Zoekopties
Home Media Explainers Onderzoek & publicaties Statistieken Monetair beleid De euro Betalingsverkeer & markten Werken bij de ECB
Suggesties
Sorteren op

Veelgestelde vragen over de stroomlijning van de SREP

Laatst bijgewerkt op 24 augustus 2026

Waarom hebben we de SREP herzien?

De omgeving waarin ECB-Bankentoezicht actief is verandert voortdurend: er zijn structurele verschuivingen, schokken van buitenaf en nieuwe risico’s die een klimaat van grote onzekerheid creëren. Het is onze taak de banken in Europa veilig en gezond te houden. Om dat te kunnen blijven doen, hebben we onze periodieke gezondheidscheck van banken – de SREP (Supervisory Review and Evaluation Process), ofwel de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie – in 2024 geëvalueerd. Het hoofddoel was de efficiëntie en effectiviteit van de SREP te verbeteren. Daarbij werd rekening gehouden met feedback uit de evaluatie van de SREP door een deskundigengroep, een verslag van de Europese Rekenkamer en feedback van andere belanghebbenden over hoe de SREP kon worden gestroomlijnd.

Wat wilden we met de herziening van de SREP bereiken?

De herziening heeft geleid tot eenvoudiger en flexibeler toezichtprocedures en een korter SREP-tijdschema. Verder ligt de focus van het toezicht nu meer op belangrijke risico’s, bankspecifieke kwalitatieve beoordelingen en zo nodig krachtig en tijdig ingrijpen. Tot slot helpen de veranderingen ons duidelijker te communiceren met de banken waarop we toezicht houden en ons werk efficiënter, transparanter en voorspelbaarder te maken.

Wat is er aan de SREP veranderd?

  • Gerichtere risicobeoordeling: We hebben toezichthouders meer flexibiliteit gegeven om prioriteiten te stellen en zich bij hun beoordelingen te concentreren op de belangrijkste risico’s. Overeenkomstig het risicotolerantiekader volgen toezichthouders nu een meerjarige aanpak om alle relevante risico’s grondig te evalueren. Zo hoeven ze niet elk jaar alle risico’s te analyseren. Dankzij deze flexibele aanpak kunnen de gezamenlijke toezichthoudende teams (joint supervisory teams – JST’s) middelen efficiënter toewijzen zonder dat onze toezichtsnormen lakser worden.
  • Betere integratie van toezichtactiviteiten: Om een gestructureerd en alomvattend beeld van de risico’s van de banken te verkrijgen is de planning van inspecties ter plaatse, diepgaande analyses en horizontale themaonderzoeken verder geïntegreerd. Betere planningsprocedures voor toezichtactiviteiten zorgen voor meer synergie en helpen banken een duidelijker inzicht te krijgen in de toezichtprioriteiten.
  • De inzet van het volledige toezichtinstrumentarium: We verbeteren ons escalatiekader om toezichthouders te stimuleren het volledige pakket aan toezichtinstrumenten te gebruiken wanneer tekortkomingen niet onmiddellijk worden verholpen. Dat pakket bevat onder meer bindende kwalitatieve vereisten en handhavings- en sanctiemaatregelen.
  • Betere communicatie: SREP-besluiten addresseren nu rechtstreeks de belangrijkste risico’s en verwachtingen van de toezichthouder. We hebben onze gidsen zodanig herzien dat de SREP-besluiten niet langer elk jaar geactualiseerd moeten worden, wanneer uit beoordelingen blijkt dat het risicoprofiel van een bank niet wezenlijk is veranderd en er geen nieuwe vereisten hoeven te worden gesteld.
  • Stabielere toezichtsmethodiek: We hebben onze toezichtsmethoden vereenvoudigd en stabieler gemaakt: het SREP-handboek wordt minder vaak bijgewerkt en wijzigingen worden gebundeld en in bepaalde jaren tegelijk gepubliceerd, zodat er niet elk jaar nieuwe elementen worden geïntroduceerd. Een stabiel methodologisch kader waarborgt ook de consistentie van SREP-beoordelingen in de loop van de tijd. Dit maakt het toezicht voorspelbaarder voor banken en verbetert de vergelijkbaarheid van de uitkomsten van de SREP, zowel in de loop van de tijd als tussen verschillende instellingen.
  • Beter gebruik van IT-systemen en gegevensanalyse: Op onze digitale agenda staan grote investeringen in IT-systemen en gegevensanalyse. We doen die investeringen om met geavanceerde technologieën zoals generatieve AI toezichthouders te kunnen ondersteunen bij routinetaken.

Wat is er veranderd aan het SREP-tijdschema?

Het SREP-tijdschema is in 2025 geoptimaliseerd. De procedure wordt nu elk jaar eind oktober afgerond, wat eerder is dan voor de herziening. Niet alleen worden de banken nu tijdig in kennis gesteld van de definitieve SREP-besluiten, de wijzigingen passen ook in de efficiëntiedoelstellingen van de SREP-hervorming en maken het toezicht doeltreffender.

Belangrijkste mijlpalen:

  • De gesprekken in het kader van de toezichtsdialoog beginnen eind juni gaan en eindigen half juli. Dit nieuwe tijdschema vereist dat de banken hun planning waar nodig aanpassen en zich efficiënt voorbereiden, opdat er voldoende tijd is voor zinvolle toezichtgesprekken.
  • De periode om te worden gehoord start begin augustus. Omdat die periode samenvalt met de zomervakantie wordt deze verlengd van twee naar vier weken, tot het einde van de maand. Zo krijgen banken meer tijd om de ontwerpbesluiten te beoordelen en hun recht om te worden gehoord uit te oefenen.
  • De definitieve SREP-besluiten worden eind oktober bekendgemaakt (vóór de herziening was dat december). De toezichthouders streven ernaar hun beslistijd te verkorten en daarmee de planning van de daaropvolgende toezichtscyclus te vergemakkelijken en te verbeteren.

Op welke punten is het sjabloon voor het SREP-besluit verbeterd?

De nieuwe SREP-besluiten zijn gestroomlijnder en richten zich op de belangrijkste risico’s en toezichtsmaatregelen, zodat duidelijk aan de banken wordt overgebracht wat voor de toezichthouder de aandachtspunten zijn.

Het formaat van de SREP-besluiten is herzien voor meer duidelijkheid en betere focus. De belangrijkste aandachtspunten en toepasselijke vereisten worden nu in aparte onderdelen van het nieuwe SREP-besluit behandeld. De kwalitatieve vereisten en aanbevelingen worden opgenomen in een bijlage. Op die manier kunnen banken snel zien welke belangrijke acties nodig zijn, maar ook beschikken over een uitgebreidere uitleg over de toezichtsverwachtingen. Banken worden er daarnaast aan herinnerd dat ze tijdig opvolging moeten geven aan alle actiepunten die gedurende het jaar vanuit het toezicht worden gecommuniceerd.

Dit verbeterde formaat vergroot de transparantie en helpt banken hun SREP-resultaten te begrijpen. Het betekent niet dat de focus van het toezicht is veranderd, of dat het toezicht wordt verminderd. Vanwege de nieuwe aanpak zijn we gestopt met de begeleidende ‘executive letters’ bij SREP-besluiten. De gesprekken in het kader van de toezichtsdialoog vormen een aanvulling op deze communicatie. Daarin geven we nadere informatie en we vragen banken die te delen met hun bestuur.

Wat is er veranderd bij de opvolging van onze toezichtsbevindingen?

Voor de opvolging van onze toezichtsbevindingen en maatregelen hebben we een nieuwe, gedifferentieerde aanpak ontwikkeld. Daardoor kunnen toezichthouders meer aandacht besteden aan de belangrijkste kwesties en wordt de opvolging van de minder ernstige bevindingen gemakkelijker. De nieuwe aanpak houdt in dat:

  • de maatregelen bij minder ernstige bevindingen (alle uit categorie F1 en de meeste uit categorie F2) standaard de vorm aannemen van ‘herinneringen om aan te pakken’ (aanbevelingen) of, in het geval van onderzoeken naar interne modellen, ‘herinneringen om aan de toezichtsvereisten te voldoen’ (verplichtingen). Om deze bevindingen te verhelpen, hoeven banken slechts te bevestigen dat ze voldoende maatregelen hebben genomen om naleving te waarborgen en hoeven ze geen verdere documentatie meer in te dienen. Wel moeten ze, voor eventuele steekproefcontroles achteraf, vijf jaar lang al het bewijsmateriaal bewaren waaruit blijkt dat deze kwesties naar behoren zijn aangepakt. Bij de maatregelen voor F1- en F2-bevindingen maken we gebruik van gestandaardiseerde formuleringen en een standaardtermijn, tenzij het JST anders beslist;
  • bij ernstige bevindingen (van categorie F3 en F4) de JST’s hun normale monitoring voortzetten;
  • banken via ons externe portal altijd toegang hebben tot de status van alle bevindingen en maatregelen en daar ook zelf de afronding van gedifferentieerde maatregelen officieel kunnen melden.

Het is de verantwoordelijkheid van de banken om bij de aanpak van minder ernstige bevindingen een passende internegovernanceprocedure te volgen. De JST’s oefenen geen actief toezicht uit op de wijze waarop banken deze bevindingen aanpakken, maar kunnen wel steekproefsgewijs controles uitvoeren. Als er tegenstrijdigheden aan het licht komen met betrekking tot de herstelstatus, zullen de JST’s hiermee rekening houden bij hun lopende evaluaties en, waar nodig, nieuwe specifieke bevindingen formuleren. Afhankelijk van de aard van de kwestie en of die al eerder is voorgekomen kan de toezichthouder follow-up instellen of, in ernstigere gevallen, handhavingsmaatregelen nemen.

Sinds wanneer hanteert de ECB de nieuwe methodologie voor het Pijler 2-vereiste?

De herziene methodologie voor de berekenening van het Pijler 2-vereiste (P2R) werd op 18 november 2025 gepubliceerd en de ECB gebruikt deze sinds het begin van de SREP-cyclus van 2026. Op de nieuwe methodologie gebaseerde Pijler 2-vereisten worden per 1 januari 2027 van kracht. Nadere informatie vindt u op onze speciale P2R-webpagina.

Wat hebben we geleerd van de simulatie? Zullen de kapitaalvereisten veranderen?

In 2025 hebben we een simulatie uitgevoerd om de effecten van de veranderingen te evalueren. Uit feedback van toezichthouders blijkt dat de nieuwe methodologie eenvoudiger en gemakkelijker toe te passen is dan de oude, terwijl de Pijler 2-vereisten nog steeds overeenkomstig de SREP-risicobeoordeling worden vastgesteld. Aan de manier waarop we de risico’s voor individuele banken evalueren en beoordelen, verandert niets.

Aangezien de herziene methodologie nauw verbonden blijft met de SREP-risicobeoordelingen, die het standpunt van de toezichthouder over het risicoprofiel van elke bank weergeven, verwachten we niet dat de herziening tot abrupte veranderingen in de kapitaaleisen op systeemniveau zal leiden. Pijler 2-kapitaalvereisten voor Europese banken blijven gebaseerd op het individuele risicoprofiel van banken en op de interne beheersingsmaatregelen die ze hebben genomen om hun risico’s te dekken.

Wat betekent de overgang naar de nieuwe methodologie in de praktijk voor de banken?

De herziene methodologie maakt deel uit van de SREP, en de resultaten ervan blijven het belangrijkste medium om toezichtsverwachtingen en -vereisten aan de banken te communiceren. Hoewel de aanpak voor het vaststellen van de Pijler 2-vereisten verandert, krijgen banken nog steeds duidelijk inzicht in de manier waarop individuele risicobeoordelingen bijdragen aan de uiteindelijke uitkomsten.

De nieuwe methodologie maakt het voor banken gemakkelijker om de uitkomsten ten aanzien van Pijler 2 te begrijpen en de nodige maatregelen te nemen.

Hoe zijn de aanbevelingen uit het verslag van de deskundigengroep van de SREP 2023 in de herziene P2R-methodologie verwerkt?

De Raad van Toezicht besloot de P2R-methodologie te herzien als onderdeel van de bredere SREP-hervorming en hield daarbij rekening met de aanbevelingen van een onafhankelijke deskundigengroep om de SREP eenvoudiger en robuuster te maken die in 2023 zijn gepubliceerd.

Tijdens een simulatie met toezichthouders werd bevestigd dat de herziene methodologie efficiënt en veel eenvoudiger toe te passen is. De SREP-scores, een kernelement van onze toezichtmethodologie, blijven het uitgangspunt bij het bepalen van het Pijler 2-vereiste. Ook met de nieuwe methodologie kunnen materiële risico’s die niet of onvoldoende zijn gedekt in Pijler 1, een zeer direct effect hebben op het resulterende Pijler 2-vereiste. Oordeelsvorming blijft een hoeksteen van de methodologie, maar deze is begrensd en oordelen kunnen door de tweede verdedigingslinie worden herzien.

Daarnaast is de nieuwe P2R-methodologie niet langer gebaseerd op ICAAP-gegevens. De beoordeling van de soliditeit van de ICAAP wordt echter nog steeds meegenomen in de SREP-beoordelingen van bedrijfsmodellen, interne governance, risicobeheersing en algemeen risicobeheer, waardoor die van invloed kan zijn op de kapitaalvereisten. Dit vloeit met name voort uit aanbeveling 2.3 uit het verslag van de deskundigengroep uit 2023.

Met de nieuwe methodologie kunnen bovendien de Pijler 2-kapitaalvereisten directer worden beïnvloed indien mogelijk langdurige tekortkomingen, bijvoorbeeld in verband met de interne controle of governancekwesties, niet tijdig worden opgelost en andere toezichtsmaatregelen onvoldoende blijken, overeenkomstig aanbeveling 3.2 van de deskundigengroep.