezochten ze verschillende nationale bevoegde autoriteiten (national competent authorities – NCA’s) en nationale afwikkelingsautoriteiten. Daarnaast waren er frequente contacten tussen medewerkers van de ECB en de SRB, die samenwerkten op verschillende gebieden van gemeenschappelijk belang en voor crisisgevallen bij minder belangrijke instellingen (less significant institutions – LSI’s).

De regelmatige interactie tussen de gezamenlijke toezichtsteams van de ECB en de interne afwikkelingsteams van de SRB was opnieuw een essentieel onderdeel van de samenwerking tussen de twee instellingen. Er werd in het bijzonder nauw samengewerkt voor banken die onder het kader voor crisisbeheersing van de ECB vallen. Deze samenwerking werd ondersteund door het bilaterale memorandum van overeenstemming tussen de ECB en de SRB inzake samenwerking en informatie-uitwisseling evenals door het in 2023 ondertekende specifieke memorandum van overeenstemming inzake de uitwisseling van vertrouwelijke statistische gegevens.

De ECB en de SRB werkten in 2025 ook opnieuw samen aan beleidskwesties van gemeenschappelijk belang. Zo zorgden beide instellingen ervoor dat ze vanuit toezichts- en afwikkelingsperspectief op dezelfde lijn zaten wat betreft de vereenvoudigingsagenda. Daarnaast hebben ze hun gezamenlijke inspanningen op het gebied van liquiditeitsmeting en -rapportage voortgezet. In dit verband voltooiden ze in 2025 hun derde jaarlijkse gezamenlijke liquiditeitsoefening, waarbij ze de crisisparaatheid van banken testten op basis van een gezamenlijk ontwikkeld liquiditeitsmodel. Tot slot werkten de ECB en de SRB samen aan de ontwikkeling van hun respectieve digitaliseringsstrategieën en digitale culturen. Dit gebeurde door voort te bouwen op gemeenschappelijke ervaringen en opleidingsinitiatieven, waarbij de ECB specifieke toezichtstechnologie ter beschikking stelde.

In 2025 namen de ECB en de SRB voorts deel aan ‘dry-run’ simulatie-oefeningen als onderdeel van hun gemeenschappelijke doelstelling om hun bestaande capaciteiten te beoordelen en hun crisisparaatheid te vergroten. Ze namen ook deel aan de trilaterale oefening voor senior management die werd gehouden in het kantoor van de SRB te Brussel. Tot de deelnemers behoorden afwikkelingsautoriteiten, toezichthoudende autoriteiten, centrale banken en ministeries van Financiën van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en de bankenunie. Verder werkten beide instellingen samen aan verschillende bankspecifieke crisissimulatieoefeningen om hun paraatheid voor een potentiële crisissituatie te testen.

In overeenstemming met het geldende regelgevingskader werd de SRB geraadpleegd over de herstelplannen die belangrijke instellingen bij de ECB hadden ingediend. Op zijn beurt raadpleegde de SRB de ECB over de door hem ontvangen ontwerpafwikkelingsplannen en over de berekening van de door hem voorgestelde aanpassingen van de bijdragen die belangrijke instellingen overeenkomstig de SRMR aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds moeten betalen.

3.3 Crisisbeheersing voor minder belangrijke instellingen

Om een crisissituatie bij een LSI te kunnen beheersen, moeten de bevoegde NCA en de ECB nauw samenwerken. Hoewel de toezichthoudende verantwoordelijkheid voor de crisisbeheersing voor LSI’s bij de NCA’s ligt, is intensievere samenwerking en informatie-uitwisseling noodzakelijk wanneer een LSI het punt van niet-levensvatbaarheid nadert, aangezien de ECB bevoegd is voor het intrekken van vergunningen. De procedurele aspecten van deze samenwerking zijn vastgelegd in het kader voor LSI-crisisbeheersing, waarvan een herziene versie van kracht werd op 1 januari 2024.

In de beginfasen van een crisis die het gevolg is van de verslechterde financiële situatie bij een LSI, brengt de bevoegde NCA de ECB op de hoogte door middel van een officiële kennisgeving. In 2025 ontving de ECB 11 dergelijke kennisgevingen.

Na deze kennisgeving worden er gewoonlijk contactgroepen voor crisisbeheersing opgezet door de betrokken NCA en de ECB, tenzij zij gegronde redenen hebben om daarvan af te zien. Deze groepen, die bestaan uit vertegenwoordigers van de ECB, de bevoegde NCA en, afhankelijk van de situatie, de betrokken nationale afwikkelingsautoriteiten, kunnen worden opgericht bij niet-naleving van de kapitaalvereisten, een verslechtering van de activakwaliteit of liquiditeitspositie of ernstige tekortkomingen in de governance- en internecontrolesystemen.

In 2025 waren er 14 dergelijke contactgroepen actief, tegenover 12 in 2024. Deze groepen speelden ook in 2025 een cruciale rol door ervoor te zorgen dat stress bij individuele LSI’s effectief en consistent werd aangepakt en dat toezichtsmaatregelen tijdig en gecoördineerd werden genomen. Hierdoor konden de gevolgen voor de rest van het financiële stelsel zo beperkt mogelijk worden gehouden.

4 Interinstitutionele samenwerking

4.1 Europese en internationale samenwerking

4.1.1 Samenwerking met andere toezichthoudende autoriteiten binnen en buiten de EU

In 2025 heeft de ECB haar grens- en sectoroverschrijdende samenwerking met andere toezichthouders verder versterkt, onder meer door nieuwe memoranda van overeenstemming (memoranda of understanding – MoU’s) te sluiten.

4.1.1.1 Samenwerking met autoriteiten van de EU en de Europese Economische Ruimte die geen deel uitmaken van het SSM

Samenwerking in colleges van toezichthouders is van essentieel belang voor een doeltreffend toezicht op belangrijke bankgroepen die grensoverschrijdend actief zijn.

Door samen te werken in colleges van toezichthouders kan de ECB gecoördineerde toezichtsbenaderingen en -besluiten uitwerken en zorgen voor gemeenschappelijke werkprogramma’s met andere toezichthoudende autoriteiten die betrokken zijn bij het toezicht op eenzelfde grensoverschrijdende bankgroep. Conform de Europese regelgeving organiseert de ECB colleges wanneer zij als toezichthouder van de lidstaat van herkomst van een bankgroep verantwoordelijk is voor het toezicht op geconsolideerde basis op die groep. Indien de consoliderende toezichthouder daarentegen een EU-autoriteit is die niet deelneemt aan het Europees bankentoezicht, is de ECB in het betrokken college vertegenwoordigd als toezichthouder van de lidstaat van ontvangst voor de specifieke entiteiten die onder haar direct toezicht vallen.

In 2025 bekrachtigden de ECB en de bevoegde autoriteiten van de EU-lidstaten die niet deelnemen aan het Europees bankentoezicht en Noorwegen hun inzet voor het versterken van de samenwerking en convergentie op toezichtsgebied via twee door de ECB georganiseerde specifieke workshops. Deze workshops, die plaatsvonden in maart en oktober, boden de gelegenheid om beste praktijken uit te wisselen en de efficiëntie en effectiviteit van het toezicht te bevorderen in het kader van de hervorming van de SREP door de ECB. Tegelijkertijd stelde de inwerkingtreding van twee Europese verordeningen over de werking van colleges van toezichthouders[54] de ECB in staat de uitwisseling van informatie over bijkantoren van banken met hoofdzetel in derde landen verder te intensiveren en de samenwerking tussen prudentiële toezichthouders en andere autoriteiten, zoals toezichthouders op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, te stroomlijnen.

4.1.1.2 Samenwerking met bankentoezichthouders buiten de EU

De ECB werkt ook samen met toezichthouders buiten de EU via andere fora, zoals Crisis Management Groups voor mondiaal systeemrelevante banken (Global Systemically Important Banks – G-SIB's).

Wanneer de ECB verantwoordelijk is voor het toezicht op geconsolideerde basis op groepen die ook buiten de EU actief zijn, worden de bevoegde autoriteiten van de betrokken derde landen uitgenodigd om deel te nemen aan de betreffende colleges van toezichthouders, mits de EBA de vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsregeling van deze autoriteiten als gelijkwaardig aan die in de EU heeft beoordeeld.

De ECB sloot een nieuw MoU inzake toezicht met de Banco Central de la República Argentina. Naast haar regelmatige en gestructureerde dialoog met autoriteiten zoals de Britse Prudential Regulation Authority en het Federal Reserve System van de VS organiseerde de ECB ook verschillende thematische en bilaterale bijeenkomsten met bankentoezichthouders van andere landen buiten de EU om kwesties van gemeenschappelijk belang te bespreken, waaronder het toezicht op financiële conglomeraten, klimaatgerelateerde financiële risico’s, de digitale transformatie en operationele weerbaarheid. Ze ontwikkelde samen met deze toezichthouders ook initiatieven voor capaciteitsopbouw.

In 2025 intensiveerde de ECB haar samenwerking met prudentiële toezichthouders van buiten de EU inzake het gebruik van toezichtstechnologie. Zo was ze samen met de Bank of England voorzitter van de werkgroep van het BIS Innovation Network inzake suptech, regtech en monetairbeleidstechnologie, die het gebruik van grote taalmodellen onderzoekt en een wereldwijd innovatie-ecosysteem stimuleert. De ECB bouwde ook haar reeds lang lopende samenwerking met de Monetary Authority of Singapore verder uit door middel van diepgaande kennisuitwisselingen.

4.1.1.3 Samenwerking met nationale marktautoriteiten en andere sectorale toezichthouders

De ECB blijft zich inzetten voor samenwerking met marktautoriteiten en andere sectorale toezichthouders.

De ECB werkt overeenkomstig het Unierecht samen met nationale marktautoriteiten en wisselt informatie uit over de activiteiten van belangrijke bankgroepen op markten voor financiële instrumenten. Ze heeft met name bilaterale MoU’s gesloten met de nationale marktautoriteiten van zes landen die deelnemen aan het Europees bankentoezicht. In 2025 nam de informatie-uitwisseling met deze autoriteiten toe door een groter aantal fusies, overnames en andere vormen van consolidatie waarbij belangrijke instellingen betrokken waren, en door marktontwikkelingen die gecoördineerde toezichtsmaatregelen vereisten.

In haar hoedanigheid van aangewezen coördinator voor sterk door bankieren bepaalde belangrijke groepen die zijn aangemerkt als financiële conglomeraten, versterkte de ECB haar samenwerking met de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en de relevante bevoegde autoriteiten voor het toezicht op gereguleerde entiteiten - vooral buiten de banksector - die deel uitmaken van deze conglomeraten. Het vaststellen van regelingen voor de coördinatie met de relevante bevoegde autoriteiten droeg bij aan de versterking en uitbreiding van de Financial Conglomerate Colleges. De jaarlijkse bijeenkomsten van deze colleges vormen een belangrijk platform voor de informatie-uitwisseling tussen deze autoriteiten.

4.1.1.4 De betrokkenheid van de ECB bij de bestrijding van het witwassen van geld

Het toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (anti-money laundering and combating the financing of terrorism – AML/CFT) valt onder de bevoegdheid van de AML/CFT-toezichthouders, waaronder de onlangs opgerichte Europese Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering (Authority for Anti-Money Laundering and Countering the Financing of Terrorism – AMLA). De prudentiële en AML/CFT-autoriteiten werken nauw samen om hun respectieve taken uit te voeren.

Als prudentieel toezichthouder deelde de ECB de lessen die zijn getrokken uit de oprichting van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM) met de AMLA, onder andere via haar deelname aan de AMLA-taskforce. Het sluiten van een MoU tussen de ECB en de AMLA op 27 juni 2025 overeenkomstig artikel 92, lid 3, van de AMLA-verordening vormde een mijlpaal in de vastlegging van de modaliteiten voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen beide instellingen.

Net als in voorgaande jaren hield de ECB bij haar toezicht rekening met de prudentiële gevolgen van risico’s van witwassen en terrorismefinanciering[55]. Ze ondersteunde ook de beleidsvoorbereidingen voor de AMLA. Daarnaast droeg ze bij aan de ontwikkeling van AML/CFT-regelgeving en pleitte voor een wetgevingskader dat effectieve samenwerking en informatie-uitwisseling tussen financiële AML/CFT-toezichthouders en relevante niet-AML/CFT-autoriteiten mogelijk maakt.

Bovendien zette de ECB in 2025 de uitwisseling van toezichtsinformatie met AML/CFT-autoriteiten voort. Dit omvatte deelname als waarnemer aan 66 AML/CFT-colleges voor belangrijke instellingen[56], uitwisseling van informatie via zowel deze colleges als andere kanalen en melding van materiële tekortkomingen op het gebied van AML/CFT aan EuReCa, de centrale databank van de EBA.

Daarnaast nam de ECB als waarnemer deel aan het Standing Committee inzake AML/CFT van de EBA en aan de algemene raad van de AMLA in toezichtssamenstelling. Tegelijkertijd droeg de ECB bij aan de voorbereidende werkzaamheden onder leiding van de EBA en de AMLA voor het opstellen van ontwerpen van technische regelgevingsnormen en richtsnoeren voor het nieuwe AML/CFT-kader.

4.1.1.5 De rol van de ECB in het oversight op kritieke derde aanbieders van ICT-diensten na de invoering van de Verordening digitale operationele weerbaarheid

De Verordening digitale operationele weerbaarheid (DORA) voerde een allesomvattend oversightkader[57] in voor kritieke derde aanbieders van diensten die verband houden met informatie- en communicatietechnologie (ICT) (critical ICT third party providers – CTPP’s). Dit oversightkader geldt voor de 19 CTPP’s[58] die als zodanig zijn aangemerkt door de Europese toezichthoudende autoriteiten. De lead overseer - een van de drie Europese toezichthoudende autoriteiten - voert alle oversightactiviteiten op afstand en ter plaatse uit. Hij wordt daarbij ondersteund door gezamenlijke onderzoeksteams. De lead overseer kan op basis van die activiteiten aanbevelingen aan de aangewezen CTPP’s doen.

In 2025 verleende ECB-Bankentoezicht ondersteuning bij de totstandkoming van het oversightkader. Sinds de operationele start in januari 2026 heeft het 21 experts geleverd aan de gezamenlijke onderzoeksteams. Daarnaast zal de ECB er ook op toezien dat de onder toezicht staande instellingen die gebruik maken van de diensten van de aangewezen CTPP’s, de in de aanbevelingen vastgestelde risico’s adequaat aanpakken.

Het oversight op CTPP’s versterkt de digitale operationele weerbaarheid in de gehele financiële sector van de EU. Het is bedoeld als aanvulling op, en niet als vervanging van, een goede beheersing van derdepartijrisico’s door de instellingen en de daarmee verband houdende toezichtsactiviteiten van de ECB. Kredietinstellingen en andere financiële instellingen blijven volledig verantwoordelijk voor het beheersen van alle aspecten van het ICT-risico.

4.1.1.6 Financial Sector Assessment Programs van het IMF

De Financial Sector Assessment Programs (FSAP’s) van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zijn veelomvattende en diepgaande beoordelingen van de financiële sector in een land.

Het tweede FSAP voor het eurogebied werd in 2025 afgerond.

In 2025 rondde het IMF het tweede FSAP voor het eurogebied af (zie Kader 3). Dit FSAP omvatte een grondige beoordeling van de mate waarin de toezichtspraktijken van het SSM in overeenstemming zijn met de Bazelse kernbeginselen. Deze beoordeling was de eerste die werd uitgevoerd op basis van de herziene methodologie van deze kernbeginselen (zie Kader 3). In de komende jaren zullen er follow-upwerkzaamheden worden uitgevoerd met het oog op de implementatie van de aanbevelingen van het FSAP.

Nationale FSAP’s omvatten geen beoordeling van het toezicht op belangrijke instellingen.

In 2025 rondde het IMF de nationale FSAP’s voor Frankrijk en Slowakije af en startte het FSAP’s voor Griekenland, Italië, Oostenrijk en Portugal. In nationale FSAP’s worden niet-bancaire aspecten beoordeeld, zoals binnenlandse verzekeringen en macroprudentiële kaders. Ze omvatten ook een holistische benadering van bancaire kwesties, vooral die welke onder de bevoegdheid vallen van nationale autoriteiten die toezicht houden op minder belangrijke instellingen, of aspecten die verband houden met AML/CFT. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat verdere werkzaamheden nodig zijn om de bankenunie te voltooien.

De ECB is betrokken bij de nationale artikel-IV-consultaties van het IMF.

ECB-Bankentoezicht is ook betrokken bij de nationale artikel IV-consultaties van het IMF voor landen die deelnemen aan het Europees bankentoezicht. Het verstrekt input aan de IMF-teams over microprudentiële en macroprudentiële kwesties, overeenkomstig de taken van de ECB op deze gebieden.

Kader 3
Financial Sector Assessment Program voor het eurogebied van 2025

In 2024-2025 voerde het IMF het tweede Financial Sector Assessment Program (FSAP) voor het eurogebied uit. Dit FSAP omvatte een top-down stresstest met twee ernstige macrofinanciële scenario’s: enerzijds een scenario met een escalatie van geopolitieke spanningen en anderzijds een scenario dat een diepe en wijdverspreide recessie simuleert.

De beoordeling resulteerde in de publicatie van een Financial System Stability Assessment, een gedetailleerde beoordeling van de naleving van de Bazelse kernbeginselen voor een effectief bankentoezicht en enkele technische nota's. Deze verslagen benadrukken de veerkracht van het banksysteem van het eurogebied bij grote negatieve schokken, waaronder ernstige geopolitieke risico’s, en stellen vast dat het bankentoezicht sinds het vorige FSAP in 2018 aanzienlijk is versterkt. Ze merken echter ook op dat fragmentatie het volledige potentieel van de bankenunie blijft beperken en de totstandkoming van een meer gediversifieerd, geïntegreerd financieel stelsel dat economische groei en investeringen bevordert, blijft belemmeren.

De technische nota over cyberrisico’s onderstreept de groeiende afhankelijkheid van en onderlinge verbondenheid tussen ICT-systemen, een ontwikkeling die cyberrisico’s tot een belangrijke operationele en systemische uitdaging maakt. Het IMF prees de effectieve aanpak van deze risico's door het SSM via risicogebaseerd toezicht, proportionaliteit, diepgaande horizontale onderzoeken en indringende inspecties ter plaatse.

In de technische nota over vangnetten voor de financiële sector wordt erkend dat vooruitgang is geboekt bij het beheer van zwakke banken en dat de samenwerking tussen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme is verbeterd. Er wordt echter ook gewezen op lacunes in het institutionele kader van het eurogebied en gepleit voor voltooiing van de bankenunie.

De ECB verwelkomde de overwegend positieve conclusies van de exercitie voor het bankentoezicht, evenals de coöperatieve en constructieve geest waarin deze plaatsvond. ECB-Bankentoezicht werkt momenteel aan de opvolging van de bevindingen die betrekking hebben op zijn mandaat.

4.2 Bijdrage aan de ontwikkeling van het Europees en internationaal regelgevend kader

4.2.1 Bijdrage aan de werkzaamheden van de Raad voor Financiële Stabiliteit

Als lid van de plenaire vergadering van de Raad voor Financiële Stabiliteit (Financial Stability Board – FSB) nam ECB-Bankentoezicht actief deel aan de werkzaamheden van het Standing Committee on Supervisory and Regulatory Cooperation, het Standing Committee on Standards Implementation, de Resolution Steering Group en de Regional Consultative Group for Europe, evenals aan die van verscheidene van hun substructuren. ECB-Bankentoezicht speelde een belangrijke rol bij het bevorderen van verschillende initiatieven van de FSB die van strategisch belang zijn, met name de routekaart (FSB Roadmap) voor het aanpakken van financiële risico’s als gevolg van klimaatverandering, de werkzaamheden om de rapportage over cyber- en operationele incidenten te standaardiseren (Format for Incident Reporting Exchange) en de thematische collegiale toetsing inzake cryptoactiva. Daarnaast ondersteunde ECB-Bankentoezicht de FSB wederom bij het afbakenen van de regelgevingsperimeter en het in kaart brengen van de kansen en risico's die financiële innovatie met zich meebrengt.

4.2.2 Bijdrage aan het Bazels proces

Als lid van het Bazels Comité voor Bankentoezicht bood ECB-Bankentoezicht een Europees perspectief op de werkzaamheden van het Comité en speelde het een actieve rol in discussies over de verdere versterking van de regelgeving voor en het toezicht op banken.

ECB-Bankentoezicht droeg bij aan de werkzaamheden van de substructuren van het Bazels Comité, als medevoorzitter van zowel de Task Force on Climate-related Financial Risks als de Policy and Standards Group. Tot de belangrijkste verwezenlijkingen van deze substructuren behoren de publicatie van een kader voor de vrijwillige openbaarmaking van klimaatgerelateerde financiële risico's en beginselen voor een degelijke beheersing van derdepartijrisico's, evenals de lancering van een raadpleging over een nieuw standaardformaat voor machineleesbare Pijler 3-openbaarmakingen.

Voorts werd onder leiding van ECB-Bankentoezicht een literatuurstudie uitgevoerd over effectief toezicht, als onderdeel van de follow-upwerkzaamheden van het Bazels Comité naar aanleiding van de bancaire onrust in 2023.

Bovendien organiseerde de ECB in december 2025 een gezamenlijke conferentie met de Research Group van het Bazels Comité en het Centre for Economic Policy Research over technologische innovatie in financiële markten en de bijbehorende risico’s en kansen voor banken en regelgevers.

Tot slot toonde de ECB zich een fervent voorstander van de internationale tenuitvoerlegging van het Bazel III-akkoord, dat solide waarborgen biedt voor een veerkrachtige mondiale banksector. Deze gemeenschappelijke normen vormen de basis voor een gelijk speelveld en zorgen ervoor dat banken ook in periodes van stress krediet en liquiditeit kunnen blijven verstrekken.

4.2.3 Bijdrage aan de werkzaamheden van de Europese Bankautoriteit en de Europese beleidsvorming

In 2025 werkte ECB-Bankentoezicht opnieuw nauw samen met de EBA om haar te helpen bij de ontwikkeling van het gemeenschappelijk rulebook, consistent toezicht in de gehele banksector van de EU te bevorderen en de veiligheid en soliditeit van kredietinstellingen evenals de stabiliteit van het financiële stelsel te versterken.

De ECB en de EBA werkten samen aan de ontwikkeling van de methodologie, modellen en scenario’s voor de EU-brede stresstest van 2025, waarvan de resultaten op 1 augustus 2025 zijn gepubliceerd. In deze context droeg de ECB ook bij aan discussies over langetermijnstrategieën en de ontwikkeling van gecentraliseerde kredietrisicomodellen voor toekomstige EU-brede stresstests.

In het kader van de vereenvoudigingsinspanningen op Europees niveau nam de ECB deel aan de Task Force on the Efficiency of the Regulatory and Supervisory Framework van de EBA. Op basis van de beoordeling die de taskforce in dit verband heeft uitgevoerd, werden vier belangrijke verbeterpunten geïdentificeerd: (i) de uitwerking van regelgevingsteksten van niveau 2 en niveau 3, (ii) de rapportagelast voor financiële instellingen, (iii) de rol van de EBA bij de vormgeving van het prudentiële regelgevingskader van de EU, en (iv) interne werkafspraken. De taskforce stelde ook maatregelen voor om de efficiëntie te verbeteren over verschillende tijdshorizons: tegen eind 2025 (onmiddellijk), tegen eind 2026 (korte termijn) en na 2026 (middellange tot lange termijn). De resultaten van de beoordeling door de taskforce en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen werden gepresenteerd in het Report on the efficiency of the regulatory and supervisory framework en het werkprogramma voor 2026 van de EBA.

In het kader van de Bazel III-hervormingen droeg de ECB bij aan het opstellen van technische normen voor de tenuitvoerlegging van openbaarmakingsvereisten voor de output floor, kredietrisico, marktrisico, risico van aanpassing van de kredietwaardering, operationeel risico en overgangsbepalingen voor openbaarmakingen over cryptoactivablootstellingen.

De ECB nam deel aan de openbare raadpleging over de gewijzigde openbaarmakingsvereisten voor ESG-risico’s, blootstellingen in aandelen en geaggregeerde blootstellingen aan schaduwbankentiteiten in het kader van de Uitvoeringsverordening van de Europese Commissie over de Pijler 3-openbaarmakingen uit hoofde van CRR III, en aan de openbare raadpleging betreffende de ontwerprichtsnoeren over de beheersing van derdepartijrisico’s.

Daarnaast droeg de ECB bij aan het EBA Report on white labelling, dat op 14 oktober 2025 werd gepubliceerd.

De ECB kreeg tevens de status van waarnemer in de subgroep van de AI-board die gewijd is aan het gebruik van AI in financiële diensten, waardoor zij zal kunnen bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de samenwerking tussen toezichthouders en relevante autoriteiten in het kader van de AI-verordening.

Kader 4
Actualisering van het beleid van de ECB inzake keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte

Op 25 juli 2025 werkte de ECB haar beleid bij met betrekking tot de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte (K&M)[59] die het EU-recht biedt[60]. Het K&M-kader van de ECB waarborgt de consistente toepassing van keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte door de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten. Dit bevordert transparantie, effectiviteit en een gelijk speelveld voor de banken die onder het Europees bankentoezicht vallen.

De ECB bracht wijzigingen aan in haar vier beleidsinstrumenten op het gebied van K&M: (i) de Gids van de ECB inzake de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt, (ii) ECB-Verordening (EU) 2016/445, (iii) Aanbeveling ECB/2017/10 en (iv) Richtsnoer (EU) 2017/697. Deze wijzigingen hebben betrekking op de verlening van toestemming door de ECB aan banken inzake de berekening van kapitaalvereisten voor operationeel risico en marktrisico, en op de opname van minderheidsbelangen in dochterondernemingen in het kapitaal van een bankgroep. Ze verduidelijken ook hoe het Deense compromis[61] moet worden toegepast in de bankenunie.

5 Organisatie van ECB-Bankentoezicht

5.1 Personeel van ECB-Bankentoezicht

5.1.1 Werving

Over het algemeen maakt ECB-Bankentoezicht vacatures eerst intern bekend. Voor startersfuncties wordt echter op de externe markt geadverteerd. In 2025 heeft ECB-Bankentoezicht via externe wervingscampagnes 22 kandidaten aangenomen voor functies van langere duur.

Grafiek 7

Aantal aanstellingen per medewerkersgroep in 2025

Bron: ECB.

5.1.2 Uitwisselingsprogramma’s

De ECB moedigt personeelsuitwisselingen met partnerorganisaties in de EU aan. Dankzij uitwisselingen met de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad, de Europese Autoriteit voor effecten en markten en de Europese Investeringsbank kregen ECB-medewerkers de kans om in andere organisatorische omgevingen te werken, hun vaardigheden uit te breiden en de samenwerking binnen het Europees financieel toezicht te verdiepen.

5.1.3 Capaciteitsopbouw

ECB-Bankentoezicht beoordeelt periodiek de mate waarin het voorbereid is op toezichtstaken en actualiseert zijn capaciteitsopbouwplan om prioriteit te geven aan het ontwikkelen van talenten in gebieden waar deze paraatheid lager is. In 2025 richtte ECB-Bankentoezicht zich op toezichtstaken met betrekking tot uitbesteding van IT-diensten, IT-beveiliging, cyberrisico’s en de nieuwe taken van de ECB die voortvloeien uit de Verordening digitale operationele weerbaarheid (DORA).

Daarnaast heeft de ECB haar opleidingsaanbod op alle terreinen van het bankentoezicht verder uitgebreid. Zo werd het SSM Induction Programme versterkt door op het SSMnet een aparte rubriek te creëren voor nieuwkomers. De tweede editie van het SSM Foundation Programme, die eindigde in juni 2025, verschafte toezichthouders een gemeenschappelijk niveau van technische kennis. Er werden ook nieuwe leertrajecten over virtuele activa en geopolitieke risico’s opgezet om het belang van deze toezichtsthema’s te onderstrepen. Tot slot werd het digitale leertraject van het SSM verbeterd om toezichthouders, ontwikkelaars en leidinggevenden op te leiden over AI, IT-risicotoezicht en digitalisering (zie Paragraaf 5.2.1).

In 2026 zullen de opleidingen over prioritaire risicogebieden zoals kredietrisico, IT/operationeel risico en geopolitiek risico worden uitgebreid met de nieuwste ontwikkelingen in het bankentoezicht om in te spelen op de fundamentele en opkomende trends en uitdagingen.

5.1.4 Diversiteit en inclusie

ECB-Bankentoezicht streeft naar een werkcultuur waarin de kracht van diversiteit en inclusie ten volle wordt benut en alle collega’s hun unieke perspectieven kunnen inbrengen en een authentieke bijdrage leveren aan de organisatie. Als onderdeel van deze visie blijft het bereiken van genderevenwicht een belangrijke strategische prioriteit. Over het geheel genomen is 43% van de werknemers en trainees van ECB-Bankentoezicht vrouw. Dit percentage varieert echter naargelang van het hiërarchische niveau. Zo maken vrouwen 47% uit van de analisten en 44% van de experten. Op zowel teamleiders- als managementniveau is dit aandeel 33%, terwijl 37% van de senior managementfuncties door vrouwen wordt vervuld. De ECB blijft haar inspanningen opvoeren om een genderevenwicht te bereiken.

Figuur 1

Het personeelsbestand van ECB-Bankentoezicht in cijfers

Bron: ECB.
Toelichting:
1) Per 31 december 2025.
2) De uitsplitsing naar salarisschaal betreft alleen vaste medewerkers en medewerkers met een overeenkomst voor bepaalde tijd. Het totale aandeel van mannen en vrouwen betreft alle werknemers en trainees.
3) Dit zijn werknemers die gedetacheerd zijn door een nationale centrale bank binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken, Europese overheidsinstellingen/agentschappen of internationale organisaties.
4) Dit aantal omvat 14 deelnemers aan het ECB Graduate Programme.

5.2 Technologie, innovatie en kader voor gegevensrapportage

5.2.1 Ontwikkelingen in toezichtstechnologie

In 2025 heeft ECB-Bankentoezicht zijn technologiegebruik verder ontwikkeld in overeenstemming met de technologiestrategie van het SSM voor 2024-2028, die gericht is op het ondersteunen van risicogebaseerd toezicht, het versterken van de gegevenscapaciteiten en het bevorderen van een digitale cultuur. Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt op drie gebieden: de belangrijkste toezichtssystemen zijn geüpgraded, er zijn nieuwe AI-gestuurde innovaties ingevoerd en de processen zijn vereenvoudigd om de complexiteit voor toezichthouders en banken te verminderen.

Daarnaast werd IMAS, het IT-kernsysteem dat door alle toezichthouders binnen het Europees bankentoezicht wordt gebruikt, grondig geactualiseerd. Dankzij deze veranderingen kunnen toezichthouders beter toezicht houden op ICT- en cyberrisico’s overeenkomstig DORA en werd het proces voor het melden van ICT-incidenten verbeterd. In IMAS kunnen toezichthouders dankzij een nieuwe, gefaseerde aanpak van toezichtsmaatregelen prioriteit geven aan ernstige bevindingen en tegelijkertijd de afhandeling van minder kritieke bevindingen vereenvoudigen. Bovendien kunnen banken vervolgacties nu digitaal beheren via het SSM-portaal en online bevestigen dat ze het probleem hebben verholpen. Dit vermindert de administratieve last voor banken en toezichthouders, aangezien minder ernstige bevindingen sneller kunnen worden afgesloten, en zorgt ervoor dat de follow-up meer risicogebaseerd en evenredig is.

Daarnaast werden nieuwe analytische en AI-gestuurde tools ingevoerd. Athena, het platform voor tekstanalyse, werd uitgebreid met grote taalmodellen, waardoor toezichthouders nu geavanceerde AI kunnen inzetten om teksten te analyseren en samen te vatten en informatie op te halen. Er wordt ook een breed scala aan AI-assistenten ontwikkeld; assistenten voor het opvragen van gegevens en het beoordelen van documenten zijn reeds beschikbaar. Voorts laat het netwerkanalyseplatform Navi gebruikers toe om risico’s en besmettingskanalen te evalueren tegen de achtergrond van verhoogde geopolitieke onzekerheid.

Deze innovaties breiden het gamma aan analyse-instrumenten uit, zorgen voor snellere toegang tot informatie, verbeteren de consistentie van de toezichtsanalyse en stellen toezichthouders in staat zich te concentreren op beslissingen die gebaseerd zijn op oordeelsvorming.

In het kader van de voortdurende inspanningen van de ECB om de interactie tussen banken en toezichthouders te vereenvoudigen en te harmoniseren, is met het SSM-portaalproject een begin gemaakt met het consolideren van de bestaande indienings- en communicatiekanalen. Het SSM-portaal zal het huidige IMAS-portaal en het externe Stress Test Account Reporting (STAR) platform samenvoegen tot één kanaal, dat verder geïntegreerd zal worden met het Centralised Submission Platform (CASPER). Het SSM-portaal zal een uniform platform bieden voor gegevensuitwisseling, statusopvolging en toezichtsdialoog. Dit zal de werkstromen voor zowel banken als toezichthouders stroomlijnen en de weg vrijmaken voor soepelere, veiligere en transparantere interactie met de banksector.

Naast de technologische aspecten bleef ECB-Bankentoezicht investeren in een digitale cultuur en vaardigheden door middel van opleidingen en praktijkgemeenschappen om het gebruik van nieuwe technologieën te ondersteunen. Ook werd de dialoog met de banksector onderhouden via de Supervision Innovators Conference. Deze jaarlijkse conferentie bracht ongeveer 1.200 deelnemers uit de banksector, de toezichthoudende instanties en de technologiesector samen om, onder het thema “AI in action”, het verantwoord gebruik van AI in het toezicht te bespreken.

In 2025 heeft de ECB ook het Next-level toezicht-project gelanceerd (zie Paragraaf 1.3.2), met onder meer initiatieven om de end-to-end toezichtsprocessen verder te digitaliseren en efficiënter, effectiever en risicogebaseerd toezicht te bevorderen.

5.2.2 Ontwikkelingen in het kader voor gegevensrapportage

In 2025 hebben de ECB en de NCA’s de tenuitvoerlegging voltooid van het geactualiseerde kader voor rapportage aan de EBA, dat rekening houdt met de nieuwe vereisten die voortvloeien uit CRR III en CRD VI. De daarmee samenhangende methodologische veranderingen worden verwerkt in de driemaandelijkse bankentoezichtsstatistieken van de ECB sinds de referentieperiode die het eerste kwartaal van 2025 bestrijkt. Deze wijzigingen hebben voornamelijk invloed op de berekening van de totale risicoblootstelling en de componenten daarvan met betrekking tot krediet-, markt- en operationeel risico. Bovendien heeft de ECB, als onderdeel van haar streven naar betere communicatie en innovatie, deze driemaandelijkse toezichtsstatistieken voor banken voor het eerst ter beschikking gesteld in de vorm van interactieve verslagen, waardoor gebruikers meer flexibiliteit en personaliseringsmogelijkheden krijgen.

Naast de rapportering aan de EBA vragen toezichthouders ook ad-hocinformatie van banken om opkomende risico’s te monitoren. De ECB houdt een databank bij van deze gegevensverzoeken om de rapportagelast te beheersen en de rapportagevereisten te helpen stroomlijnen, als onderdeel van haar Next-level toezicht-project (zie Paragraaf 1.3.2). Deze databank zal binnenkort worden aangevuld met gegevensverzamelingen die betrekking hebben op minder belangrijke instellingen en, in samenwerking met de EBA, gegevensverzamelingen die zijn opgezet in EU-landen die niet deelnemen aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme. In het kader van haar voortdurende inspanningen om de rapportagekosten te verlagen, heeft de ECB een thematische beoordeling afgerond van gegevensverzamelingen over de bedrijfsmodellen en kapitaaltoereikendheid van de banken. Dit leidde tot een vermindering van het aantal onderzochte gegevenspunten, een grotere standaardisering en de invoering van strengere regels inzake discipline en verantwoordingsplicht voor aanvragers bij het indienen van nieuwe gegevensverzoeken.

In juni 2025 is de ECB begonnen met het verzamelen van toelichtingen van de onder toezicht staande entiteiten over de aard en onderliggende oorzaken van materiële wijzigingen die zij aanbrengen in de toezichtsrapportages die zij verstrekken in het kader van de technische uitvoeringsnormen (ITS) van de EBA. De methodologie voor het identificeren deze herzieningen is gebaseerd op de lessen die zijn getrokken uit een proefproject dat de ECB in 2023 heeft uitgevoerd. Deze methodologie werd ontwikkeld in 2024 en gedeeld met de belangrijke instellingen, die deze intern ten uitvoer dienen te leggen.

In 2025 heeft de ECB ook haar jaarlijkse managementverslag over datagovernance en gegevenskwaliteit met de banken gedeeld (zie Paragraaf 1.2.3.2). Dit verslag, dat bestaat uit een reeks kwantitatieve indicatoren en een vragenlijst voor banken, is erop gericht de verantwoordingsplicht van hun bestuursorganen te vergroten. Daarnaast helpt het de toezichthouders en de banken om tekortkomingen in de aggregatie van risicogegevens en de risicorapportage te identificeren en aan te pakken. In het verslag van 2025 wordt gesteld dat eerder vastgestelde tekortkomingen in de gegevenskwaliteit nog niet zijn verholpen. Deze zijn voornamelijk het gevolg van een verkeerde interpretatie van de rapportageverplichtingen, problemen met interne IT-systemen of externe softwareleveranciers en operationele of menselijke fouten.

In februari 2025 heeft de ECB een nieuw communicatiekanaal opgezet waarmee zij toezicht kan houden op belangrijke instellingen en rechtstreeks met hen in contact kan treden om problemen met de kwaliteit van de gegevens die zij verstrekken in het kader van de ITS op te lossen. Deze interacties verlopen voortaan via ASTRA, het platform van de ECB voor het uitwisselen van op documenten gebaseerde informatie en mededelingen met haar externe tegenhangers. De NCA’s behouden volledige toegang, waardoor transparantie en gezamenlijke deelname gedurende het hele proces worden gewaarborgd.

Tot slot heeft de ECB in 2025 haar jaarlijkse afstemmingsoefening tussen geselecteerde Pijler 3-openbaarmakingen en de toezichtsrapportage uitgevoerd. Dit leidde tot aanzienlijke verbeteringen in de consistentie en kwaliteit van de gegevens. De verkregen gegevens werden gepubliceerd op de statistiekenpagina van de website van ECB-Bankentoezicht, samen met een nota die de belangrijkste resultaten belicht. In 2025 lag de nadruk op de automatisering van processen, waardoor de reikwijdte van de afstemmingsoefening zal kunnen worden uitgebreid zodra het Pijler 3-datacentrum van de EBA operationeel is.

6 Governance van ECB-Bankentoezicht

6.1 Verantwoordingsvereisten

In 2025 bleef ECB-Bankentoezicht nauw samenwerken met het Europees Parlement en de Raad van de EU.

Dit Jaarverslag vormt een van de belangrijkste verantwoordingsinstrumenten van ECB-Bankentoezicht ten aanzien van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, zoals vastgelegd in de SSM-Verordening. In overeenstemming met deze verordening moet de ECB bij de uitvoering van haar toezichtstaken voldoen aan passende transparantie- en verantwoordingsvereisten. De ECB hecht groot belang aan de handhaving en volledige toepassing van haar verantwoordingskader, dat nader in detail wordt omschreven in het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de ECB en in het memorandum van overeenstemming tussen de Raad van de EU en de ECB. In de loop der jaren heeft de ECB haar interacties met het Europees Parlement uitgebreid tot buiten de vereisten van het Interinstitutioneel Akkoord, wat het belang dat zij hecht aan haar verantwoordingsplicht onderstreept.

In 2025 verscheen de voorzitter van de Raad van Toezicht op drie reguliere openbare hoorzittingen van de Commissie Economische en Monetaire Zaken van het Europees Parlement. Tijdens haar openbare hoorzitting van 27 maart stelde zij het Jaarverslag van de ECB over de toezichtswerkzaamheden in 2024 voor. De andere twee reguliere openbare hoorzittingen vonden plaats op 15 juli en 13 oktober. Deze besprekingen waren gericht op de uitdagingen voor banken, macro-economische onzekerheid, digitalisering, geopolitieke risico’s en de resultaten van de stresstest van 2025. De voorzitter beschreef ook de recente inspanningen om het toezicht te versterken en te vereenvoudigen. Andere onderwerpen waren het regelgevingskader en de wetgevingsdossiers voor het voltooien van de bankenunie, met name wat betreft de herziening van het kader voor bankencrisisbeheer en depositoverzekering en het Europese depositoverzekeringsstelsel.

In 2025 beantwoordde de voorzitter van de Raad van Toezicht zes schriftelijke vragen van Europarlementsleden.

In 2025 beantwoordde de voorzitter van de Raad van Toezicht zes schriftelijke vragen van Europarlementsleden over aangelegenheden op het gebied van bankentoezicht. Alle antwoordbrieven werden gepubliceerd op de website van ECB-Bankentoezicht. Deze brieven hadden betrekking op overwegingen inzake financiële stabiliteit bij de beoordeling van bankovernames, consumentenbescherming, institutionele beschermingsregelingen en de gevolgen van een digitale euro voor de banksector[62].

Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord stelde de ECB daarnaast de verslagen van de vergaderingen en de samenvattingen van de seminars van de Raad van Toezicht beschikbaar aan het Europees Parlement.

Om de dialoog met het Europees Parlement verder te bevorderen, heeft ECB-Bankentoezicht ook gereageerd op de opmerkingen en suggesties van het Europees Parlement in diens “Resolutie over de bankenunie – jaarverslag 2024”. In haar feedback gaf de ECB commentaar op ontwikkelingen in de banksector en op wetgevingsdossiers die relevant zijn voor het bankentoezicht. Hierbij kwamen onder meer de weerbaarheid van banken, het regelgevingskader en de voltooiing van de bankenunie aan bod.

Wat betreft de interactie met de Raad van de EU heeft de voorzitter van de Raad van Toezicht in 2025 deelgenomen aan twee gedachtewisselingen met de Eurogroep, op 12 mei en 12 november. Naast andere regelgevingsthema’s besprak de voorzitter de rol van solide toezicht en regelgeving bij het versterken van de veerkracht van de banksector van het eurogebied tegen de achtergrond van verhoogde geopolitieke risico’s, evenals instrumenten om deze veerkracht te testen (waaronder stresstests) en manieren om de efficiëntie en effectiviteit van het toezicht te verbeteren.

6.2 Transparantie en communicatie

In 2025 handhaafde ECB-Bankentoezicht hoge normen van transparantie en communicatie om belanghebbenden via verschillende kanalen en middelen te informeren en uitleg te geven over haar toezichtsactiviteiten. Hierbij maakte ECB-Bankentoezicht gebruik van transparante en duidelijke communicatie om het publiek inzicht te geven in het streven naar een effectiever, efficiënter en meer risicogebaseerd toezicht.

In 2025 hielden de voorzitter en vicevoorzitter van de Raad van Toezicht 23 toespraken en de ECB-vertegenwoordigers in de Raad 18. Samen gaven ze 14 interviews en publiceerden ze 14 blogberichten. De voorzitter en vicevoorzitter hielden ook een persconferentie over de resultaten van de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP) voor 2025. ECB-Bankentoezicht bracht twee podcastafleveringen uit en publiceerde 23 persberichten en andere items, waaronder brieven aan Europarlementsleden, richtsnoeren voor banken en statistieken over het toezicht. In de driemaandelijkse Supervision Newsletter, een digitale publicatie met meer dan 11.000 abonnees, werden informatie en updates gegeven over lopende toezichtsprojecten en -bevindingen. De ECB belicht ook relevante onderwerpen op het gebied van bankentoezicht op haar sociale media, waar zij via quizzen en explainers basisbegrippen uitlegt aan een jonger publiek.

In 2025 lichtte de ECB in haar communicatie met name toe hoe ze geopolitieke risico’s in haar werkzaamheden integreert en wat ze van banken verwacht bij het identificeren en beheersen van deze risico’s (zie Paragraaf 1.2.2). Daarnaast verschafte ze nadere uitleg over haar programma voor toezichtshervormingen, zoals dit werd uiteengezet in een uitgebreid verslag als aanvulling op de aanbevelingen van haar High-Level Task Force on Simplification (zie Paragraaf 1.3).

Om haar dialoog met marktanalisten en professionals uit de sector te bevorderen, hield de ECB twee bijeenkomsten van de Banking Supervision Market Contact Group en organiseerde zij het zesde ECB Forum on Banking Supervision. De besprekingen tijdens deze evenementen waren gericht op de risicovooruitzichten voor de banksector van het eurogebied, de verwevenheid tussen banken en de niet-bancaire financiële sector evenals geo-economische risico’s en hun invloed op regelgeving en de strategieën van banken. Daarnaast ontmoette de voorzitter van de Raad van Toezicht tijdens haar bezoeken aan de nationale bevoegde autoriteiten van 12 landen ook leidinggevenden van binnenlandse banken en vertegenwoordigers van organisaties uit het maatschappelijk middenveld.

In 2025 heeft de ECB, naast dagelijkse vragen in de media, 915 vragen van het publiek over thema’s in verband met bankentoezicht behandeld. Deze vragen hadden betrekking op verschillende aspecten van ECB-Bankentoezicht, waaronder stresstests, cyberweerbaarheid, operationele risico’s, bankvergunningen en -autorisaties, toezichtsbeleid en -kaders en bankafwikkeling. In het Bezoekerscentrum hield de ECB tot slot lezingen over bankentoezicht voor 688 deelnemers en liet zij 14.860 bezoekers kennismaken met haar kerntaken.

6.3 Besluitvorming

6.3.1 Vergaderingen en besluiten van de Raad van Toezicht en het Stuurcomité

De Raad van Toezicht heeft in 2025 16 keer vergaderd.

De Raad van Toezicht van de ECB heeft in 2025 16 keer vergaderd. Er werden vier fysieke bijeenkomsten gehouden in Frankfurt am Main en één in Malta; de andere vergaderingen vonden plaats via videoconferentie.

Daarnaast heeft de Raad van Toezicht op uitnodiging van de Finantsinspektsioon in oktober 2025 een strategische retraite gehouden in Tallinn.

Het Stuurcomité[63] van de Raad van Toezicht heeft in 2025 zes vergaderingen gehouden, die allemaal via videoconferentie verliepen.

Raad van Toezicht

Voorzitter

Claudia Buch

Vicevoorzitter

Frank Elderson

ECB-vertegenwoordigers

Anneli Tuominen
Patrick Montagner
Sharon Donnery (sinds 1 januari 2025)
Pedro Machado (sinds 1 maart 2025)

België

Tom Dechaene (Nationale Bank van België/Banque nationale de Belgique)

Bulgarije

Radoslav Milenkov (Българска народна банка (Nationale Bank van Bulgarije))

Duitsland

Mark Branson (Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht)
Michael Theurer (Deutsche Bundesbank)

Estland

Kilvar Kessler (Finantsinspektsioon)
Veiko Tali (Eesti Pank)

Ierland

Mary-Elizabeth McMunn (Central Bank of Ireland) (sinds 1 januari 2025)

Griekenland

Christina Papaconstantinou (Bank of Greece)

Spanje

Mercedes Olano (Banco de España)

Frankrijk

Denis Beau (Banque de France)

Kroatië

Tomislav Ćorić (Hrvatska narodna banka)

Italië

Alessandra Perrazzelli (Banca d’Italia) (tot 9 mei 2025)

Paolo Angelini (Banca d’Italia) (sinds 26 mei 2025)

Cyprus

George Ioannou (Central Bank of Cyprus)

Letland

Santa Purgaile (Latvijas Banka)

Litouwen

Simonas Krėpšta (Lietuvos bankas) (tot 31 mei 2025)

Julita Varanauskienė (Lietuvos bankas) (sinds 4 juni 2025)

Luxemburg

Claude Wampach (Commission de Surveillance du Secteur Financier)
Eric Cadilhac (Banque centrale du Luxembourg)

Malta

Michelle Mizzi Buontempo (Malta Financial Services Authority)
Oliver Bonello (Central Bank of Malta)

Nederland

Steven Maijoor (De Nederlandsche Bank)

Oostenrijk

Helmut Ettl (Finanzmarktaufsicht)
Thomas Steiner (Oesterreichische Nationalbank)

Portugal

Rui Pinto (Banco de Portugal)

Slovenië

Primož Dolenc (Banka Slovenije) (tot 31 augustus 2025)

Marko Pahor (Banka Slovenije) (sinds 1 september 2025)

Slowakije

Vladimír Dvořáček (Národná banka Slovenska)

Finland

Tero Kurenmaa (Finanssivalvonta)
Päivi Tissari (Suomen Pankki – Finlands Bank)

In 2025 heeft de ECB 2.549 toezichtsbesluiten[64] genomen met betrekking tot specifieke entiteiten onder haar toezicht (Figuur 2). Hiervan werden 1.395 besluiten goedgekeurd door de hoofden van de ECB-arbeidseenheden in overeenstemming met het algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichtstaken verband houdende rechtsinstrumenten. Daarnaast werden 1.154 besluiten goedgekeurd door de Raad van Bestuur overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure op basis van een ontwerpvoorstel van de Raad van Toezicht. Deze besluiten omvatten 128 handelingen (zoals de vestiging van een bijkantoor) waaraan de ECB impliciet haar goedkeuring heeft gehecht door geen bezwaar te maken binnen de wettelijke termijnen.

De meeste toezichtsbesluiten hadden betrekking op deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen (48,8%), eigen vermogen (11,2%), interne modellen (8,1%), gemeenschappelijke procedures (7,7%), toezichtsrapportage (7,5%), nationale bevoegdheden (6,8%) en de SREP (4,0%).

De Raad van Toezicht nam besluiten over verscheidene horizontale aangelegenheden, waaronder efficiënt, effectief en risicogebaseerd toezicht.

Naast de definitieve ontwerpbesluiten over specifieke banken die ter goedkeuring aan de Raad van Bestuur werden voorgelegd, nam de Raad van Toezicht ook besluiten over verschillende horizontale aangelegenheden. Deze besluiten hadden met name betrekking op efficiënt en effectief toezicht, de impact van geopolitieke risico’s op banken, de stresstest van de ECB in 2025, de tenuitvoerlegging van de Verordening digitale operationele weerbaarheid (DORA) in het toezichtskader, het versterken van de beoordeling van kredietrisico, klimaat- en milieukwesties, de hervorming van de SREP, de veranderingen in het toezicht op interne modellen naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen in de regelgeving, en het voorlopige voorstel voor de toezichtsprioriteiten voor 2026-2028. Voor sommige van deze besluiten werden voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de relevante onderwerpen uitgevoerd door tijdelijke, door de Raad van Toezicht aangewezen structuren bestaande uit vertegenwoordigers van de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten.

Bovendien gaven sommige besluiten van de Raad van Toezicht aanleiding tot openbare gidsen, verslagen en toetsingen, zoals de Gids van de ECB voor het uitbesteden van clouddiensten aan aanbieders van clouddiensten, de actualisering van de Gids van de ECB inzake de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt en de herziene ECB Guide to internal models.

Voor het merendeel van zijn besluiten volgde de Raad van Toezicht een schriftelijke procedure[65].

Tweeëndertig van de 113 bankgroepen die in januari 2025 onder direct toezicht van de ECB stonden, gaven aan officiële ECB-besluiten in een andere officiële EU-taal dan het Engels te willen ontvangen.

Figuur 2

Besluiten van de Raad van Toezicht in 2025

Bron: ECB.
Toelichting:
1) Naast deze vergaderingen heeft de Raad van Toezicht in 2025 twee seminars georganiseerd.
2) Dit cijfer omvat schriftelijke procedures voor individuele toezichtsbesluiten en voor andere kwesties zoals gemeenschappelijke methodieken en raadplegingen van de Raad van Toezicht. Eenzelfde schriftelijke procedure kan betrekking hebben op verschillende toezichtsbesluiten.
3) Dit cijfer geeft het aantal afzonderlijke toezichtsbesluiten weer die waren gericht aan onder toezicht staande entiteiten, of potentiële overnemers daarvan, evenals instructies aan nationale bevoegde autoriteiten over belangrijke of minder belangrijke instellingen. Eenzelfde besluit kan verschillende goedkeuringen bevatten.

6.3.2 Werkzaamheden van de Administratieve Raad voor Toetsing

De Administratieve Raad voor Toetsing (Administrative Board of Review – ABoR) is een ECB-orgaan waarvan de leden, die individueel en collectief onafhankelijk zijn van de ECB, belast zijn met het toetsen van door de ECB genomen toezichtsbesluiten na ontvangst van een ontvankelijk toetsingsverzoek.

De ABoR heeft 35 vergaderingen gehouden in 2025, waarvan 31 virtuele en vier fysieke, met inbegrip van een externe vergadering in Helsinki, Finland.

In 2025 verschafte de ABoR adviezen over vijf verzoeken voor een administratieve toetsing van een toezichtsbesluit van de ECB (Tabel 10). Eén verzoek had betrekking op de classificatie van de verzoekers als belangrijke onder toezicht staande entiteiten. Het tweede verzoek betrof kwesties in verband met de bevoegdheid van de ECB om toezichtsmaatregelen te nemen op basis van nationale wetgeving. In de drie andere verzoeken werden ECB-besluiten inzake sancties en handhaving aangevochten. In al deze gevallen heeft de ABoR, na de verzoekers te hebben gehoord, de Raad van Toezicht voorgesteld het besluit te vervangen door een besluit met dezelfde inhoud.

De voorzitter van de ABoR stelde de activiteiten van dit orgaan voor op twee juridische conferenties in 2025. De voorzitter besprak de pragmatische en discrete beroepsmogelijkheid die wordt geboden door de ABoR op het SSM Senior Forum, dat in juni werd georganiseerd door A&O Shearman, en op de elfde Banking Union Conference, die in september werd georganiseerd door Freshfields, in samenwerking met het Institute for Law and Finance en het Center for Financial Studies van de Goethe Universität Frankfurt.

In 2025 werd de ABoR voorgezeten door Pentti Hakkarainen. De andere leden waren Ilias Plaskovitis (vicevoorzitter), Edouard Fernandez-Bollo, Christiane Campill en Verica Trstenjak. Damir Odak was plaatsvervangend lid. De huidige samenstelling van de ABoR en de cv’s van de leden kunnen worden geraadpleegd op de ABoR-pagina op de website van de ECB.

Tabel 10

Aantal toetsingen uitgevoerd door de ABoR

2025

2024

2023

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

Afgeronde adviezen van de ABoR

5

3

3

2

1

2

5*

4

4

6

6

3

Adviezen van de ABoR waarin wordt voorgesteld het bestreden besluit te vervangen door een besluit met dezelfde inhoud

5

2

3**

-

-

1

1

3

4

1

2

2

Adviezen van de ABoR waarin wordt voorgesteld het bestreden besluit te vervangen door een gewijzigd besluit of de argumentatie ervan te verbeteren

-

-

-

1

-

-

1

1

-

2

4

1

Adviezen van de ABoR waarin wordt voorgesteld het bestreden besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit

-

-

-

-

-

-

1

-

-

-

-

-

Adviezen van de ABoR waarin wordt voorgesteld het bestreden besluit in te trekken

-

-

-

-

1

-

-

-

-

-

-

-

Adviezen van de ABoR waarin het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard

-

1

-

1

-

1

2

-

-

3

-

-

Ingetrokken verzoeken

-

1

1

1

-

-

-

1

-

1

2

1

Schorsingsvoorstellen van de ABoR

-

-

-

-

-

1

-

-

-

-

-

-

Bron: ECB.
* Eén advies had betrekking op twee ECB-besluiten.
** In een van de drie adviezen stelde de ABoR voor dat de Raad van Toezicht het bestreden besluit zou vervangen door een besluit met dezelfde toezichtsmaatregelen.

6.4 Toepassing van de gedragscode

Overeenkomstig artikel 19, lid 3, van de SSM-Verordening heeft de ECB een ethisch kader ingesteld voor de hoge ambtenaren, de directie en het personeel van de ECB. Dit kader bestaat uit de gedragscode voor hoge ambtenaren van de ECB, een specifiek hoofdstuk in het personeelsreglement van de ECB en het richtsnoer tot vaststelling van de beginselen van een Ethisch Kader voor het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme. De tenuitvoerlegging en verdere ontwikkeling van dit kader wordt ondersteund door het Ethisch Comité, het Bureau Naleving en Governance (Compliance and Governance Office – CGO) en de Commissie ethiek en compliance van de ECB.

Overeenkomstig zijn mandaat beoordeelt het Ethisch Comité jaarlijks de belangenverklaringen van de leden van de Raad van Toezicht, die worden gepubliceerd op de verantwoordingspagina van de website van ECB-Bankentoezicht. die worden gepubliceerd op de verantwoordingspagina van de website van ECB-Bankentoezicht. Daarnaast reageert het Comité op verzoeken om advies van hoge ambtenaren van de ECB die betrokken zijn bij het bankentoezicht. In dit verband heeft het in 2025 18 adviezen uitgebracht, waarvan het merendeel betrekking had op kennisgevingen van activiteiten na uitdiensttreding. De adviezen van het Ethisch Comité worden gewoonlijk zes maanden na hun uitgiftedatum gepubliceerd op de website van de ECB. In 2025 werd de procedure voor het indienen van belangenverklaringen van hoge ambtenaren gedigitaliseerd, waardoor de verklaringen efficiënter en effectiever kunnen worden verwerkt.

Het aantal verzoeken waarvoor input van CGO-medewerkers nodig was, is in 2025 licht gestegen; 41% van deze verzoeken was afkomstig van medewerkers van ECB-Bankentoezicht.

Het CGO zette zijn digitaliseringsinspanningen in 2025 voort en verbeterde zijn interne tools om medewerkers sneller en gebruiksvriendelijker ethisch advies te kunnen verschaffen. In 2025 ontving de ECB 3.532 verzoeken om advies waarvoor input van CGO-medewerkers nodig was, vergeleken met 3.070 in 2024. Ongeveer 41% van deze verzoeken werd ingediend door medewerkers van ECB-Bankentoezicht.

Grafiek 8

Overzicht van in 2025 ontvangen verzoeken van medewerkers van ECB-Bankentoezicht

(aantal verzoeken)

Bron: ECB.

Naast welkomstsessies voor nieuwkomers, opleidingen en verplichte e-learningprogramma’s organiseerde het CGO ook informatiecampagnes over het ethisch kader. Op het Ethics Awareness Season van 2025, dat was gericht aan alle medewerkers en plaatsvond rond de Global Ethics Day, stonden stands voor bewustmaking van ethische kwesties en werden opfrissessies geboden over de regels voor financiële privétransacties. In 2025 organiseerde het CGO ook gespecialiseerde opleidingen over belangenconflicten voor inspecteurs ter plaatse van de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten. Deze sessies waren bedoeld om het bewustzijn van de ethische regels binnen het Europees bankentoezicht te versterken.

Om “draaideursituaties” te vermijden, bleef het CGO de communicatie en opleiding over de regels inzake onbetaald verlof en beperkingen na beëindiging van het dienstverband bij de ECB verbeteren.

Om “draaideursituaties” te voorkomen, beoordeelde het CGO mogelijke belangenconflicten van personeelsleden die werkaanbiedingen uit de particuliere sector overwogen, gaf het advies over de toepasselijke regels en legde het waar nodig beperkende maatregelen op. Aan één medewerker die in 2025 ontslag nam, werd overeenkomstig het ethisch kader een tijdelijk verbod opgelegd om een andere beroepsactiviteit uit te oefenen. In zes gevallen werden aanvullende veiligheidsmaatregelen opgelegd om draaideursituaties te voorkomen, zoals het herschikken van taken, het overplaatsen van personeel naar andere functies en/of het intrekken van toegangsrechten, waardoor de afkoelingsperiode in feite werd geïnternaliseerd.

Het CGO voerde ook zijn jaarlijkse controle uit op de naleving van de regels inzake financiële privétransacties van medewerkers en hoge ambtenaren van de ECB. Net zoals in voorgaande jaren werd bij deze controle slechts een beperkt aantal gevallen van niet-naleving geconstateerd, waarvan ongeveer 55% betrekking had op medewerkers van ECB-Bankentoezicht. In geen van deze gevallen was er sprake van opzettelijk laakbaar handelen of andere ernstige inbreuken op de regels.

De Commissie ethiek en compliance heeft richtsnoeren opgesteld voor een ethisch en verantwoord gebruik van AI.

De Commissie ethiek en compliance heeft samen met het Eurosysteem en het SSM-brede forum voor samenwerking op het gebied van ethiek en integriteit een speciale taskforce opgericht voor ethiek met betrekking tot artificiële intelligentie (AI). Via deze taskforce heeft de Commissie niet-bindende richtsnoeren ontwikkeld om het ethisch en verantwoord ontwerpen en gebruiken van AI-systemen te bevorderen en praktische richtlijnen te bieden aan instellingen die deel uitmaken van het Eurosysteem en het Europees bankentoezicht. Als onderdeel van haar verbintenis om het bewustzijn van ethiek en integriteit te bevorderen, organiseerde de Commissie op basis van input van een werkgroep een quiz over de ethische uitdagingen van het Eurosysteem/SSM, evenals een presentatie over ethiek, publiek vertrouwen en menselijk gedrag vanuit een gedragswetenschappelijk perspectief. Beide initiatieven kenden een grote deelname waarbij instellingen uit het hele Eurosysteem en Europees bankentoezicht actief betrokken waren.

6.5 Het beginsel van scheiding tussen monetair beleid en toezicht

Het beginsel van scheiding tussen monetair beleid en toezicht werd in 2025 vooral toegepast met betrekking tot de uitwisseling van informatie tussen verschillende beleidsgebieden.

Overeenkomstig Besluit ECB/2014/39 houdende de tenuitvoerlegging van scheiding tussen de monetaire beleidsfunctie en de toezichtsfunctie van de ECB[66] geschiedde deze uitwisseling op ‘need-to-know’-basis: wanneer een van de twee beleidsfuncties informatie vroeg van de andere, moest zij aantonen dat zij die informatie nodig had om haar beleidsdoelen te bereiken.

Krachtens voornoemd besluit is de goedkeuring van de Directie vereist voor de uitwisseling van niet-geanonimiseerde gegevens uit de gemeenschappelijke rapportage (COREP) en de financiële rapportage (FINREP), van andere ruwe data en van informatie die beoordelingen of beleidsaanbevelingen bevat. De organisatie-eenheden van de twee beleidsfuncties van de ECB wisselden dergelijke gegevens uit binnen het kader dat hiertoe is goedgekeurd en periodiek wordt herzien door de Directie.

Wanneer verzocht werd om geanonimiseerde gegevens of niet-beleidsgevoelige informatie, werd overeenkomstig Besluit ECB/2014/39 rechtstreeks toegang tot deze informatie verleend door de ECB-beleidsfunctie die deze in haar bezit had

Met het oog op de verhoogde geopolitieke spanningen werd in 2025 de noodbepaling van artikel 8 van Besluit ECB/2014/39 geactiveerd om een in de tijd begrensde uitwisseling van informatie tussen de monetaire beleidsfunctie en de toezichtsfunctie mogelijk te maken.

Op het niveau van de besluitvorming leverde de scheiding tussen de beleidsfuncties geen problemen op en was dus geen tussenkomst van het Bemiddelingspanel nodig.

Kader 5
Overgang van Българска народна банка (Nationale Bank van Bulgarije) van nauwe samenwerking met naar reguliere deelname aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme

Op 8 juli 2025 heeft de Raad van de Europese Unie de toetreding van Bulgarije tot het eurogebied formeel goedgekeurd, waardoor dit land sinds 1 januari 2026 de 21e lidstaat is.

ECB-Bankentoezicht en de Nationale Bank van Bulgarije hebben samengewerkt om te zorgen voor een naadloze overgang van nauwe samenwerking met naar volledige deelname aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme. Overeenkomstig het kader voor nauwe samenwerking, dat op 1 oktober 2020 van kracht werd, was de ECB verantwoordelijk voor het rechtstreeks toezicht op de belangrijke instellingen in Bulgarije, de gemeenschappelijke procedures voor alle onder toezicht staande entiteiten en het oversight op de minder belangrijke instellingen. De ECB gaf instructies aan de Nationale Bank van Bulgarije, die vervolgens nationale toezichtsbesluiten vaststelde en ter kennis bracht van de relevante Bulgaarse banken. Voor drie Bulgaarse belangrijke instellingen (dochterondernemingen van Belgische, Griekse en Italiaanse bankgroepen die reeds onder toezicht van de ECB stonden) sloten toezichthouders van de Nationale Bank van Bulgarije zich aan bij bestaande gezamenlijke toezichtsteams, waardoor ze effectief bijdroegen aan het rechtstreekse toezicht op deze instellingen. Daarnaast werd een nieuw gezamenlijk toezichtsteam opgericht voor DSK Bank AD, een Bulgaarse belangrijke instelling die een dochteronderneming is van een Hongaarse bankgroep.

Sinds 1 januari 2026 geeft de ECB niet langer instructies aan de Nationale Bank van Bulgarije, aangezien de ECB haar toezichtsbevoegdheden voortaan rechtstreeks kan uitoefenen en inspecties ter plaatse kan leiden voor onder toezicht staande entiteiten in Bulgarije. De ECB keurt nu rechtstreeks toezichtsbesluiten goed en brengt deze ter kennis van de Bulgaarse entiteiten. Bovendien is de Nationale Bank van Bulgarije volledig geïntegreerd in het planningsproces van ECB-Bankentoezicht voor inspecties ter plaatse in 2026. Op deze manier worden toezichtsopdrachten verder gestroomlijnd, grensoverschrijdende samenwerking versterkt en administratieve procedures vereenvoudigd, waardoor de ECB opdrachten in Bulgarije effectiever kan uitvoeren.

7 Verslag van de begrotingsbesteding

De SSM-Verordening bepaalt dat de ECB voldoende middelen moet uittrekken om haar toezichtstaken doeltreffend uit te voeren. Deze middelen worden gefinancierd met een toezichtsvergoeding die ten laste komt van de entiteiten die onder haar direct of indirect toezicht staan. De ECB stelt alles in het werk om haar middelen te herprioriteren en te optimaliseren, zodat de toezichtsfunctie haar taken kan uitvoeren in een veranderende omgeving. Op deze manier verbetert de ECB de effectiviteit van deze functie en beperkt ze de geplande kosten ervan, in overeenstemming met haar verbintenis om de kosten van de gehele organisatie te stabiliseren.

De uitgaven voor de toezichtstaken worden afzonderlijk vermeld in de begroting van de ECB. Deze uitgaven bestaan uit de directe uitgaven van ECB-Bankentoezicht, evenals uit de relevante uitgaven voor gemeenschappelijke diensten[67] waarvoor de toezichtsfunctie een beroep doet op de ondersteunende organisatie-eenheden van de ECB. Als onderdeel van haar intensief streven naar efficiëntieverbeteringen verfijnt de ECB routinematig haar kostentoerekeningsparameters om te zorgen voor een nauwkeurige kostentoewijzing die de verbeterde efficiëntie en de veranderende taken binnen de instelling weerspiegelt.

De begrotingsbevoegdheid van de ECB ligt bij haar Raad van Bestuur. Deze stelt, op grond van een voorstel van de Directie en in overleg met de voorzitter en de vicevoorzitter van de Raad van Toezicht, de jaarlijkse begroting van de ECB vast voor zaken die verband houden met het bankentoezicht. De Raad van Bestuur wordt hierin bijgestaan door het Begrotingscomité. Dit comité, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van alle nationale centrale banken van het Eurosysteem en van de ECB, evalueert de verslagen van de ECB inzake begrotingsplanning en -toezicht en stelt de resultaten beschikbaar aan de Raad van Bestuur.

7.1 Uitgaven voor 2025

De uitgaven van de ECB bleven in 2025 opnieuw binnen de geplande begroting.

In 2025 bedroegen de werkelijke jaarlijkse uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB € 689,8 miljoen, ofwel € 14,0 miljoen onder de raming van € 703,8 miljoen die in maart 2025 was meegedeeld. Dit betekent dat 98,0% van de begroting voor toezichtstaken werd benut.

Op basis van de classificatie in Tabel 11 worden de jaarlijkse kosten die via jaarlijkse toezichtsvergoedingen moeten worden verhaald van onder toezicht staande entiteiten, verdeeld tussen belangrijke en minder belangrijke instellingen overeenkomstig artikel 8 van de Vergoedingenverordening[68][69].

Tabel 11

Kosten van de toezichtstaken van de ECB naar functie (2024-2025)

(EUR miljoen)

Werkelijke uitgaven

2024

2025

Direct toezicht op belangrijke instellingen

340,8

346,3

Oversight op minder belangrijke instellingen

15,3

16,2

Horizontale taken en gespecialiseerde diensten

324,6

327,3

Totale uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB

680,6

689,8

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

Tabel 12 biedt meer gedetailleerde informatie over de uitgaven volgens de uitgevoerde werkzaamheden.

Tabel 12

Uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB

(EUR miljoen)

Werkelijke uitgaven

2024

2025

Prudentieel toezicht, waarvan:

541,9

555,7

toezicht op afstand en surveillance

272,0

258,0

inspecties ter plaatse

84,1

104,5

beleids-, advies- en regelgevingstaken

185,0

191,7

crisisbeheersing

0,8

1,5

Macroprudentiële taken

19,6

17,2

Toezichtsstatistieken

57,5

54,2

Raad van Toezicht, secretariaat, toezichtsrecht

61,6

62,8

Totale uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB

680,6

689,8

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag. In het kader van de voortdurende verfijning van de kostentoerekeningsparameters werd in 2025 € 16,7 miljoen aan kosten voor toezichtsactiviteiten geherrubriceerd van toezicht op afstand en surveillance naar inspecties ter plaatse.

In 2025 lagen de uitgaven voor toezichtstaken 1,3% hoger dan in 2024, wat neerkomt op een stijging van de totale uitgaven van € 9,1 miljoen op jaarbasis. Deze toename kan worden toegeschreven aan de tweejaarlijkse EU-brede stresstests die in 2025 plaatsvonden (zie Paragraaf 1.1.1), extra kosten in verband met de nieuwe taken van de ECB uit hoofde van de Verordening digitale operationele weerbaarheid (DORA) (zie Paragrafen 1.2.2.3 en 4.1.1.5) en voortdurende investeringen in toezichtstechnologie (zie Paragraaf 5.2).

Deze kostenstijgingen werden gedeeltelijk gecompenseerd door de lagere afschrijvingslasten in verband met de initiële uitgaven voor het SSM-informatiemanagementsysteem (IMAS) en het Stress Test Account Reporting (STAR) platform, die werden gemaakt bij de aanvang van het Europees bankentoezicht. Deze afschrijvingskosten, die in 2025 voor het laatst in rekening werden gebracht, daalden van € 19,0 miljoen in 2024 tot € 3,8 miljoen in 2025. Voorts werd de totale kostenstijging ook opgevangen door een daling van de kosten in verband met toezichtsinitiatieven en gemeenschappelijke diensten (Kaart 9).

Naast haar interne middelen doet de ECB ook een beroep op externe consultancydiensten om gespecialiseerde expertise of geïntegreerde consultancy onder gekwalificeerde begeleiding te verkrijgen, met name tijdens pieken in de werklast. In 2025 gaf de ECB € 37,1 miljoen uit aan consultancydiensten voor haar belangrijkste toezichtstaken, een daling van € 5,0 miljoen ten opzichte van 2024, voornamelijk als gevolg van de lagere behoefte aan externe consultancydiensten voor toezichtsinitiatieven en inspecties ter plaatse

De verdeling van de kosten tussen rechtstreeks aan de toezichtstaken van de ECB toe te rekenen uitgaven en uitgaven voor gemeenschappelijke diensten bleef in grote lijnen vergelijkbaar met het voorgaande jaar (Grafiek 9).

Grafiek 9

Kosten van de toezichtstaken van de ECB naar kostencategorie

(EUR miljoen)

Bron: ECB.
Toelichting: In het kader van de voortdurende verfijning van de kostentoerekeningsparameters werd in 2025 € 5,1 miljoen geherrubriceerd van personeelskosten naar overige bedrijfsuitgaven. Het gaat hier om reiskosten die oorspronkelijk waren ingedeeld bij de personeelskosten.

De rechtstreeks toerekenbare uitgaven bestaan uit de kernkosten voor het toezichtspersoneel, de uitgaven voor toezichtsinitiatieven (waaronder de kosten in verband met activakwaliteitsbeoordelingen), uitgaven voor specifieke informatietechnologie en andere operationele uitgaven zoals zakenreizen en opleidingen.

De totale uitgaven aan rechtstreeks toerekenbare kosten lagen in 2025 € 14,7 miljoen hoger dan in 2024, als gevolg van een stijging van de personeelskosten met € 30,4 miljoen, die gedeeltelijk werd opgevangen door dalingen in de andere kostencategorieën. De kostenstijging is voornamelijk toe te schrijven aan de extra voltijdequivalenten die door de Raad van Bestuur werden goedgekeurd voor (i) de tweejaarlijkse stresstests, (ii) de afronding van de internalisering van de consultancykosten in verband met inspecties ter plaatse en onderzoeken van interne modellen, en (iii) de nieuwe taken die voortvloeien uit DORA, evenals aan het extra personeel dat is aangeworven voor projecten op het gebied van bankentoezicht waarvan de kosten rechtstreeks aan deze categorie worden toegewezen.

De hogere uitgaven voor specifieke toezichtstechnologie en de nieuwe taken die voortvloeien uit DORA werden opgevangen door de afname met € 15,2 miljoen van de afschrijvingskosten voor IMAS en STAR. In 2025 was er een toename in het aantal projecten voor de ontwikkeling van IT-systemen voor bankentoezicht (waaronder Project Olympus en de gemeenschappelijke toezichtscockpit), terwijl de uitgaven voor het onderhoud van specifieke IT-systemen daalden ten opzichte van 2024. Ook de uitgaven voor activiteiten in verband met toezichtsinitiatieven liepen terug ten opzichte van 2024, doordat er alleen regelmatige activakwaliteitsbeoordelingen plaatsvonden.

De uitgaven in de categorie van de gemeenschappelijke diensten[70], d.w.z. diensten die zowel door de centralebankfunctie als door de bankentoezichtsfunctie worden gebruikt, bedroegen € 264,6 miljoen. Deze kosten worden verdeeld over de twee functies aan de hand van een kostentoerekeningsmechanisme waarbij rekening wordt gehouden met de voor de sector gebruikelijke parameters zoals het aantal voltijdequivalenten, de oppervlakte van de kantoorruimte en het volume van de vertaalaanvragen.

De kosten voor deze gemeenschappelijke diensten daalden in 2025 als gevolg van lagere kosten voor investeringen in IT-hardware en -diensten en verminderde bijdragen van de ECB aan de Europese School Frankfurt, die zorgden voor lagere uitgaven binnen de categorieën IT-diensten en HR-diensten.

Deze verlagingen werden gedeeltelijk tenietgedaan door kostenstijgingen voor huisvesting en faciliteiten vanwege het onderhoud van twee gebouwen in 2025[71] en de lancering van een langetermijnstrategie voor de vervanging van activa aan het einde van hun levensduur, die naar verwachting in 2029 voltooid zal zijn. Voorts was er een toename in de uitgaven voor juridische, administratieve en auditdiensten. Dit was voornamelijk het gevolg van een interne reorganisatie van de interne auditfunctie van de ECB, die gericht was op een verdere versterking van de scheiding tussen de toezichtstaken en andere taken van de ECB wat betreft de gemeenschappelijke diensten.

7.2 Geraamde uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB in 2026

De ECB verwacht dat haar geplande begroting ook in 2026 bijna volledig zal worden benut.

Het begrotingsplafond voor toezichtstaken in 2026 is vastgesteld op € 706,7 miljoen, een stijging van € 2,9 miljoen ten opzichte van de geplande begroting voor 2025, die € 703,8 miljoen bedroeg. Bij het opstellen van haar begroting houdt de ECB rekening met de verwachte taken en weegt zij de beginselen van herprioritering en optimalisering van middelen tegen elkaar af, zodat ze haar verbintenis tot kostenstabilisatie kan blijven nakomen. In lijn met de trend in 2024 en 2025 verwacht de ECB dat haar geplande begroting voor 2026 bijna volledig zal worden benut. Dit betekent dat er minder financiële ruimte is om te reageren op externe factoren die zich tijdens de begrotingsperiode kunnen voordoen.

Tabel 13

Geraamde kosten voor de toezichtstaken van de ECB in 2026 naar functie

(EUR miljoen)

Werkelijke uitgaven 2024

Werkelijke uitgaven 2025

Geraamde uitgaven 2026

Direct toezicht op belangrijke instellingen

340,8

346,3

351,6

Oversight op minder belangrijke instellingen

15,3

16,2

15,4

Horizontale taken en gespecialiseerde diensten

324,6

327,3

339,7

Totale uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB

680,6

689,8

706,7

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

De raming voor 2026 weerspiegelt de voortdurende investeringen in toezichtstechnologie en de extra begrotingsbehoeften die voortvloeien uit DORA. Sinds januari 2026 worden de kosten in verband met de deelname van ECB-deskundigen aan gezamenlijke onderzoeksteams voor het oversight op kritieke derde aanbieders van ICT-diensten (zie Paragraaf 4.1.1.5) vergoed door de lead overseer, en worden ze dus niet meegerekend in de toezichtsvergoedingen van de ECB.

Daarnaast zijn de aanwervingspatronen in verband met de tweejaarlijkse EU-brede stresstests aangepast, waarbij de middelen die nodig zijn voor de voorbereidende taken nu worden begroot in de jaren waarin geen stresstests plaatsvinden. Deze wijziging zou moeten helpen om de impact van de tweejaarlijkse schommelingen in het personeelsbestand uit te vlakken. De geplande kosten voor 2026 bevatten geen afschrijvingskosten voor IMAS of STAR, en de kostenstijgingen worden ook deels gecompenseerd door lagere uitgaven als gevolg van de verhuizing van de ECB van drie naar twee gebouwen.

De jaarlijkse toezichtsvergoeding voor 2026, die zal worden geheven in 2027, zal pas aan het einde van de vergoedingsperiode 2026 worden berekend. Dit bedrag zal de werkelijke uitgaven voor 2026 als geheel omvatten, gecorrigeerd voor de bedragen die worden terugbetaald aan of geïnd bij individuele banken voor eerdere vergoedingsperioden, ontvangen vertragingsrente en oninbare vergoedingen.

Geraamd wordt dat, van het voor 2026 te heffen totaalbedrag, 95,8% zal worden geïnd bij belangrijke instellingen en 4,2% bij minder belangrijke instellingen.

Tabel 14

Geraamde kosten voor de toezichtstaken van de ECB in 2026 naar toezichtsstatus

(EUR miljoen)

Werkelijke uitgaven 2024

Werkelijke uitgaven 2025

Geraamde uitgaven 2026

Belangrijke entiteiten of groepen onder toezicht

651,4

659,0

677,0

Minder belangrijke entiteiten of groepen onder toezicht

29,2

30,8

29,7

Totale uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB

680,6

689,8

706,7

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

7.3 Vergoedingenkader voor 2025

7.3.1 Totaal te heffen bedrag voor de vergoedingsperiode 2025

De jaarlijkse toezichtsvergoeding die zal worden geheven voor de vergoedingsperiode 2025, bedraagt € 690,0 miljoen. Dit bedrag is bijna volledig samengesteld uit de werkelijke jaarlijkse uitgaven voor 2025, ten bedrage van € 689,8 miljoen, gecorrigeerd voor een bedrag van € 275.638 dat (netto) werd terugbetaald aan individuele banken voor eerdere vergoedingsperioden en voor een bedrag van € 30.444 aan ontvangen vertragingsrente, wat neerkomt op een totale correctie van € 245.194.

Tabel 15

Totaal te heffen bedrag

(EUR miljoen)

Te heffen bedrag

2024

2025

Vergoedingen met betrekking tot belangrijke entiteiten of groepen onder toezicht

651,4

659,1

Vergoedingen met betrekking tot minder belangrijke entiteiten of groepen onder toezicht

29,2

30,9

Totaal te heffen bedrag

680,6

690,0

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

Het bedrag dat via jaarlijkse toezichtsvergoedingen wordt geheven, wordt verdeeld over de belangrijke instellingen en minder belangrijke instellingen die onder het toezicht staan van de ECB. Deze verdeling weerspiegelt de omvang van de toezichtsactiviteiten die de ECB ten aanzien van hen uitoefent. De uitgaven worden aan deze twee categorieën van instellingen toegerekend op basis van een methodologie die voortdurend wordt herzien op basis van de werkelijk uitgevoerde toezichtstaken. Voor 2025 zal 95,5% van de totale jaarlijkse toezichtsvergoeding worden geheven bij de belangrijke instellingen en 4,5% bij de minder belangrijke.

Vanuit een breder perspectief bekeken, vertegenwoordigen de toezichtsvergoedingen van de ECB 0,16% van de totale beheerkosten en afschrijvingen voor de entiteiten die onder haar direct of indirect toezicht staan[72] (0,19% voor de belangrijke entiteiten en 0,04% voor de minder belangrijke entiteiten).

7.3.2 Individuele toezichtsvergoedingen

Op het niveau van de entiteit of groep worden de vergoedingen berekend op basis van haar belang en risicoprofiel, die worden bepaald aan de hand van jaarlijkse vergoedingsfactoren.

Meer informatie over de toezichtsvergoedingen is te vinden op de website van ECB-Bankentoezicht.

7.4 Andere inkomsten in verband met de bankentoezichtstaken

De ECB heeft het recht om administratieve boetes op te leggen aan onder toezicht staande entiteiten die niet voldoen aan de toepasselijke EU-bankwetgeving inzake prudentiële vereisten (waaronder de toezichtsbesluiten van de ECB). De daaruit voortvloeiende inkomsten, evenals terugbetalingen van dergelijke boetes ingeval eerdere sanctiebesluiten worden gewijzigd of nietig verklaard, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de jaarlijkse toezichtsvergoedingen, maar worden opgenomen in de winst-en-verliesrekening van de ECB. In 2025 bedroegen de inkomsten uit boetes opgelegd aan onder toezicht staande entiteiten € 28,5 miljoen.

8 Door de ECB vastgestelde rechtsinstrumenten

De door de ECB vastgestelde rechtsinstrumenten omvatten verordeningen, besluiten, richtsnoeren, aanbevelingen en instructies aan nationale bevoegde autoriteiten. In dit hoofdstuk worden de rechtsinstrumenten op het gebied van bankentoezicht opgesomd die de ECB in 2025 heeft vastgesteld en gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en op EUR-Lex. Dit zijn zowel rechtsinstrumenten die zijn vastgesteld krachtens artikel 4, lid 3, van de SSM-Verordening als andere relevante rechtsinstrumenten.

8.1 ECB-verordeningen

ECB/2025/24
Verordening (EU) 2025/1520 van de Europese Centrale Bank van 15 juli 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/445 betreffende de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (ECB/2016/4) (ECB/2025/2024) (PB L 2025/1520 van 28.7.2025)

ECB/2025/31
Verordening (EU) 2025/1958 van de Europese Centrale Bank van 9 september 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2015/534 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (ECB/2015/13) (ECB/2025/31) (PB L 2025/1958 van 17.10.2025)

8.2 Andere rechtsinstrumenten van de ECB dan verordeningen

ECB/2025/1Besluit (EU) 2025/94 van de Europese Centrale Bank van 10 januari 2025 tot vaststelling van de criteria voor de kennisgeving van toezichtbesluiten voor stresstests voor toezichtdoeleinden (ECB/2025/1) (PB L 2025/94 van 16.1.2025)

ECB/2025/7
Besluit (EU) 2025/451 van de Europese Centrale Bank van 21 februari 2025 tot wijziging van Besluit (EU) 2024/461 betreffende de rapportage door de nationale bevoegde autoriteiten aan de Europese Centrale Bank van informatie over beloning, het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen, goedgekeurde hogere percentages en grootverdieners met het oog op benchmarking (ECB/2024/2) (ECB/2025/7) (PB L 2025/451 van 6.3.2025)

ECB/2025/8
Besluit (EU) 2025/507 van de Europese Centrale Bank van 7 maart 2025 betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2024 (ECB/2025/8) (PB L 2025/507 van 27.3.2025)

ECB/2025/10
Besluit (EU) 2025/673 van de Europese Centrale Bank van 24 maart 2025 tot wijziging van Besluit (EU) 2023/1681 betreffende de verstrekking aan de Europese Centrale Bank van toezichtgegevens die door de onder toezicht staande entiteiten aan de nationale bevoegde autoriteiten zijn gerapporteerd (ECB/2023/18) (ECB/2025/10) (PB L 2025/673 van 4.4.2025)

ECB/2025/13
Besluit (EU) 2025/873 van de Europese Centrale Bank van 24 april 2025 tot wijziging van Besluit (EU) 2022/1981 betreffende het gebruik van diensten van het Europees Stelsel van centrale banken door bevoegde autoriteiten (ECB/2022/33) (ECB/2025/13) (PB L 2025/873 van 12.5.2025)

ECB/2025/14
Besluit (EU) 2025/874 van de Europese Centrale Bank van 24 april 2025 tot wijziging van Besluit (EU) 2022/1982 betreffende het gebruik van diensten van het Europees Stelsel van centrale banken door bevoegde autoriteiten en door samenwerkende autoriteiten (ECB/2022/34) (ECB/2025/14) (PB L 2025/874 van 12.5.2025)

ECB/2025/25
Richtsnoer (EU) 2025/1521 van de Europese Centrale Bank van 15 juli 2025 tot wijziging van Richtsnoer (EU) 2017/697 betreffende de wijze waarop nationaal bevoegde autoriteiten met betrekking tot minder belangrijke instellingen gebruikmaken van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (ECB/2017/9) (ECB/2025/25) (PB L 2025/1521 van 28.7.2025)

ECB/2025/26
Aanbeveling van de Europese Centrale Bank van 15 juli 2025 tot wijziging van Aanbeveling ECB/2017/10 van de Europese Centrale Bank van 4 april 2017 betreffende gemeenschappelijke specificaties voor de wijze waarop nationaal bevoegde autoriteiten ten overstaan van minder belangrijke instellingen gebruikmaken van enkele keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (ECB/2025/26) (PB C C/2025/4190 van 28.7.2025)

ECB/2025/40
Richtsnoer (EU) 2025/2595 van de Europese Centrale Bank van 10 december 2025 betreffende de toezichtsaanpak door nationale bevoegde autoriteiten van de dekking van niet-renderende blootstellingen die door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten worden aangehouden (ECB/2025/40) (PB L 2025/2595 van 19.12.2025)

© Europese Centrale Bank, 2026

Postadres 60640 Frankfurt am Main, Duitsland
Telefoon +49 69 1344 0
Website www.bankingsupervision.europa.eu

Alle rechten voorbehouden. Reproductie voor educatieve en niet-commerciële doeleinden is toegestaan met bronvermelding.

Raadpleeg voor specifieke terminologie de SSM-woordenlijst (alleen beschikbaar in het Engels).

HTML ISBN 978-92-899-7591-9, ISSN 2443-5899, doi:10.2866/6199455, QB-01-25-292-NL-Q


  1. Voordat het op 1 januari 2026 toetrad als 21e land van het eurogebied, nam Bulgarije al via nauwe samenwerking deel aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM). In dit Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden omvat de term bankensector van het eurogebied ook Bulgarije.

  2. Alle cijfers in paragraaf 1.1 hebben betrekking op het derde kwartaal van 2025.

  3. 2,2% exclusief aangehouden saldi.

  4. Zie Quarterly registrations of new businesses and declarations of bankruptcies – statistics, Statistics Explained, Eurostat, 14 november 2025.

  5. In haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit is de ECB verplicht jaarlijks stresstests op onder toezicht staande entiteiten uit te voeren in het kader van de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP), zoals bepaald in artikel 100 van Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (Pb L 176, 27.6.2013, p. 338) (Richtlijn Kapitaalvereisten).

  6. In de gepubliceerde resultaten wordt rekening gehouden met de implementatie van de Bazel III-regels overeenkomstig de herziene Verordening kapitaalvereisten (CRR III), die op 1 januari 2025 in werking is getreden.

  7. Buch, C., Global rifts and financial shifts: supervising banks in an era of geopolitical instability, keynote speech bij de achtste jaarlijkse conferentie van de European Systemic Risk Board (ESRB) over “New Frontiers in Macroprudential Policy”, Frankfurt am Main, 26 september 2024.

  8. De ECB bereidt momenteel ook een reverse-stresstest voor 2026 voor om bedrijfsspecifieke kwetsbaarheden bij geopolitieke gebeurtenissen te onderzoeken.

  9. ECB rondt stresstest cyberweerbaarheid af, persbericht, ECB, 26 juli 2024.

  10. Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011 (PB L 333 van 27.12.2022, blz. 1).

  11. Zie Complex exposures to private equity and credit funds need advanced risk management Supervision Newsletter, ECB, november 2024.

  12. Zie Extinguishing sparks before the fire: credit crisis managed well, Supervision Newsletter, ECB, augustus 2025.

  13. ECB industry workshop on collateral insurance data and related practices (september 2025) en ECB conference on real estate climate data, industry good practices (23 september 2024).

  14. In eerdere publicaties verwees de ECB naar klimaat- en milieurisico’s. Vanaf nu zal de ECB over het algemeen verwijzen naar klimaat- en natuurgerelateerde risico’s. De termen “milieurisico’s” en “natuurgerelateerde risico’s” kunnen in dit verslag als uitwisselbaar worden beschouwd.

  15. In 2023 en 2024 heeft de ECB in totaal 37 bindende toezichtsbesluiten op het gebied van klimaat- en natuurgerelateerde risico’s opgelegd, waarvan 31 gecombineerde besluiten. Het merendeel van de banken voldeed binnen de gestelde termijn aan de vereisten.

  16. Gegevens per ultimo 2024. Zie ook Elderson, F., Banks have made good progress in managing climate and nature risks - and must continue, The Supervision Blog, ECB, 11 juli 2025.

  17. Zie Sound risk data reporting: key to better decision-making and resilience, Supervision Newsletter, ECB, februari 2025.

  18. Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).

  19. Besluit (EU) 2025/94 van de Europese Centrale Bank van 10 januari 2025 tot vaststelling van de criteria voor de kennisgeving van toezichtbesluiten voor stresstests voor toezichtdoeleinden (ECB/2025/1) (PB L, 2025/94, 16.2.2025).

  20. Het jaarlijkse managementverslag over datagovernance en gegevenskwaliteit bestaat uit een formele verklaring van het bestuursorgaan van belangrijke instellingen, waarin wordt bevestigd dat het bestuursorgaan verantwoordelijk is voor het waarborgen van de kwaliteit van de gerapporteerde gegevens, samen met een lijst vooraf opgestelde maatstaven en indicatoren voor gegevenskwaliteit en een vragenlijst voor het verzamelen van kwalitatieve informatie over datagovernance.

  21. Zie AI’s impact on banking: use cases for credit scoring and fraud detection, Supervision Newsletter, ECB, november 2025.

  22. Zie Buch, C. Reforming the SREP: an important milestone towards more efficient and effective supervision in a new risk environment , The Supervision Blog, ECB, 28 mei 2024.

  23. Zie Assessment of the European Central Bank’s Supervisory Review and Evaluation Process – Report by the Expert Group to the Chair of the Supervisory Board of the ECB, ECB, 2023.

  24. Zie voor een gedetailleerd overzicht van de vooruitgang die is geboekt bij elk van de zes doelstellingen paragraaf 2 van Streamlining supervision, safeguarding resilience report.

  25. Zie paragraaf 2.5 en 2.6 van de Supervisory methodology 2025, ECB, november 2025

  26. Zie het Raamwerk van de ECB voor opschaling in de Toezichtsmaatregelen, ECB, 2025.

  27. Zie SREP reform: towards more efficient and effective supervision , Supervision Newsletter, ECB, mei 2025.

  28. ibid.

  29. Zie Hoe de Pijler 2-vereiste wordt vastgesteld, ECB-Bankentoezicht, 2025.

  30. Advies van de Europese Centrale Bank van 11 november 2025 inzake: a) een voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr.2017/2402 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, b) een voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor securitisatieblootstellingen, en c) een ontwerpvoorstel voor een gedelegeerde verordening tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 wat betreft de toelaatbaarheidsvoorwaarden voor securitisaties in de liquiditeitsbuffer van kredietinstellingen (CON/2025/35) (PB C, C/2026/503, 23.1.2026).

  31. De lancering volgde op de SSM Supervisory Culture-conferentie van 17 september 2024.

  32. In deze context hebben ‘toezichtmaatregelen’ in algemene zin betrekking op zowel niet-bindende aanbevelingen als op kwalitatieve vereisten, die door de toezichthouder worden afgegeven na het vaststellen van te verhelpen tekortkomingen in de beheersing en afdekking van de risico's van de onder toezicht staande instelling. Het gaat dus niet om de regelmatige vaststelling van kwantitatieve vereisten uit (bijv. de Pijler 2-vereiste) in het kader van de jaarlijkse SREP.

  33. Zie “Sound risk data reporting: key to better decision-making and resilience”, Supervision Newsletter, ECB, februari 2025; “Supervision of internal models evolves with regulatory developments”, Supervision Newsletter, ECB, augustus 2025; and “On-site insights: good practices for CRE bullet loan lenders”, Supervision Newsletter, ECB, november 2025.

  34. Zie Donnery, S., Resilience, risk and regulation: anchoring stability in a rules-based international order, toespraak tijdens het Delphi Economic Forum X, Delphi, 10 april 2025.

  35. Zie Montagner, P., Information and Communication Technology resilience and reliability, toespraak tijdens de Frankfurt Banking Summit, Frankfurt am Main, 2 juli 2025.

  36. Voor alle soorten risico's gold dat de categorieën ‘modelbeschrijving’, ‘processen’ en ‘validatie’ het grootste aantal bevindingen telden.

  37. Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/1201 van de Commissie van 12 juni 2025 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/530 wat betreft de datum van toepassing (PB L, 2025/1201, 11.7.2025).

  38. Targeted consultation on the application of the market risk prudential framework, Europese Commissie, 2025.

  39. Richtsnoer (EU) 2025/2595 van de Europese Centrale Bank van 10 december 2025 betreffende de toezichtsaanpak door nationale bevoegde autoriteiten van de dekking van niet-renderende blootstellingen die door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten worden aangehouden (ECB/2025/40) (PB L 2025/2595 van 19.12.2025).

  40. Macroprudentiële maatregelen inzake risicoweging worden genomen ingevolge Verordening (EU) Nr.575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176, 27.6.2013, blz. 1)

  41. Governing Council statement on macroprudential policies – the ECB’s framework for assessing capital buffers of other systemically important institutions, ECB, 20 december 2024.

  42. De beoordelingscriteria zijn opgenomen in artikel 6 lid 4 van de GTM-verordening.

  43. Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening)(ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).

  44. De lijst met belangrijke en minder belangrijke instellingen van 19 december 2025 omvat (i) de significantiebesluiten waarvan de onder toezicht staande entiteiten in kennis zijn gesteld tot 30 november 2025 en (ii) andere veranderingen en ontwikkelingen in belangrijke groepsstructuur tot 1 november 2025.

  45. Asset Quality Review – Phase 2 Manual, ECB, Frankfurt am Main, mei 2023.

  46. Zie voor meer informatie Kader 1 van het LSI supervision report 2022, ECB, december 2022.

  47. Zie het LSI supervision report 2024, ECB, december 2024.

  48. Sommige besluiten betreffen meer dan één autorisatiebeoordeling (bijvoorbeeld bij de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen in diverse dochterinstellingen met één transactie). Voor sommige autorisatieprocedures, zoals paspoortprocedures of het vervallen van vergunningen, is geen formeel besluit van de ECB vereist.

  49. Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 253).

  50. Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s (PB L, 2024/1619 van 19.6.2024).

  51. In 2025 heeft de ECB bijgedragen aan de ontwikkeling van de conceptversie van de technische normen van de Europese Bankautoriteit voor prudentieel materiële transacties in het kader van de richtlijn kapitaalvereisten. Deze omvatten de technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen betreffende materiële verwervingen, materiële overdrachten van activa of passiva en fusies en splitsingen waarbij kredietinstellingen of (gemengde) financiële holdings betrokken zijn.

  52. Deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen die deel uitmaken van besluiten over vergunningverlening en gekwalificeerde deelnemingen zijn niet in dit aantal meegenomen.

  53. Verordening (EU) Nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) Nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).

  54. Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 van de Commissie van 23 april 2025 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de algemene voorwaarden voor het functioneren van toezichtcolleges (PB L 2025/791 van 8.8.2025) en Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790 van de Commissie van 23 april 2025 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het operationele functioneren van colleges van toezichthouders (PB L 2025/790 van 8.8.2025).

  55. De prudentiële gevolgen van risico’s van witwassen en terrorismefinanciering worden meegenomen in de SREP (wat bijvoorbeeld leidt tot kwalitatieve maatregelen om de controlekaders van banken te verbeteren), alsook in geschiktheids(her)beoordelingen, autorisaties en inspecties ter plaatse.

  56. AML/CFT-colleges worden opgericht voor instellingen die in ten minste drie EU-lidstaten actief zijn.

  57. De Europese toezichthoudende autoriteiten publiceerden in juli 2025 een gedetailleerde gids over hun oversight op CTPP’s.

  58. De Europese toezichthoudende autoriteiten publiceerden de eerste lijst van aangewezen CTPP’s op 18 november 2025.

  59. Zie ECB clarifies harmonised approach to policy choices offered by EU law, persbericht, ECB, 25 juli 2025.

  60. De ECB actualiseert dit beleid periodiek om rekening te houden met wijzigingen in de regelgeving en andere ontwikkelingen.

  61. Het Deense compromis is een specifieke EU-regel die bepaalt dat banken hun investeringen in verzekeringsdochters onder bepaalde omstandigheden naar risico mogen wegen in plaats van ze af te trekken van hun kapitaal.

  62. Zie de antwoorden aan Europarlementslid Fabio de Masi van 4 maart 2025, Europarlementslid Maria Zacharia van 18 maart 2025, Europarlementslid Markus Ferber van 28 maart 2025, Europarlementslid Auke Zijlstra van 19 mei 2025, Europarlementslid Luke Ming Flanagan van 15 juli 2025 en Europarlementslid Markus Ferber van 2 september 2025.

  63. Het Stuurcomité ondersteunt de activiteiten van de Raad van Toezicht en bereidt de vergaderingen ervan voor. Het bestaat uit de voorzitter en de vicevoorzitter van de Raad van Toezicht, één ECB-vertegenwoordiger en vijf vertegenwoordigers van de nationale toezichthouders. Deze laatste vijf vertegenwoordigers worden benoemd voor één jaar door de Raad van Toezicht, op basis van een roulatiesysteem dat een eerlijke vertegenwoordiging van de landen waarborgt.

  64. Dit zijn besluiten die werden voltooid of goedgekeurd tijdens de verslagperiode (uitgaande besluiten). Het totale aantal omvat 42 procedures die de Raad van Toezicht heeft goedgekeurd via de kennisnemingsprocedure zonder een toezichtsbesluit uit te vaardigen. Het aantal toezichtsbesluiten stemt niet overeen met het aantal autorisatieprocedures waarvan de ECB officieel in kennis werd gesteld tijdens de verslagperiode (inkomende kennisgevingsprocedures). Eenzelfde besluit kan verschillende goedkeuringen bevatten.

  65. Artikel 6, lid 7, van het Reglement van Orde van de Raad van Toezicht voorziet in de mogelijkheid om besluiten te nemen middels een schriftelijke procedure, tenzij ten minste drie stemgerechtigde leden van de Raad van Toezicht daartegen bezwaar maken. In dat geval wordt het punt op de agenda van de volgende vergadering van de Raad van Toezicht geplaatst. Voor een schriftelijke procedure heeft de Raad van Toezicht normaliter ten minste vijf werkdagen nodig.

  66. Besluit van de Europese Centrale Bank van 17 september 2014 houdende de tenuitvoerlegging van scheiding tussen de monetaire beleidsfunctie en de toezichtfunctie van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/39) (2014/723/EU) (PB L 300 van 18.10.2014, blz. 57).

  67. Deze gemeenschappelijke diensten worden onderverdeeld in de volgende clusters: huisvesting en faciliteiten, HR-diensten, gemeenschappelijke IT-diensten, gemeenschappelijke juridische, administratieve en auditdiensten, communicatie- en vertaaldiensten, en overige diensten.

  68. Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank van 22 oktober 2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2014/41) (PB L 311 van 31.10.2014, blz. 23).

  69. De kosten voor horizontale taken en gespecialiseerde diensten worden evenredig toegerekend op basis van de totale kosten voor, respectievelijk, het direct toezicht op de belangrijke instellingen en het oversight op het toezicht op de minder belangrijke instellingen. Voor elke categorie omvatten de kosten de toerekening van de gemeenschappelijke diensten die worden verleend door de ondersteunende organisatie-eenheden van de ECB.

  70. Deze gemeenschappelijke diensten worden onderverdeeld in de volgende clusters: huisvesting en faciliteiten, HR-diensten, gemeenschappelijke IT-diensten, gemeenschappelijke juridische, administratieve en auditdiensten, communicatie- en vertaaldiensten, en overige diensten.

  71. Zoals de ECB op 12 maart 2024 had aangekondigd, verhuisden de toezichthouders van de Eurotower en het Japan Center naar het Gallileo-gebouw in Frankfurt in 2025. Deze verhuizing zal de ECB uiteindelijk in staat stellen haar fysieke en ecologische voetafdruk te verkleinen, maar brengt tijdens de transitie een aantal extra kosten met zich mee.

  72. Deze berekening is gebaseerd op de lineair geannualiseerde stromen van de beheerkosten en afschrijvingen voor het derde kwartaal van 2025, zoals gepubliceerd in de statistieken voor bankentoezicht van de ECB.

Klokkenluiders