Zoekopties
Home Media Explainers Onderzoek & publicaties Statistieken Monetair beleid De euro Betalingsverkeer & markten Werken bij de ECB
Suggesties
Sorteren op

Voorwoord van Christine Lagarde, president van de ECB

In 2021 zijn we blijven kampen met de effecten van de coronapandemie op onze economieën en onze levens. De krachtige en gecoördineerde beleidsreacties op de pandemie, in combinatie met de vooruitgang bij de uitrol van vaccinaties, hebben bijgedragen tot het snelle herstel in de loop van het jaar. Eind 2021 heeft de economische output in het eurogebied het niveau van vóór de pandemie bereikt.

Anders dan in voorgaande crises verkeerde de bankensector in een solide financiële positie om de economie te ondersteunen en onze beleidsreacties te versterken. Dankzij maatregelen van ECB-Bankentoezicht hebben de banken onze monetairbeleidsmaatregelen, gericht op het behoud van gunstige financieringsvoorwaarden voor alle economische sectoren, op een soepele manier kunnen doorgeven. Al met al hebben de reacties vanuit het monetair beleid en het bankentoezicht naar schatting ruim een miljoen banen gered.

Maar ondanks het ongewoon snelle herstel moeten we ons nu voorbereiden op uitdagingen na de crisis. De volledige impact van de pandemie zal slechts geleidelijk zichtbaar worden. En naarmate er duidelijkheid komt over de werkelijke financiële gezondheid van bedrijven in sommige sectoren die kwetsbaarder zijn voor de pandemie, kan de activakwaliteit worden aangetast. Het Europese bankentoezicht houdt de opbouw van kredietrisico’s dan ook nauwlettend in de gaten.

Tegelijkertijd heeft de pandemie geleid tot meer fundamentele veranderingen in de omgeving waarin de banken actief zijn. Het digitaliseringstempo is versneld en de aanpak van klimaatverandering is urgenter geworden. Als gevolg van al lang bestaande problemen in verband met geringe winstgevendheid en overcapaciteit zijn sommige banken minder goed in staat zich aan te passen en concurrerend te blijven tegen de achtergrond van de digitale en groene transitie. Het antwoord daarop moet tweeledig zijn.

Ten eerste moeten banken hun kostenefficiëntie verbeteren en hun bedrijfsmodellen heroriënteren met het oog op schokbestendigheid en waardecreatie op langere termijn. Dit betekent onder meer dat ze klimaat- en milieurisico’s nog beter in hun bestaande strategieën en risicobeheerprocessen zullen moeten inbedden. Banken voldoen nog lang niet aan onze toezichtsverwachtingen op dit gebied.

Ten tweede moet de bankenunie worden voltooid. Een robuustere, beter geïntegreerde en meer gediversifieerde financiële sector zou bijdragen aan de ontsluiting van de grote pool aan private investeringen in Europa die we nodig hebben om de digitale en groene transitie te versnellen.

Ik heb er alle vertrouwen in dat dit mogelijk is. De bankensector heeft bijgedragen aan een succesvolle bestrijding van deze crisis en kan ook een rol spelen in de voorbereiding van onze economie op een groenere en meer digitale toekomst.

Inleidend interview met Andrea Enria, voorzitter van de Raad van Toezicht

Wat bracht 2021 voor ECB-Bankentoezicht?

De pandemie bleef in 2021 een uitdaging, ook voor het bankentoezicht. Ik ben onder de indruk van de operationele weerbaarheid die de ECB als instelling tijdens de pandemie heeft getoond. Hoewel we nog niet zoveel inspecties ter plaatse hebben kunnen uitvoeren als we hadden gewild, is ons toezicht doeltreffend gebleven. Ook de contacten met de banken zijn vrijwel onverminderd doorgegaan, zij het voor het grootste deel op afstand. Binnen de Raad van Toezicht hebben we constructief overlegd en over de meeste onderwerpen wisten we vlot een consensus te bereiken. Ondanks de problemen in verband met de pandemie zijn we erin geslaagd de samenwerking en het teamwerk tussen organisatieonderdelen binnen de ECB, binnen het Europees bankentoezicht en tussen de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten (national competent authorities – NCA’s) verder te versterken. Maar kijk ik ernaar uit om collega’s weer te zien, opnieuw op bezoek te gaan bij NCA’s, bankiers persoonlijk te ontmoeten en inspecties ter plaatse uit te voeren.

Naarmate de onzekerheid over de toekomst afnam en de macro-economische vooruitzichten in de loop van 2021 verbeterden, hebben we de meeste buitengewone maatregelen opgeheven die we hadden genomen om de banken in staat te stellen met de directe gevolgen van de crisis om te gaan. Bovendien hebben we de reguliere procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP) hervat, nadat we in 2020 voor een pragmatische benadering hadden gekozen om ons op de uitdagingen in verband met de pandemie te concentreren. We hebben voor het eerst op structurele wijze naar klimaatrisico gekeken en in kaart gebracht in hoeverre de aanpak van de banken nog van onze toezichtsverwachtingen afwijkt. En, na vijf jaar van intensief werk hebben we onze gerichte toetsing van interne modellen (targeted review of internal models – TRIM) afgerond, een mijlpaal in het herstellen van betrouwbaarheid en consistentie bij het gebruik van interne modellen voor reguleringsdoeleinden. 2021 was ook het jaar waarin we zijn gestart met het toezicht op systeemrelevante beleggingsondernemingen in de landen van de bankenunie. Bij onze toezichtswerkzaamheden hebben we altijd getracht duidelijk over onze verwachtingen te communiceren met banken en andere marktpartijen. Zo willen we ons beleid transparanter maken en de voortgang bij de realisatie van onze toezichtdoelstellingen delen. Tot slot hebben we een innovatieve aanpak uitgeprobeerd voor het vaststellen van prioriteiten voor toezichtswerkzaamheden. Zo moeten onze teams zich beter kunnen richten op de belangrijkste risico’s en minder op een afvinklijstje met tijdrovende taken.

De pandemie duurt nu twee jaar. Hoe vindt u dat de banken het tijdens deze periode gedaan hebben?

Sinds de uitbraak van de pandemie hebben de Europese banken zich over het algemeen zeer veerkrachtig getoond. Voor mij is dit het resultaat van de hervormingen na de financiële crisis, van onze aanhoudende inspanningen om het kapitaal, de activakwaliteit en de liquiditeitsbuffers van banken te versterken, en van de snelle inzet van buitengewone steunmaatregelen door de overheid. De banken hebben gedurende deze hele periode solide kapitaalratio’s aangehouden en zijn in staat geweest om krediet te blijven verstrekken aan huishoudens en kleine en grote bedrijven. Tot nu toe zijn er geen duidelijke aanwijzingen voor een verslechtering van de activakwaliteit.

Hoewel de macro-economische projecties voor het eurogebied over het algemeen positief zijn, bestaat er nog steeds onzekerheid over hoe de pandemie zich zal ontwikkelen. Met name in sommige sectoren die kwetsbaarder zijn voor de pandemie zijn tekenen van latent kredietrisico waargenomen. Bovendien drukken verstoringen in toeleveringsketens de handel en de algemene economische bedrijvigheid. Ook het gebruik van hefboomfinanciering in het financiële stelsel neemt toe en aangezien sommige van onze banken hieraan zijn blootgesteld, is waakzaamheid geboden. Aanpassingen van de rente en de creditspreads naarmate het herstel vordert kunnen het kredietrisico voor veel banken vergroten en tevens schade berokkenen aan kredietverleners die met name zijn blootgesteld aan niet-bancaire financiële instellingen met een hoge schuldenlast. Dat verdient grote aandacht.

Maar al met al zou ik zeggen dat de Europese banken hebben laten zien dat ze tegen een zeer ernstige crisis bestand zijn, en dat ze er veel beter aan toe zijn dan na de crisis van 2008.

Wat zijn volgens u de belangrijkste toekomstige uitdagingen voor de Europese banken? Hebben ze de coronacrisis grotendeels achter zich gelaten?

De macro-economische vooruitzichten zijn in 2021 gelukkig verbeterd en we verwachten niet langer de golf van niet-renderende leningen (NPL's) waarvoor we bij het begin van de pandemie beducht waren. Toch mogen banken hun waakzaamheid niet laten verslappen. De positieve ontwikkelingen in 2021 hebben de banken ertoe aangezet hun voorzieningen aanzienlijk terug te schroeven ten opzichte van het recordniveau van 2020. Maar het risiconiveau blijft lastig te beoordelen en de vooruitzichten wijzen nog steeds op tekenen van latent kredietrisico. Het aandeel leningen met een significant toegenomen kredietrisico is in 2021 niet verminderd. In de horeca, de luchtvaart en de reissector zijn de leningen met een significant toegenomen kredietrisico in de loop van het jaar aanzienlijk blijven toenemen. We blijven banken dan ook aanmoedigen om kredietrisico’s proactief aan te pakken en alert te blijven op een mogelijke materiële verslechtering van de activakwaliteit in hun kredietportefeuilles.

Daarnaast hebben sommige banken hun posities ten opzichte van bedrijven met een hoge schuldenlast opgevoerd tot een hoger niveau dan we eerder via onze toezichtsverwachtingen hadden aangegeven en sommige banken zijn indirect aan hefboomfinanciering blootgesteld via hedgefondsen en andere niet-bancaire financiële instellingen. Deze banken zijn met name kwetsbaar voor plotse aanpassingen van de rente en de spreads, die zich zouden kunnen voordoen als er een abrupt einde komt aan het klimaat van lage rente. Als dat het geval is, kunnen we geconfronteerd worden met aanzienlijke correcties in activaprijzen en spreads, dure schuldafbouw en onverwachte kanalen van directe en indirecte besmetting.

Bovendien kampen te veel Europese banken nog steeds met lage winstgevendheid en zware kostenstructuren – de algehele ontwikkeling van de kosten/inkomsten-ratio sinds 2015 wijst op een aanhoudend inefficiëntieprobleem in de Europese bankensector.

Een pluspunt is dat verschillende banken onlangs met veelomvattende en op technologie gebaseerde kostenoptimalisatieprogramma’s zijn gestart, maar het zal tijd vergen voordat die inspanningen zich vertalen in verbeterde indicatoren op het vlak van winstgevendheid en kostenefficiëntie. We hebben er bij banken op aangedrongen hun bedrijfsmodellen te heroriënteren naar waardecreatie op lange termijn, aangezien robuuste en stabiele inkomsten de eerste verdedigingslinie vormen in een lastig bedrijfsklimaat. De houdbaarheid van de bedrijfsmodellen van banken blijft een van onze toezichtsprioriteiten. In 2021 zijn we gestart met een reeks inspecties van bedrijfsmodellen en winstgevendheid, die in 2022 wordt voortgezet.

Wat de digitalisering in de bancaire en de niet-bancaire sector betreft, hoe gaan banken om met de verscherpte concurrentie als gevolg daarvan enerzijds en de toename van de vraag naar digitale producten bij klanten anderzijds?

Het tempo van de digitale transformatie is tijdens de pandemie versneld en heeft het concurrentielandschap voorgoed veranderd. Er zullen winnaars en verliezers zijn, ook in de bankensector. Een doeltreffend strategisch beheer, de omvang en kwaliteit van IT-investeringen en resolute acties om de kostenefficiëntie te verbeteren zijn van essentieel belang gebleken voor succes. Banken die een succesvol digitaliseringstraject hebben afgelegd, hebben met name geïnvesteerd in de modernisering van hun IT-infrastructuur en de optimalisatie van processen, en hebben een aantal interne procedures vereenvoudigd en gedigitaliseerd.

Tegelijkertijd brengt het gebruik van nieuwe technologieën nieuwe uitdagingen met zich mee, niet alleen voor banken, maar ook voor toezichthouders en regelgevende instanties. Banken worden steeds meer met IT- en cyberrisico’s geconfronteerd. Wil de ECB een duidelijk beeld van deze risico’s krijgen, dan moeten onze toezichthouders ook op dit gebied volledig zijn opgeleid. In dezelfde geest moet ook het toezicht de digitale transformatie omarmen: in 2021 zijn we doorgegaan met de invoering van een reeks technologische tools om het werk van de toezichthouders in de hele bankenunie doeltreffender en efficiënter te maken.

Klimaat- en milieurisico’s zijn in 2021 prominenter geworden. Denkt u dat de Europese banken voorbereid zijn op de verwachte toename van deze risico’s?

De ECB heeft in 2021 aanzienlijke voortgang geboekt met het stimuleren van banken om de beheersing van klimaatrisico’s proactiever ter hand te nemen. We hebben de banken gevraagd om in een zelfbeoordeling aan te geven in hoeverre ze voorbereid zijn om met deze risico’s om te gaan, en de antwoorden hebben we met elkaar vergeleken. We hebben de bevindingen in het kader van het lopend toezicht met de banken besproken en een rapport gepubliceerd waarin we enkele best practices beschrijven die we tijdens dit onderzoek in kaart hebben gebracht. Het slechte nieuws is dat, volgens ramingen van de banken zelf, 90% van hun werkwijzen slechts gedeeltelijk of helemaal niet aan onze toezichtsverwachtingen voldeed.

Banken houden binnen hun huidige structuren echter steeds meer rekening met klimaat- en milieurisico’s, en ruwweg de helft past zijn governanceregelingen daarop aan. In 2022 zetten we ons werk in verband met klimaat- en milieurisico's voort met een specifiek themaonderzoek in het kader van de SREP en een klimaatstresstest voor toezichtsdoeleinden. Dit wordt zowel voor ons als toezichthouder als voor de banken een leeroefening, die de basis zal leggen voor een meer structurele opname van klimaat- en milieurisico’s in onze SREP.

U zei dat de ECB verdere stappen heeft gezet naar meer transparantie. Welke vooruitgang is er in 2021 geboekt?

Transparantie is voor ECB-Bankentoezicht altijd een belangrijke doelstelling geweest en in 2021 hebben we onze toezichtmethoden en -uitkomsten op een aantal manieren transparanter gemaakt.

In het kader van de stresstests van 2021 hebben we twee grote stappen gezet in de richting van meer transparantie. Voor het eerst hebben we de afzonderlijke stresstestresultaten op hoog niveau gepubliceerd van banken die geen deel uitmaakten van de steekproef voor de EU-brede stresstest van de EBA, evenals de uitkomsten in verband met de Pijler 2-aanbevelingen van banken per categorie. We hopen dat de extra informatie over de nieuwe methodiek voor de Pijler 2-aanbeveling bijdraagt aan een beter inzicht in het gebruik van de uitkomsten van de stresstest in de SREP.

Daarnaast hebben we nadere toelichting verstrekt over de manier waarop we de toezichtsprioriteiten voor de komende drie jaar hebben vastgesteld. We hebben een duidelijke risicokaart voor de toekomst opgesteld, waarbij elke geïdentificeerde kwetsbaarheid aan een concrete toezichtsprioriteit wordt gekoppeld. Dit geeft ook richting aan de manier waarop ECB-Bankentoezicht als geheel de middelen voor deze periode toewijst.

Daarnaast hebben we getracht ons werk in verband met klimaat- en milieurisico’s transparanter te maken door de uitkomsten van het vergelijkend onderzoek naar de paraatheid van de banken op dit vlak te publiceren, en door good practices binnen de sector te delen. Dit is met name belangrijk voor een nieuwe risicocategorie waarmee op korte termijn aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt.

We hebben ook onze gids voor deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures bijgewerkt. Naast de introductie van het concept van individuele verantwoordingsplicht hebben we ons gericht op de vakkennis van bestuurders met betrekking tot klimaat- en milieurisico’s en gewezen op het belang van diversiteit – onder meer wat gender betreft – in het bestuur van banken.

Tot slot hebben we de website van ECB-Bankentoezicht gemakkelijker en meer intuïtief toegankelijk gemaakt voor het publiek en voor banken, met een vereenvoudigd portaal voor banken en een gestroomlijnd klokkenluidersplatform.

Over het geheel genomen ben ik heel blij met de voortgang die we in 2021 hebben geboekt, vooral omdat we het hoofd moesten bieden aan een ongekende crisis en het grootste deel van de tijd op afstand werkten.

1 Bankentoezicht in 2021

1.1 Onder toezicht staande banken in 2021: prestaties en belangrijkste risico’s

1.1.1 Algemene veerkracht van de bancaire sector

Belangrijke instellingen gingen de COVID-19-crisis in met sterke kapitaalposities, die zij in 2021 wisten te handhaven

Belangrijke instellingen (significant institutions – SI’s) die onder Europees bankentoezicht staan, gingen de coronacrisis in met een sterke kapitaalpositie. Na een lichte daling in het eerste kwartaal van 2020 liep de totale Common Equity Tier (CET1)-ratio in het vierde kwartaal van 2020 op tot 15,6% om zich in 2021 op dat niveau te stabiliseren (Grafiek 1). De veerkracht van de banken tijdens de crisis was te danken aan verschillende factoren, met name de steunmaatregelen van de overheid ter bescherming van de solvabiliteit van klanten en de toegang tot krediet, de sterk accommoderende monetairbeleidsreactie en de tijdige toezichts- en regelgevingsmaatregelen die in reactie op de crisis zijn genomen. Bovendien deed ECB-Bankentoezicht in maart 2020 een aanbeveling aan de banken om geen dividend uit te keren of eigen aandelen in te kopen. In december 2020 volgende de aanbeveling om dergelijke uitkeringen te beperken. Hierdoor konden de banken hun kapitaalbasis versterken tegen de achtergrond van relatieve onzekerheid over de omvang van potentiële kredietverliezen. In juni 2021 besloot de ECB, naar aanleiding van macro-economische prognoses die wezen op economisch herstel en minder onzekerheid, om haar aanbeveling niet tot na september 2021 te verlengen. Daarna beoordeelden de toezichthouders de kapitaal- en dividenduitkeringsplannen van de afzonderlijke banken weer als onderdeel van de reguliere toezichtwerkzaamheden, net als voor de pandemie. Banken moeten zich bij beslissingen over dividenduitkeringen en de inkoop van eigen aandelen prudent blijven opstellen, en hun kapitaalprognoses voor de middellange termijn en de houdbaarheid van hun bedrijfsmodellen zorgvuldig beoordelen.

Grafiek 1

Kapitaalratio van SI's (overgangsdefinitie)

(links: EUR miljard; rechts: percentages)

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef).

De totale hefboomratio volgde tijdens de pandemie een vergelijkbare trend: deze stabiliseerde zich op 5,9% in het derde kwartaal van 2021 na te zijn gestegen van 5,3% in het tweede kwartaal van 2020. Banken waren goed voorbereid op de toepassing van de hefboomratio-vereiste in juni 2021. Daarnaast zal in 2022 de nieuw ontwikkelde methodiek voor de beoordeling van het risico op buitensporige hefboomwerking, die tot doel heeft de voorwaardelijke hefboom in kaart te brengen die voortvloeit uit het uitgebreide gebruik van derivaten, effectenfinancieringstransacties, posten buiten de balanstelling of toezichtsarbitrage, worden toegepast om te bepalen voor welke banken de vereisten van Pijler 2 voor de hefboomratio of kwalitatieve maatregelen nodig zouden kunnen zijn. Dit zal de opbouw van buitensporige hefboomwerking verder beperken en op die manier bijdragen aan de schokbestendigheid van het bankwezen in het eurogebied. Desondanks zullen er risico’s voor de kapitaaltoereikendheid blijven bestaan, en moeten banken het risico niet onderschatten dat verdere verliezen alsnog effect op hun kapitaalpositie kunnen hebben nu de steunmaatregelen wegvallen.

Grafiek 2

Hefboomratio van SI’s

(procenten)

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef).

De bijzondere steunmaatregelen in verband met COVID-19 hebben een snelle toename van NPL’s helpen voorkomen, maar de volledige impact van de pandemie wordt mogelijk pas op middellange termijn duidelijk

De ECB is de veerkracht van de banken blijven bevorderen door hun algemene herstelcapaciteit te blijven toetsen, d.w.z. de mate waarin banken van ernstige stress kunnen herstellen door de in hun herstelplannen uiteengezette herstelopties uit te voeren[1]

De banken hebben de kredietverlening aan klanten gedurende de crisis ondersteund, en tot dusver is er geen sprake van een significant effect op de activakwaliteit. De over het geheel genomen positieve trend in de activakwaliteit (Grafiek 3) is te danken aan verschillende factoren, waaronder de aanhoudende inspanningen van banken met veel niet-renderende leningen (non-performing loans – NPL’s) om het hun NPL’s terug te dringen en een toename van de kredietverlening ondersteund door overheidsgaranties en andere steunmaatregelen voor kredietnemers. Zo hebben de met COVID-19 verband houdende buitengewone steunmaatregelen om de financieringsvoorwaarden te versoepelen en huishoudens en kleine en grotere bedrijven te ondersteunen in 2020 en 2021 geholpen om een sterke stijging van het aantal faillissementen en NPL’s te voorkomen. ECB-Bankentoezicht maakt zich echter nog steeds zorgen over de activakwaliteit van de banken op de middellange termijn. De volledige impact van de pandemie zal immers pas echt zichtbaar worden nadat de overheidssteunmaatregelen voor het grootste deel weer zijn ingetrokken. Het aandeel minder goed presterende leningen (fase 2) is nog steeds hoger dan vóór de pandemie en leningen die profiteerden van de COVID-19-steunmaatregelen lijken een iets hoger risicoprofiel te hebben. Bovendien zou de forse toename van het schuldniveau in verschillende segmenten van de economie zich kunnen vertalen in hogere solvabiliteitsrisico’s, vooral in economische sectoren en landen die harder door de pandemie zijn getroffen. Daarom beklemtoonde de ECB in het kader van haar toezichtswerkzaamheden inzake kredietrisico’s in 2021 de noodzaak van een sterke nadruk op robuuste methoden voor de beheersing van kredietrisico’s.[2]

Grafiek 3

Ontwikkeling van de NPL's van SI’s (totaal leningen)

(links: EUR miljard; rechts: percentages)

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef).

Ondanks uitdagingen met betrekking tot de bedrijfscontinuïteit is de impact van de pandemie op het operationele risico tot dusver beperkt gebleven

Ondanks de uitzonderlijke operationele en continuïteitsuitdagingen waarmee banken sinds de uitbraak van de pandemie te kampen hebben, was de omvang van de met de pandemie verband houdende verliezen op operationele risico’s in 2021 aanzienlijk lager dan in 2020. Dit strookt met de verwachting dat verliezen op operationeel risico als gevolg van COVID-19 zich vooral in de beginfase van de pandemie zouden voordoen, aangezien deze voor een groot deel uit eenmalige elementen bestaan.[3]

Nadat de bedrijfscontinuïteitsplannen naar aanleiding van de pandemie voor het eerst in werking werden gezet, stabiliseerden de thuiswerkmodellen zich vanaf de zomer van 2020. In 2021 werkte 40-50% van de medewerkers van belangrijke instellingen vanuit huis (Grafiek 4).

In de eerste helft van 2021 nam het aantal grote cyberincidenten dat aan de ECB werd gemeld licht toe, maar de gevolgen voor de beschikbaarheid van IT-systemen en de omvang van de schade als gevolg van deze aanvallen waren zeer beperkt[4].

Grafiek 4

Thuiswerken bij SI’s

(percentage werknemers dat thuiswerkt)

Bron: ECB.
Toelichting: Er is gebruik gemaakt van een consistente steekproef onder Si’s die alle gegevenspunten tijdens de beschouwde periode hebben gerapporteerd.

Niettemin blijven de operationele en IT-risico’s hoog als gevolg van de aanhoudende uitdagingen waarmee banken en hun dienstverleners wereldwijd worden geconfronteerd. Zo zijn de cyberveiligheidsrisico's, de uitdagingen op het gebied van verandermanagement en de afhankelijkheid van IT-infrastructuren en aanbieders van IT-diensten als gevolg van de pandemie toegenomen. Het is dan ook van essentieel belang dat banken de hiermee gepaard gaande risico’s zo goed mogelijk beheersen, om een ononderbroken financiële dienstverlening te kunnen waarborgen.

Ondanks verbeteringen bestaan er nog steeds verschillende structurele tekortkomingen in verband met de bestuursorganen van de banken en de interne controlefuncties

De ECB is daarnaast blijven benadrukken dat de onder toezicht staande banken hun governancekaders moeten verbeteren. De COVID-19-crisis heeft het belang van sterke governancekaders, effectieve interne controlefuncties en het vermogen om gegevens te verzamelen onderstreept. Ondanks enige verbeteringen is er nog steeds sprake van verschillende structurele zwakheden.

Banken hebben de samenstelling van hun bestuursorganen verbeterd, bijvoorbeeld door steeds strengere eisen te stellen aan de vaardigheden van bestuurders en door het aandeel formeel onafhankelijke bestuurders te vergroten. Toch zijn er nog enkele zwakke punten aan te wijzen: i) het bestuursorgaan is over het algemeen te weinig betrokken bij zijn toezichthoudende functie en is beperkt in staat om strategische beslissingen op die gebieden die het zwaarst getroffen zijn door de COVID-19 crisis kritisch te benaderen; ii) bij sommige banken is de deskundigheid van niet-uitvoerende bestuurders op het gebied van bankieren en risicobeheersing onvoldoende; iii) bij sommige banken ontbreekt een diversiteitsbeleid en wordt diversiteit onvoldoende gestimuleerd, wat de collectieve geschiktheid van het bestuur niet ten goede komt; en iv) bij sommige banken is het aandeel onafhankelijke bestuurders aan de lage kant, waardoor het voor het bestuursorgaan nog moeilijker wordt om uitvoerende bestuurders in het kader van de toezichthoudende functie constructief aan te spreken.

Daarnaast heeft de COVID-19-crisis de al bestaande zwakheden op diverse terreinen van governance en risicobeheersing verergerd. Ten eerste blijven er tekortkomingen bestaan op het gebied van de verzameling en rapportage van gegevens als gevolg van gefragmenteerde en niet-geharmoniseerde IT-landschappen, een gebrek aan automatisering, wijdverbreid gebruik van handmatige controles en tekortkomingen in de datagovernance (bijvoorbeeld onvoldoende onafhankelijke validatie van de gegevenskwaliteit). Dit belemmert het besluitvormingsproces van banken. Ten tweede moeten verschillende banken hun internecontrolefuncties nog verder verbeteren, met name om de lage personele bezetting, de ontoereikende effectiviteit van de internecontrolefunctie en tekortkomingen in hun processen (zoals compliancemonitoringprogramma’s en de vaststelling van de risicobereidheid van de bank) aan te pakken.

Het monetaire en prudentiële beleid heeft de toename van de beschikbare liquiditeit en financiering voor belangrijke instellingen in 2021 sterk ondersteund

De liquiditeits- en financieringsvoorwaarden voor belangrijke instellingen bleven verbeteren, grotendeels ondersteund door monetairbeleidsmaatregelen. De banken mochten tot eind 2021 opereren onder de minimale liquiditeitsdekkingsratio (liquidity coverage ratio – LCR) van 100%.[5] Desalniettemin bleven de liquiditeitsposities stijgen, waarbij de LCR in het derde kwartaal van 2021 uitkwam op 173,8%, het hoogste niveau sinds het begin van het Europese bankentoezicht (Grafiek 5). Dit kan voornamelijk worden verklaard door de grote mate waarin banken gebruik hebben gemaakt van gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (targeted longer-term refinancing operations – TLTRO’s), omdat zij daardoor financiering konden aantrekken en kasreserves konden opbouwen zonder hun hoogwaardige liquide activa te bezwaren. De totale waarde van de TLTRO-transacties per september 2021 bedroeg € 2,2 biljoen, ongeveer de helft van het huidige liquiditeitsoverschot in het Eurosysteem.

Grafiek 5

Ontwikkeling van de liquiditeitsbuffer, de netto liquiditeitsuitstroom en de LCR

(links: EUR miljard; rechts: percentages)

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef).

Net als de LCR nam ook de netto stabielefinancieringsratio (NSFR) gestaag toe vanaf de tweede helft van 2020 en bereikte een piek van 129,3% in september 2021 (Grafiek 6). Het NSFR-vereiste van 100% op doorlopende basis geldt per 28 juni 2021 als een bindend minimumvereiste. Hoewel banken de NSFR in het algemeen op zowel geconsolideerd als individueel niveau moeten naleven, verleende de ECB aan sommige banken in 2021 ontheffing op individueel niveau als zij aan de in de Verordening gestelde voorwaarden voldeden en met name als zij een gezond liquiditeitsrisicobeheer hadden.

Grafiek 6

Ontwikkeling van beschikbare stabiele financiering, benodigde stabiele financiering en de NSFR

(links: EUR miljard; rechts: percentages)

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef).

De algemene marktvoorwaarden voor de banken in het eurogebied zijn sinds de tweede helft van 2020 verder versoepeld na de uitzonderlijke interventie van overheden en centrale banken, wat heeft geleid tot een lagere volatiliteit, krappere creditspreads en florerende aandelenmarkten. Brede marktrisico-indicatoren zoals de value-at-risk (VaR) en risicogewogen activa (RWA’s) zijn hierdoor gedaald. Tegen deze achtergrond zijn potentiële marktrisico’s – die voornamelijk verband houden met tegenpartijkredietrisico en schokken in rentetarieven en creditspreads – aangemerkt als toezichtsprioriteiten voor 2022-2024.

1.1.2 Algehele prestaties van banken onder Europees bankentoezicht

Het herstel van de winstgevendheid van banken in 2021 werd vooral gedreven door lagere bijzondere waardeverminderingen naarmate de economie herstelde van de pandemie.

Nadat de winstgevendheid van belangrijke instellingen onder Europees bankentoezicht tijdens het hoogtepunt van de pandemie in 2020 een dieptepunt had bereikt, veerde de winstgevendheid in 2021 weer op. Het rendement op het eigen vermogen van banken op jaarbasis op geaggregeerd niveau steeg tot 7,2% (Grafiek 7), het hoogste niveau in jaren, maar ligt nog altijd onder de gemiddelde kosten van het eigen vermogen. Deze stijging was voornamelijk het gevolg van een cyclische afname van bijzondere waardeverminderingen, die meer dan gehalveerd waren in vergelijking met het voorgaande jaar. Als gevolg van de ongekende onzekerheid over de gevolgen van de pandemie moesten banken in 2020 aanzienlijke voorzorgsvoorzieningen boeken. Na de economische opleving in de loop van 2021 werden deze maatregelen stopgezet of in sommige gevallen zelfs teruggedraaid.

Grafiek 7

Totaal rendement op het eigen vermogen van SI’s, uitgesplitst naar inkomsten- en uitgavenbron

(als percentage van het eigen vermogen)

Bron: Statistieken over het toezicht van de ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef).

De economische opleving kwam ook ten goede aan het inkomen vóór waardevermindering, voorzieningen en belastingen, dat zich herstelde tot het niveau van voor de pandemie. Dit was vooral toe te schrijven aan de sterke stijging van de inkomsten van de banken uit handels- en beleggingsactiviteiten en aan hun netto-inkomsten uit provisies en commissies, waarbij met activabeheer verband houdende provisies een sleutelrol speelden. De nettorentebaten bleven daarentegen gematigd en bleven onder het niveau van voor de pandemie, als gevolg van aanhoudende druk op de kredietmarges van banken. Al met al slaagden de banken erin hun netto bedrijfsbaten met 15% te verhogen (Grafiek 8). Deze inkomstenstijging was essentieel voor de verbetering van de kostenefficiëntie van banken, waarbij de kosten-inkomstenverhouding in 2021 met ruim 2 procentpunten daalde tot 63,5%.

Grafiek 8

De kosten-inkomstenverhoudingen van SI's en de geïndexeerde componenten ervan

(procenten)

Bron: Statistieken over het toezicht van de ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef).

De handelsinkomsten hebben positief bijgedragen aan de winstgevendheid van de banken onder Europees bankentoezicht en bereikten een piek in de eerste helft van 2021, met name voor mondiaal systeemrelevante banken (global systemically important banks − G-SIB’s), (Grafiek 9). De banken wisten ook hun netto-inkomsten uit provisies en commissies aanzienlijk te verhogen, waarbij de met activabeheer verband houdende vergoedingen profiteerden van de hoge activaprijzen.

Grafiek 9

Inkomsten uit handel en investeringen[6] naar geselecteerde bedrijfsmodellen

(stromen op kwartaalbasis in EUR miljard)

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef voor het “gemiddelde voor SSM” omvat alle significante instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef); de grafieken “G-SIB”, “Universele bank en investeringsbank” en “Overige” vertegenwoordigen de deelsteekproef met de respectieve bedrijfsmodellen.

Aan de kostenzijde stegen de beheerkosten en afschrijvingen met 3,3%, voornamelijk als gevolg van hogere personeels- en IT-gerelateerde kosten. De banken bleven echter vasthouden aan hun bredere strategische doelstellingen om de kosten te verlagen en te investeren in IT en digitale initiatieven. Deze strategieën brengen aanzienlijke kosten met zich mee die vooraf moeten worden gedragen, maar op de middellange termijn verwachten de banken de vruchten van deze transformatie te kunnen plukken. Gezien het toegenomen gebruik van digitale kanalen door klanten als gevolg van de pandemie zouden de banken hun overcapaciteit en hun kostenstructuren bovendien verder kunnen inkrimpen, waardoor hun kostenefficiëntie nog verder zou verbeteren.

Fusies en overnames van banken, die over het algemeen gezien worden als de sterkste en meest transformatieve vorm van consolidatie, lijken te fungeren als katalysator voor de sector om de efficiëntie te verbeteren en terug te keren naar meer duurzame niveaus van winstgevendheid.[7] Deze activiteiten lijken de afgelopen twee jaar enigszins te zijn aangetrokken. De banken hebben zich met name actiever beziggehouden met gerichte consolidaties op bedrijfsonderdeelniveau. Op het gebied van vermogensbeheer, effecten, bewaringsdiensten en betalingstechnologie hebben sommige instellingen hun activiteiten uitgebreid of gediversifieerd, terwijl andere instellingen deze hebben teruggeschroefd om middelen te herschikken.

Grafiek 10

Aantal en waarde van fusies en overnames in het eurogebied

Bron: Berekeningen van de ECB op basis van Dealogic en Orbis BankFocus.
Toelichting: De steekproef omvat fusies en overnames waarbij SI’s en LSI’s in het eurogebied betrokken zijn, uitgezonderd een aantal particuliere transacties en transacties tussen kleine banken die niet in Dealogic zijn gerapporteerd. Transacties in verband met de afwikkeling van banken en probleemfusies zijn uit de steekproef gehaald. Transacties zijn gerapporteerd op basis van het jaar waarin zij werden aangekondigd.

Volwaardige fusies en overnames van banken zijn nog steeds overwegend nationaal, maar sommige van de meer gerichte transacties hebben een grensoverschrijdende dimensie en dragen daarmee ook bij aan de financiële integratie binnen de EU. Een andere manier om grensoverschrijdende integratie na te streven zou kunnen zijn dat banken hun grensoverschrijdende organisatiestructuren herzien. Met name een uitgebreider gebruik van bijkantoren en vrije dienstverlening, in plaats van dochterondernemingen, zou een veelbelovende aanpak kunnen zijn voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende activiteiten binnen de bankenunie en de Interne Markt.

Ook inspanningen om de winstgevendheid op duurzame wijze te verhogen zouden verdere consolidatie-initiatieven kunnen opleveren, die tot sterker gediversifieerde inkomstenbronnen en meer efficiëntie zouden kunnen leiden, mits zij gepaard gaan met een duidelijke operationele koers en een solide bedrijfsstrategie. Deze strategische acties moeten echter door de banken zelf worden opgezet en beheerd, waarbij hun raden van bestuur ervoor moeten zorgen dat er robuuste governanceprocedures zijn die alle materiële risico's voor de uitvoering van deze consolidatieactiviteiten op passende wijze kunnen identificeren, beheren en beperken. De ECB heeft in januari 2021 een gids voor het toezicht met betrekking tot fusies en overnames[8] gepubliceerd om de banken inzicht te geven in de manier waarop de ECB fusietransacties beoordeelt, zodat de banken weten wat zij van de toezichthouder kunnen verwachten.

Ook de winstgevendheid van LSI’s verbeterde in 2021, vooral door lagere bijzondere waardeverminderingen

De winstgevendheid van de minder belangrijke instellingen (less significant institutions – LSI’s) onder Europees bankentoezicht liet in 2021 eveneens tekenen van herstel zien. Eind september 2021 bedroeg het gemiddelde rendement op eigen vermogen 3,3%, een stijging ten opzichte van 1,7% eind 2020. Deze stijging werd voornamelijk veroorzaakt door lagere bijzondere waardeverminderingen ten opzichte van 2020, toen LSI’s zich genoodzaakt zagen om aanzienlijke voorzieningen aan te leggen om een scherpe verslechtering van hun kredietportefeuille te voorkomen. Net als de belangrijke instellingen hebben sommige LSI’s in 2021 een deel van hun eerder geboekte voorzieningen vrijgegeven, waardoor hun winstgevendheid weer op het niveau van vóór de pandemie kwam.

De LSI’s hebben de druk op hun kredietmarges kunnen compenseren door hun activiteiten op basis van provisies en commissies uit te breiden. Globaal stegen de netto bedrijfsopbrengsten van LSI’s op jaarbasis met 9,7%. Deze inkomstenstijging voor LSI’s ondersteunde de verbetering van hun gemiddelde kosten-inkomstenverhouding, die daalde van 70,3% eind 2020 tot 66,7% eind september 2021. Aan de kostenzijde waren de LSI’s niet in staat om hun beheerkosten effectief te reduceren.

Kader 1
Stresstest 2021

De EU-brede stresstest van 2021 werd gecoördineerd door de Europese Bankautoriteit (European Banking Authority – EBA), en net als in voorgaande jaren was de ECB betrokken bij zowel de voorbereiding als de uitvoering ervan. Zo speelde de ECB tijdens de voorbereiding een rol bij het opzetten van de stresstestmethodiek, het basisscenario en het ongunstige scenario. Het ongunstige scenario was een gezamenlijk ontwerp van de ECB, het Europees comité voor systeemrisico’s (European Systemic Risk Board – ESRB) en de EBA, in nauwe samenwerking met de nationale centrale banken en NCA's. De ECB heeft daarnaast de officiële benchmarks voor kredietrisico voor de EU-brede stresstest samengesteld. De benchmarks bieden de banken prognosepaden voor kredietrisicoparameters (zoals het risico op wanbetaling, transitiepercentages en verlies bij wanbetaling), en het is de bedoeling dat zij deze toepassen op portefeuilles waarvoor geen passende kredietrisicomodellen beschikbaar zijn.

Na de start van de stresstest op 29 januari 2021 heeft ECB-Bankentoezicht het kwaliteitsborgingsproces voor de onder haar rechtstreekse toezicht staande banken uitgevoerd om te waarborgen dat de banken de EBA-methodologie correct toepassen. Van de 50 banken die aan de EU-brede stresstest deelnamen, vallen er 38 onder het rechtstreekse toezicht van ECB-Bankentoezicht, die samen 70% van de bancaire activa in het eurogebied voor hun rekening nemen. Op 30 juli 2021 heeft de EBA de afzonderlijke uitkomsten voor alle 50 deelnemende banken gepubliceerd, evenals uitgebreide gegevens over balans en risicoposities per ultimo 2020.

De ECB heeft daarnaast haar eigen stresstest uitgevoerd voor 51 middelgrote banken die onder haar rechtstreekse toezicht vallen, maar niet aan de EBA-stresstest deelnamen. Voor het eerst publiceerde de ECB voor deze banken ook afzonderlijke uitkomsten op hoog niveau.

De 38 banken in het eurogebied die deelnamen aan de EU-brede stresstest en de 51 middelgrote banken in het eurogebied die onder het toezicht van de ECB vallen, vertegenwoordigen samen iets meer dan 75% van de totale bancaire activa in het eurogebied.

Scenario’s

In het ongunstige scenario voor de stresstest van 2021 is uitgegaan van een langdurige impact van de COVID-19-schok in een aanhoudend lagerenteklimaat. In dit scenario leidt de onzekerheid rondom de met de pandemie samenhangende ontwikkelingen tot een aanhoudende economische krimp, die wordt gekenmerkt door een aanhoudende daling van het bbp en een sterke stijging van de werkloosheid. Bedrijfsfaillissementen en de inkrimping van de bedrijven leiden tot aanzienlijke aanpassingen in de activawaarderingen, creditspreads en financieringskosten. Tot slot dalen de huizenprijzen en vooral de prijzen van commercieel vastgoed aanzienlijk.

Uitkomsten[9]

In het ongunstige scenario bedroeg de uiteindelijke CET1-ratio voor de 89 banken onder rechtstreeks toezicht van de ECB gemiddeld 9,9%, 5,2 procentpunten onder het uitgangspunt van 15,1%. Voor de 38 banken uit de EBA-stresstest daalde de gemiddelde CET1-kapitaalratio met 5 procentpunten van 14,7% naar 9,7%. De 51 middelgrote banken uit de ECB-test lieten een gemiddelde kapitaalvermindering zien van 6,8 procentpunten, van 18,1% naar 11,3%. De middelgrote banken kregen in het ongunstige scenario te maken met een grotere kapitaalvermindering, omdat ze sterker werden beïnvloed door de daling van de nettorentebaten, de nettobaten uit vergoedingen en provisies en de handelsinkomsten gedurende de driejarige prognoseperiode.

Al met al bevonden de banken zich aan het begin van de stresstest van 2021 in een betere positie dan aan het begin van de vorige EU-brede stresstest, in 2018.[10] Dit was het gevolg van forse verlagingen van de operationele kosten en aanzienlijke dalingen van de uitstaande niet-renderende leningen (non-performing loans – NPL’s) in veel landen. De kapitaalvermindering op systeemniveau was in 2021 echter groter, doordat het ongunstige scenario in de stresstest van 2021 nog ernstiger was dan in die van 2018.

De eerste bepalende factor voor de kapitaalvermindering was het kredietrisico, aangezien de grote macro-economische schok in het ongunstige scenario leidde tot aanzienlijke verliezen op leningen. Ten tweede leidde dit scenario, ondanks de grote algemene veerkracht van het bankwezen onder ongunstige omstandigheden, tot aanzienlijke marktverliezen voor met name de grootste banken in het eurogebied, aangezien deze meer zijn blootgesteld aan schokken in aandelen en creditspreads. De derde belangrijke factor achter de kapitaalvermindering was het beperkte vermogen van banken om voldoende inkomsten te genereren onder ongunstige economische omstandigheden toen zij werden geconfronteerd met een daling van de nettorentebaten, de handelsinkomsten en de nettobaten uit vergoedingen en provisies.

Integratie van de stresstest met de reguliere toezichtswerkzaamheden

Zowel de kwalitatieve uitkomsten (dat wil zeggen de kwaliteit en tijdigheid van de door banken aangeleverde gegevens) als de kwantitatieve uitkomsten (ofwel de kapitaalvermindering en de weerbaarheid van banken onder nadelige marktomstandigheden) van de stresstest zijn meegenomen in de jaarlijkse procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (supervisory review and evaluation process – SREP). De kwantitatieve impact van het ongunstige scenario was ook een belangrijke input voor toezichthouders om het niveau van pijler 2-richtsnoeren (P2G) te bepalen door middel van een nieuwe tweestappenbenadering. De details die over de nieuwe P2G-methodologie zijn verstrekt moeten bijdragen tot een beter begrip van het gebruik van de resultaten van de stresstests in het kader van de SREP.

1.2 Toezichtsprioriteiten en -projecten in 2021

1.2.1 Toezichtsprioriteiten voor 2021

De toezichtsprioriteiten van de ECB richtten zich in 2021 op gebieden die materieel door de pandemie werden beïnvloed.

In 2021 waren de toezichtinspanningen van ECB-Bankentoezicht voornamelijk gericht op vier gebieden die wezenlijk zijn beïnvloed door de COVID-19-pandemie: kredietrisicobeheer, kapitaalpositie, houdbaarheid van bedrijfsmodellen en governance. Het doel van de toezichtswerkzaamheden en -projecten die gedurende het jaar werden uitgevoerd was om de weerbaarheid en werkwijzen van de onder toezicht staande banken te versterken, waarbij bijzondere aandacht uitging naar de kwetsbaarheden die in de context van de pandemie van cruciaal belang werden geacht.

Kredietrisico

Een uniek kenmerk van de COVID-19-crisis is dat de NPL’s ondanks een enorme daling van de economische productie verder zijn gedaald, mede dankzij de uitzonderlijke beleidsmaatregelen die zijn genomen om de reële economie te ondersteunen. Deze ongekende maatregelen hebben de kredietwaardigheid van de kredietnemers vertroebeld en daarmee het vermogen van de banken om kredietrisico's te beheersen. Daarom heeft ECB-Bankentoezicht de beoordeling van de kredietrisicobeheerkaders van banken, waarmee zij in 2020 gestart was, ook in 2021 voortgezet. Het doel was de banken beter in staat te stellen om tijdig actie te ondernemen met betrekking tot probleemdebiteuren en om mogelijke verslechteringen in de activakwaliteit van kredietnemers adequaat te identificeren, te beoordelen en te beperken, met name in sectoren die bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de pandemie. In 2021 zijn verschillende initiatieven ondernomen om deze doelstellingen te bereiken, zoals diepgaande onderzoeken naar blootstellingen van banken aan de horecasector, gerichte onderzoeken ter plaatse en vervolgonderzoeken door Joint Supervisory Teams (JST’s) bij banken die aanzienlijk van de toezichtsverwachtingen afweken.

Kapitaalpositie

Vanwege de bezorgdheid over verhoogd kredietrisico is het van essentieel belang dat toezichthouders de kapitaalpositie van belangrijke instellingen beoordelen en bankspecifieke kwetsbaarheden in een vroeg stadium in kaart brengen, zodat eventuele herstelmaatregelen tijdig kunnen worden genomen. In 2021 heeft ECB-Bankentoezicht de door de banken toegepaste kapitaalplanningspraktijken tegen het licht gehouden om te beoordelen in hoeverre ze in staat zijn om realistische kapitaalprognoses te maken die rekening houden met de economische onzekerheden die het gevolg zijn van de pandemie. De EU-brede stresstest van 2021 maakte een grondige beoordeling van de kapitaalpositie van de banken mogelijk en liet zien dat de bancaire sector van het eurogebied zelfs in een ongunstig scenario veerkrachtig zou blijven.

In juli besloot de ECB de aanbeveling voor banken om hun dividenduitkeringen te beperken niet te verlengen na september 2021. In plaats daarvan zou de ECB in het reguliere toezichtproces de kapitaal- en distributieplannen van elke bank beoordelen. Van banken wordt verwacht dat ze terughoudendheid blijven betrachten in hun besluiten over dividenden en inkoop van eigen aandelen, en dat zij de houdbaarheid van hun bedrijfsmodel en het risico van additionele verliezen op hun kapitaalverkeer zorgvuldig afwegen zodra de steunmaatregelen van de overheid aflopen. In dit stadium verwacht de ECB niet dat zij de prudentiële verlichtingsmaatregelen voor banken met betrekking tot het gebruik van kapitaalbuffers na eind 2022 zal verlengen.

Houdbaarheid van bedrijfsmodellen

De winstgevendheid en de houdbaarheid van de bedrijfsmodellen van banken bleven in 2021 onder druk staan als gevolg van de lage rente, overcapaciteit en lage kostenefficiëntie in de Europese bankensector en de toenemende concurrentie van niet-banken. ECB-Bankentoezicht heeft het toezichtsinstrumentarium verder versterkt om de bedrijfsstrategieën van banken om deze uitdagingen het hoofd te bieden en hun vermogen om deze strategieën doeltreffend in te zetten te beoordelen, met een specifieke focus op digitaliseringsstrategieën. In dit verband zijn de JST’s een gestructureerde dialoog aangegaan met de bestuursorganen van de banken over het toezicht op hun bedrijfsstrategie. Ten slotte zijn er diepgravende bankspecifieke onderzoeken en inspecties ter plaatse uitgevoerd om de positieve en negatieve factoren die bepalend zijn voor de winstgevendheid van de banken te onderzoeken.

Governance

Gezonde governancepraktijken en solide interne controles zijn van essentieel belang om de risico's voor banken onder normale omstandigheden, maar vooral in tijden van crisis, te beperken. In 2021 heeft ECB-Bankentoezicht verschillende toezichtactiviteiten op het gebied van governance uitgevoerd. Zo zijn de procedures van banken om op een crisis te reageren onder de loep genomen, waaronder het beoordelen van het vermogen van de banken om effectieve herstelplannen op te stellen en hun algemene herstelcapaciteit op geloofwaardige wijze aan te tonen. Ook is er een vervolgonderzoek gestart naar aanleiding van het themaonderzoek naar de verzameling en rapportage van risicogegevens, en zijn er gerichte onderzoeken bij specifieke banken uitgevoerd om het management te stimuleren om toegang te krijgen tot risico-informatie en de nauwkeurigheid daarvan te toetsen. Tot slot zijn de prudentiële werkzaamheden met betrekking tot witwas- en terrorismefinancieringsrisico’s voortgezet, waaronder het actualiseren van de toezichtsmethoden voor de SREP en onderzoeken ter plaatse om deze risico’s weer te geven.

1.2.2 Kredietrisicobeheersing

ECB-Bankentoezicht heeft beoordeeld of de banken voldoen aan de toezichtsverwachtingen ten aanzien van kredietrisicomanagement. De JST’s hebben vervolgens met de banken gekeken hoe de geconstateerde tekortkomingen kunnen worden opgelost

In tijden van onzekerheid, zoals tijdens de COVID-19-pandemie, is de beheersing van kredietrisico’s – en met name het op adequate en tijdige wijze identificeren, classificeren en meten van kredietrisico’s – van essentieel belang om ervoor te zorgen dat banken in staat zijn duurzame en snelle oplossingen te bieden voor probleemdebiteuren. Op 4 december 2020 heeft de ECB de CEO’s van alle belangrijke instellingen een brief gestuurd waarin de toezichtsverwachtingen met betrekking tot dit onderwerp zijn toegelicht. In de loop van 2021 heeft ECB-Bankentoezicht de risicobeheersingsvoorzieningen van de banken beoordeeld aan de hand van deze verwachtingen en geconcludeerd dat deze bij 40% van de belangrijke instellingen niet op orde zijn. De voornaamste tekortkomingen hebben betrekking op systemen voor vroegtijdige signalering, classificatie (o.a. forbearance-beoordelingen en UTP-beoordelingen), voorzieningen en, voor sommige banken, onderpandwaardering en financiële prognoses (Grafiek 11). De geobserveerde tekortkomingen zijn structureel, en zowel relevant in de context van de COVID-19-crisis als onder normale omstandigheden. Ook zijn er tekortkomingen vastgesteld bij banken waarbij voorheen geen sprake was van significante toename van kredietrisico’s. In overleg met de banken monitoren de JST’s de implementatie van de herstelmaatregelen door de banken.

Grafiek 11

Tekortkomingen in het kredietrisicobeheer van SI’s

(percentage SI’s)

Bron: ECB. De steekproef omvat alle belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef).
Toelichting: De grafiek geeft het standpunt van de JST’s weer over de ernst van de tekortkomingen in het kredietrisicobeheer van SI’s ten opzichte van de toezichtsverwachtingen uiteengezet brief aan CEO’s van 4 december 2020.

Kader 2
Analyse van kwetsbare sectoren

De COVID-19-pandemie heeft de kwetsbaarheid van bedrijven in bepaalde sectoren vergroot. De onmiddellijke gevolgen van de pandemieschok werden grotendeels beperkt door de omvangrijke steunregelingen die werden opgezet om kleinere bedrijven te ondersteunen, terwijl grotere bedrijven een beroep konden doen op de kapitaalmarkten om de eerste gevolgen van de schok op te vangen. Nu de buitengewone steunmaatregelen gaandeweg weer worden ingetrokken, kunnen sommige ondernemingen in financiële moeilijkheden komen omdat de schulden die zij tijdens de COVID-19-crisis hebben opgebouwd nu opeisbaar worden. Voor sommige bedrijfstakken leiden aanhoudende problemen in de toeleveringsketen tot hogere kosten en teruglopende liquiditeit, waardoor het kredietrisico nog verder toeneemt. De blootstelling van Si’s aan alle bedrijfssectoren wordt weergegeven in Grafiek A.

Grafiek A

Blootstelling van SI's aan niet-financiële bedrijven per economische sector

(als percentage van de brutoboekwaarde van de totale leningen en voorschotten aan niet-financiële bedrijven)

Bron: FINREP-rapportage.
Toelichting: De economische sectoren zijn gebaseerd op de NACE niveau 1-classificatie. "Overige sectoren" omvat Overige diensten; Informatie en communicatie; Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening; Winning van delfstoffen; Watervoorziening; Kunst, amusement en recreatie; Onderwijs; en Openbaar bestuur en defensie, verplichte sociale verzekeringen.

In het licht van de toegenomen kwetsbaarheden in bepaalde sectoren startte ECB-Bankentoezicht begin 2021 een gerichte beoordeling van de horeca, gebaseerd op een analyse van de blootstellingen van een steekproef van SI’s aan deze sector. Het doel van dit onderzoek was om te begrijpen en te beoordelen hoe banken de kredietrisico’s beheersen in een van de sectoren die het hardst door de COVID-19-pandemie werden getroffen. ECB-Bankentoezicht heeft verschillende punten van zorg in verschillende stadia van de kredietrisicocyclus in kaart gebracht, waarbij met name kredietnemers uit het midden- en kleinbedrijf aanleiding gaven tot grote bezorgdheid.

In september 2021 startte ECB-Bankentoezicht een gerichte beoordeling van de commerciële vastgoedsector, met bijzondere aandacht voor de kantoren- en winkelpandenmarkt, die tot in 2022 doorloopt. Voor belangrijke instellingen in het eurogebied vormt commercieel vastgoed[11] de grootste sectorale blootstelling, goed voor circa 22% van de totale blootstelling van banken aan niet-financiële bedrijven.

1.2.3 IT- en cyberrisico’s

IT en cyberrisico’s zijn in 2021 een belangrijke risicofactor voor de bankensector gebleven

IT en cyberrisico’s zijn in 2021 een belangrijke risicofactor voor de bankensector gebleven, tegen de achtergrond van de voortschrijdende digitalisering, een trend die door de pandemie is versneld. Deze tendens heeft de banken ertoe gedwongen op grote schaal thuiswerkregelingen te treffen en heeft hun blootstelling aan cyberaanvallen en afhankelijkheid van derden vergroot. In de eerste helft van 2021 nam het aantal belangrijke cyberincidenten dat aan de ECB werd gemeld licht toe ten opzichte van dezelfde periode in 2020, maar de impact van de incidenten bleef relatief beperkt. Hoewel sommige van de gerapporteerde incidenten complexer zijn geworden, zijn veel ervan nog steeds gebaseerd op tekortkomingen in fundamentele beveiligingsmaatregelen, wat erop wijst dat de banken nog steeds geen allesomvattende benadering van cyberbeveiliging hanteren.

In juli 2021 publiceerde ECB-Bankentoezicht haar jaarlijkse verslag over de uitkomsten van de SREP IT Risk Questionnaire 2020, waarin de voornaamste observaties van de ECB met betrekking tot de antwoorden van SI’s op de vragenlijst worden gepresenteerd. In het rapport wordt opgemerkt dat: (i) SI’s steeds afhankelijker worden van externe dienstverleners, bijvoorbeeld voor clouddiensten; (ii) de manier waarop banken basismaatregelen nemen om de gezondheid en veiligheid van hun systemen te handhaven kan worden verbeterd; (iii) het aantal systemen die het einde van hun levenscyclus hebben bereikt toeneemt; en (iv) het beheer van datakwaliteit nog steeds het minst volwassen aspect van de risicobeheersing is. Hoewel veel banken grootschalige programma’s hebben opgestart om hun capaciteiten op het gebied van databeheer te verbeteren, is daarmee ongelijkmatige voortgang geboekt. Dit is te wijten aan problemen bij het beheren van complexe onderlinge afhankelijkheden tussen de programma’s en strategische en wettelijk voorgeschreven IT-projecten en operationele projecten, in combinatie met de structurele veranderingen in het IT-landschap van instellingen die de programma’s met zich meebrengen. Ook de pandemie heeft de vooruitgang op dit gebied vertraagd.

Om IT- en cyberrisico’s aan te pakken, is ECB-Bankentoezicht doorgegaan met het versterken van haar gebruik van toezichtsinstrumenten zoals de jaarlijkse SREP, het SSM-rapportageproces voor cyberincidenten, inspecties ter plaatse en andere gerichte horizontale activiteiten.

ECB-Bankentoezicht droeg in 2021 ook bij aan de activiteiten van internationale werkgroepen over deze onderwerpen, die onder meer geleid worden door de EBA, het Bazels Comité voor Bankentoezicht en de Raad voor Financiële Stabiliteit (Financial Stability Board – FSB).

1.2.4 Na de Brexit

De overgangsperiode − waarin het recht van de Europese Unie binnen en op het Verenigd Koninkrijk van toepassing bleef − liep af op 31 december 2020, waarmee er een einde kwam aan de voorbereidingen van de banken op de Brexit.

ECB-Bankentoezicht zal blijven toezien op de afstemming van de banken op haar verwachtingen voor na de Brexit en indien nodig haar standpunt met betrekking tot de toereikendheid van de structuren en governance van de banken verder verfijnen.

In deze context, en in het kader van haar lopende toezicht, heeft ECB-Bankentoezicht de invoering gevolgd van de operationele modellen van belangrijke instellingen die werden getroffen door het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU, om ervoor te zorgen dat deze voortgang zouden boeken conform de eerder overeengekomen tijdschema’s. De horizontale toezichtexercities zijn aangevuld met bankspecifieke opvolging en waar tekortkomingen werden geconstateerd zijn toezichtsmaatregelen genomen. Om te voldoen aan de toezichtsverwachtingen van de ECB hebben banken actie ondernomen op het gebied van interne governance, het initiëren van zakelijke activiteiten, booking models en financiering, contractuele aanpassingen voor EU-klanten en de toegang tot financiëlemarktinfrastructuren, en IT-infrastructuur en -rapportage.

Om te waarborgen dat banken na de Brexit operationeel op eigen benen staan en niet al te afhankelijk zijn van groepsentiteiten buiten de EU, heeft de ECB zich gericht op het voorkomen van kenmerken die duiden op lege vennootschappen bij de nieuw opgerichte Europese dochterondernemingen van internationale bankgroepen. In dat verband is de ECB gestart met een beoordeling van de ‘desk mapping’ (verspreiding van filialen) van banken in de vorm van een geharmoniseerde beoordeling van de booking models van belangrijke instellingen, om te waarborgen dat de door de banken getroffen regelingen de omvang, aard en complexiteit van hun activiteiten en risico’s voldoende weerspiegelen. Daarnaast startte de ECB een gerichte beoordeling van het kredietrisicobeheer en de financiering van deze banken om te waarborgen dat zij in staat zijn om onafhankelijk alle materiële risico’s die hen op lokaal niveau (d.w.z. in de EU) zouden kunnen raken te beheersen, en dat zij de controle hebben over hun balans en hun blootstellingen.

ECB-Bankentoezicht volgde ook de ontwikkelingen in de regelgeving na de Brexit, om te anticiperen op mogelijke gevolgen voor de financiële sector. Specifiek werd aan de banken gevraagd om speciale aandacht te besteden aan mededelingen van de Europese Commissie over de risico’s die op langere termijn voortvloeien uit een overmatige afhankelijkheid van centrale tegenpartijen in het Verenigd Koninkrijk.

In het kader van de in 2019 gesloten samenwerkingsregeling blijven ECB-Bankentoezicht en de toezichthoudende autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk nauw samenwerken bij het toezicht op banken die actief zijn in zowel de aan het Europese bankentoezicht deelnemende landen als het Verenigd Koninkrijk. ECB-Bankentoezicht onderhoudt nauwe contacten met de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk aangaande onderwerpen van gemeenschappelijk belang, zowel op senior niveau als op operationeel niveau.

ECB-Bankentoezicht zal de ontwikkelingen in de regelgeving na de Brexit blijven volgen en blijven toezien op de afstemming van de banken op haar verwachtingen voor na de Brexit en zal indien nodig haar houding met betrekking tot de toereikendheid van de structuren en governance van de banken verder verfijnen.

1.2.5 Fintech en digitalisering

Terwijl banken hun digitale transformatie voortzetten, is ECB-Bankentoezicht actief bezig met het vormgeven van Europese toezichts- en regelgevingskaders voor technologie en digitalisering

ECB-Bankentoezicht zette in 2021 haar werkzaamheden op het gebied van fintech en digitalisering voort. Dit behelsde onder meer het organiseren van een workshop met de JST’s van de grootste SI’s over de strategische, governancegerelateerde en risicobeheersingsaspecten van digitale transformatie. Daarnaast is ECB-Bankentoezicht gestart met de herziening van de SREP-methodiek voor bedrijfsmodellen, om de aspecten van digitale transformatie beter in de komende toezichtscycli te kunnen opnemen. Verder is ECB-Bankentoezicht doorgegaan met de ontwikkeling van haar instrumenten voor de systematische beoordeling van de digitale-transformatiekaders van de banken. Bij deze beoordeling wordt gekeken naar KPI’s en het gebruik van nieuwe technologieën door banken, waarbij de focus ligt op de relevantie van deze aspecten voor de bedrijfsmodellen van banken.

De coronapandemie (COVID-19) heeft het belang zichtbaar gemaakt van digitale transformatie en technologie die de banken in staat stelt om operationeel veerkrachtig te blijven in een context waarin veel op afstand wordt gewerkt. Gezien de rol die technologie kan spelen bij het verlagen van kosten en het voldoen aan de verwachtingen van steeds meer digitaal georiënteerde bankklanten is het cruciaal dat banken blijven innoveren en de digitale transformatie doorzetten om nu en in de toekomst te kunnen blijven concurreren.

ECB-Bankentoezicht heeft ook verdere stappen gezet om de digitaliseringsaspecten van het toekomstige Europese regelgevingskader actief vorm te geven door bij te dragen aan de adviezen van de ECB inzake de conceptwetgevingsvoorstellen betreffende markten voor cryptoactiva[12], de proefregeling voor marktinfrastructuren gebaseerd op ‘distributed ledger’-technologie[13] en de verordening betreffende digitale operationele veerkracht[14]. Daarnaast leverde ECB-Bankentoezicht een bijdrage aan het advies van de ECB over het juridisch kader met betrekking tot kunstmatige intelligentie. ECB-Bankentoezicht nam ook deel aan besprekingen met de Europese Toezichthoudende Autoriteiten over de regulering van fintech en big tech en over het wettelijke toepassingsgebied van de consolidatie.

1.3 Rechtstreeks toezicht op belangrijke instellingen

1.3.1 Toezicht op afstand

ECB-Bankentoezicht streeft naar proportioneel en risicogebaseerd toezicht op belangrijke instellingen (significant institutions − SI’s) dat zowel veeleisend als consequent is. Daartoe worden jaarlijks een aantal kernactiviteiten voor het lopend toezicht geformuleerd. Deze zijn gebaseerd op de bestaande vereisten in de regelgeving, de Toezichtshandleiding van het SSM en de toezichtsprioriteiten van het SSM en worden opgenomen in het lopende programma voor onderzoek door de toezichthouder (supervisory examination programme − SEP) voor iedere SI.

Naast de werkzaamheden gericht op systeembrede risico’s kunnen nog andere toezichtswerkzaamheden in het SEP worden opgenomen, die zijn toegespitst op de specifieke kenmerken van banken. Zo kunnen de Joint Supervisory Teams (JST’s) ook idiosyncratische risico’s analyseren en aanpakken.

De op afstand uitgevoerde SEP-werkzaamheden bestaan uit: (i) werkzaamheden gericht op risico’s (bijv. SREP); (ii) overige werkzaamheden gericht op organisatorische, administratieve of juridische vereisten (bijv. de jaarlijkse significantiebeoordeling); en (iii) additionele werkzaamheden die de JST’s plannen om het lopende SEP toe te spitsen op de specifieke kenmerken van de onder toezicht staande groep of entiteit (bijv. analyses van het bedrijfsmodel of de governancestructuur van een bank). Waar de eerste twee soorten werkzaamheden centraal worden vastgesteld, is het derde bankspecifiek; dit wordt door het betreffende JST vastgesteld.

Proportioneel toezicht

Bij de ingeplande toezichtswerkzaamheden in 2021 is het proportionaliteitsbeginsel gehanteerd, waarbij de toezichtsintensiteit is afgestemd op de systeemrelevantie en het risicoprofiel van de onder toezicht staande bank

Het SEP volgt het proportionaliteitsbeginsel, waarbij de toezichtsintensiteit afhangt van de omvang, de systeemrelevantie, de risico’s en de complexiteit van de instelling.

Net als in voorgaande jaren weerspiegelt het gemiddelde aantal ingeplande toezichtswerkzaamheden per SI in 2021 dit proportionaliteitsbeginsel, zodat de JST’s voldoende ruimte hebben om instellingsspecifieke risico’s aan te pakken (Grafiek 12).

Grafiek 12

Gemiddeld aantal ingeplande taken per SI in 2021

Bron: ECB.
Toelichting: Gegevens per 29 december.

Risicogebaseerd toezicht

Het SEP volgt een risicogebaseerde aanpak, waarbij de nadruk ligt op de risicocategorieën die voor de SI het meest relevant zijn. Voor banken met veel NPL’s ligt het percentage taken op het gebied van kredietrisico's bijvoorbeeld hoger dan voor de gemiddelde bank. Op vergelijkbare wijze is het percentage taken op het gebied van marktrisico’s voor banken met grote blootstellingen aan markt- en handelsactiviteiten hoger dan voor de gemiddelde bank (Grafiek 13).

Grafiek 13

SEP-werkzaamheden in 2020 en 2021: aandeel werkzaamheden voor krediet- en marktrisico’s op het totaal

Kredietrisico

(procenten)

Marktrisico

(procenten)

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle werkzaamheden op het gebied van bankentoezicht die door JST's worden uitgevoerd (variërende steekproef). Gegevens geëxtraheerd per 29 december. Het betreft uitsluitend ingeplande werkzaamheden voor de genoemde risicocategorieën. Werkzaamheden waarvoor meerdere risicocategorieën relevant zijn (bijv. de SREP en stresstests) zijn opgenomen onder “Overige risicocategorieën”.

Belangrijke werkzaamheden in het toezicht op afstand in 2021

Als gevolg van de reorganisatie van ECB-Bankentoezicht, de coronapandemie en de vereenvoudigingsinspanningen, heeft ECB-Bankentoezicht toezichtsprocessen en -werkzaamheden beoordeeld en geherprioriteerd om de JST’s in staat te stellen zich optimaal te concentreren op de controle van de omstandigheden van onder toezicht staande banken. De ingeplande reeks werkzaamheden op afstand voor 2021 is eveneens herzien en afgestemd op de risicoprioritering. Voorbeelden van centraal gestuurde werkzaamheden die in 2021 zijn uitgevoerd zijn de SREP-beoordeling, de beoordelingen van de gehanteerde methoden voor kredietrisicobeheer en sectorale kwetsbaarheden, de SSM-brede stresstest, de NPL-strategiebeoordeling en de zelfbeoordeling van klimaatrisico’s.

Het aantal in 2021 uitgevoerde werkzaamheden was iets lager dan aan het begin van het jaar oorspronkelijk was gepland (Grafiek 14). Dat is vooral toe te schrijven aan het feit dat in de loop van het jaar, evenals de voorgaande jaren, een klein aantal administratieve taken is stopgezet.

Grafiek 14

Gemiddeld aantal taken per SI in 2021

Bron: ECB.
Toelichting: Gegevens per 29 december.

SREP-beoordeling

In 2020 hanteerde ECB-Bankentoezicht in het licht van de coronapandemie een pragmatische benadering voor de SREP. In 2021 is er opnieuw een volledige SREP-beoordeling uitgevoerd. De SREP-resultaten duiden op brede stabiliteit in de scores, ondanks de uitdagingen die de coronacrisis met zich meebracht, doordat de banken aan het begin van de pandemie over het algemeen een sterke kapitaalpositie hadden en werden ondersteund door steunmaatregelen die in 2021 van kracht bleven. In lijn met eerdere SREP-cycli en de toezichtsprioriteiten voor 2021 waren de meeste maatregelen gericht op tekortkomingen met betrekking tot kredietrisico en interne governance.

Kredietrisico’s vormden het belangrijkste aandachtsgebied van de SREP-beoordeling. De risicobeheersingskaders van de banken werden beoordeeld aan de hand van de toezichtsverwachtingen die aan de banken waren meegedeeld in de brief aan CEO’s van 4 december 2020. De beoordeling leidde tot een groter aantal bevindingen, voornamelijk als gevolg van bezorgdheid over de kwaliteit van de processen van banken. In een aantal gevallen leidde de ernst van de bevindingen tot bezorgdheid over de toereikendheid van de onderliggende voorzieningenprocessen, ook bij banken die zich tot dan toe niet onderscheidden qua kredietrisicoperspectief.

Ondanks de uitdagingen die het gevolg waren van de pandemie bleek de kapitaaltoereikendheid veerkrachtig: de toezichthouders hebben de dividendplannen van de banken nauwgezet beoordeeld en een toezichtsdialoog onderhouden met die banken waarvan de plannen geacht werden niet in overeenstemming te zijn met hun risicoprofiel. De gemiddelde Pijler 2-vereisten (P2R) en de Pijler 2-aanbeveling (P2G) blijven globaal stabiel en in lijn met voorgaande jaren: een marginale stijging van de gemiddelde P2R werd veroorzaakt door toevoegingen aan P2R die werden opgelegd aan banken waarvan de voorzieningen voor niet-renderende posities uit het verleden nog niet in overeenstemming waren met eerder gecommuniceerde dekkingsverwachtingen. De gemiddelde P2G is marginaal gestegen als gevolg van de hogere kapitaalverminderingen in de EU-brede stresstest van 2021. De methodiek voor het vaststellen van de P2G is voor de SREP van 2021 herzien.

Bevindingen uit het toezicht

Een van de voornaamste producten van de reguliere toezichtswerkzaamheden zijn de bevindingen, dat wil zeggen tekortkomingen die de banken moeten herstellen. De JST’s zijn verantwoordelijk voor het bewaken van de opvolging door de banken van deze bevindingen. Per 29 december 2021 was het totale aantal bevindingen ten opzichte van 2020 gestegen tot een aantal dat vergelijkbaar was met dat van vóór de pandemie. Dit werd vooral veroorzaakt door de gedeeltelijke hervatting van inspecties ter plaatse (on-site inspections − OSI’s) en onderzoeken van interne modellen (internal model investigations − IMI’s)[15]. Het merendeel van de bevindingen kwam voort uit IMI’s, OSI’s en werkzaamheden met betrekking tot autorisaties. Het grootste aantal bevindingen werd gedaan op het gebied van kredietrisico (zie Grafiek 15).

Grafiek 15

Bevindingen uit het toezicht

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat bevindingen van alle JST’s die werkzaam zijn in het bankentoezicht (variërende steekproef). 23 bevindingen van eerdere JST’s zijn niet opgenomen. Gegevens per 29 december.

1.3.2 Toezicht ter plaatse

In 2021 werden de meeste missies op afstand uitgevoerd

In 2021 bleef de COVID-19-pandemie van grote invloed op de uitvoering van de inspecties ter plaatse en de wijze waarop deze plaatsvonden. De meeste missies[16] vonden plaats op afstand, net als in 2020. Vanaf oktober 2021 werd voor een aantal inspecties een hybride aanpak gevolgd, waarbij de traditionele aanwezigheid ter plaatse bij de onder toezicht staande entiteit werd gecombineerd met een groter beroep op thuiswerkregelingen die tijdens de pandemie werden getest.

Na de vertraging in 2020 werden in 2021 123 OSI’s en 96 IMI’s gestart, waardoor ze dichter bij het niveau van vóór de pandemie lagen (Grafiek 16)[17].

Wat de OSI’s betreft, werd de in voorgaande jaren gehanteerde campagneaanpak toegepast[18], als aanvulling op de door de JST’s gevraagde bankspecifieke inspecties ter plaatse. De belangrijkste door de ECB opgezette campagnes in overeenstemming met de toezichtsprioriteiten voor 2021 waren: (i) de campagne commercieel vastgoed (CRE), waarbij de kwaliteit van de risicoposities van banken ten aanzien van de CRE-sector werd beoordeeld door de waarde van zekerheden ter discussie te stellen; ii) de groot mkb-/grote ondernemingen-campagne, die gericht was op het beheer, de bewaking en de controle van de in reactie op de crisis toegekende steunmaatregelen; (iii) de campagne voor granulaire portefeuilles, waarbij de IFRS 9-voorzieningenkaders van banken werden geëvalueerd; iv) de marktrisicocampagne over waarderingsrisico's; v) de IT- en cyberbeveiligingscampagne; vi) de campagne voor het interne kapitaaltoereikendheidsbeoordelingsproces (ICAAP); en vii) de campagne over bedrijfsmodel en winstgevendheid.

De belangrijkste onderwerpen voor OSI’s die in 2021 aan bod kwamen, waren de invoering van nieuwe EBA-regelgevingsproducten, de tijdelijke tolerantie van modellen in het kader van de Brexit, en de follow-up van de gerichte toetsing van interne modellen (TRIM). Daarnaast is in 2021 voor het eerst een nieuwe benadering voor onderzoek op afstand vastgesteld om minder materiële of minder complexe verzoeken tot wijziging van modellen aan te pakken; Deze onderzoeken zijn zeer gericht en maken beperkt gebruik van middelen.

Grafiek 16

OSI’s en IMI’s gestart in 2019, 2020 en 2021

(aantal onderzoeken)

Bron: ECB-Bankentoezicht

In 2021 begon ECB-Bankentoezicht nieuwe benaderingen te verkennen om het on-site-inspectiemodel te verrijken.

Met behoud van het primaat van de benadering voor missiewerk ter plaatse, zal de geleidelijke terugkeer naar een normale werkomgeving de waardevolle lessen en de goede praktijken die tijdens de pandemie zijn opgedaan op het gebied van thuiswerkregelingen omvatten. Daartoe begon ECB-Bankentoezicht te zoeken naar manieren om het traditionele model voor inspecties ter plaatse te verfijnen door hybride werkvormen te integreren die de algehele efficiëntie, kwetsbaarheid en veerkracht van onderzoeken kunnen verbeteren en tegelijkertijd hun grondigheid, indringendheid en kwaliteit kunnen handhaven. Deze benaderingen zijn er ook op gericht de invloed van onderzoeken op het milieu te verminderen en de grensoverschrijdende[19] en gemengde samenwerking[20] binnen het team verder te bevorderen, de integratie in het gehele Europese bankentoezicht te bevorderen en diversiteit en inclusie te ondersteunen.

1.3.2.1 Belangrijkste bevindingen van inspecties ter plaatse

De volgende analyse geeft een overzicht van de belangrijkste bevindingen uit de inspecties ter plaatse.[21]

Kredietrisico

In het kader van de COVID-19-pandemie werden inspecties ter plaatse in verband met kredietrisico’s voornamelijk op afstand uitgevoerd, waarbij de nadruk lag op een kwalitatieve benadering. Het doel hiervan was de robuustheid van kredietrisicomanagement en -beheersing te beoordelen, alsook de invoering van steunmaatregelen. In de voor deze analyse in overweging genomen steekproef is slechts een kleine aantal onderzoeken gebaseerd op een meer kwantitatieve benadering, met nadruk op beoordelingen van kredietdossiers; deze leidden tot aanvullende herclassificatie van blootstellingen tot € 855 miljoen en aanvullende voorzieningen van € 1 miljard.

Bij de kredietrisico-inspecties kwamen in 2021 de volgende belangrijke zwakheden aan het licht in de wijze waarop banken belangrijke kredietrisicoprocessen in de pandemieomgeving uitvoeren en monitoren.

  • Onderschatting van verwachte kredietverliezen (ECL): overwaardering van onderpand en onjuiste ECL-berekeningen als gevolg van tekortkomingen in de inschatting van belangrijke parameters.
  • Kredietacceptatie en -verstrekking: slechte beleenbaarheidscontrole met betrekking tot de toepassing van COVID-19-steunmaatregelen.
  • Onjuiste classificatie van kredietnemers: tekortkomingen in de beoordeling van financiële moeilijkheden die hebben geleid tot classificaties in UTP en forbearance en tot aanmerking als fase 2 op basis van IFRS 9.
  • Zwakke monitoringsprocessen: onvoldoende monitoring van kredietrisico’s door de bestuursorganen van de banken en tekortkomingen in de aanpassing van vroegewaarschuwingssystemen en ratingmodellen aan de COVID-19-ontwikkelingen en steunmaatregelen van overheden.
Interne governance

De ernstigste bevindingen[22] betroffen tekortkomingen op de volgende governancegebieden:

  • Interne beheersingsfuncties (waaronder compliance, risicobeheersing en interne audit): ernstige tekortkomingen ten aanzien van de status, de middelen en het werkgebied van alle interne beheersingsfuncties.
  • Aggregatie van risicogegevens en rapportage van risico's: onvolledige rapportage van het risicobeheer, tekortkomingen in de gegevensarchitectuur en de IT-infrastructuur.
  • Outsourcing: ontoereikende risicobeoordelingen voor besluitvorming over uitbesteding en gebreken in de levering en monitoring van uitbestede diensten, met name met betrekking tot IT-diensten.
  • Bedrijfsstructuur en organisatie: zwakke instellingsbrede risicocultuur, tekortkomingen in de interne beheersingskaders en onvoldoende personele en technische middelen.
Marktrisico

In 2021 is de marktrisicocampagne over waarderingsrisico’s afgerond. Het doel van dit drie jaar durende initiatief was om gelijke concurrentievoorwaarden voor banken te bevorderen op basis van een gemeenschappelijke methodologie en te zorgen voor consistente follow-up van bevindingen van missies ter plaatse. De belangrijkste zwakke punten die in 2021 werden vastgesteld hadden betrekking op waardering op basis van reële waarde en aanvullende waardecorrecties (ontoereikende onafhankelijke prijscontroles, ontoereikende methodologieën voor de hiërarchie van de reële waarde en aanvullende waardeaanpassingen, ongepaste dagelijkse winstbepalingspraktijken). Ook bij het beheer van marktgegevens werden tekortkomingen vastgesteld om te zorgen voor betrouwbare waarderingsinputs.

IT-risico

De inspecties ter plaatse op IT-risico’s richtten zich in 2021 vooral op cybersecurity. De zeer ernstige bevindingen hadden grotendeels betrekking op tekortkomingen in:

  • cybercriminaliteitsbeheer van banken om potentiële cyberdreigingen en -risico’s in kaart te brengen en een nauwkeurige inventarisatie van alle IT-activa bij te houden;
  • de manier waarop banken hun IT-activa veilig stellen en hun medewerkers voldoende opleiden op het gebied van cybersecurity;
  • het herstelvermogen van banken na storingen als gevolg van cyberincidenten.
Toetsingsvermogen en ICAAP

De belangrijkste bevindingen met betrekking tot toetsingsvermogen (Pijler 1) betroffen: (i) de onderschatting van risicogewogen activa (RWA) als gevolg van een onjuiste toewijzing van bloostellingscategorieën; ii) het gebruik van ongeschikt onderpand voor kredietrisicolimiteringstechnieken; en iii) een lage gegevenskwaliteit (bijv. voor de erkenning van garanties). Daarnaast werden verscheidene zwakheden in het beheersingskader vastgesteld, zoals de beperkte mogelijkheid om verkeerd gebruik van risicogewichten voor Pijler 1-risico’s op te sporen.

De volgende belangrijke punten werden gesignaleerd tijdens de ICAAP-inspecties: (i) interne kwantificeringsmethoden (bijv. voor kredietrisico, marktrisico of pensioenrisico); ii) de definitie van intern kapitaal; iii) de onjuiste opzet en de ernst van de ongunstige scenario’s; en iv) de onvolledigheid van het kapitaalplanningsproces.

Renterisico in het bankenboek (IRRBB)

Het merendeel van de kritische bevindingen had betrekking op zwakke punten in de perimeter en risico-identificatie van IRRBB en tekortkomingen in het auditplan voor IRRBB-beheerfuncties en de meting en monitoring van IRRBB. Vooral de aannames in de vorm van gedragsmodellering, modelvalidatiefuncties en limiteringssystemen bleken onvoldoende of ontoereikend.

Operationeel risico

De meest ernstige bevindingen hadden betrekking op het beheer van operationele risico’s, met tekortkomingen in de processen voor monitoring van operationele risico’s en ontoereikende kwaliteitsbeoordelingen van gegevens betreffende operationele risico’s, risicopreventie en remediëringsrmaatregelen ten aanzien van operationele risicogebeurtenissen.

Liquiditeitsrisico

Het merendeel van de zeer ernstige bevindingen had betrekking op zwakke punten in het stresstestkader (stresstestscenario’s met onvoldoende dekking van alle materiële bronnen van liquiditeitsrisico’s, beperkt gebruik van reverse stress testing en onvoldoende conservatieve mitigerende maatregelen) en meting en bewaking van risico’s (tekortkomingen in de opzet van interne limieten).

Bedrijfsmodel en winstgevendheid

De belangrijkste bevindingen hadden betrekking op tekortkomingen in de inkomsten, kosten en kapitaalallocatie (wat bijdroeg tot een vertekend beeld van de winstgevendheid van de verschillende bedrijfsonderdelen) en op de gevoeligheidsanalyses van financiële projecties (bijvoorbeeld een beperkte mate van vermogen om te anticiperen op veranderingen in belangrijke risicofactoren zoals de kredietkosten).

1.3.2.2 Belangrijkste thema’s van de onderzoeken

In april 2021 publiceerde de ECB de resultaten van de TRIM[23], die tot doel heeft te beoordelen of de door SI’s gebruikte interne modellen voor Pijler 1 passend zijn in het licht van regelgeving en of de resultaten daarvan betrouwbaar en vergelijkbaar zijn.

In het kader van de TRIM zijn tussen 2017 en 2019 in totaal 200 inspecties ter plaatse uitgevoerd bij 65 SI’s. Over het geheel genomen bevestigden de resultaten van de TRIM-inspecties dat de interne modellen van SI’s nog steeds gebruikt kunnen worden voor de berekening van de eigenvermogensvereisten. Voor sommige modellen waren echter beperkingen nodig om een passend niveau van eigen vermogen te waarborgen ter dekking van het onderliggende risico. In totaal werden ruim 5.800 bevindingen vastgesteld voor alle soorten risico’s, waarvan ongeveer 30% zeer ernstig waren, wat een aanzienlijke inspanning van de instellingen vergde om het tekort binnen vooraf vastgestelde termijnen te herstellen.

De banken zijn begonnen met het aanpakken van de TRIM-bevindingen en de beoordeling van deze herstelwerkzaamheden is wel opgenomen in sommige IMI’s, maar in 2021 had een aanzienlijk aantal verzoeken met betrekking tot interne modellen te maken met het feit dat banken hun modellen moesten aanpassen om te kunnen voldoen aan de nieuwe EBA-producten.

Voor kredietrisico is een aanzienlijk aantal aanvragen voor modelwijziging gerelateerd aan de EBA-richtsnoeren inzake de toepassing en definitie van wanbetaling[24] en haar op interne ratings gebaseerde (IRB) herstelprogramma[25], waaraan instellingen per 1 januari 2021 respectievelijk 1 januari 2022 moeten voldoen. Bovendien hield een groot aantal aanvragen verband met de terugkeer naar minder geavanceerde methoden, vooral in het kader van de door de banken genomen initiatieven om hun modellandschap te vereenvoudigen. Wat marktrisico betreft zijn, naast de follow-up van de TRIM-bevindingen, verschillende onderzoeken uitgevoerd om modelwijzigingen te beoordelen in verband met de opname van waarderingsaanpassingen in de interne modellen voor marktrisico en andere specifieke verzoeken tot wijziging van modellen. Tot slot vielen de initiële goedkeuring van interne modellen die voorheen onder tijdelijke tolerantie vielen (bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe belangrijke instellingen in verband met de Brexit of van instellingen die onderhevig zijn aan consolidatie) binnen de reikwijdte van de beoordelingen van ECB-Bankentoezicht.

In 2021 zijn in totaal 214 toezichtsbesluiten aangaande IMI’s[26] (inclusief voor de TRIM) verzonden.

1.4 Indirect toezicht op LSI’s

In 2021 bleef het “marktaandeel” van de LSI-sector ongewijzigd

Het aantal LSI’s is in 2021 gedaald, maar de LSI-sector heeft zijn “marktaandeel” weten te behouden en vertegenwoordigt 18,4% van het totale SSM-bankvermogen. Het gewicht van de LSI-sector in de verschillende landen die deelnemen aan het Europese bankentoezicht loopt echter sterk uiteen (Grafiek 17). Hoewel LSI's in Luxemburg en Duitsland goed zijn voor ongeveer 40% van de totale bancaire activa, is dat aandeel aanzienlijk kleiner in andere landen, vooral in Griekenland en Spanje (respectievelijk 3,4% en 5,7%), waar de SI’s het bankwezen domineren. Luxemburg heeft de grootste LSI-sector ten opzichte van de omvang van de binnenlandse economie van het land. Deze LSI's richten zich met name op private banking en custodian banking en hun activa vertegenwoordigen gezamenlijk 210,8% van het bbp. Daarna hebben Oostenrijk (94,4%) en Duitsland (88,0%) de grootste LSI-sector in termen van het bbp.

Grafiek 17

Marktaandeel van SI’s en LSI’s per land

(procenten van de totale activa)

Bron: ECB.
Toelichting: Gegevens per 30 juni 2021. De gegevens weerspiegelen het hoogste consolidatieniveau, met uitzondering van Bulgarije, Kroatië en Slowakije. De gegevens voor deze drie landen zijn inclusief lokale dochterondernemingen van grensoverschrijdende instellingen. Dit om materiële vertekening van de marktaandelen van SI’s en LSI’s te voorkomen.

Hoewel 27 nieuwe LSI's aan de lijst van LSI's van de ECB werden toegevoegd na de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de ECB en Българска народна банка (de Bulgaarse nationale bank) en Hrvatska narodna banka (de Kroatische nationale bank), daalde het totale aantal LSI's in 2021[27]. Volgens de lijst van LSI's van de ECB waren er eind december 2021 in totaal 2.187 LSI's, een daling van 4,2% ten opzichte van het voorgaande jaar. Eind december 2021 was 81,5% van alle LSI's gevestigd in Duitsland, Oostenrijk en Italië, wat wijst op de aanwezigheid van grote gedecentraliseerde stelsels van spaarbanken en/of coöperatieve banken in die landen. Duitsland vertegenwoordigt een aandeel van 53,6% van de totale bancaire activa van LSI’s en Oostenrijk en Italië elk 6,5%.

In lijn met de huidige trends in de Europese bankensector heeft de consolidatie in de LSI-sector in 2021 doorgezet, zij het in een trager tempo. In totaal zijn er in 2021 61 LSI’s overgenomen of gefuseerd, ten opzichte van 69 in 2020. Gezien het grote aantal Duitse LSI's hebben de meeste fusies in de afgelopen twee jaar (32 in 2020 en 49 in 2021) gevolgen gehad voor de LSI-sector in dat land. In Italië werd de consolidatie van de coöperatieve bankensector in twee grote groepen in 2019 afgerond, terwijl in Oostenrijk 26 LSI's fuseerden in 2020. In 2021 waren er geen grote ontwikkelingen in de LSI-sectoren van die twee landen.

Tabel 1

Aantal LSI's per land

Bron: ECB.
Toelichting: De gegevens weerspiegelen het hoogste consolidatieniveau, met uitzondering van Bulgarije, Kroatië en Slowakije.

Geselecteerde LSI-toezichtactiviteiten

De totale NPL-ratio van LSI's is ondanks de pandemie verder gedaald en stond in juni 2021 op 2,1%, tegen 2,3% in juni 2020. In dezelfde mate is ook het aantal LSI's met veel NPL’s[28] verder gedaald, tot 217.

Ondanks de pandemie zijn de NPL-ratio's van LSI's in 2021 verder gedaald, maar het vanwege het aflopen van veel nationale steunmaatregelen halverwege het jaar is nader onderzoek geboden.

In haar hoedanigheid van LSI-toezichthouder richtte de ECB zich, ondersteund door de nationaal bevoegde autoriteiten (NCA's), op het beoordelen van het effect van de pandemie en van de afbouw van relevante nationale steunmaatregelen op de kredietrisicoprofielen van LSI's, en op de vraag in hoeverre LSI's kunnen omgaan met een mogelijke toename van in gebreke blijvende blootstellingen. Hoewel de LSI-sector over het algemeen bestand lijkt tegen de negatieve gevolgen van de crisis, is het feit dat het grootste deel van de nationale steunmaatregelen medio 2021 afliep, reden voor nader onderzoek in de toekomst. De kredietrisico-activiteiten zullen in 2022 dan ook gericht blijven op de beoordeling van het effect van de pandemie op de kwaliteit van de activa van LSI's en op het garanderen van een consistente toezichtrespons in alle landen die aan het SSM deelnemen.

In 2021 heeft ECB met de NCA's overlegd over de snelst groeiende LSI's in hun land. De NCA's hebben hun beoordelingen van elk van de snelgroeiende banken overlegd en een overzicht gegeven van de toezichtsmaatregelen die worden genomen om ervoor te zorgen dat deze banken geen buitensporige risico's nemen. Er is afgesproken om hiervan een jaarlijkse exercitie voor onder toezicht staande LSI's te maken

LSI's maken steeds meer gebruik van depositoplatforms om deposito's aan te trekken

LSI's maken steeds meer gebruik van online depositoplatforms om deposito's aan te trekken. De ECB heeft nauw met de NCA’s samengewerkt om beter inzicht te krijgen in de manier waarop banken deze platforms gebruiken en om meer te weten te komen over de benaderingen van toezicht door de NCA’s op dit gebied. De werkzaamheden met betrekking tot online depositoplatforms is gericht op het vergroten van de zichtbaarheid en het verkrijgen van meer inzicht in de risico’s die ermee gepaard gaan.

Governance is al geruime tijd een aandachtsgebied van het toezicht. In 2021 startte de ECB in samenwerking met de NCA’s een themaonderzoek naar de interne governance van LSI’s.

De ECB startte in samenwerking met de NCA’s een themaonderzoek naar de interne governance van LSI’s

Dit themaonderzoek is tweeledig en omvat:

  • de governanceregelingen van LSI’s in termen van samenstelling en functioneren van het bestuursorgaan in zijn toezichtsfunctie (omvang, expertise, formele onafhankelijkheid, comitéstructuur, rapportagelijnen, enz.) en hun interne controlefuncties;
  • De toezichtspraktijken van de NCA’s voor de governance van LSI’s, met bijzondere aandacht voor normering en de toezichtswerkzaamheden op afstand en ter plaatse.

De ECB en de Oostenrijkse financiële-marktautoriteit (Finanzmarktaufsicht) hebben in 2021 het institutionele protectiestelsel (IPS) van Raiffeisen goedgekeurd. Het gereorganiseerde IPS is sinds 28 mei 2021 voor prudentiële doeleinden erkend. Daarnaast voerde de ECB verdere bewakingswerkzaamheden uit voor hybride IPS’en, waarvan sommige significante veranderingen doormaken. In dit kader volgen de ECB en de betrokken NCA de herstelmaatregelen die door een IPS zijn genomen om bezorgdheid weg te nemen die door de Raad van Toezicht van de ECB is geuit.

De identificatie van financiële holdingmaatschappijen heeft een rechtstreekse invloed op de reikwijdte en uitvoering van het geconsolideerde toezicht en heeft verder aan belang gewonnen in het licht van de invoering van een specifiek goedkeuringsregime in de herziene Richtlijn Kapitaalvereisten (CRD V)[29]. In 2021 werkte de ECB nauw samen met NCA’s om consistente en grondige praktijken op dit gebied voor LSI’s in het gehele Europese bankentoezicht te waarborgen, waarbij casusspecifieke en horizontale vervolgactiviteiten in 2022 zullen worden voortgezet.

De LSI-sectoren in landen die nieuwe LSI’s ontvangen lijken niet zwaar te zijn getroffen door de Brexit

In 2021 hebben de ECB en de NCA’s de impact van de Brexit op de LSI-sector geanalyseerd. Uit de resultaten blijkt dat de LSI-sectoren in de vijf landen die ongeveer 20 nieuwe LSI’s verwelkomen niet significant door de Brexit zijn beïnvloed. De risicogewichten gerelateerd aan uitzettingen op Britse kredietinstellingen zijn gestegen door het gebrek aan equivalentie voor het VK onder de Capital Requirements Regulation (CRR)[30], maar dit heeft niet geleid tot een grote kapitaalimpact, vanwege de beperkte omvang van de getroffen blootstellingen en de omvang van het kapitaal dat beschikbaar was om de stijging van de risicogewichten op te vangen. Bovendien bevestigde de analyse dat voor de meeste nationale LSI-sectoren het aandeel van bij centrale tegenpartijen in het Verenigd Koninkrijk verhandelde over-the-counter derivaten niet materieel is.

Toezichtmethodologieën

Het Europees bankentoezicht heeft zich in 2021 verder ingespannen om de gemeenschappelijke SREP-methodiek voor LSI’s te verbeteren, en heeft nieuwe elementen ontwikkeld op het gebied van de beheersing van kredietrisico’s, de beoordeling van bedrijfsmodellen en de Pijler 2-leidraad. Deze moeten met ingang van 2022 worden toegepast.

De ECB en de NCA’s hebben in 2021 gezamenlijk benaderingen ontwikkeld om de effectiviteit van het toezicht en oversight op LSI’s te meten

In lijn met de bredere doelstelling om de consistentie van de toezichtsresultaten in alle landen die deelnemen aan het SSM voortdurend te verbeteren, hebben de ECB en de NCA’s in 2021 gezamenlijk benaderingen ontwikkeld om de doeltreffendheid van het toezicht en oversight op LSI’s te beoordelen. Deze benaderingen zullen in 2022 op testbasis worden toegepast, wat als input zal dienen voor de discussie over hoe zij in de toekomst kunnen worden verfijnd en toegepast.

Voor LSI’s met een hoog risico en grote impact is het toezicht frequenter en diepgaander

Met ingang van 2022 moeten LSI’s afzonderlijk worden geclassificeerd op basis van impact- en risicocriteria. LSI’s die voldoen aan een van de impactcriteria, waaronder omvang, belang voor de lokale economie, complexiteit en bedrijfsmodel, worden geclassificeerd als hebbende grote impact. LSI’s worden op grond van een risicobeoordeling door de NCA en hun naleving van de kapitaal- en hefboomvereisten aangemerkt als hebbende een hoog risico. LSI’s met een grote impact of een hoog risico worden onderworpen aan frequentere en meer diepgaande toezichtswerkzaamheden van NCA’s, zoals de SREP en inspecties ter plaatse. LSI’s met een grote impact en LSI’s met een hoog risico staan ook onder strenger toezicht van de ECB, aangezien de NCA’s de ECB in kennis moeten stellen van de procedures en besluiten die zij willen nemen met betrekking deze instellingen. De lijst van LSI’s met een grote impact voor 2022 is te vinden in Hoofdstuk 2 van dit verslag. De lijst van LSI’s met een hoog risico zal niet worden gepubliceerd.

CRR II maakt gerichte vereenvoudigingen mogelijk van vereisten voor kleine en niet-complexe instellingen

Bij de herziening van de Verordening kapitaalvereisten (CRR II)[31] is het nieuwe concept van kleine en niet-complexe instellingen (SNCI’s) geïntroduceerd om gerichte vereenvoudigingen mogelijk te maken van de vereisten vanuit de toepassing van het evenredigheidsbeginsel. De gerichte vereenvoudigingen die voor SNCI’s beschikbaar zijn omvatten minder frequente en minder gedetailleerde informatievereisten, met als doel de administratieve last voor de SNCI’s te verlichten. Een andere vereenvoudiging betreft een vereenvoudigde, minder gedetailleerde versie van de netto stabiele financieringsratio (sNSFR). De sNSFR vermindert de complexiteit van de berekening, maar wordt conservatiever geijkt, opdat SNCI’s voldoende stabiele financiering in stand houden.

1.5 Macroprudentiële taken van de ECB

De ECB heeft in 2021 actief contact onderhouden met de nationale autoriteiten, overeenkomstig de macroprudentiële taken die haar krachtens artikel 5 van de SSM-Verordening zijn opgedragen[32].

In 2021 ontving de ECB meer dan 100 meldingen over het macroprudentieel beleid van de NCA’s

In 2021 ontving de ECB meer dan honderd meldingen over het macroprudentieel beleid van de NCA's. Het merendeel van deze meldingen had betrekking op driemaandelijkse besluiten over de hoogte van anticyclische kapitaalbuffers (CCyB) en besluiten omtrent de vaststelling en kapitaalbehandeling van mondiaal systeemrelevante instellingen (G-SII’s) of andere systeemrelevante instellingen (O-SII’s). Om de kredietverlening tijdens de pandemie te ondersteunen, besloten verschillende nationale autoriteiten in 2020 buffers vrij te maken. In 2021 besloten sommige nationale autoriteiten CCyB-vereisten opnieuw in te voeren om het toenemende conjunctuurrisico het hoofd te bieden. Ten slotte heeft de ECB meldingen beoordeeld over andere macroprudentiële maatregelen, zoals over de hoogte van systeemrisicobuffers en maatregelen ingevoerd onder artikel 458 van de CRR.

Volgens de door het Bazels Comité voor Bankentoezicht ontwikkelde methodiek hebben de ECB en de nationale autoriteiten acht G-SII's[33] in het eurogebied aangemerkt die in 2021 extra kapitaalbuffers van 1,0% tot 2,0% moeten gaan aanhouden. Voor één G-SII[34] steeg het toepasselijke bufferpercentage ten opzichte van de identificatieoefening van het voorgaande jaar. In oktober/november 2021 kondigden de FSB en het BCBS aan dat het Bazels Comité de gevolgen van ontwikkelingen gerelateerd aan de Europese bankenunie (EBU) voor de G-SIB-methodologie op korte termijn zal beoordelen. Deze beoordeling omvat een gerichte evaluatie van de behandeling van grensoverschrijdende blootstellingen binnen de bankenunie.[35]

De nationale autoriteiten hebben kapitaalbufferpercentages voor 124 O-SII’s vastgesteld. Deze waren in overeenstemming met de floor-methodiek die de ECB sinds 2016 hanteert voor het vaststellen van hun buffers.

In juli 2021 ontving de ECB een verzoek om advies van de Europese Commissie over de herziening van het macroprudentieel kader. Het verzoek was ook gericht aan de EBA en het ESRB. De Europese Commissie heeft alle drie organisaties gevraagd hun antwoorden voor eind maart 2022 in te dienen.

Ook nam ECB-Bankentoezicht deel aan de diverse werkzaamheden van het Europees comité voor systeemrisico’s (European Systemic Risk Board – ESRB), dat verantwoordelijk is voor het macroprudentiële toezicht op het financiële stelsel in de EU, zoals over beperkingen van winstuitkeringen. Het ESRB heeft in mei 2020 Aanbeveling ESRB/2010/7[36] goedgekeurd, waarin de relevante autoriteiten werden opgeroepen om onder hun toezichtstaken vallende financiële instellingen te verzoeken af te zien van uitkeringen tot 1 januari 2021. Het ESRB heeft zijn aanbeveling in december 2020 herzien en gewijzigd, waarbij werd opgeroepen de uitkeringen binnen de conservatieve drempels te houden.[37] Op 24 september 2021 maakte het ESRB bekend dat het had besloten de aanbeveling per eind september 2021 te laten vervallen.[38] Door nauwe samenwerking tussen het ESRB en de ECB heeft de ECB ervoor gezorgd dat haar eigen standpunt inzake winstuitkeringen volledig in overeenstemming bleef met de ESRB-Aanbeveling.

1.6 Blik op de toekomst: risico’s en toezichtsprioriteiten voor 2022

Het proces van risico-identificatie en prioritering speelt een sleutelrol bij de ontwikkeling en formulering van de strategie van ECB-Bankentoezicht voor de komende drie jaar

ECB-Bankentoezicht beoordeelt en bewaakt de risico’s en kwetsbaarheden van instellingen die onder haar rechtstreekse toezicht staan doorlopend. De resultaten van deze beoordeling vormen de basis voor het vaststellen van de toezichtsprioriteiten en de bijbehorende werkzaamheden voor de komende drie jaar. De doorlopende bewaking maakt het mogelijk om de prioriteiten aan te passen wanneer de situatie dat rechtvaardigt.

De drie toezichtsprioriteiten voor 2022-2024 zijn gericht op het aanpakken van de belangrijkste kwetsbaarheden van banken

In 2021 beoordeelde ECB-Bankentoezicht, in samenwerking met de NCA’s, de voornaamste risico’s en kwetsbaarheden van SI’s en stelde ze drie prioriteiten vast. Deze prioriteiten beogen ervoor te zorgen dat de onder toezicht staande instellingen (1) gezond uit de pandemie komen, (2) de kans benutten om structurele zwakheden aan te pakken door middel van effectieve digitaliseringsstrategieën en betere governance, en (3) opkomende risico’s, waaronder klimaat- en milieurisico’s, IT-risico’s en cyberrisico’s te bestrijden (Figuur 1). ECB-Bankentoezicht heeft voor de periode 2022-2024 voor iedere prioriteit een set strategische doelstellingen en onderliggende werkprogramma’s ontwikkeld, waarmee de belangrijkste kwetsbaarheden die tijdens de risicobeoordeling aan het licht zijn gekomen kunnen worden aangepakt.

Figuur 1

Toezichtsprioriteiten voor 2022-2024 voor het aanpakken van gesignaleerde kwetsbaarheden bij banken

Bron: ECB.
Toelichting: De figuur toont de drie toezichtsprioriteiten en de bijbehorende kwetsbaarheden die de komende jaren door middel van gerichte werkzaamheden van ECB-Bankentoezicht zullen worden aangepakt. Elke kwetsbaarheid hangt samen met haar overkoepelende risicocategorie. De toezichtswerkzaamheden om mogelijke schokken in de rentetarieven/creditspreads en blootstellingen aan tegenpartijkredietrisico aan te pakken dienen niet afzonderlijk te worden beschouwd. Deze zullen elkaar aanvullen en beïnvloeden met het oog op de aanpak van bredere aandachtspunten met betrekking tot correctie op financiële markten.

Prioriteit 1: Banken komen gezond uit de pandemie

SI’s hebben de ongunstige economische schok als gevolg van de uitbraak van de pandemie weten te weerstaan en hebben over het geheel genomen een sterke veerkracht laten zien. Aangezien de pandemie nog steeds drukt op de economische vooruitzichten, moeten banken voorbereid zijn om de korte- tot middellange-termijneffecten ervan het hoofd te bieden, met name de effecten met betrekking tot verslechtering van de activakwaliteit en correcties in de waarderingen op de financiële markten.

Banken dienen hun kaders voor kredietrisicobeheersing te versterken en gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken

De ongekende beleidsmaatregelen hielpen de impact van de scherpe daling van de economische activiteit in 2020 op de activakwaliteit van de banken op te vangen. Deze maatregelen hebben echter ook de kredietwaardigheid van kredietnemers vertroebeld en het vermogen van de banken om dit accuraat te beoordelen gehinderd. Het aanpakken van de tekortkomingen in de kredietrisicobeheersingskaders van banken die het afgelopen jaar door toezichthouders zijn geïdentificeerd blijft voor ECB-Bankentoezicht dan ook een belangrijke prioriteit. Met name de identificatie en classificatie van in problemen verkerende kredietnemers, de waardering van onderpand en de toereikendheid van manier waarop voorzieningen worden getroffen vormen een bron van zorg. In dit verband zal ECB-Bankentoezicht in gesprek gaan met banken die materiële tekortkomingen hebben gemeld naar aanleiding van de Brief aan CEO’s en erop toezien dat zij hun herstelplannen tijdig implementeren. Daarnaast zullen toezichthouders de uitvoering van de EBA-richtsnoeren inzake kredietverstrekking en -bewaking (Engels) door de banken observeren en beoordelen, met bijzondere aandacht voor vastgoedportefeuilles.

Toezichthouders zullen hun aandacht nog meer richten op de blootstellingen van banken aan sectoren die kwetsbaar zijn voor COVID-19, waaronder commercieel vastgoed

De verbeterde economische vooruitzichten hebben het risico op grootschalige faillissementen in het bedrijfsleven verminderd, in ieder geval op de korte termijn. Toch zouden de bedrijven met een hoge schuldenlast in de sectoren die het meest gevoelig zijn voor de gevolgen van de COVID-19-pandemie nog steeds negatief kunnen worden beïnvloed door de geleidelijke uitfasering van de bijzondere steunmaatregelen van de overheid. Tegen deze achtergrond dienen de blootstellingen van banken ten aanzien van kwetsbare bedrijven – met name die in accommodatie en voedingsdiensten, de luchtvaart en reisgerelateerde sectoren – nauwlettend te worden gevolgd door banken en toezichthouders. Ook de commerciële vastgoedsector, die tijdens de crisis een forse neergang doormaakte, verdient bijzondere aandacht. ECB-Bankentoezicht zal daarom haar aandacht voor de blootstellingen van banken aan dergelijke kwetsbare bedrijven versterken en gerichte werkzaamheden uitvoeren om de risicobeheersingspraktijken van de banken op dit gebied te benchmarken en te toetsen.

De opbouw van ongemitigeerde risico’s met betrekking tot hefboomfinanciering dient te worden voorkomen

De zoektocht naar rendement in een omgeving gekenmerkt door een aanhoudend lage rente, overvloedige liquiditeit en buitengewone steunmaatregelen droeg bij aan de verdere opbouw van risico’s op de markt voor hefboomleningen. Met name de toenemende risicobereidheid waarvan enkele grote onder toezicht staande banken melding maken – en die tot uiting is gekomen in een versoepeling van de kredietacceptatiecriteria en gepaard ging met een toename van de verstrekking van hefboomleningen – is reden tot zorg en dient nauwlettend te worden gevolgd door toezichthouders. ECB-Bankentoezicht zal daarom haar inspanningen opvoeren om ervoor te zorgen dat de door de banken toegepaste risicobeheersingsmethoden toereikend zijn om te voorkomen dat ongemitigeerde risico’s op het gebied van hefboomfinanciering zich opbouwen. Dit zal er tevens voor zorgen dat banken zich houden aan de toezichtsverwachtingen die zijn vastgelegd in de leidraad van de ECB voor hefboomtransacties (Engels).

Banken dienen te beschikken over solide regelingen om de invloed van rente- en creditspreadschokken te beheersen

De aanhoudende zoektocht naar rendement, ondersteund door de ruime liquiditeit in het systeem en gunstige financieringsvoorwaarden, is aanleiding tot bezorgdheid over te hoge waarderingen in verschillende marktsegmenten, waardoor de kans op herprijzing op de schuld- of aandelenmarkten mogelijk wordt vergroot. Een plotselinge rendementsaanpassing, veroorzaakt door een verandering in de verwachtingen van beleggers met betrekking tot inflatie en rente, kan aanleiding zijn tot correcties in de activaprijzen. Het is daarom essentieel dat banken daarop voorbereid zijn en hun risicobeheersing tijdig kunnen aanpassen. Om ervoor te zorgen dat de banken toereikend zijn voorbereid om dergelijke marktschokken op te vangen, zal ECB-Bankentoezicht haar toezicht op risico’s die voortvloeien uit de buitensporige zoektocht naar rendement versterken door middel van het regelmatig betrekken van JST’s, gerichte beoordelingen en inspecties ter plaatse.

Prioriteit 2: Structurele zwakheden worden aangepakt door middel van effectieve digitaliseringsstrategieën en betere governance

Het aanpakken van structurele zwakheden met betrekking tot digitale transformatie en het sturend vermogen van bankbestuursorganen is van essentieel belang om de veerkracht en houdbaarheid van de bedrijfsmodellen van banken te ondersteunen.

Onder toezicht staande instellingen dienen een solide digitale transformatie na te streven

Door veranderingen in de voorkeuren van klanten en de toenemende concurrentie van fintech en big tech worden banken nog meer onder druk gezet om de invoering van digitale technologieën te versnellen. Daarnaast kampen de onder toezicht staande banken sinds de grote financiële crisis met een lage winstgevendheid als gevolg van structurele kwetsbaarheden die verband houden met overcapaciteit en kosteninefficiënties. De versnelde digitale transformatie van de bedrijfsmodellen van banken biedt banken een mooie gelegenheid om hun duurzaamheid te verbeteren en biedt nieuwe mogelijkheden voor het genereren van inkomsten. De toezichthouders zullen hun inspanningen om de digitaliseringsstrategieën van banken te beoordelen intensiveren om ervoor te zorgen dat zij over toereikende regelingen beschikken om hun veerkracht en de houdbaarheid van hun bedrijfsmodellen op de lange termijn te vergroten.

Onder toezicht staande banken dienen tekortkomingen in het functioneren en de samenstelling van hun bestuursorganen aan te pakken.

Lang aanhoudende kwetsbaarheden in de interne governance en risicobeheersing van banken blijven een bron van zorg voor toezichthouders. Ondanks enige vooruitgang in de afgelopen jaren vertoont een groot aantal onder toezicht staande instellingen nog steeds structurele tekortkomingen in de interne controlefuncties, de werking van bestuursorganen of de capaciteit voor de aggregatie en rapportage van risicogegevens. Deze zwakheden zouden de besluitvorming en risicogovernance kunnen schaden en aanleiding kunnen geven tot bezorgdheid over de effectiviteit van bestuursorganen van banken en het vermogen tot strategische sturing. Het is cruciaal dat onder toezicht staande instellingen nog openstaande toezichtbevindingen tijdig aanpakken en de effectiviteit van hun bestuur vergroten. Tegen deze achtergrond zal ECB-Bankentoezicht gerichte initiatieven nemen om ervoor te zorgen dat de banken de geconstateerde tekortkomingen in het functioneren en de samenstelling van hun bestuursorganen effectief aanpakken, waarbij de nadruk ligt op hun collectieve geschiktheid en diversiteit.

Prioriteit 3: Opkomende risico’s worden aangepakt

Het risicolandschap verandert voortdurend en leidt tot verschillende opkomende en groeiende risico’s voor banken, zowel op de korte als op de langere termijn. De toezichthouders zullen ernaar streven dat banken de klimaat- en milieurisico’s, het groeiende tegenpartijkredietrisico ten opzichte van risicovollere en minder transparante niet-bancaire financiële instellingen en operationele risico’s en IT-bestendigheidsrisico’s proactief zullen mitigeren.

Banken dienen klimaat- en milieurisico’s te integreren in hun bedrijfsstrategieën, governance en risicobeheersingskaders.

De impact van klimaat- en milieurisico’s zal naar verwachting aanzienlijk zijn en onder toezicht staande instellingen moeten actie ondernemen om het hoofd te bieden aan de uitdagingen die voortvloeien uit fysieke risico's en transitierisico’s.[39] Het is daarom essentieel dat banken klimaat- en milieurisico’s adequaat integreren in hun bedrijfsstrategieën, governance en risicobeheersingskaders. Tegen deze achtergrond zal ECB-Bankentoezicht een themaonderzoek uitvoeren om de voortgang van de banken met betrekking tot deze doelstelling te beoordelen, naast een klimaatstresstest om de veerkracht en het risicobeheersingsvermogen van de banken op dit gebied te beoordelen[40]. Aangezien de banken slechts in beperkte mate voortgang hebben geboekt met het afstemmen van hun rapportagepraktijken op de verwachtingen van de toezichthouder, zullen toezichthouders blijven toezien op de ontwikkeling hiervan[41], en op de naleving door de banken van op handen zijnde regelgeving.

Banken dienen te beschikken over solide kaders voor governance en risicobeheersing om de toegenomen blootstelling aan tegenpartijkredietrisico’s het hoofd te bieden

Het toegenomen volume aan kapitaalmarktdiensten dat banken leveren aan meer risicovolle en minder transparante niet-bancaire financiële instellingen (zoals hedgefondsen en ‘family offices’), plus de materiële impact die een mogelijk faillissement van deze instellingen met zich mee zou kunnen brengen, hebben de risico’s benadrukt die voortvloeien uit zwakke governance en gebrekkige risicobeheersing op dit gebied. ECB-Bankentoezicht zal ter plaatse gerichte onderzoeken en inspecties uitvoeren op het gebied van de governance en beheersing van tegenpartijkredietrisico’s om eventuele tekortkomingen in kaart te brengen. Bijzondere aandacht zal uitgaan naar de ‘prime brokerage’-activiteiten die worden uitgevoerd door enkele instellingen die hier nauw bij betrokken zijn. De JST’s zullen hier in overleg met de banken opvolging aan geven om ervoor te zorgen dat tijdig doeltreffende herstelacties worden uitgevoerd.

Toezichthouders bevorderen robuustere regelingen voor IT-uitbesteding en meer cyberweerbaarheid bij banken door hun risicobeheersingspraktijken steeds sterker te toetsen

Hoewel SI’s gedurende de pandemie een sterke operationele weerbaarheid hebben laten zien, is het aantal bij de ECB gemelde cyberincidenten sinds 2020 toegenomen.[42] De versnelling van de digitale strategieën van banken en hun toenemende afhankelijkheid van informatietechnologie maken het van essentieel belang de weerbaarheid van banken tegen cyberdreigingen te versterken. Bovendien geven de risico’s voor IT-uitbesteding in combinatie met de toenemende afhankelijkheid van banken van externe IT-aanbieders aanleiding tot bezorgdheid die om een sterkere toezichtsfocus vraagt. Tegen deze achtergrond zal ECB-Bankentoezicht geleidelijk meer aandacht besteden aan de beoordeling van de werkwijzen van banken op deze gebieden en actief opvolgen bij banken met materiële tekortkomingen.

Kader 3
Opvolging van de Gids inzake klimaat- en milieurisico’s van de ECB: inventarisatie van de zelfbeoordelingen en actieplannen van banken

In haar in november 2020 gepubliceerde Gids inzake klimaat- en milieurisico’s heeft ECB-Bankentoezicht 13 toezichtverwachtingen geformuleerd voor de wijze waarop de onder haar rechtstreeks toezicht staande banken klimaatgerelateerde risico's moeten integreren in hun bedrijfsmodellen, governance, risicobeheer en rapportages. Na de publicatie van de gids heeft de ECB de banken verzocht te onderzoeken hoe zij zich tot deze verwachtingen verhouden en actieplannen in te dienen waarin zij uiteenzetten hoe zij hun praktijken in overeenstemming zullen brengen met de gids.

In november 2021 heeft de ECB de resultaten van haar toezichtsevaluatie van de werkwijzen van banken gepubliceerd in een verslag over de stand van zaken op het gebied van klimaat- en milieurisicobeheersing in de bankensector (Engels). De evaluatie, die 112 instellingen bestreek die rechtstreeks onder het toezicht van de ECB staan en samen € 24 biljoen euro aan activa vertegenwoordigen, was een ongekende inventarisatie van de mate waarin Europese banken bereid zijn hun blootstelling aan risico's op het gebied van klimaat- en milieurisico’s afdoende te beheersen en om daarover te rapporteren.

Het beoordelingsverslag biedt een horizontaal overzicht van de huidige trends in de aanpak en rapportage van klimaat- en milieurisico's binnen de bankensector van het eurogebied en beschrijft verschillende effectieve benaderingen die banken op dit moment toepassen om die risico’s te beheersen.

De conclusie van de toezichtsbeoordeling luidde dat instellingen weliswaar de eerste stappen hebben gezet om klimaatgerelateerde risico's in hun risicobeheersingsaanpak te integreren, maar dat geen enkele instelling ook maar in de buurt komt van het voldoen aan alle verwachtingen van de toezichthouder (Figuur A). 90% van de instellingen die aan de exercitie hebben deelgenomen voldoet slechts gedeeltelijk – of helemaal niet – aan de toezichtsverwachtingen van de ECB. Veel banken erkennen echter dat klimaat- en milieurisico's de komende drie tot vijf jaar een aanzienlijke impact zullen hebben op hun risicoprofiel, met name op het gebied van kredietrisico, operationeel risico en bedrijfsmodelrisico.

Bijna alle instellingen hebben implementatieplannen ontwikkeld om hun risicobeheersingsaanpak te verbeteren. De ECB heeft de kwaliteit van deze plannen beoordeeld en met name gekeken of deze bestaande tekortkomingen bij de instellingen oplossen. De kwaliteit van de plannen varieerde aanzienlijk tussen de instellingen (figuur A); sommige banken beantwoordden de vragenlijst kort en zonder onderbouwing, terwijl andere banken grote projectdocumenten meestuurden met een gedetailleerd overzicht van alle geplande acties.

Figuur A

De stand van klimaat- en milieurisicobeheersing in de bankensector ten opzichte van de toezichtsverwachtingen en de toereikendheid van de plannen van banken om hun aanpak te verbeteren.

(y-as: de mate waarin de aanpak van de 112 instellingen voldoet aan de in de ECB-gids uiteengezette toezichtsverwachtingen; x-as: de mate waarin de implementatieplannen van de 112 instellingen toereikend zijn om de tekortkomingen in hun huidige aanpak op te lossen)

Bron: ECB.
Toelichting: De gewogen gemiddelde scores zijn uitgezet ten opzichte van de 13 toezichtsverwachtingen. De steekproef omvat alle belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (variërende steekproef).

De ECB heeft alle banken een individuele terugkopppelingsbrief gestuurd en hen opgeroepen de in de toezichtsbeoordeling vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. In sommige gevallen kunnen instellingen een kwalitatief vereiste opgelegd krijgen als onderdeel van de SREP.

De volgende stappen

De ECB erkent dat de uitdagingen om klimaat- en milieurisico's te integreren in de strategieën en de governance- en risicobeheersingskaders van banken voortdurend in ontwikkeling zijn en zal haar dialoog met de instellingen over dit onderwerp voortzetten.

ECB-Bankentoezicht heeft in 2021 ook de rapportage over klimaat- en milieurisico's door instellingen onder de loep genomen. De bevindingen van het onderzoek zullen in een verslag worden gepubliceerd en elke bank heeft hierover individuele feedback ontvangen.

De ECB zal daarnaast een volledige beoordeling uitvoeren van de mate waarin banken voorbereid zijn op de beheersing van klimaat- en milieurisico's, met diepgaande onderzoeken naar de integratie van klimaat- en milieurisico's in hun strategieën, governance, en risicobeheersingskaders. Deze beoordeling zal plaatsvinden in de eerste helft van 2022. ECB Bankentoezicht zal ook een stresstest met betrekking tot klimaatgerelateerde risico's uitvoeren. De uitkomsten van deze toezichtsexercities zal van kwalitatieve aard zijn. De eventuele gevolgen voor banken zullen van indirecte aard zijn en tot uitdrukking komen inde SREP-scores voor Pijler 2-vereisten, en er zullen geen bankspecifieke resultaten worden gepubliceerd. Bovendien voorzien de aangescherpte regelgevingsbepalingen inzake risico's op het gebied van milieu, maatschappij en goed bestuur, die zijn opgenomen in de door de Europese Commissie voorgestelde herziening van de EU-bankregelgeving, in de uniforme opneming van risico's op het gebied van milieu, maatschappij en goed bestuur in de EBA-richtsnoeren betreffende gemeenschappelijke procedures en methodologieën voor SREP's en stresstests voor toezichtsdoeleinden. Op basis hiervan zal de ECB de klimaat- en milieurisico's geleidelijk integreren in de SREP-methodiek, en dit zal uiteindelijk van invloed zijn op de kapitaalvereisten voor Pijler 2.

2 Autorisaties, handhaving en sanctieprocedures

2.1 Autorisaties

2.1.1 Jaarlijkse beoordeling van de significantie (met inbegrip van uitgebreide beoordelingen) en vaststelling van LSI's met een grote impact

2.1.1.1 Jaarlijkse significantiebeoordeling

Na de jaarlijkse significantiebeoordeling en ad hoc-toetsingen, houdt de ECB vanaf 1 januari 2022 rechtstreeks toezicht op 115 banken

De jaarlijkse beoordeling of een bank of bankgroep voldoet aan de criteria voor belangrijke instellingen[43]op basis van de SSM-Kaderverordening[44] is in november 2021 afgerond. Deze beoordeling werd aangevuld met ad-hocsignificantiebeoordelingen (waaruit 48 significantiebesluiten zijn voortgevloeid) die zijn uitgevoerd na veranderingen in groepsstructuren.

Als gevolg daarvan zijn 115 instellingen[45] per 30 november 2021 als belangrijk aangemerkt, evenals bij de vorige jaarlijkse significantiebeoordeling.

In 2021 zijn naar aanleiding van de jaarlijkse beoordeling drie instellingen aan de lijst van belangrijke onder toezicht staande entiteiten toegevoegd: Banca Mediolanum S.p.A. en Finecobank S.p.A., beide gevestigd in Italië, en Danske Bank A/S, filiaal Finland, werden aangemerkt als belangrijk omdat hun activa meer dan € 30 miljard bedroegen. Deze instellingen staan sinds 1 januari 2022 onder rechtstreeks toezicht van de ECB. Ten aanzien van Danske Bank A/S, filiaal Finland, oefent de ECB de bevoegdheden uit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.[46]

Daarnaast zijn drie instellingen van de lijst van belangrijke entiteiten gehaald.

  • BFA Tenedora De Acciones S.A.U., de voormalige holdingmaatschappij van Bankia S.A., is van de lijst van onder toezicht staande instellingen verwijderd als gevolg van de fusie door overname van haar enige dochteronderneming, Bankia S.A., in CaixaBank S.A. met ingang van 26 maart 2021.
  • Liberbank S.A. is ook van de lijst van onder toezicht staande instellingen verwijderd, omdat deze met ingang van 30 juli 2021 door middel van overname is gefuseerd in Unicaja Banco S.A.
  • C.R.H. - Caisse de Refinancement de l’Habitat is als minder belangrijk aangemerkt omdat deze instelling drie achtereenvolgende jaren niet aan de significantiecriteria voldeed; met ingang van 1 januari 2022 staat deze instelling onder rechtstreeks toezicht van de Franse autoriteit voor prudentieel toezicht en resolutie, de Autorité de contrôle prudentiel et de résolution (ACPR).

Daarnaast hebben de volgende veranderingen in groepsstructuren plaatsgevonden, die echter geen invloed hadden op het aantal belangrijke onder toezicht staande entiteiten:

  • als gevolg van intra-groepfusies voldoet Precision Capital S.A. niet langer aan het criterium van significante grensoverschrijdende activiteiten, waardoor de grondslag voor het belang ervan voor de nationale economie is veranderd (per 31 december 2020 wordt aan de relevante drempelwaarden voldaan);
  • Piraeus Bank S.A. en Alpha Bank AE zijn verwijderd als gevolg van herstructureringen van groepen; deze instellingen zijn financiële holdings geworden en van naam veranderd in respectievelijk Piraeus Financial Holdings S.A. en ALPHA SERVICES AND HOLDINGS S.A. (daarnaast zijn twee nieuwe kredietinstellingen, Piraeus Bank S.A. en ALPHA BANK S.A,. geautoriseerd als dochterondernemingen van respectievelijk Piraeus Financial Holdings S.A. en ALPHA SERVICES AND HOLDINGS S.A.).

De lijst van onder toezicht staande entiteiten wordt regelmatig geactualiseerd. De meest recente versie van de lijst is te vinden op de website van ECB-Bankentoezicht (Engels).

Tabel 2

Belangrijke en minder belangrijke bankgroepen of zelfstandige banken onder Europees bankentoezicht op grond van de jaarlijkse beoordeling van 2021

Bron: ECB.
Toelichting: “Totale activa” verwijst naar de totale activa van entiteiten die zijn opgenomen in de lijst van entiteiten onder toezicht, zoals gepubliceerd in december 2021 (met als referentiedatum 30 november 2021 voor de significantiebesluiten die aan de onder toezicht staande instellingen zijn meegedeeld naar aanleiding van de jaarlijkse significantiebeoordeling en 1 november 2021 voor overige veranderingen en ontwikkelingen in de groepsstructuren). De referentiedatum voor de totale activa is 31 december 2020 (of de meest recent beschikbare datum zoals gebruikt voor de meest recente significantiebeoordeling).
1) Met ingang van 1 november 2021.

2.1.1.2 Alomvattende beoordelingen

De ECB heeft in augustus 2021 een alomvattende beoordeling gestart van twee Italiaanse coöperatieve bankgroepen (Iccrea Banca S.p.A. – Istituto Centrale del Credito Cooperativo en Cassa Centrale Banca – Credito Cooperativo Italiano S.p.A.) en twee Baltische banken (Luminor Bank AS in Estland en Akcinė bendrovė Šiaulių bankas in Litouwen). Deze beoordeling zal tegen het einde van de eerste helft van 2021 worden afgerond.

Daarnaast startte de ECB in augustus 2021 een alomvattende beoordeling van drie banken op grond van het feit dat deze elk voldoen aan een criterium voor rechtstreeks toezicht van de ECB: Addiko Bank AG in Oostenrijk (significante grensoverschrijdende activiteiten), Agri Europe Cyprus Limited in Slovenië (een van de drie grootste kredietinstellingen in de lidstaat) en Barclays Bank Ireland PLC in Ierland (omvang). De exercitie zal naar verwachting tegen het einde van de eerste helft van 2022 worden afgerond.

2.1.1.3 Minder belangrijke instellingen met grote impact

Vanwege het grote aantal LSI’s en de verschillende daartussen wat betreft omvang, complexiteit en risicoprofiel, classificeert het Europees bankentoezicht deze instellingen op basis van hun impact op het financiële stelsel en hun risicoprofiel. Per 2022 worden impactcriteria en risicocriteria afzonderlijk beoordeeld. LSI’s met een grote impact worden jaarlijks bepaald voor elk van de landen die aan het Europees bankentoezicht deelnemen.

Een LSI wordt aangemerkt als ‘met grote impact’ wanneer deze voldoet aan een van de volgende criteria:

  • Omvang
    De totale activa van de instelling bedragen meer dan € 15 miljard.
  • Belang voor de economie
    De totale activa van de instelling bedragen meer dan 15% van het bbp van het land, of het gaat om een “andere systeemrelevante instelling” (other systemically important institution – O-SII) in de zin van de Richtlijn kapitaalvereisten (CRD).
  • Potentieel belangrijke instelling
    De LSI is een “grote instelling” in de zin van CRR II (d.w.z. een instelling die aan een van de significantiecriteria voldoet, maar niet als belangrijk wordt aangemerkt).
  • Grensoverschrijdende activiteiten
    De LSI bezit een of meer kredietinstellingen in een of meer andere deelnemende landen.
  • Bedrijfsmodel
    De LSI is een financiëlemarktinfrastructuur met een bankvergunning, een centrale spaarbank of centrale coöperatieve bank of is de centrale instelling van een institutioneel protectiestelsel.
  • Minimumdekkingsregel
    Als op basis van bovengenoemde criteria minder dan drie LSI’s met een grote impact in een rechtsgebied worden geïdentificeerd, is de minimumdekkingsregel van toepassing. Volgens de minimumdekkingsregel moeten er aanvullende LSI’s op omvang worden geselecteerd totdat er drie LSI’s met grote impact zijn geïdentificeerd.

Een LSI die wordt beschouwd als een kleine en niet-complexe instelling (small and non-complex institution − SNCI) in de zin van CRR II kan niet worden aangemerkt als een LSI met een grote impact, tenzij het de grootste LSI is in een rechtsgebied waar alle LSI’s SNCI’s zijn.

2.1.1.4 Consequenties van aanmerking als LSI met grote impact

Aanmerking als LSI met grote impact is een factor waarmee nationaal bevoegde autoriteiten (NCA’s) rekening houden bij het bepalen van de frequentie en gedetailleerdheid van hun toezichtswerkzaamheden, waaronder de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (supervisory review and evaluation process – SREP) en inspecties ter plaatse. Daarnaast zijn NCA’s verplicht de ECB in kennis te stellen van alle materiële toezichtsprocedures of -besluiten die zij voornemens zijn ten aanzien van deze instellingen uit te voeren, conform artikel 97 en 98 van de SSM-Kaderverordening.

In onderstaande tabel worden de minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten met grote impact voor 2022 weergegeven, zoals vastgesteld door de Raad van Toezicht van de ECB. Voor elke instelling worden redenen voor de status van LSI met grote impact gegeven, om de transparantie van de classificatie te waarborgen.

Tabel 3

Lijst van minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten met grote impact voor 2022

BelgiëBulgarijeDuitslandEstlandIerlandGriekenlandSpanjeFrankrijkKroatiëItaliëCyprusLetlandLitouwenLuxemburgMaltaNederlandOostenrijkPortugalSloveniëSlowakijeFinland

1) De totale activa van de instelling overschreden 15 miljard euro in het eerste kwartaal van 2022.

2.1.2 Autorisatieprocedures

In 2021 werden in totaal 651 autorisatieprocedures gemeld bij ECB-Bankentoezicht

In 2021 werden in totaal 651 autorisatieprocedures gemeld bij ECB-Bankentoezicht (zie Tabel 4). Deze meldingen omvatten 29 vergunningaanvragen, 24 intrekkingen, 52 vervallen autorisaties, 111 verwervingen of toenames van gekwalificeerde deelnemingen, 404 paspoortprocedures en 31 autorisaties van financiële holdingmaatschappijen. Na de inwerkingtreding van het nieuwe kader voor het toezicht op beleggingsondernemingen, in juni 2021, zijn de NCA’s en de ECB eveneens betrokken geweest bij het verlenen van vergunningen aan beleggingsondernemingen als kredietinstellingen.

Tabel 4

Bij de ECB gemelde autorisatieprocedures

Bron: ECB.

In 2021 zijn er 200 autorisatieprocedurebesluiten[47] afgerond. Daarvoor heeft de Raad van Toezicht 90 ontwerpbesluiten ingediend, die vervolgens door de Raad van Bestuur zijn goedgekeurd. De overige 110 zijn door het senior management goedgekeurd binnen het delegatiekader.[48] Deze 200 autorisatiebesluiten vertegenwoordigen 8% van alle individuele toezichtsbesluiten van de ECB in 2021.

Twee autorisatieprocedures hebben geleid tot een negatief besluit. Daarnaast zijn zeven vergunningaanvragen en acht meldingen van verwervingen of toenames van gekwalificeerde deelnemingen op grond van een negatieve beoordeling ingetrokken voordat een besluit werd afgerond.

Het aantal gemelde autorisatieprocedures bleef in 2021 ten opzichte van 2020 grotendeels ongewijzigd, rekening houdend met de aanvragen die werden ingediend in de context van het nieuwe kader voor vergunningverlening aan (gemengde) financiële holdings.

2.1.2.1 Ontwikkelingen in gemeenschappelijke procedures

Het aantal kennisgevingen van gemeenschappelijke procedures aan de ECB bleef vergelijkbaar met het voorgaande jaar

Over het geheel genomen bleef in 2021 het aantal bij de ECB ingediende meldingen van gemeenschappelijke procedures voor vergunningen, gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingen vergelijkbaar met het voorgaande jaar.

ECB-Bankentoezicht heeft een groot aantal gekwalificeerde deelnemingen beoordeeld. In enkele procedures besloten de aanvragers, na uitingen van bezorgdheid door toezichthouders tijdens de eerste beoordeling of een negatief besluit door de ECB, hun kennisgevingen in te trekken of hun recht om gehoord te worden uit te oefenen. In andere gevallen besloten de aanvragers hun aanvraag in te trekken, hetzij vanwege het aanhoudend onzekere macro-economische klimaat, hetzij om casusspecifieke redenen. Verschillende procedures voor gekwalificeerde deelnemingen waren het gevolg van interne reorganisaties waarop de vereenvoudigde benadering voor de beoordeling van gekwalificeerde deelnemingen van toepassing was. Evenals in voorgaande jaren, en ondanks de opkomende trend naar transformatie en actieve consolidatiedynamiek, waren de grensoverschrijdende consolidatieactiviteiten beperkt.

Verreweg de meeste vergunningverleningsprocedures in 2021 hadden betrekking op de oprichting van nieuwe LSI’s. Net als in voorgaande jaren waren digitale innovaties voor het verlenen van diensten aan EU-klanten (fintechbedrijfsmodellen) de belangrijkste aanjager van deze nieuwe aanvragen.

Sinds de invoering in 2017 van een ‘gespecialiseerde bankvergunning’ is het forse aantal vergunningaanvragen uit Litouwen voortgezet. Tegen deze achtergrond bleven Lietuvos bankas en de ECB de door aanvragers ingediende bedrijfsmodellen ter discussie stellen, wat ertoe leidde dat een beduidend groter aantal aanvragen door de aanvrager werd ingetrokken of door de NCA werd afgewezen. Bovendien werden verschillende vergunningaanvragen in Duitsland met betrekking tot innovatieve technologieën tijdens de eerste beoordeling ingetrokken.

Het kleine aantal vergunningsprocedures dat betrekking had op belangrijke instellingen (Significant Institutions – SI’s) vloeide voornamelijk voort uit de noodzaak om bankvergunningen te verlengen voor door de banken geplande aanvullende gereguleerde activiteiten.

Intrekkingsprocedures waren voornamelijk toe te schrijven aan vrijwillige beëindiging van activiteiten dan wel fusies of andere herstructureringen. Vier LSI’s hebben de markt verlaten door middel van vrijwillige liquidatieprocedures, waaronder insolventieprocedures.

2.1.2.2 Ontwikkelingen in paspoortprocedures, beleggingsondernemingen en (gemengde) financiële holdings

Beleggingsondernemingen die op grond van de herziene CRD/CRR als kredietinstellingen zijn geclassificeerd, hebben voor het eerst hun paspoortactiviteiten onder de nieuwe regeling gemeld.

In 2021 hebben de ECB en de NCA’s 404 paspoortprocedures afgehandeld. Beleggingsondernemingen die op grond van de herziene CRD/CRR als kredietinstellingen zijn geclassificeerd, hebben voor het eerst hun paspoortactiviteiten onder de nieuwe regeling gemeld.

Daarnaast hebben de ECB en de NCA’s hun werkzaamheden met betrekking tot de vergunningverlening aan beleggingsondernemingen voortgezet. In juni 2021 is een nieuw kader voor het toezicht op beleggingsondernemingen in werking getreden, waarin de voorwaarden zijn neergelegd waaronder een beleggingsonderneming een vergunning als kredietinstelling moet aanvragen. Die vergunning moet worden verkregen op grond van zowel kwalitatieve criteria (uitgevoerde activiteiten) als kwantitatieve criteria (waarde van de activa), hetzij op individuele basis, hetzij op groepsbasis. Voor beleggingsondernemingen die in aanmerking komen voor een vergunning als kredietinstelling geldt in 2021 en 2022 een grandfatheringregeling. Naar verwachting vallen circa 20 instellingen onder de vergunningplicht voor banken. Tot nu toe hebben de NCA’s de ECB op de hoogte gesteld van elf ingediende aanvragen.

In artikel 21a van CRD V is een nieuw toezichtstelsel ingevoerd voor (gemengde) financiële moederholdings[49] in onder toezicht staande groepen. Na goedkeuring zijn deze financiële holdings ervoor verantwoordelijk dat de onder toezicht staande groep op geconsolideerde basis aan prudentiële vereisten voldoet. Voor belangrijke onder toezicht staande groepen is de ECB verantwoordelijk voor het verlenen van goedkeuring of vrijstelling aan deze (gemengde) financiële moederholdings. In 2021 heeft de ECB 31 aanvragen ontvangen en 23 besluiten genomen (betreffende één nieuw opgerichte en 22 bestaande (gemengde) financiële holdings in onder toezicht staande groepen): negen (gemengde) financiële holdings werden goedgekeurd, terwijl 14 (gemengde) financiële holdings van goedkeuring werden vrijgesteld.

2.1.2.3 IMAS-portaal

In 2021 is een aanzienlijk deel van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures verwerkt via het IMAS-portaal

Het IMAS-portaal is een onlineplatform dat interactie en informatie-uitwisseling tussen toezichthouders, onder toezicht staande entiteiten en derden vergemakkelijkt. Het IMAS-portaal maakt deel uit van de strategie om de toezichtprocessen van het SSM te digitaliseren en bestrijkt de gehele toezichtscyclus.[50]

Sinds januari 2021 is een significant deel van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures via het IMAS-portaal verwerkt. Paspoortmeldingen en verwervingen/vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen zijn er in 2021 in opgenomen. In 2022 zullen vergunningaanvragen, vrijwillige intrekkingen van vergunningen en goedkeuring van financiële holdings aan het IMAS-portaal worden toegevoegd. Tegen deze achtergrond neemt het aantal aanvragen en transacties via het IMAS-portaal gestaag toe.

2.2 Deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures

In 2021 werden in totaal 2.627 deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures[51] (individuele toetsingen van bestuurders en commissarissen, sleutelfunctionarissen[52] en managers van bijkantoren in derde landen) gemeld bij ECB-Bankentoezicht (Tabel 5).

Tabel 5

Deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures ingediend bij de ECB

Bron: ECB.
Toelichting: De steekproef omvat alle belangrijke instellingen (in het kader van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme) die een aanvraag hebben ingediend om als betrouwbaar en betrouwbaar te worden erkend.

Ongeveer 67% van alle in 2021 ontvangen deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures had betrekking op leden van het bestuursorgaan in zijn toezichtfunctie. In de overige 33% van de gevallen ging het om uitvoerend bestuurders (circa 28%), sleutelfunctionarissen (4%) en managers van bijkantoren in derde landen (1%).

De totale verwerkingstijd van de in 2021 afgeronde deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures bedroeg gemiddeld 3,7 maanden, wat korter is dan de maximumperiode van vier maanden zoals aangegeven in paragraaf 179 van de gezamenlijke ESMA- en EBA-richtsnoeren inzake de beoordeling van de geschiktheid van leden van het bestuursorgaan en medewerkers met een sleutelfunctie (Engels).

2.2.1 Ontwikkelingen in deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen

In het kader van de striktere en meer indringende aanpak van de ECB met betrekking tot deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen en haar inspanningen om de governance van onder toezicht staande banken te versterken, heeft de ECB voor 58% van de beoordeelde leden van leidinggevende organen aandachtspunten geïdentificeerd met betrekking tot een of meer deskundigheids- en betrouwbaarheidscriteria. Dit is een toename van 8% ten opzichte van 2020. De meest voorkomende punten hadden betrekking op de ervaring, belangenverstrengeling en beschikbare tijd van bestuurders. Naar aanleiding daarvan heeft de ECB aan belangrijke instellingen voorwaarden, verplichtingen of aanbevelingen opgelegd om de geïdentificeerde aandachtspunten te verhelpen.

Bij haar deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen werkt de ECB samen met de relevante NCA’s en rechtstreeks met de onder toezicht staande entiteiten. Als er twijfel of bezorgdheid wordt geuit over de geschiktheid van een kandidaat, wordt de desbetreffende aanvraag van een deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordeling vaak ingetrokken. Deze toezichtsdialoog met banken voorkomt negatieve deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten van de ECB. In 2021 zijn er 52 aanvragen op deze manier ingetrokken: een stijging van 30 ten opzichte van 2020.

In 2021 heeft de ECB 17 herbeoordelingen uitgevoerd

Daarnaast voerde de ECB in 2021 17 herbeoordelingen uit van diverse leden van de bestuursorganen van kredietinstellingen. Vijf van deze herbeoordelingen hielden verband met het kader tegen het witwassen van geld, vier met strafrechtelijke procedures, twee met civiele procedures en zes met andere kwesties, zoals faillissement en fraude.

Bovendien werden bij in totaal 36 aanvragen bevindingen met betrekking tot witwassen en financiering van terrorisme betrokken bij de beoordeling van de geschiktheid van bestuurders.

De ECB streeft ernaar haar deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocessen efficiënter te maken, met name door de inzet van Suptech-tools te verkennen. Het onlineportaal IMAS, dat onder toezicht staande entiteiten gebruiken om hun deskundigheids- en betrouwbaarheidsaanvragen in te dienen bij de NCA’s en de ECB, is een bruikbaar instrument gebleken voor verbetering van de efficiëntie.

Kader 4
De herziene ECB-gids voor beoordeling van de deskundigheid en betrouwbaarheid

ECB-Bankentoezicht streeft er voortdurend naar het niveau van governancetoezicht te verhogen en de transparantie op dit gebied te vergroten. In dat verband heeft de ECB onlangs haar Gids voor beoordeling van de deskundigheid en betrouwbaarheid (ook wel de Fit and Proper Guide genoemd) herzien en een nieuwe vragenlijst over deskundigheid en betrouwbaarheid ontwikkeld om de kwaliteit en efficiëntie van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen te verbeteren.

In de herziene Gids wordt het concept van individuele verantwoording geïntroduceerd, waardoor ernstige bevindingen door de toezichthouder gevolgen kunnen hebben voor de geschiktheid van een kandidaat, ook als deze niet direct verantwoordelijk was voor die bevindingen. Daarnaast wordt in de Gids beschreven hoe directieleden opnieuw zullen worden beoordeeld als er nieuwe feiten naar voren komen die twijfels doen rijzen over hun geschiktheid.

De Gids spoort daarnaast kredietinstellingen die onder nationaal recht pas achteraf worden beoordeeld aan om de ECB reeds te voorzien van hun geschiktheidsbeoordelingen voor uitvoerende leden van het bestuursorgaan voordat deze leden benoemd worden. Vervolgens ontvingen 61 kredietinstellingen in de deelnemende lidstaten een brief van de ECB waarin deze uitnodiging werd geformaliseerd.

Tot slot wordt in de Gids verwezen naar expertise op het gebied van klimaat- en milieurisico’s en diversiteit (met inbegrip van genderdiversiteit), gezien hun grotere relevantie als toezichtsgebied.

Op 15 juni 2021 publiceerde de ECB de conceptversies van deze documenten ter inzage[53] met als doel feedback van marktpartijen en andere belanghebbenden te verzamelen. Op 15 juli 2021 vond een openbare hoorzitting plaats met 200 deelnemers. De openbare raadpleging is op 2 augustus 2021 afgesloten.

De definitieve Gids voor beoordeling van de deskundigheid en betrouwbaarheid en vragenlijst over deskundigheid en betrouwbaarheid zijn op 8 december 2021 gepubliceerd, tegelijk met een feedbackstatement (Engels) als reactie op de meer dan 700 opmerkingen die werden ontvangen van kredietinstellingen, marktassociaties en verenigingen van banken, consultancybedrijven en dergelijke. Deze publicaties werden in november 2021 aangekondigd in de SSM Supervision Newsletter en uitvoeriger besproken in diverse toespraken van de Voorzitter[54] en andere leden van de Raad van Toezicht van de ECB[55], alsook in een podcast van de vicevoorzitter in december 2021[56].

2.3 Klokkenluiden, handhaving, sancties en andere financiële maatregelen

2.3.1 Handhaving en sanctiemaatregelen

De ECB heeft in 2021 acht procedures afgehandeld, waarvan er vijf aan het einde van het jaar werden afgerond

Volgens de SSM-verordening en de SSM-kaderverordening hangt de verdeling van de handhavings- en sanctiebevoegdheden tussen de ECB en de NCA's af van de aard van de vermeende schending, de verantwoordelijke persoon en de te nemen maatregel (zie het Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden 2014 ). Conform het toepasselijke rechtskader worden de door de ECB binnen de grenzen van haar toezichtstaken opgelegde sancties bekendgemaakt op de website van ECB-Bankentoezicht (Engels). De sancties die op verzoek van de ECB door de NCA’s worden opgelegd, worden op dezelfde website gepubliceerd.

In 2021 heeft de ECB acht sanctieprocedures behandeld, waarvan er vier lopende waren in 2020 (Tabel 6). Deze acht procedures resulteerden in vijf ECB-besluiten.

Tabel 6

Handhavings- en sanctiewerkzaamheden van de ECB in 2021

Bron: ECB.

In 2021 heeft de ECB twee geldboetes opgelegd, voor een totaalbedrag van € 615.000

Van de acht in 2021 behandelde procedures hadden er zeven betrekking op vermeende schendingen van rechtstreeks toepasselijk EU-recht (waaronder besluiten en verordeningen van de ECB), begaan door zeven SI’s. Twee van deze procedures werden afgerond in 2021, waarbij bij twee besluiten van de ECB boetes voor een totaalbedrag van € 615.000 werden opgelegd aan twee onder toezicht staande entiteiten van dezelfde bankgroep. Twee procedures met betrekking tot schendingen van rechtstreeks toepasselijk EU-recht zijn in 2021 stopgezet, waarvan één op grond van proportionaliteitsoverwegingen en de andere vanwege het ontbreken van vastgestelde nalatigheid. Ultimo 2021 liepen er nog drie procedures.

De resterende procedure die in 2021 werd behandeld, had betrekking op vermeende schendingen van nationale wetgeving die uitvoering geeft aan een EU-richtlijn door een LSI. De procedure werd afgerond met een verzoek van de ECB aan de betreffende NCA om een procedure te starten.

Grafiek 18 geeft een volledig overzicht van de vermeende schendingen naar onderwerp, zoals deze door de ECB in 2021 in handhavings- en sanctieprocedures zijn behandeld.

Grafiek 18

Vermeende schendingen onderhevig aan handhavings- en sanctieprocedures

Bron: ECB.

Naar aanleiding van eerdere verzoeken van de ECB om een procedure te starten en na beoordeling van de zaken in overeenstemming met hun nationale wetgeving hebben de betrokken NCA's in 2021 twee geldboetes opgelegd voor een bedrag van € 24,7 miljoen

Naar aanleiding van eerdere verzoeken van de ECB om een procedure te starten en na beoordeling van de zaken in overeenstemming met hun nationale wetgeving hebben de betrokken NCA's in 2021 twee geldboetes opgelegd voor een bedrag van € 24,7 miljoen.

Gedetailleerde informatie, inclusief uitgebreide statistische gegevens over de sanctieactiviteiten die verband houden met schendingen van prudentiële vereisten die de ECB en NCA’s in het kader van het Europees bankentoezicht in 2021 hebben uitgevoerd, zal worden gepresenteerd in het “Jaarverslag over de sanctieactiviteiten in het SSM in 2021”. Dit verslag zal in het tweede kwartaal van 2022 worden gepubliceerd op de website van ECB-Bankentoezicht.

2.3.2 Andere financiële maatregelen

Op grond van de SSM-Verordening oefent de ECB, uitsluitend voor de uitvoering van haar toezichtstaken, ook de bevoegdheden uit waarover de NCA’s op grond van relevante nationale wetgeving beschikken.

In dat verband legde de ECB in 2021 aan twee belangrijke onder toezicht staande entiteiten administratieve maatregelen op waarover een NCA beschikt krachtens nationale wetgeving ter uitvoering van de CRD. De opgelegde nationale administratieve maatregelen waren niet van punitieve aard en bestonden uit rentebetaling ten bedrage van ongeveer € 21,5 miljoen voor niet-naleving van de vereisten inzake grote blootstellingen. De onder toezicht staande entiteiten hebben tegen de ECB-besluiten hoger beroep ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.3.3 Klokkenluiden

In 2021 heeft de ECB 152 meldingen van klokkenluiders ontvangen, een daling van 27% ten opzichte van het jaar ervoor

Overeenkomstig artikel 23 van de SSM-Verordening is het de taak van de ECB om te zorgen dat schendingen van toepasselijk EU-recht door iedereen op effectieve wijze gemeld kunnen worden (het zogeheten ‘klokkenluiden’). De ECB heeft daarom een meldingsfaciliteit opgezet, inclusief een online formulier dat toegankelijk is via de website van ECB-Bankentoezicht.

De ECB waarborgt volledige vertrouwelijkheid van de meldingen van klokkenluiders die worden ontvangen via het online formulier of andere kanalen (bijvoorbeeld e-mail of post) en houdt rekening met alle beschikbare informatie bij de uitvoering van haar toezichtstaken.

In 2021 heeft de ECB 152 meldingen van klokkenluiders ontvangen, een daling van 27% ten opzichte van het jaar ervoor Daarbij ging het in 78 gevallen om een vermeende schending van toepasselijk EU-recht, waarvan 72 gevallen onder het toezichtstakenpakket van de ECB zouden vallen en zes onder dat van de NCA’s. De resterende meldingen betroffen voornamelijk vermeende schendingen die geen verband hielden met prudentiële vereisten (bijvoorbeeld consumentenbescherming) en vielen daarmee buiten de werkingssfeer van de meldingsfaciliteit voor klokkenluiders.

De vaakst gemelde vermeende schendingen waren governancekwesties (72%) en een tekortschietende berekening van eigenvermogens- en kapitaalvereisten (8%). Grafiek 19 geeft een volledig uitgesplitst overzicht. Bij governancekwesties ging het hoofdzakelijk om risicobeheersing en interne beheersingsmaatregelen, functies in leidinggevende organen, deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten en organisatiestructuur.[57]

Grafiek 19

Vermeende schendingen die in het kader van klokkenluiden zijn gemeld

(procenten)

Bron: ECB.

De betreffende Joint Supervisory Teams zijn op de hoogte gesteld van de via de meldingsfaciliteit gerapporteerde informatie. De informatie werd op passende wijze in aanmerking genomen en door de ECB opgevolgd in het kader van haar toezichtstaken. De belangrijkste onderzoeksactiviteiten die in 2021 zijn uitgevoerd met betrekking tot de ontvangen meldingen door klokkenluiders van schendingen van toepasselijk EU-recht zijn onder andere:

  • interne beoordeling aan de hand van bestaande documentatie (43% van de gevallen);
  • verzoek om documentatie of een toelichting, gericht aan de onder toezicht staande entiteit (27% van de gevallen);
  • verzoek om een interne audit of inspectie ter plaatse (19% van de gevallen).

3 Bijdragen aan de crisisbeheersing

3.1 Interactie met de gemeenschappelijke afwikkelingsraad

De nauwe samenwerking tussen ECB-Bankentoezicht en de SRB werd in 2021 voortgezet

In 2021 hebben ECB-Bankentoezicht en de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (Single Resolution Board – SRB) wederom op alle niveaus nauw samengewerkt. De Raad van Toezicht van de ECB nodigde de voorzitter van de SRB uit om als waarnemer deel te nemen aan zijn vergaderingen voor onderwerpen die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden van de SRB. Daarnaast nam een vertegenwoordiger van de ECB als waarnemer deel aan alle bestuursvergaderingen en plenaire zittingen van de SRB. Bovendien vonden er regelmatig uitwisselingen plaats tussen de voorzitters en het hogere en middenkader van de ECB en de SRB over onderwerpen van gemeenschappelijk belang, zoals de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (supervisory review and evaluation process – SREP), herstel- en afwikkelingsplanning en beleidswerkzaamheden in verband met crisisbeheersing. Ten slotte deelden beide organisaties, overeenkomstig het memorandum van overeenstemming tussen de SRB en de ECB, een brede waaier aan relevante gegevens en informatie waarover zij reeds beschikten. Mede hierdoor kon de rapportagelast voor banken worden verminderd.

De ECB en de SRB wisselden ook van gedachten over mogelijke verbeteringen van het beleidskader voor crisisbeheersing. Voorbeelden van de besproken onderwerpen zijn de toolkit waarover de betrokken autoriteiten beschikken en het gebruik van externe middelen bij afwikkelingsprocedures. Deze regelmatige uitwisselingen met de SRB hebben ook bijgedragen tot de verrijking van de eigen bijdrage van de ECB aan de gerichte raadpleging van de Europese Commissie over de herziening van het kader voor bankencrisisbeheersing en depositogaranties[58].

Voorts nam de ECB net als in het verleden deel aan de crisissimulatie-oefeningen (de zogenaamde ‘dry runs’) van de SRB. Deze oefeningen waren bedoeld om de procedures en de internationale samenwerking te testen en om meer inzicht te krijgen in de besluitvormings- en operationele processen van elke autoriteit binnen een afwikkelingscollege.

Daarnaast werden er gezamenlijke opleidingsevenementen georganiseerd over verschillende onderwerpen (bv. herstelplanning, SREP-methodologie en het herziene SRB-beleid inzake het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL)). Deze evenementen waren gericht op de versterking van de samenwerking en de ontwikkeling van een gemeenschappelijke zienswijze tussen de autoriteiten met betrekking tot verschillende aspecten van hun werkzaamheden.

Voorts vormde de regelmatige interactie tussen de gezamenlijke toezichtsteams (Joint Supervisory Teams – JST’s) van de ECB en de interne afwikkelingsteams van de SRB opnieuw een belangrijk onderdeel van de samenwerking tussen de twee organisaties. Dit omvatte nauwe samenwerking voor instellingen die onder het crisisbeheersingskader van de ECB vallen, d.w.z. instellingen die worden geconfronteerd met verslechterende financiële omstandigheden, en de deelname van de SRB aan de respectieve crisisbeheersingsteams om ervoor te zorgen dat de toezichthouders en de afwikkelingsautoriteiten in een crisissituatie volledig op elkaar zijn afgestemd.

In overeenstemming met het regelgevingskader werd de SRB geraadpleegd over de herstelplannen die de belangrijke instellingen bij ECB-Bankentoezicht hadden ingediend. Bij de beoordeling van deze plannen en de voorbereiding van feedback voor de onder toezicht staande entiteiten is rekening gehouden met de opmerkingen van de SRB. Deze opmerkingen hadden onder meer betrekking op de haalbaarheid van herstelopties en de kalibratie van de drempelwaarden voor de herstelindicatoren met betrekking tot het MREL.

Tot slot raadpleegde de SRB ECB-Bankentoezicht over ontwerpafwikkelingsplannen, in overeenstemming met de SRMR[59]. Net als in het verleden had deze raadpleging onder meer betrekking op de bepaling van het MREL en afwikkelbaarheidsbeoordelingen. Net als in voorgaande jaren raadpleegde de SRB ECB-Bankentoezicht ook over de berekening van de ex-antebijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, waarbij de ECB in haar beoordeling in de eerste plaats rekening hield met opmerkingen vanuit een toezichts- en continuïteitsperspectief.

3.2 Crisisbeheersing voor minder belangrijke instellingen

Om een crisissituatie bij een minder belangrijke instelling (less significant institution – LSI) te kunnen beheersen, moeten de betrokken nationale bevoegde autoriteit (national competent authority – NCA) en de ECB nauw samenwerken. Hoewel de NCA rechtstreeks verantwoordelijk is voor het toezicht op de LSI’s, ontstaat er behoefte aan intensievere samenwerking en informatie-uitwisseling wanneer een LSI dicht bij het punt van niet-levensvatbaarheid komt. In dat stadium pleegt de ECB, als bevoegde autoriteit voor gemeenschappelijke procedures, overleg met de NCA over een mogelijke intrekking van de vergunning.

De ECB en de NCA’s hebben in 2021 hun samenwerking geïntensiveerd om 15 crisisgevallen bij LSI's aan te pakken

In 2021 hebben de ECB en de NCA’s nauw samengewerkt en informatie uitgewisseld over verschillende LSI's waarvan was vastgesteld dat ze met een verslechterde financiële situatie of een crisis kampten. De NCA’s hebben de ECB in kennis gesteld van zeven nieuwe gevallen van verslechtering van de financiële situatie van een LSI. De ECB en de NCA’s zijn ook nauw blijven samenwerken en informatie blijven uitwisselen over 29 actieve gevallen van een verslechterde financiële situatie van een LSI. In 15 gevallen werd de samenwerking tussen de ECB en de NCA's geïntensiveerd, waarbij er in zeven gevallen speciale contactgroepen voor crisisbeheersing moesten worden opgezet. Net als in voorgaande jaren zorgden deze groepen ervoor dat de toezichtsmaatregelen en -besluiten tijdig en op een gecoördineerde wijze konden worden genomen.

In 2021 hebben de NCA’s de ECB ook in kennis gesteld van 12 gevallen met betrekking tot de intrekking van een vergunning van een LSI. Twee van deze gevallen hadden betrekking op fusies of integratie, drie op liquidatie en zeven op vrijwillige beëindiging. In vier van deze 12 gevallen besloot de ECB tot de intrekking van de vergunning, terwijl de overige acht zaken nog in behandeling zijn.

Niet-levensvatbare bedrijfsmodellen, aanhoudend lage winstgevendheid die leidt tot liquiditeitsproblemen en gebrekkige governancesystemen (met inbegrip van ontoereikende kaders voor de bestrijding van het witwassen van geld) waren de belangrijkste oorzaken van de verslechtering van de financiële situatie van LSI's in 2021. Boekhoudfraude bleek eveneens een drijvende kracht in dit verband.

4 Grensoverschrijdende samenwerking

4.1 Europese en internationale samenwerking

4.1.1 De ECB en de colleges van banktoezichthouders

De ECB fungeert als consoliderende toezichthouder voor Europese bankgroepen die hun hoofdkantoor hebben in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM). Dit stelt de ECB in staat om uitgebreid en consequent toezicht uit te oefenen op een gelijk speelveld voor alle entiteiten (dochterondernemingen of bijkantoren) van een bankgroep, zelfs als deze gevestigd zijn in EU-lidstaten die niet deelnemen aan het SSM of in niet-Europese landen.

Als consoliderende toezichthouder voor belangrijke bankgroepen richt de ECB colleges op om samen te werken met alle relevante toezichthoudende autoriteiten

Een van de verantwoordelijkheden van de ECB is te zorgen voor regelmatige interactie met alle relevante autoriteiten die toezicht houden op bancaire en niet-bancaire instellingen. Zij doet dit door colleges van toezichthouders op te richten. Als een bankgroep buiten de bankenunie is gevestigd en de ECB toezicht houdt op ten minste één van de dochterondernemingen of bijkantoren van de groep omdat deze entiteit gevestigd is in een lidstaat die deelneemt aan het SSM, houdt de ECB zich aan de samenwerkingsafspraken met de autoriteiten van het betreffende niet-EU-land. In de meeste gevallen werkt de consoliderende autoriteit internationaal samen via colleges van toezichthouders. De tijdschema’s en besluitvormingsprocessen van de betrokken autoriteiten kunnen echter onderling verschillen als gevolg van lokale vereisten en vertrouwelijkheidsregels.

De ECB vervult de rol van gastautoriteit in colleges van bankgroepen waarvan de moederentiteit buiten het SSM is gevestigd

Een transversaal team bestaande uit vertegenwoordigers van de drie verticale directoraten-generaal biedt doorlopende ondersteuning aan de gezamenlijke toezichtsteams bij het vervullen van hun samenwerkingsgerelateerde verplichtingen, in overeenstemming met de Europese regelgeving en richtlijnen (bijv. het in kaart brengen van groepsentiteiten, het uitwisselen van de belangrijkste financiële indicatoren tussen de bevoegde autoriteiten, het onderzoeksprogramma voor colleges van toezichthouders). Het transversale team stimuleert tevens harmonisering en bevordert best practices op toezichtsgebied in het kader van internationale samenwerking.

In 2021 heeft dit team bijgedragen aan de herziening van 13 schriftelijke samenwerkingsovereenkomsten voor colleges van toezichthouders om rekening te houden met de veranderde status van de Prudential Regulation Authority (PRA), die na de Brexit autoriteit van een derde land is geworden.

4.1.2 Versterking van de samenwerking met de autoriteiten uit derde landen

In 2021 werd de samenwerking met derde landen op toezichtsgebied uitgebreid door middel van MoU’s met de APRA en de NYDFS

De ECB houdt voortdurend toezicht op de ontwikkelingen op het gebied van grensoverschrijdend bankieren en beoordeelt de noodzaak van versterkte samenwerkingsafspraken met prudentiële autoriteiten uit derde landen, die de vorm kunnen aannemen van memoranda van overeenstemming (memoranda of understanding – MoU's), colleges van toezichthouders en afspraken per geval. In de loop van 2021 heeft de ECB aanvullende MoU's afgesloten met de New York State Department of Financial Services (NYDFS) en de Australian Prudential Regulation Authority (APRA). Deze afspraken zijn relevant vanwege de aanzienlijke grensoverschrijdende banden tussen de bankensectoren die onder het Europese bankentoezicht vallen en de bankensectoren die onder toezicht staan van de NYDFS in de staat New York en de APRA in Australië.

Beide MoU's regelen de samenwerking tussen de autoriteiten bij het uitoefenen van hun respectieve toezichtstaken met betrekking tot grensoverschrijdende kredietinstellingen. In het kader van de MoU's wordt samenwerking nagestreefd op basis van een inspanningsverplichting. Deze samenwerking kan, waar nodig, op verzoek van de autoriteiten of op eigen initiatief worden geïnitieerd en omvat alle soorten informatie waarmee de toezichthoudende autoriteiten de onder toezicht staande entiteiten kunnen helpen om veilig en gezond te functioneren.

4.1.3 Versterking van de samenwerking met effectenmarkttoezichthouders

Door de MoU met de SEC werd het voor belangrijke bankgroepen mogelijk om de vervangende nalevingsregeling van de SEC toe te passen

De ECB en de Amerikaanse Securities and Exchange Commission (SEC) hebben op 16 augustus 2021 een MoU ondertekend ter voorbereiding op de registratie van belangrijke instellingen als handelaars in op effecten gebaseerde swaps of als belangrijke deelnemers aan op effecten gebaseerde swaptransacties in de Verenigde Staten. Krachtens Amerikaanse regelgeving moeten niet-Amerikaanse handelaars in op effecten gebaseerde swaps en belangrijke deelnemers aan op effecten gebaseerde swaptransacties met aanzienlijke activiteiten in de Verenigde Staten zich respectievelijk op 1 november 2021 en 1 december 2021 bij de SEC laten registreren. De SEC kan dergelijke entiteiten toestaan bepaalde Amerikaanse vereisten na te leven door te voldoen aan vergelijkbare EU- en nationale vereisten. Om dit mogelijk te maken moeten de SEC en de betrokken toezichthoudende en marktautoriteiten samenwerkingsovereenkomsten ondertekenen.

In het kader van deze MoU gaan de ECB en de SEC informatie uitwisselen over de op effecten gebaseerde swaptransacties die in de Verenigde Staten worden verricht door entiteiten die onder het toezicht van de ECB vallen. Deze samenwerking biedt een basis voor de betrokken SSM-entiteiten om overlappende nalevingsinspanningen tot een minimum te beperken en zich te blijven concentreren op de naleving van de EU-vereisten, en tegelijk naleving van de Amerikaanse vereisten te waarborgen.

Op EU-niveau heeft de ECB in 2021 een MoU afgesloten met de Autorité des Marchés Financiers (AMF), in haar hoedanigheid van toezichthouder op de markten voor financiële instrumenten in Frankrijk.

4.1.4 Publicatie van de memoranda van overeenstemming (MoU’s) op toezichtsgebied

In 2021 zijn er 21 MoU’s gepubliceerd op de website van de ECB

In mei 2020 heeft de ECB haar goedkeuring gehecht aan een beleidsmaatregel met betrekking tot de publicatie van bestaande en toekomstige MoU's die door de ECB zijn aangegaan in haar hoedanigheid van bankentoezichthouder. De publicatie van deze MoU's is onderworpen aan de instemming van de betrokken partijen, en aan mogelijke beperkingen met betrekking tot de toegang tot vertrouwelijke informatie in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving. Op 19 februari en 30 april 2021 publiceerde de ECB op haar website 18 MoU’s die zij sinds 2014 in haar hoedanigheid van bankentoezichthouder heeft afgesloten. Hiertoe behoren MoU's met banken- en markttoezichthouders uit derde landen, waaronder de MoU die in 2019 werd ondertekend met de Bank of England/Prudential Regulation Authority in het kader van de Brexit. Daarnaast publiceerde de ECB in de tweede helft van het jaar drie extra MoU's die zij onlangs had afgesloten met de SEC, de NYDFS en de AMF.

4.1.5 Nauwe samenwerking binnen het SSM

De ECB, de Kroatische nationale bank en de Bulgaarse nationale bank hebben nauw samengewerkt in het kader van het dagelijkse toezicht

In 2021 verliep de samenwerking met Bulgarije en Kroatië – de twee meest recente leden van de bankenunie, die in oktober 2020 lid zijn geworden – zeer soepel. Hrvatska narodna banka (de Kroatische nationale bank) en Българска народна банка (de Bulgaarse nationale bank) werden geïntegreerd in de SSM-structuur en hun vertegenwoordigers droegen bij aan de besluitvorming in de Raad van Toezicht, wat resulteerde in naadloos toezicht van de ECB in de gehele bankenunie. Het personeel van de twee NCA's was nauw betrokken bij het dagelijkse toezicht, niet alleen op de dochterondernemingen van Europese banken in Bulgarije en Kroatië, maar ook op hun moederentiteiten en hun respectieve bankgroepen. De ECB heeft ook Bulgaarse en Kroatische minder belangrijke instellingen (LSI's) geïntegreerd in haar LSI-toezichtsactiviteiten, met als doel de consistente toepassing van hoge toezichtsnormen op LSI's in beide landen te bevorderen. Het hele jaar door werden er seminars en workshops gehouden om de gezamenlijke werkzaamheden te ondersteunen. Dit gezamenlijke toezicht is van cruciaal belang voor een meer geïntegreerde bankensector.

4.1.6 Financial Sector Assessment Programs van het IMF

De Financial Sector Assessment Programs (FSAP’s) van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zijn veelomvattende en diepgaande beoordelingen van de financiële sector in een land.

ECB-Bankentoezicht heeft een groot deel van de FSAP-aanbevelingen van het IMF voor het eurogebied opgevolgd

Het FSAP voor het eurogebied van 2018 was gericht op de architectuur van het bankentoezicht en de bankenafwikkeling in het eurogebied. ECB-Bankentoezicht heeft veel van de aanbevelingen van het IMF al doorgevoerd in haar toezichtspraktijken. Daarnaast zijn de medewetgevers van de EU momenteel bezig met de aanbevelingen die wijzigingen in de EU-wetgeving vereisen.

De nationale FSAP's omvatten geen beoordelingen door het Europese bankentoezicht

In 2021 startte het IMF met de nationale FSAP's voor Duitsland, Ierland en Finland. In deze nationale FSAP's worden niet-bancaire onderwerpen beoordeeld, zoals binnenlandse verzekerings- en macroprudentiële kaders. Zij omvatten een holistische beoordeling van bancaire kwesties, vooral die welke onder de bevoegdheid vallen van nationale autoriteiten die toezicht houden op LSI’s of aspecten die verband houden met de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Verder heeft het IMF in 2021 zijn reguliere FSAP-beoordeling voltooid, wat resulteerde in een bijgewerkte lijst van jurisdicties met systeemrelevante financiële sectoren die onderworpen zijn aan periodieke verplichte beoordelingen.

De ECB is betrokken bij de nationale artikel-IV-consultaties van het IMF

De betrokkenheid van de ECB bij de nationale artikel-IV-consultaties van het IMF voor landen die deelnemen aan het Europese bankentoezicht houdt verband met microprudentiële en macroprudentiële kwesties, in overeenstemming met de verantwoordelijkheden van de ECB op deze gebieden.

4.2 Bijdrage aan de ontwikkeling van het Europees en internationaal regelgevend kader

4.2.1 Bijdragen aan de werkzaamheden van de Raad voor Financiële Stabiliteit

In 2021 bleef de Raad voor Financiële Stabiliteit (Financial Stability Board – FSB) zich richten op internationale samenwerking om de uitdagingen aan te pakken die voortvloeien uit de COVID-19-pandemie en om de financiële stabiliteit te waarborgen.

In 2021 heeft de ECB op een aantal gebieden bijgedragen aan de agenda van de FSB, waaronder het vaststellen van de lessen die zijn geleerd uit de COVID-19-pandemie

Als lid van de FSB heeft ECB-Bankentoezicht via een speciaal verslag actief bijgedragen aan het vaststellen van de eerste lessen die zijn geleerd uit de COVID-19-pandemie wat betreft financiële stabiliteit.

De ECB heeft tevens bijgedragen aan bredere kwesties op de agenda van de FSB, zoals (i) de jaarlijkse vaststelling van mondiaal systeemrelevante banken (G-SIB's) in overleg met het Bazels Comité voor Bankentoezicht, inclusief een geplande evaluatie van de implicaties van ontwikkelingen met betrekking tot de bankenunie voor de G-SIB-methodologie; (ii) de afronding van het verslag over rapportering van cyberincidenten; (iii) de coördinatie van een routekaart voor het aanpakken van klimaatgerelateerde financiële risico's; en (iv) de voorbereiding van beleidsvoorstellen om de veerkracht van geldmarktfondsen te vergroten. In deze context nam ECB-Bankentoezicht deel aan de plenaire vergaderingen van de FSB, het Permanent Comité voor de tenuitvoerlegging van normen (Standing Committee on Standards Implementation) en het Permanent Comité voor samenwerking op het gebied van toezicht en regelgeving (Standing Committee on Supervisory and Regulatory Cooperation). Het nam ook deel aan de afwikkelingsstuurgroep en de Regionale adviesgroep voor Europa (Regional Consultative Group for Europe) van de FSB.

ECB-Bankentoezicht zal op een aantal gebieden blijven bijdragen aan het werkprogramma van de FSB, waaronder internationale samenwerking, de coördinatie van de reactie op COVID-19, aanvullende werkzaamheden op het gebied van digitale innovatie, en het aanpakken van financiële risico's als gevolg van klimaatverandering.

4.2.2 Bijdragen aan het Bazelse proces

Als lid van het BCBS wees ECB-Bankentoezicht op het belang van de internationale samenwerking en de coördinatie van beleidsmaatregelen, bijvoorbeeld met betrekking tot klimaatgerelateerde financiële risico’s

In 2021 heeft de groep van presidenten van centrale banken en banktoezichthouders (Group of Central Bank Governors and Heads of Supervision – GHOS), dat het toezichtsorgaan is van het Bazels Comité voor Bankentoezicht (Basel Committtee on Banking Supervision – BCBS), de strategische prioriteiten en het werkprogramma van het BCBS voor 2021 en 2022 goedgekeurd. Er werd hoge prioriteit gegeven aan de implementatie en evaluatie van eerder overeengekomen hervormingen, aan het scannen en beoordelen van opkomende risico's en kwetsbaarheden (met name digitalisering en klimaatgerelateerde financiële risico's) en aan het ontwikkelen van samenwerking op toezichtsgebied. De ECB heeft actief aan deze inspanningen bijgedragen.

In deze context is de ECB medevoorzitter van de taskforce voor klimaatgerelateerde financiële risico's (Task Force on Climate-related Financial Risks) van het BCBS en van de Policy and Standards Group van het BCBS, die verantwoordelijk is voor het ontwikkelen en invoeren van gemeenschappelijke prudentiële normen.

Bovendien is het BCBS begonnen met het herzien van de beoordelingsmethodologie voor G-SIB's. ECB-Bankentoezicht heeft actief bijgedragen aan het besluit van het Comité om de implicaties van ontwikkelingen met betrekking tot de bankenunie voor de G-SIB-methodologie te onderzoeken (waarbij de focus met name ligt op de behandeling van grensoverschrijdende risico's binnen de bankenunie).

ECB-Bankentoezicht nam ook deel aan andere regelmatige beleidsdiscussies, leverde expertise in BCBS-werkgroepen, werkte samen met leden van het BCBS binnen de EU en over de hele wereld, en ondersteunde relevante effectanalyses. Deze werkzaamheden omvatten (i) de beoordeling en ontwikkeling van potentiële maatregelen om de klimaatgerelateerde financiële risico's van het mondiale banksysteem aan te pakken; (ii) de publicatie van de uitgangspunten voor operationele weerbaarheid, die gericht zijn op het versterken van het vermogen van banken om zeer negatieve gebeurtenissen te weerstaan, zich eraan aan te passen en ervan te herstellen; en (iii) een openbare raadpleging over voorlopige voorstellen voor de prudentiële behandeling van de risicoblootstelling van banken aan cryptoactiva.

4.2.3 Bijdragen aan de werkzaamheden van de EBA

De ECB heeft nauw samengewerkt met de EBA aan diverse projecten, waaronder de EU-brede stresstest 2021

In 2021 bleef ECB-Bankentoezicht nauw samenwerken met de Europese Bankautoriteit (EBA) om consistent toezicht in de gehele Europese bankensector te bevorderen, en om de veiligheid en soliditeit van kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel te versterken. Gezamenlijke projecten omvatten de EU-brede EBA-stresstest 2021, waarvoor de ECB kwaliteitsborging bood. De EBA en de ECB hebben ook samengewerkt aan de follow-up van de COVID-19-crisis, de voorbereiding van het antwoord op het verzoek van de Commissie om advies over digitale financiering en het verslag van de EBA over de onafhankelijkheid van de bevoegde autoriteiten op toezichtsgebied. De ECB en de EBA hebben in september ook een gezamenlijke brief verspreid waarin het belang van het volledig, tijdig en getrouw voltooien van de invoering van de komende Bazel III-normen in de EU wordt herbevestigd.

Bovendien heeft de ECB bijgedragen aan de afronding van EU-brede transparantie-exercities die de EBA in 2021 heeft uitgevoerd, door te zorgen voor de tijdige verstrekking van correcte toezichtsgegevens voor 99 belangrijke instellingen die onder het directe toezicht van de ECB vallen. De exercitie verschafte de marktdeelnemers gedetailleerde informatie over de financiële toestand van de banken die deelnemen aan het Europese bankentoezicht, waaronder de impact van de COVID-19-crisis.

De ECB heeft de EBA ook geholpen bij het vervullen van haar mandaat betreffende het opstellen van een haalbaarheidsverslag over de integratie van statistische, afwikkelings- en prudentiële rapportage, zoals vereist krachtens artikel 430c van de Verordening Kapitaalvereisten (CRR). Het verslag, dat op 16 december 2021 werd gepubliceerd, beschouwt de totstandbrenging van een gegevenswoordenboek dat gemeenschappelijk is voor alle rapportagegebieden als een belangrijke bouwsteen en noodzakelijke voorwaarde om de rapportagelast voor banken te verlichten, de gegevenskwaliteit te verbeteren en de weg te effenen voor verdere integratie van het kader voor gegevensrapportage. In het verslag wordt ook aanbevolen een gemengd comité op te richten bestaande uit vertegenwoordigers van de Europese autoriteiten, van de nationale bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, van het bankwezen, om het integratieproces te sturen. In deze context werkte de ECB samen met de EBA en andere belanghebbenden door een gemeenschappelijk inzicht te bevorderen en concrete voorstellen in te dienen over hoe een semantisch geïntegreerd gegevenswoordenboek kan worden vastgesteld, met als doel de convergentie van de rapportagevereisten te stimuleren.

Wat de ‘pas toe of leg uit’-procedure[60] van de EBA betreft, heeft ECB-Bankentoezicht de EBA in 2021 in kennis gesteld van de mate waarin zij voldeed aan de 23 richtsnoeren, zoals weergegeven op de website van ECB-Bankentoezicht. ECB-Bankentoezicht heeft zich ertoe verbonden te voldoen aan alle toepasselijke richtsnoeren die uitgevaardigd zijn door de EBA of het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten.

Kader 5
Actualisering van het beleid van de ECB betreffende keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte

Op 29 juni 2021 lanceerde de ECB een openbare raadpleging over wijzigingen in haar beleid en richtsnoeren met betrekking tot hoe zij gebruikmaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte (‘options and discretions’ – O&D’s) waarover ze krachtens het Unierecht beschikt voor het bankentoezicht. De actualisering van het O&D-beleid van de ECB wordt uiteengezet in vier ontwerpbeleidsinstrumenten:

  • een ontwerp voor een herziene versie van de Gids van de ECB inzake de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt;
  • een ontwerp-ECB-Verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2016/445 van de Europese Centrale Bank betreffende de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt;
  • een ontwerpaanbeveling tot wijziging van Aanbeveling ECB/2017/10 betreffende gemeenschappelijke specificaties voor de wijze waarop nationaal bevoegde autoriteiten ten overstaan van minder belangrijke instellingen gebruikmaken van enkele keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt;
  • een ontwerprichtsnoer tot wijziging van Richtsnoer (EU) nr. 2017/697 van de Europese Centrale Bank betreffende de wijze waarop nationale bevoegde autoriteiten met betrekking tot minder belangrijke instellingen gebruikmaken van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt.

De O&D-beleidsmaatregelen van de ECB werden voor het eerst gepubliceerd in 2016 en 2017. De noodzaak om deze beleidsmaatregelen te herzien en te actualiseren kwam vooral voort uit nieuwe wetgeving die sindsdien is aangenomen, met name de Verordening Kapitaalvereisten II (CRR II) en de Richtlijn Kapitaalvereisten V (CRD V), die een aantal nieuwe O&D’s introduceerde en andere O&D’s wijzigde of verwijderde. Daarnaast heeft de ECB voorgesteld enkele wijzigingen in haar O&D-beleid door te voeren op basis van de toezichtservaringen die zijn opgedaan sinds de eerste publicatie ervan.

De raadpleging had betrekking op O&D's op verschillende beleidsterreinen, waaronder liquiditeit, eigen vermogen, de reikwijdte van prudentiële consolidatie, de hefboomratio, en de vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen. De meeste veranderingen hebben betrekking op het liquiditeitsbeleid. Dit komt deels omdat de CRR II de nettostabielefinancieringsratio introduceerde als een nieuw bindend liquiditeitsvereiste-’rulebook’, waarmee verschillende nieuwe O&D’s werden geïntroduceerd die de bevoegde autoriteiten moeten toepassen.

De openbare raadpleging, die op 30 augustus 2021 eindigde, was bedoeld om feedback te verzamelen van marktdeelnemers en andere belanghebbenden. De ECB ontving opmerkingen van tien respondenten, voornamelijk sectorverenigingen. De ECB zal na beoordeling van deze opmerkingen de definitieve versies van de herziene O&D-beleidsmaatregelen en een feedback-verklaring publiceren op 29 maart 2022.

5 Organisatorische opzet van ECB-Bankentoezicht

5.1 Nakoming van de verantwoordingsplicht

ECB-Bankentoezicht heeft ook in 2021 intensieve contacten onderhouden met het Europees Parlement en de EU-Raad

Dit Jaarverslag vormt een van de belangrijkste verantwoordingsinstrumenten van ECB-Bankentoezicht ten aanzien van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (de EU-Raad), zoals bepaald in de SSM-Verordening. De Verordening bepaalt dat de toezichtstaken van de ECB moeten voldoen aan passende transparantie- en verantwoordingsvereisten. De ECB hecht groot belang aan de handhaving en volledige toepassing van het verantwoordingskader, dat gedetailleerd wordt omschreven in het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de ECB en in het memorandum van overeenstemming (Memorandum of Understanding – MoU) tussen de EU-Raad en de ECB.

In 2021 vonden alle interacties tussen de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement (ECON) en de Voorzitter van de Raad van Toezicht in virtuele vorm plaats als gevolg van de COVID-19-pandemie. De Voorzitter van de Raad van Toezicht verscheen op 23 maart 2021 voor de ECON tijdens een openbare hoorzitting om het jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden in 2020 te presenteren. Daarnaast verscheen de voorzitter op twee gewone openbare hoorzittingen op 1 juli en 1 oktober 2021. De discussies richtten zich voornamelijk op de toezichtsmaatregelen die de ECB heeft genomen in reactie op de COVID-19-pandemie. Verder gingen de gesprekken over de uitdagingen in de bankensector, zoals de duurzaamheid van de bedrijfsmodellen van banken, de winstgevendheid van banken, het beheersen van klimaatgerelateerde risico's en de impact van digitalisering. Andere onderwerpen waren de versterking van de bankenunie, met bijzondere aandacht voor de tenuitvoerlegging van Bazel III, home/hostkwesties, het kader voor bankencrisisbeheersing en depositogaranties, en hefboomfinanciering.

De Voorzitter van de Raad van Toezicht heeft in 2021 geantwoord op acht schriftelijke vragen van leden van het Europees Parlement

In 2021 beantwoordde de voorzitter van de Raad van Toezicht acht schriftelijke vragen van Europarlementsleden over aangelegenheden op het gebied van bankentoezicht en, in het kader van de rapportageverplichting van de ECB ten aanzien van de nationale parlementen, twee schriftelijke vragen van leden van de nationale parlementen. Alle schriftelijke antwoorden zijn gepubliceerd. In de brieven kwam een veelvoud aan onderwerpen aan de orde, zoals het beheer van kredietrisico's, IT- en cyberrisico's, bestuurskwesties en het prudentieel toezicht op institutionele protectiestelsels.

Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord stelde de ECB de verslagen van de vergaderingen van de Raad van Toezicht aan het Europees Parlement beschikbaar.

Wat betreft de interactie met de EU-Raad in 2021 heeft de Voorzitter van de Raad van Toezicht deelgenomen aan twee uitwisselingen van gedachten met de Eurogroep, op 21 mei en 4 oktober, in beide gevallen in virtuele vorm. De ECB heeft voorafgaand aan de besprekingen met de Eurogroep een overzicht gepubliceerd van de relevante toezichthoudende activiteiten van de ECB. De toezichtsmaatregelen van de ECB op het gebied van kredietrisico's en andere opkomende risico's, zoals de hefboomfinancieringsrisico's, waren een van de belangrijkste gespreksonderwerpen.

De ECB heeft bijgedragen aan de audit van het beleid van de Europese Unie ter bestrijding van het witwassen van geld in de bankensector

Voorts heeft de ECB in 2021, samen met de Commissie en de Europese Bankautoriteit (EBA), bijgedragen aan de audits van de Europese Rekenkamer met betrekking tot het bankentoezicht, namelijk de audit van de Europese Rekenkamer over het beleid van de Europese Unie ter bestrijding van het witwassen van geld in de bankensector. Deze audit werd in juni 2021 afgerond. De ECB werkt aan de behandeling van de aanbevelingen over de efficiëntie van het EU-kader ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme voor zover dit binnen de bevoegdheden van haar toezichthoudende taken valt. Bovendien werkt de ECB momenteel samen met de Europese Rekenkamer ter ondersteuning van haar audit inzake de operationele doelmatigheid van de ECB bij het toezicht op het beheer van niet-renderende leningen door banken.

Kader 6
De ECB en de bestrijding van het witwassen van geld: Het vervolg dat de ECB heeft gegeven aan de audit van de Europese Rekenkamer in 2021 inzake de effectiviteit en volledigheid van het beleid van de Europese Unie ter bestrijding van het witwassen van geld

Hoewel de verantwoordelijkheid voor het toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (anti-money laundering and combating the financing of terrorism – AML/CFT) op nationaal niveau ligt en het AML/CFT-toezicht uitdrukkelijk is uitgesloten van de taken van de ECB, moet de ECB bij het uitvoeren van haar prudentiële toezichtstaken rekening houden met de resultaten van het AML/CFT-toezicht en relevante informatie die is verzameld of opgesteld bij de uitoefening van deze taken delen met de AML/CFT-autoriteiten.[61] In deze context werd de ECB in 2021 gecontroleerd door de Europese Rekenkamer.

In juni 2021 publiceerde de Europese Rekenkamer haar speciale auditverslag over de effectiviteit en volledigheid van het AML/CFT-beleid binnen de EU. In dit verslag benadrukt de Europese Rekenkamer het goede werk dat de ECB heeft verricht bij de integratie van de risico’s met betrekking tot witwassen en financieren van terrorisme in het prudentieel toezicht en hoe de ECB actief informatie uitwisselt met de AML/CFT-autoriteiten. Daarnaast adviseert de Europese Rekenkamer de ECB om haar processen voor de uitwisseling van informatie met de AML/CFT-autoriteiten te vereenvoudigen en haar interne processen voor de integratie van de risico’s met betrekking tot witwassen en financieren van terrorisme in het prudentieel toezicht te actualiseren na de publicatie van de herziene SREP-richtsnoeren van de EBA.

De ECB heeft zich actief ingezet om de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer op de volgende wijze aan te pakken:

  • Er wordt een aanzienlijk vereenvoudigde procedure ingevoerd voor de uitwisseling van informatie in het kader van de multilaterale overeenkomst die overeenkomstig de vijfde AML-richtlijn[62] is ondertekend door de ECB en de nationale AML/CFT-autoriteiten die toezicht houden op kredietinstellingen en financiële instellingen.
  • Bovendien omvatten de interne processen die zijn ontwikkeld om de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken binnen de AML/CFT-colleges, die momenteel worden opgezet door de AML/CFT-autoriteiten en waaraan de ECB als waarnemer zal deelnemen[63], een vereenvoudigde besluitvormingsprocedure om de tijdigheid en efficiëntie van de uitwisseling van informatie tussen de ECB en de AML/CFT-autoriteiten te verbeteren. De ECB is haar deelname aan al deze colleges aan het formaliseren op basis van de taakomschrijvingen die zijn toegezonden aan alle betrokken AML/CFT-autoriteiten.
  • Andere beleidswerkzaamheden die worden uitgevoerd op EBA-niveau, zoals de opstelling van de onlangs gepubliceerde richtsnoeren inzake samenwerking overeenkomstig artikel 117, lid 6, van Richtlijn 2013/36/EU en het ontwerp van technische reguleringsnormen betreffende de centrale AML/CFT-databank die op grond van artikel 9 bis van Verordening (EU) 1093/2010 moet worden opgezet, zullen de uitwisseling van informatie met AML/CFT-autoriteiten verder reguleren en de ECB ondersteunen bij het opvolgen van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer
  • Na publicatie van de gewijzigde SREP-richtsnoeren van de EBA zal de ECB haar SREP-methodologie actualiseren.

In deze context is de ECB zeer verheugd over de publicatie van de wetgevingsvoorstellen van de Commissie ter versterking van het EU-kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.[64] Hoewel er al een aantal verbeteringen zijn aangebracht, deelt de ECB de mening dat verdere veranderingen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het financiële stelsel van de Unie wordt gebruikt voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme, en om de positie van de EU in het mondiale financiële stelsel te onderbouwen. De ECB zal te zijner tijd haar adviezen over de wetgevingsvoorstellen uitbrengen.

De ECB ondersteunt de audit van de Europese Rekenkamer inzake de operationele doelmatigheid van de ECB bij het toezicht op het beheer van niet-renderende leningen door banken

Bovendien droeg het MoU dat de ECB en de Europese Rekenkamer in 2019 hebben ondertekend, bij tot praktische afspraken voor het uitwisselen van informatie tussen de twee instellingen in het kader van de follow-up op de audits van de Europese Rekenkamer met betrekking tot ECB-Bankentoezicht. De stand van uitvoering van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer aan de ECB wordt bijgehouden door de ECB, en de Europese Rekenkamer voert ook follow-ups uit inzake de tenuitvoerlegging van eerder gedane aanbevelingen. In deze context onderzocht de Europese Rekenkamer in het vierde kwartaal van 2021 de door de ECB ondernomen acties om de bevindingen en aanbevelingen in het eerste verslag van de Europese Rekenkamer over de werking van het SSM en in het tweede verslag van de Europese Rekenkamer over de crisisbeheersing aan te pakken[65].

5.2 Transparantie en communicatie

De ECB is meer visuele middelen en eenvoudige, toegankelijke taal gaan gebruiken en heeft de website van ECB-Bankentoezicht vernieuwd

In het licht van de aanhoudende COVID-19-pandemie bleef ECB-Bankentoezicht in 2021 sterk steunen op digitale kanalen en platforms om informatie tijdig, transparant en effectief te verspreiden. Om beter in contact te komen met het grote publiek heeft de ECB haar gebruik van visuele middelen en eenvoudige, toegankelijke taal vergroot. De ECB gebruikte verder een reeks verschillende formats, zoals swipe-berichten op sociale media, video's, podcasts en blogberichten om het bankentoezicht uit te leggen aan mensen met uiteenlopende opleidings- en beroepsachtergronden en verschillende kennis- en begripsniveaus. Een belangrijke mijlpaal was de lancering van de vernieuwde website van de ECB over het bankentoezicht. De nieuwe look stoelt op moderne digitale communicatiemiddelen, met de nadruk op ‘storytelling’ en visuele middelen, verbeterde leesbaarheid en aantrekkelijkere manieren om technische onderwerpen over het voetlicht te brengen.

Deze innovatieve communicatiemiddelen hebben geholpen om de kernboodschappen te versterken die via traditionele middelen worden verspreid, zoals toespraken en interviews. In 2021 hielden de Voorzitter en de Vicevoorzitter 26 toespraken en de vertegenwoordigers van de ECB in de Raad van Toezicht 12 toespraken. Samen gaven ze 18 interviews in de media en postten ze zes blogberichten en opiniestukken. De Voorzitter van de Raad van Toezicht heeft ook een persconferentie gegeven over de resultaten van de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP) in 2020 en over de laatste ontwikkelingen betreffende de COVID-19-pandemie. ECB-Bankentoezicht publiceerde 23 persberichten en 44 andere items, waaronder brieven aan Europarlementsleden, richtsnoeren voor banken en statistieken over het toezicht. In de driemaandelijkse Supervision Newsletter, een digitale publicatie met bijna 9.000 abonnees, werden informatie en updates gegeven over lopende toezichtsprojecten en bevindingen.

ECB-Bankentoezicht publiceerde de resultaten van de door de EBA geleide, in juli 2021 gehouden stresstest. In het kader van deze stresstest onthulde de ECB voor het eerst cijfers op hoog niveau over middelgrote banken die geen deel uitmaakten van de EBA-steekproef. Bovendien begon de ECB MoU’s te publiceren met nationale en internationale autoriteiten; 21 van die samenwerkingsovereenkomsten werden in 2021 gepubliceerd.

ECB-Bankentoezicht heeft ook drie openbare raadplegingen gehouden, onder andere over actualiseringen van het beleid betreffende keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte en het toezicht op deskundigheid en betrouwbaarheid. De tweejaarlijkse vlaggenschipconferentie, het ECB Forum on Banking Supervision, werd in 2021 online gehouden met toespraken en discussies op deskundigenniveau over thema's als kredietrisico en klimaatveranderingsrisico's en de bankenunie.

Om de dialoog te bevorderen tussen ECB-Bankentoezicht en professionele marktdeelnemers vanuit de hele sector die betrokken zijn bij kwesties die verband houden met de bankensector, heeft de ECB een nieuwe contactgroep voor bankentoezicht (Banking Supervision Market Contact Group – BSMCG) opgericht. De BSMCG, die in juli 2021 voor het eerst bijeenkwam, wordt geleid door de voorzitter van de Raad van Toezicht van de ECB. In de groep worden de ontwikkelingen in de bankensector, de structurele en regelgevingstrends, en de impact van de activiteiten van ECB-Bankentoezicht besproken. Op deze manier verzamelt de groep gegevens uit de markt en draagt ze bij aan de analyse door de ECB van de belangrijkste risico's en kwetsbaarheden van banken, en biedt ze tegelijk een speciaal communicatiekanaal met marktpartijen in de bankensector. ECB-Bankentoezicht streeft naar een evenwichtige samenstelling van de groep, waarbij een breed scala aan instellingen en belanghebbenden op de bankenmarkt wordt betrokken. Het lidmaatschap van de groep rouleert in de loop van de tijd. Documenten met betrekking tot de activiteiten van de BSMCG, waaronder vergaderagenda's, deelnemerslijsten en samenvattingen van de bijeenkomsten, zullen regelmatig beschikbaar worden gesteld op de website van ECB-Bankentoezicht.

In 2021 heeft de ECB 1.264 vragen van het publiek beantwoord over thema’s in verband met bankentoezicht, waaronder algemene toezichtsinformatie, klachten over banken of vermeende inbreuken op Europese wetgeving, vergunningen, de klimaatstresstest en de reactie op de COVID-19-crisis. Dankzij de introductie van virtuele activiteiten in het Bezoekerscentrum heeft de ECB zes virtuele lezingen over bankentoezicht kunnen houden, die door in totaal 176 deelnemers werden bijgewoond, en 892 virtuele bezoekers ontvangen, die werden bekendgemaakt met de belangrijkste taken van de ECB en de grondbeginselen van het Europees bankentoezicht.

5.3 Afronding van de reorganisatie van ECB-Bankentoezicht

Een oefening in veranderingsmanagement

Sinds de nieuwe organisatiestructuur op 1 oktober 2020 van kracht werd, zijn er diverse activiteiten op het gebied van veranderingsmanagement verricht om de implementatie ervan te vergemakkelijken. Zo werd er een groep ‘Change Agents’ opgezet en werd er personeel geworven om alle vacatures in de nieuwe structuur te vervullen.

De groep ‘Change Agents’ bestond uit vrijwilligers uit alle organisatie-eenheden van ECB-Bankentoezicht en uit alle hiërarchische niveaus. Zij waren betrokken bij vier verschillende projectwerkstromen.

  1. Samenwerking met de NCA's – gericht op het faciliteren van samenwerking met de NCA's, het onderling delen van expertise en het bevorderen van transparantie in het Europese bankentoezicht. Het implementatiedeel van deze projectwerkstroom bestond uit activiteiten zoals ‘brownbag’-seminars waaraan alle medewerkers uit het Europese bankentoezicht konden deelnemen, uitwisselingsprogramma's tussen de ECB en sommige NCA's, virtuele SSM-brede samenwerkingsinstrumenten en makkelijkere toegang tot SSM-IT-instrumenten in het IT-landschap.
  2. Duidelijkheid over verantwoordelijkheden en taken – gericht op het inventariseren van alle stabiele werkgroepen, netwerken en groepen van deskundigen binnen het SSM, het definiëren van de beoogde operationele modellen van alle organisatie-eenheden en het opstellen van een functioneel telefoonboek om het makkelijker te maken deskundigen op bepaalde gebieden te vinden. De functionaliteiten van SSMnet, een online informatie- en kennisdelingsplatform voor toezichthouders, vergemakkelijkte de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van deze werkstroom.
  3. Processen – gericht op het visualiseren van de belangrijkste stappen en tijdschema’s voor alle interne bankentoezichtsprocessen, evenals informatie over de relevante hulpmiddelen en deskundigen die bij deze processen betrokken zijn. De uitvoering van deze maatregelen is nog aan de gang en is afhankelijk van de functionaliteiten van SSMnet.
  4. Samenwerking tussen directoraten-generaal – gericht op het verbeteren van de zichtbaarheid van de werkzaamheden die door de verschillende organisatie-eenheden worden verricht en van hun prestaties, het doorbreken van de silo-mentaliteit en het bevorderen van teamgeest in alle organisatie-eenheden. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, werd in de werkstroom gebruik gemaakt van activiteiten zoals roadshows, interactieve beurzen en interne werkbezoeken.

Een van de grotere uitdagingen van de reorganisatie was het vervullen van de vacatures in de nieuwe structuur. Hiertoe werd in 2021 een reeks wervingsactiviteiten ondernomen en werden er verschillende rondes van mobiliteitsgesprekken gehouden. Ook werd een intern uitwisselingsprogramma gestimuleerd, en werden er interne en externe wervingscampagnes gelanceerd. Naast het vinden van het juiste talent om de vacatures te vervullen, boden deze wervingsactiviteiten de organisatie-eenheden van ECB-Bankentoezicht ook de mogelijkheid om de genderdoelstellingen te halen die zijn vastgelegd in de genderstrategie van de ECB.[66]

Grafiek 20

Aantal aanstellingen per medewerkersgroep

(van 1 januari 2021 tot 9 december 2021)

Bron: ECB.

5.4 Integratie binnen het SSM

Er zijn twee initiatieven om de integratie binnen het SSM te verbeteren: een programma voor personeelsuitwisseling tussen de ECB en nationale toezichthouders, en een SSM-Hub

In 2021 werden verdere inspanningen verricht om de integratie in het gehele Europese bankentoezicht te verbeteren. Dit resulteerde in twee initiatieven: Een SSM-programma voor personeelsuitwisseling tussen de ECB en nationale toezichthouders en een SSM-Hub.

Het SSM-uitwisselingsprogramma behelst uitwisselingen van medewerkers tussen ECB-Bankentoezicht en personeel van de NCA’s en nationale centrale banken. Het programma beoogt de mobiliteit binnen het Europese bankentoezicht te vergemakkelijken en loopbaantrajecten binnen het SSM te bevorderen, in overeenstemming met de oproep in artikel 31 van de SSM-Verordening tot een passende uitwisseling en detachering van personeel tussen alle NCA’s en de ECB als een manier om een gemeenschappelijke toezichtscultuur tot stand te brengen. In het Europees bankentoezicht is mobiliteit een stimulans voor de verbetering van de samenwerking, veelzijdigheid en organisatorische veerkracht, alsook voor diversiteit en inclusie.

Het programma voor personeelsuitwisseling heeft als doel een gemeenschappelijke toezichtscultuur te bevorderen en de samenwerking, veelzijdigheid en organisatorische veerkracht te verbeteren

In de loop van 2021 startte het eerste proefproject met de Franse autoriteit voor prudentieel toezicht en afwikkeling (Autorité de contrôle prudentiel et de résolution – ACPR), waarbij zes personeelsleden van verschillende anciënniteitsniveaus werden uitgewisseld voor een periode van naar verwachting twee jaar. De personeelsleden blijven onderworpen aan het personeelsreglement van de instelling van herkomst en moeten de bestaande regels van de gastinstelling in acht nemen wat betreft werktijden, telewerken, operationele beleidslijnen en procedures. Aan het einde van de uitwisselingsperiode keren de personeelsleden terug naar hun instelling van herkomst met extra vaardigheden en een breder perspectief, en kunnen zij hun ervaringen gebruiken om een gemeenschappelijke toezichtscultuur te bevorderen.

De eerste door een NCA gecoördineerde SSM-Hub werd opgericht om ervoor te zorgen dat de onder direct toezicht staande banken voldoen aan de vereisten voor risicobehoud, transparantie en hersecuritisatie

Daarnaast werd de eerste door een NCA gecoördineerde SSM-Hub opgericht na aanvaarding door de ECB van nieuwe bevoegdheden om toezicht te houden op de vereisten voor risicobehoud, transparantie en hersecuritisatie, zoals uiteengezet in de artikelen 6, 7 en 8 van de Securitisatieverordening van de EU. Om de ECB bij te staan bij het toezicht op de naleving van deze vereisten, werd de SSM-Hub opgericht overeenkomstig artikel 6, lid 7, van de SSM-Verordening[67]. De Hub wordt geleid door personeel van een “coördinerende NCA”, een rol die tussentijds zal wisselen, waarbij personeel van vrijwillig meewerkende NCA's[68] en extra personeel van de ECB als een “gezamenlijk team” gaan opereren.

De SSM-Hub houdt dagelijks toezicht en assisteert de ECB bij haar taken. De algehele verantwoordelijkheid blijft bij de ECB. De ECB is de autoriteit die de noodzakelijke maatregelen neemt betreffende de onder toezicht staande entiteiten volgens haar gebruikelijke besluitvormingsprocessen, waardoor een uniforme toepassing van de wettelijke bepalingen wordt gewaarborgd. De SSM-Hub biedt waar nodig ook technische ondersteuning, en voert consistentiecontroles uit.

Als eerste mijlpaal werd een niet-bindend Richtsnoer over het melden van securitisatietransacties opengesteld voor openbare raadpleging. Het richtsnoer verduidelijkt welke informatie de onder direct toezicht staande banken die optreden als initiators of sponsors van securitisatietransacties aan hun toezichthouders moeten verstrekken. Van de banken wordt verwacht dat zij het richtsnoer zullen volgen wat betreft alle securitisatietransacties die na 1 april 2022 zijn verricht, d.w.z. het moment waarop de SSM-Hub operationeel wordt.

5.5 Besluitvorming

5.5.1 Vergaderingen en besluiten van de Raad van Toezicht en het Stuurcomité

De Raad van Toezicht van de ECB bestaat uit een Voorzitter (die wordt benoemd voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar), een Vicevoorzitter, vier vertegenwoordigers van de ECB en vertegenwoordigers van de NCA’s. Als de NCA geen nationale centrale bank is, mag de vertegenwoordiger van de NCA vergezeld worden door een vertegenwoordiger van de relevante nationale centrale bank. In dat geval worden de vertegenwoordigers voor de toepassing van de stemprocedure samen beschouwd als één lid.

De Raad van Toezicht heeft in 2021 16 vergaderingen gehouden, telkens online

De Raad van Toezicht van de ECB heeft in 2021 16 keer vergaderd. Als gevolg van de pandemie werden alle formele bijeenkomsten gehouden via videoconferentie. Het virtuele karakter van de vergaderingen heeft de beraadslagingen en discussies binnen de Raad van Toezicht echter niet belemmerd. Bovendien heeft de Raad van Toezicht op uitnodiging van de Nationale Bank van België in oktober 2021 in Brussel een strategische retraite gehouden, waarbij de leden met inachtneming van alle plaatselijk geldende COVID-19-maatregelen bijeenkwamen om van gedachten te wisselen over de door het SSM vastgestelde risico's en prioriteiten voor 2022, de uitdagingen op toezichtsgebied in de post-pandemische omgeving, en hoe tot betere integratie binnen het SSM te komen. Wat dit laatste betreft, is afgesproken om een aantal initiatieven te ontplooien ter verbetering van de samenwerking binnen het Europese bankentoezicht, waarbij de nadruk wordt gelegd op gebieden als gemeenschappelijke cultuur en loopbaantrajecten, geïntegreerde planning, nauwere samenwerking gedurende de toezichtscyclus, en hulpmiddelen, technologie en training.

Het Stuurcomité[69] van de Raad van Toezicht heeft in 2021 tien vergaderingen gehouden, die allemaal via videoconferentie verliepen.

Het Stuurcomité heeft tien gewone vergaderingen en 14 extra vergaderingen gehouden om belangrijke thema's te bespreken

Daarnaast heeft het Stuurcomité 14 extra vergaderingen gehouden, waarin de nadruk vooral lag op digitalisering en de vereenvoudiging van de SSM-processen, en op integratie binnen het SSM. Al deze vergaderingen vonden plaats via videoconferentie en deelname stond open voor alle geïnteresseerde leden van de Raad van Toezicht.

Raad van Toezicht

In 2021 heeft de ECB 2.362 toezichtsbesluiten[70] uitgebracht voor specifieke entiteiten onder haar toezicht (Figuur 2). Hiervan werden 1.162 besluiten goedgekeurd door de hoofden van de ECB-arbeidseenheden, in overeenstemming met het algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichtstaken verband houdende rechtsinstrumenten. Er werden 1.200 besluiten goedgekeurd door de Raad van Bestuur overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure, op basis van een ontwerpvoorstel van de Raad van Toezicht. Naast deze toezichtsbesluiten heeft de ECB impliciet haar goedkeuring gehecht aan 177[71] handelingen (zoals de vestiging van een bijkantoor) door geen bezwaar te maken binnen de wettelijke termijnen.

De meeste toezichtsbesluiten hielden verband met procedures voor deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen (49,2%), interne modellen (11,2%), eigen vermogen (9,5%), nationale bevoegdheden (9,5%) en gekwalificeerde deelnemingen (3,8%).

De Raad van Toezicht heeft besluiten genomen over verschillende horizontale kwesties, met name de toepassing van gemeenschappelijke methoden en kaders voor specifieke toezichtsgebieden

Naast de definitieve ontwerpbesluiten over individuele banken die werden voorgelegd aan de Raad van Bestuur voor het verkrijgen van een verklaring van geen-bezwaar, heeft de Raad van Toezicht besluiten genomen over verschillende horizontale kwesties, met name over de toepassing van gemeenschappelijke methodieken en kaders voor specifieke toezichtsgebieden. Sommige van die besluiten werden voorbereid door tijdelijke, door de Raad van Toezicht aangewezen structuren. Deze structuren bestonden uit hoge vertegenwoordigers van de ECB en de NCA's en voerden voorbereidend werk uit over onderwerpen als de securitisatievereisten voor banken en de ontwikkeling van methodologieën voor de klimaatrisicostresstest in 2022 om te beoordelen hoe extreme weersomstandigheden banken zouden kunnen beïnvloeden, hoe kwetsbaar banken zijn voor scherpe stijgingen van de prijs van CO2-emissies, en hoe banken in de komende 30 jaar kunnen reageren op verschillende transitiescenario's.

Bovendien resulteerden sommige besluiten van de Raad van Toezicht in openbare gidsen en rapporten, zoals de “ECB-Gids voor beoordeling van de deskundigheid en betrouwbaarheid”, de gids van de ECB inzake de methode voor de bepaling van administratieve geldboetes ('Guide to the method of setting administrative pecuniary penalties') of het verslag over de beoordeling van de aanpak van banken om klimaat- en milieurisico's te beheersen ('Report on the supervisory review of banks’ approaches to manage climate and environmental risks').

Op basis van de opgedane ervaringen werd in 2021 een technische herziening van de delegatieregelingen afgerond

Om het besluitvormingsproces te vereenvoudigen, heeft de ECB verschillende delegatieregelingen getroffen voor deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten, significantiebesluiten en besluiten over het eigen vermogen, alsook voor besluiten over nationale bevoegdheden, paspoortprocedures en gemeenschappelijke procedures. Op basis van de lessen die sinds 2017 zijn getrokken uit de praktische implementatie van de bestaande delegatieregelingen, werd in 2021 een technische herziening van deze delegatieregelingen afgerond. Dit resulteerde in de verfijning van verschillende delegatiecriteria, de uitbreiding van de delegatieregelingen naar instructies in het kader van nauwe samenwerking en de onderlinge afstemming van de verschillende regelingen, waardoor hun doelmatigheid en consistentie verder werden vergroot. Daarnaast werd een nieuwe delegatieregeling voor interne modellen, en voor verlenging van termijnen in het algemeen, aangenomen.

Voor de meeste besluiten volgde de Raad van Toezicht een schriftelijke procedure[72].

Tweeëndertig van de 115 bankgroepen die in 2021 onder direct toezicht van de ECB stonden, hebben aangegeven officiële ECB-besluiten in een andere officiële EU-taal dan het Engels te willen ontvangen (ten opzichte van 33 in 2020).

Figuur 2

Besluiten van de Raad van Toezicht in 2021

Toelichting:
1) Dit cijfer omvat schriftelijke procedures voor individuele toezichtsbesluiten en voor andere kwesties zoals gemeenschappelijke methodieken en raadplegingen van de Raad van Toezicht. Eenzelfde schriftelijke procedure kan verschillende toezichtsbesluiten bevatten.
2) Dit cijfer heeft betrekking op de afzonderlijke toezichtsbesluiten die waren gericht aan onder toezicht staande entiteiten, of potentiële kopers daarvan, evenals op instructies aan NCA’s over belangrijke of minder belangrijke instellingen. Verder werden 177 handelingen impliciet goedgekeurd. Eenzelfde besluit kan verschillende goedkeuringen bevatten.
3) De 1.249 besluiten over deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen hebben betrekking op 2.627 individuele procedures (zie Paragraaf 2.2).

5.5.2 Werkzaamheden van de Administratieve Raad voor Toetsing

In 2021 heeft de Administratieve Raad voor Toetsing (Administrative Board of Review – ABoR)[73] één advies uitgebracht over een verzoek voor een administratieve toetsing (zie Tabel 7). In dat advies stelde de ABoR voor dat de Raad van Toezicht het betwiste besluit zou intrekken.

In het advies werd ingegaan op kwesties die verband houden met de bevoegdheid van de ECB om op nationale wetgeving gebaseerde toezichtsmaatregelen te nemen, waarbij de ABoR benadrukte dat het proportionaliteitsbeginsel dient te worden toegepast bij het goedkeuren van een toezichtsbesluit, evenals het beginsel dat binnen een redelijke termijn actie moet worden ondernomen.

2021 werd gekenmerkt door een aantal wijzigingen in de samenstelling van de ABoR

Het jaar werd tevens gekenmerkt door een aantal wijzigingen in de samenstelling van de ABoR. Nadat in het Publicatieblad van de EU een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling was gepubliceerd om de vacante positie van ABoR-lid en de twee vacante posities van plaatsvervanger te vervullen, heeft de Raad van Toezicht Pentti Hakkarainen benoemd als nieuw lid per 1 februari 2022 en Christiane Campill en Damir Odak als nieuwe plaatsvervangers per 1 december 2021. De huidige samenstelling van de ABoR is dus als volgt: Voorzitter: nog te benoemen, Vicevoorzitter: Concetta Brescia Morra, Leden: André Camilleri, Pentti Hakkarainen en René Smits, Plaatsvervangers: Christiane Campill en Damir Odak.

Tabel 7

Aantal toetsingen uitgevoerd door de ABoR

Bron: ECB.
* Eén advies had betrekking op twee ECB-besluiten.

5.5.3 Selectie van een nieuwe ECB-vertegenwoordiger in de Raad van Toezicht

De opvolger van Pentti Hakkarainen als ECB-vertegenwoordiger in de Raad van Toezicht, Anneli Tuominen, is benoemd en zal begin 2022 haar werkzaamheden aanvangen

Omdat de ambtstermijn van Pentti Hakkarainen officieel op 31 januari 2022 afliep, kwam er begin 2022 één mandaat van ECB-vertegenwoordiger in de Raad van Toezicht vrij. Overeenkomstig de SSM-Verordening en ECB-Besluit 2014/4[74] was het de verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur van de ECB om de opvolger van de heer Hakkarainen te benoemen.

Na de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling die in november 2021 werd gepubliceerd[75], heeft de Raad van Toezicht op 16 december 2021 Anneli Tuominen, die momenteel de functie bekleedt van directeur-generaal van de Finse autoriteit voor financieel toezicht (Finanssivalvonta), benoemd tot vertegenwoordiger van de ECB in de Raad van Toezicht voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar. Mevrouw Tuominen treedt op 1 juni 2022 toe tot het team van ECB-vertegenwoordigers, waarin tevens Edouard Fernandez-Bollo, Elizabeth McCaul en Kerstin af Jochnick zitting hebben.

In haar dagelijkse werkzaamheden zal mevrouw Tuominen de Voorzitter en Vicevoorzitter van de Raad van Toezicht ondersteunen en zal zij – op verzoek van de Voorzitter van de Raad van Toezicht – ECB-Bankentoezicht intern en extern vertegenwoordigen.

5.6 Toepassing van de gedragscode

Overeenkomstig artikel 19, lid 3, van de SSM-Verordening heeft de ECB een ethisch kader ingesteld voor hoge ambtenaren, directieleden en het personeel van de ECB. Dit kader bestaat uit de Gedragscode voor hoge ambtenaren van de ECB, een specifiek hoofdstuk in het personeelsreglement van de ECB en het richtsnoer tot vaststelling van het Ethisch Kader voor het SSM[76]. De tenuitvoerlegging en verdere ontwikkeling van dit kader werd ondersteund door het Ethisch Comité van de ECB, het Bureau Naleving en Governance (Compliance and Governance Office – CGO) en de Ethics and Compliance Officers Task Force (ECTF).

In 2021 bracht het Ethisch Comité vier adviezen uit over hoge ambtenaren van de ECB die betrokken waren bij het toezicht op banken, waarvan de meeste verband hielden met belangenconflicten

In 2021 heeft het Ethisch Comité, overeenkomstig zijn mandaat, de belangenverklaringen van de leden van de Raad van Toezicht beoordeeld voordat zij op de website van ECB-Bankentoezicht werden gepubliceerd. Overeenkomstig haar transparantiebeleid bleef de ECB de adviezen van het Ethisch Comité publiceren voor alle gevallen van belangenconflicten en voor gevallen van bezoldigde beroepswerkzaamheden na afloop van het mandaat[77]. Het Ethisch Comité heeft vier adviezen uitgebracht over hoge ambtenaren van de ECB die betrokken waren bij het toezicht op banken, waarvan het merendeel betrekking had op privé-activiteiten.

Het CGO organiseerde ook zijn regelmatige controle op de naleving van de regels inzake persoonlijke financiële transacties van medewerkers en hoge ambtenaren van de ECB. Bij deze oefening werd slechts een beperkt aantal gevallen van niet-naleving geconstateerd, waarvan ongeveer de helft betrekking had op personeel van ECB-Bankentoezicht. In geen van deze gevallen was er sprake van opzettelijk laakbaar handelen of andere ernstige inbreuken op de regels.

Naast het organiseren van opleidingen, e-learningprogramma’s en informatiecampagnes over het ethisch kader, zoals de Ethics Awareness Week en de Open Ethics Days voor nieuwkomers, heeft het CGO ongeveer 2.050 vragen beantwoord over een breed scala van onderwerpen en circa 45% daarvan werd ingediend door medewerkers van ECB-Bankentoezicht. Bijna 54% van deze vragen had betrekking op persoonlijke financiële transacties van de medewerkers, gevolgd door vragen over beperkingen na beëindiging van het dienstverband en externe activiteiten (Grafiek 21).

Grafiek 21

Overzicht van in 2021 ontvangen vragen van medewerkers van ECB-Bankentoezicht

Bron: ECB.

Voor een van de bij het bankentoezicht betrokken medewerkers die in 2021 ontslag namen, trad een in het ethisch kader voorziene afkoelingsperiode in.

Het herziene SSM-richtsnoer zal de ethische regelingen bij de NCA's verder verbeteren en harmoniseren

Als onderdeel van zijn inspanningen om een sterke gemeenschappelijke ethische cultuur op te bouwen, heeft de ECTF, die sindsdien is omgevormd tot de Ethics and Compliance Conference om de toenemende relevantie van zaken als goed gedrag en goed bestuur beter tot uitdrukking te brengen, in 2021 aanzienlijke stappen gezet naar verbetering en harmonisering van de ethische regelingen van de NCA's door de inhoudelijke herziening van het SSM-richtsnoer inzake de vaststelling van een ethisch kader[78], die is goedgekeurd door de Raad van Bestuur. Met het oog op een effectievere aanpak van belangenconflicten versterkt het Richtsnoer de bepalingen die van toepassing zijn voor en na uitdiensttreding, evenals de regels voor persoonlijke financiële transacties. De ECB en de NCA's gaan de nieuwe vereisten in juni 2023 ten uitvoer leggen.

5.7 Het beginsel van scheiding tussen monetair beleid en toezicht in de praktijk

Het beginsel van scheiding tussen monetair beleid en toezicht werd in 2021 vooral toegepast bij de uitwisseling van informatie tussen de verschillende beleidsgebieden.

Overeenkomstig Besluit ECB/2014/39 houdende de tenuitvoerlegging van scheiding tussen de monetaire beleidsfunctie en de toezichtsfunctie van de ECB[79] diende de uitwisseling van informatie te geschieden op 'need-to-know'-basis, wat wil zeggen dat elk beleidsgebied moest aantonen dat de gevraagde informatie noodzakelijk was om zijn beleidsdoelen te bereiken.

In de meeste gevallen werd de toegang tot vertrouwelijke informatie rechtstreeks verleend door de ECB-beleidsfunctie die de informatie in haar bezit had. Dit gebeurde in overeenstemming met Besluit ECB/2014/39, dat bepaalt dat toegang tot geanonimiseerde data of niet-beleidsgevoelige informatie rechtstreeks door de beleidsfuncties mag worden verleend. De Directie hoefde dus niet tussenbeide te komen om mogelijke belangenconflicten op te lossen.

Desalniettemin moest de Directie een paar maal in actie komen op grond van Besluit ECB/2014/39, om de uitwisseling mogelijk te maken van niet-geanonimiseerde informatie over individuele banken of beleidsgevoelige beoordelingen. De toegang tot deze gegevens werd op ‘need-to-know’-basis verleend voor een beperkte periode, na een beoordeling van de business case, om te waarborgen dat op elk relevant moment aan de ‘need-to-know’-eis werd voldaan.

In 2021 werd een noodbepaling voor verzoeken om toegang tot COVID-19-gegevens toegepast

Wat de gegevens met betrekking tot de pandemie betreft, werd de noodbepaling in artikel 8 van Besluit ECB/2014/39 in maart 2020 door de Directie geactiveerd. Hierdoor vervalt de noodzaak voor de Directie om goedkeuring te geven voor het delen van COVID-19-gerelateerde informatie, onder voorbehoud van een strikte ‘need-to-know’-eis. In 2021 werd deze vrijstelling toegepast op diverse uitwisselingen van bankgegevens die in het kader van COVID-19 waren verzameld. Net als hierboven werd de toegang tot deze gegevens op ‘need-to-know’-basis verleend voor een beperkte periode, na een beoordeling van de business case, om te waarborgen dat te allen tijde aan de ‘need-to-know’-eis werd voldaan.

Op het niveau van de besluitvorming leverde de scheiding geen problemen op, en het Bemiddelingspanel hoefde niet in actie te komen.

5.8 Kader voor de rapportage van toezichtsgegevens

5.8.1 Ontwikkelingen in het kader voor gegevensrapportage

Na wijzigingen in de regelgeving werden nieuwe rapportagekaders ingevoerd

In 2021 hebben wijzigingen in het kader voor toezichtsrapportage van de EU ertoe geleid dat de bestaande Uitvoeringsverordening van de Commissie[80] is vervangen door een aantal nieuwe verordeningen[81]. De door de EBA gespecificeerde wijzigingen in taxonomie 3.0 zijn door de ECB in samenwerking met de NCA's succesvol doorgevoerd. Ook de wijzigingen die op het niveau van de rapporterende banken zijn aangebracht, zijn opgenomen. Deze maken het mogelijk om informatie te verzamelen over onder andere de herziene hefboomratio, het herziene per saldo stabiele financieringspercentage, het tegenpartijrisico, de nieuwe minimumvereisten voor de totale verliesabsorptiecapaciteit, eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, en de fundamentele herziening van de handelsportefeuille.

Er werd een nieuw gecentraliseerd indieningsplatform voor het verzamelen van ad-hocgegevens geïntroduceerd

De ECB heeft ook een speciaal nieuw platform ontwikkeld om toezichtsgegevens van externe partijen te verzamelen, te weten CASPER (Centralised Submission Platform), dat gebruik maakt van het ECB Identity Portal voor centrale identificatie, authenticatie en accountbeheer van gebruikers. Via CASPER kunnen externe organisaties op veilige wijze gestructureerde gegevens bij de ECB indienen. De gegevens worden automatisch gevalideerd en de resultaten kunnen via het platform worden besproken met de desbetreffende ECB-teams. De ECB zal CASPER geleidelijk meer gaan gebruiken om ad-hocverzoeken van banken te verzamelen. Deze worden momenteel door de gezamenlijke toezichtsteams verzameld via verschillende processen, zoals uitwisseling van e-mails of gedeelde mappen. Deze nieuwe functie zal naar verwachting tot een aanzienlijke verbetering leiden van de efficiëntie van het algehele proces voor het verzamelen en valideren van gegevens.

In 2021 heeft de Task Force on the Harmonisation of the Sequential Approach (TFHSA)[82] gedetailleerde bedrijfsvereisten opgesteld nadat de Raad van Toezicht in oktober 2020 de leidende beginselen en vereisten op hoog niveau had goedgekeurd. De uiteindelijke bedrijfsvereisten die door de ECB en de NCA's moeten worden geïmplementeerd, hebben tot doel een minimumreeks gemeenschappelijke normen vast te stellen om de methoden voor het verzamelen, valideren en verspreiden van toezichtsgegevens binnen het SSM te harmoniseren, en een gelijk speelveld voor onder toezicht staande instellingen te creëren.

De SSM-brede gegevensverzamelingsdatabank[83] heeft tot doel de rapportagelast voor banken te verminderen door dubbele gegevensverzoeken die door toezichthouders binnen het SSM worden verzonden, te elimineren. In 2021 werd de databank aangepast om aanvullende informatie te verzamelen over het aantal gegevenspunten bij elk gegevensverzoek, voor verdere analyse. Om de rapportagelast voor de onder toezicht staande entiteiten te helpen verminderen en om het eenvoudiger te maken dubbele gegevenspunten te signaleren, werden alle horizontale gegevensverzoeken van de ECB gemodelleerd met behulp van het bedrijfsgegevenswoordenboek van de ECB.

De ECB publiceerde een nieuw interactief dashboard met de kernindicatoren van de bankensector, en Pijler 3-gegevens over maatregelen in reactie op de COVID-19-crisis

De ECB heeft de transparantie en beschikbaarheid van de toezichtsgegevens die zijn gepubliceerd in de rubriek toezichtsgegevens van de website van ECB-Bankentoezicht verder vergroot. Er is een nieuw interactief dashboard geïntroduceerd, dat het publiek een overzicht geeft van de belangrijkste indicatoren. Voor het eerst heeft de ECB ook Pijler 3-informatie van afzonderlijke entiteiten gepubliceerd over blootstellingen die onderworpen zijn aan wettelijk vastgestelde en niet wettelijk vastgestelde moratoria, en over nieuwe blootstellingen die onderworpen zijn aan overheidsgarantieregelingen (overeenkomstig de EBA-richtsnoeren betreffende rapportage en openbaarmaking van blootstellingen die onderworpen zijn aan maatregelen in reactie op de COVID-19-crisis). De ECB heeft de Pijler 3-informatie en de reglementaire rapportage onderling afgestemd, wat resulteerde in veel consistentere gegevens.

5.8.2 Informatiebeheer

Het informatiebeheersysteem voor het SSM (Information Management System – IMAS) is het centrale IT-systeem dat alle Europese bankentoezichthouders in hun dagelijkse werk ondersteunt en hen de informatie verschaft die ze nodig hebben. In 2021 werden diverse toezichtsprocedures toegevoegd aan het IMAS, waaronder de nieuwe methodologie voor de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie, de risicogebaseerde benadering voor het bepalen van aanvullende eigenvermogensvereisten, de beoordeling van triggers voor vroegtijdige-interventiemaatregelen, en de nieuwe goedkeuringsprocedures voor (gemengde) financiële holdings.

Het IMAS-portaal is een belangrijke stap in het SSM-digitaliseringsproces die bijdraagt aan meer transparantie voor onder toezicht staande instellingen

Het nieuwe IMAS-portaal, dat in oktober 2020 werd gelanceerd, maakt online interactie en uitwisseling van informatie mogelijk tussen toezichthouders en onder toezicht staande entiteiten. Sinds januari 2021 gebruiken belangrijke instellingen het IMAS-portaal om hun aanvragen voor geschiktheidsbeoordelingen in te dienen, de status van hun beoordelingen online te verifiëren en daarmee verband houdende informatie uit te wisselen met de toezichthouders. In dit opzicht is het IMAS-portaal een zeer belangrijke stap in het SSM-digitaliseringsproces, aangezien het bijdraagt aan meer transparantie voor de onder toezicht staande instellingen, het operationele risico vermindert voor zowel toezichthouders als banken, en tot meer efficiëntie leidt. Naast de geschiktheidsbeoordelingen zijn er in 2021 nog andere toezichtsprocedures aan het IMAS-portaal toegevoegd, zoals het indienen van paspoortmeldingen, aanvragen voor het verwerven van gekwalificeerde deelnemingen en meldingen van niet-materiële aanpassingen in modellen.

Bovendien zijn er diverse wijzigingen aangebracht in de rapportagemodule IDRA (IMAS Data Reporting and Analytics). Deze wijzigingen waren bedoeld om nieuwe toezichtsgegevens beschikbaar te maken voor extractie en verkenning, en om de module uit te rusten met moderne rapportage-instrumenten voor gegevensvisualisatie.

In 2021 begon ECB-Bankentoezicht met de integratie van de kernsystemen van het SSM in het kader van de Digital Agenda van het SSM, met als doel het SSM te positioneren als voorloper bij het implementeren van geavanceerde technologieën in het bankentoezicht.

6 Verslag van de begrotingsbesteding

6.1 Uitgaven voor 2021

De uitgaven van de ECB in 2021 waren iets lager dan geraamd

De SSM-Verordening bepaalt dat de ECB over voldoende middelen moet beschikken om haar toezichtstaken doeltreffend uit te voeren. Deze middelen worden gefinancierd met een toezichtsvergoeding die ten laste komt van de entiteiten waarop de ECB toezicht houdt.

De uitgaven voor de toezichtstaken zijn afzonderlijk herkenbaar binnen de begroting van de ECB. Deze uitgaven bestaan uit de directe uitgaven van ECB-Bankentoezicht. Daarnaast maakt de toezichtsfunctie ook gebruik van gemeenschappelijke diensten die worden verleend door de ondersteunende organisatie-eenheden van de ECB.[84]

De begrotingsbevoegdheid van de ECB ligt bij haar Raad van Bestuur. Op grond van een voorstel van de Directie en in overleg met de Voorzitter en de Vicevoorzitter van de Raad van Toezicht stelt dit orgaan de jaarlijkse begroting van de ECB vast voor zaken die verband houden met het bankentoezicht. De Raad van Bestuur wordt hierin bijgestaan door het Begrotingscomité (Budget Committee – BUCOM), waarin leden afkomstig van alle nationale centrale banken van het Eurosysteem en de ECB zitting hebben. Hiertoe verstrekt het BUCOM aan de Raad van Bestuur beoordelingen over de verslagen van de ECB inzake begrotingsplanning en -toezicht.

In 2021 bedroegen de werkelijke jaarlijkse uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB € 577,5 miljoen, ofwel 2,9% minder dan de raming van € 594,5 miljoen die in maart 2021 was meegedeeld.

De uitgaven voor de belangrijkste toezichtstaken lagen nog steeds onder het niveau van vóór de pandemie

De uitgaven voor de belangrijkste toezichtstaken lagen nog steeds onder het normale niveau in 2021. De stijging van de uitgaven met 7,9% ten opzichte van 2020 weerspiegelt hoofdzakelijk de ingebruikname van nieuwe IT-systemen voor bankentoezicht, die worden opgenomen in de categorie van de horizontale taken en gespecialiseerde diensten. Nadere informatie over deze activiteiten is te vinden in Paragraaf 5.8.

Tabel 8

Kosten van de toezichtstaken van de ECB per functie (2019-2021)

(EUR miljoen)

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

De classificatie in Tabel 8 wordt gebruikt voor de verdeling van de jaarlijkse kosten die via jaarlijkse toezichtsvergoedingen moeten worden verhaald van onder toezicht staande entiteiten, op basis van de toezichtsstatus van deze laatste als belangrijke of minder belangrijke instellingen. In de in artikel 8 van de Vergoedingenverordening[85] vastgelegde methodologie voor de verdeling van de jaarlijkse toezichtsvergoedingen wordt bepaald dat de kosten voor horizontale taken en gespecialiseerde diensten evenredig worden toegerekend op basis van de totale kosten voor, respectievelijk, het toezicht op de belangrijke instellingen en het oversight op het toezicht op de minder belangrijke instellingen. Voor elke groep omvatten de kosten de toerekening van de gemeenschappelijke diensten die door de ondersteunende organisatie-eenheden van de ECB worden verleend.

In overeenstemming met het streven van de ECB naar meer transparantie en verantwoording is de rapportage over de uitgaven van de ECB voor haar toezichtstaken aangepast. Tabel 9 biedt meer gedetailleerde informatie over de uitgaven volgens de uitgevoerde werkzaamheden, met name:

  • toezicht op afstand en surveillance, met inbegrip van de kosten van de deelname van de ECB aan JST’s en het toezicht op minder belangrijke banken of bankgroepen;
  • deelname van de ECB aan inspecties ter plaatse, waaronder grensoverschrijdende missies;
  • beleids-, advies- en regelgevingstaken, waaronder significantiebeoordelingen, autorisaties, samenwerking met andere instellingen, methodologie en planning, toezichtkwaliteitsborging, handhavings- en sanctieprocedures;
  • crisisbeheersing;
  • macroprudentiële taken, waaronder de taken inzake stresstests en toezichtsbeleid;
  • toezichtsstatistieken met betrekking tot het kader voor gegevensrapportage;
  • besluitvorming van de Raad van Toezicht en zijn Secretariaat en juridische diensten.

Tabel 9

Uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB

(EUR miljoen)

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

De toenames in de uitgaven voor beleids-, advies- en regelgevingstaken en voor macroprudentiële taken zijn toe te schrijven aan ontwikkelingen in de IT-systemen, met name het informatiebeheersysteem voor het SSM (IMAS) en het Stress Test Account Reporting platform (STAR). De stijging in de uitgaven voor de categorie “Raad van toezicht, secretariaat en toezichtsrecht” is voornamelijk het gevolg van aanzienlijke investeringen in 2021 in toezichtstechnologieën (suptech) die het potentieel van kunstmatige intelligentie en andere baanbrekende suptech op het gebied van bankentoezicht benutten in het voordeel van interne en externe belanghebbenden.

Ter aanvulling van haar interne middelen doet de ECB ook een beroep op externe consultancydiensten om gespecialiseerde expertise of geïntegreerde consultancy onder gekwalificeerde interne begeleiding te verkrijgen, zodat tijdelijke tekorten aan middelen kunnen worden aangepakt. In 2021 gaf de ECB € 38,9 miljoen uit aan consultancydiensten voor haar belangrijkste toezichtstaken, ofwel € 8,5 miljoen meer dan in 2020. Van dit bedrag werd € 23,7 miljoen besteed aan externe middelen voor ontwikkelingen in IT-systemen, € 7,9 miljoen aan alomvattende beoordelingen en € 6,4 miljoen aan “reguliere” toezichtsactiviteiten ter plaatse, waaronder grensoverschrijdende missies. Nadere informatie over deze activiteiten is te vinden in Paragraaf 1.

De uitgaven voor zakenreizen in verband met de directe toezichtsactiviteiten voor belangrijke en minder belangrijke instellingen daalden verder in 2021, tot € 0,3 miljoen, als gevolg van het nog steeds doorwerkende effect van de pandemie op reizen.

In het Jaarverslag over de toezichtswerkzaamheden voor 2020 voerde de ECB specifieke rapportage in voor de uitgaven, waarin de kosten worden uitgesplitst naar kostencategorie op basis van de kosten en gemeenschappelijke diensten die rechtstreeks aan ECB-Bankentoezicht kunnen worden toegerekend.

Grafiek 22

Kosten van de toezichtstaken van de ECB per kostencategorie

(EUR miljoen)

Bron: ECB.

De rechtstreeks toerekenbare uitgaven bestaan uit de kernkosten van het toezichtspersoneel, de uitgaven voor toezichtsinitiatieven (waaronder de kosten in verband met de alomvattende beoordelingen), andere bedrijfsuitgaven zoals zakenreizen en opleidingen, en de uitgaven voor gespecialiseerde informatie-technologie zoals IMAS en het STAR (Stress Test Account Reporting)-platform en suptech.

De categorie van de gemeenschappelijke diensten omvat diensten die zowel door de centralebankfunctie als door de bankentoezichtsfunctie worden gebruikt. Deze diensten worden ondergebracht in de volgende clusters: huisvesting en faciliteiten, HR-diensten, gemeenschappelijke IT-diensten, gemeenschappelijke juridische, administratieve en auditdiensten, communicatie- en vertaaldiensten, en overige diensten. De kosten van deze gemeenschappelijke diensten worden verdeeld over de twee functies aan de hand van een kostentoerekeningsmechanisme waarbij rekening wordt gehouden met de voor de sector gebruikelijke parameters zoals voltijdequivalenten (fte’s), kantoorruimte en aantal vertaalaanvragen. Als onderdeel van haar streven naar efficiëntieverbeteringen verfijnt de ECB routinematig de kostentoerekeningsparameters.

De rechtstreeks toerekenbare kosten zijn gestegen, voornamelijk als gevolg van voortdurende IT-ontwikkelingen

In 2021 bedroegen de totale werkelijke uitgaven € 577,5 miljoen. De rechtstreeks toerekenbare uitgaven beliepen € 337,9 miljoen en de gemeenschappelijke diensten vertegenwoordigden € 239,6 miljoen, ofwel respectievelijk 58,5% en 41,5% van de werkelijke uitgaven.

Mede als gevolg van de afschrijving van IMAS en STAR stegen de rechtstreeks toerekenbare uitgaven voor informatietechnologie en aanverwante projecten tot € 17,0 miljoen. De rechtstreeks toerekenbare uitgaven voor suptech vertegenwoordigden € 14,9 miljoen.

In 2021 waren de uitgaven voor gemeenschappelijke diensten € 11,2 miljoen lager dan in 2020. Er was opnieuw een aanhoudend grote vraag naar diensten in verband met huisvesting en faciliteiten, om ervoor te zorgen dat een veilige werkomgeving kon worden gehandhaafd in de gebouwen van de ECB. Deze vraag werd echter meer dan gecompenseerd door de afname in het gebruik van gemeenschappelijke IT- en HR-diensten, als gevolg van de verbeterde rechtstreekse toerekening van de diensten.

6.2 Projecties van de vergoedingen voor bankentoezicht in 2022

De ECB blijft voorzichtig in haar raming van de toezichtsvergoedingen voor 2022

Rekening houdend met de lager dan geraamde werkelijke kosten voor de toezichtstaken in de laatste twee jaar, is de ECB voorzichtig gebleven in de raming van haar uitgaven voor 2022, met als resultaat een geraamde toezichtsvergoeding van € 624,1 miljoen voor 2022. De ECB verwacht in totaal € 678,9 miljoen uit te geven aan toezichtstaken in 2022. In dit bedrag wordt rekening gehouden met de verwachte terugkeer naar normalere activiteitsniveaus, met voortdurende investeringen in de ontwikkeling van IT-systemen voor bankentoezicht, waaronder de internalisering van consultancykosten voor het STAR-platform, evenals met de hogere personeelskosten als gevolg van de 25 fte’s die de Raad van Bestuur in 2020 heeft goedgekeurd voor het SSM en aanverwante gemeenschappelijke diensten.

De ECB zal flexibel blijven reageren op externe factoren, ingeval de omstandigheden een hervatting van normalere activiteitsniveaus in 2022 toelaten.

In overeenstemming met haar verbintenis om op middellange termijn te evolueren naar kostenstabiliteit, is de ECB voornemens de geplande uitgaven voor haar huidige mandaten op het gebied van Europees bankentoezicht te stabiliseren vanaf 2023.

Tabel 10

Geraamde kosten van ECB-Bankentoezicht in 2022 per functie

(EUR miljoen)

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

De jaarlijkse toezichtsvergoeding voor 2022, die zal worden geheven in 2023, zal pas aan het einde van de vergoedingsperiode bekend zijn en zal de werkelijke uitgaven voor het volledige jaar 2022 omvatten, met inachtneming van de bedragen die worden terugbetaald aan of geïnd bij individuele banken voor eerdere vergoedingsperioden, van ontvangen vertragingsrente en oninbare vergoedingen. Het aandeel van het totaalbedrag dat zal worden geheven bij elke categorie van instellingen wordt geraamd op 95,6% voor belangrijke instellingen en 4,4% voor minder belangrijke instellingen.

Tabel 11

Raming van de uitgaven voor de toezichtstaken van de ECB in 2022

(EUR miljoen)

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

6.3 Vergoedingenkader voor 2021

De ECB heeft de tenuitvoerlegging van het nieuwe kader voor toezichtsvergoedingen afgerond

De SSM-Verordening en de Vergoedingenverordening vormen het juridisch kader op grond waarvan de ECB een jaarlijkse toezichtsvergoeding heft ter dekking van de uitgaven voor haar toezichtstaken. In de Vergoedingenverordening en het bijbehorende Besluit[86] is vastgelegd volgens welke methode: (i) het totale bedrag van de jaarlijkse toezichtsvergoeding wordt bepaald; (ii) het bedrag wordt berekend dat elke onder toezicht staande instelling verschuldigd is; en (iii) de jaarlijkse toezichtsvergoeding wordt geïnd.

In 2021 heeft de ECB de tenuitvoerlegging afgerond van de wijzigingen die voortvloeien uit de herziening van haar kader voor toezichtsvergoedingen in 2019. De nieuwe taalregeling, op grond waarvan de kennisgevingen van de ECB met betrekking tot vergoedingen in alle officiële talen van de EU worden gepubliceerd, werd ingevoerd in april 2021. Bijgevolg konden de instellingen de kennisgeving van de vergoeding voor 2020 ontvangen in de EU-taal van hun voorkeur. De procedure voor de kennisgeving van voornemens om de activa en/of risicoblootstellingen van in niet-deelnemende landen gevestigde dochterondernemingen buiten beschouwing te laten, werd met succes geautomatiseerd, waardoor banken de ECB efficiënt in kennis konden stellen van hun voornemens tegen de uiterste datum van 30 september 2021. Doordat de ECB in 2020 is overgeschakeld naar een ex-postfacturering van de werkelijke kosten, worden er bovendien niet langer overschotten of tekorten van de voorgaande jaren overgedragen.

6.4 Totaal te heffen bedrag voor de vergoedingsperiode 2021

De ECB zal € 577,5 miljoen aan toezichtsvergoedingen heffen voor 2021

De jaarlijkse toezichtsvergoeding die moet worden geheven voor de vergoedingsperiode 2021 bedraagt € 577,5 miljoen. Dit bedrag is bijna volledig samengesteld uit de werkelijke jaarlijkse kosten voor 2021, ten bedrage van € 577,5 miljoen, gecorrigeerd voor een bedrag van € 47.000 voor ontvangen vertragingsrente.

De jaarlijkse toezichtsvergoeding kan ook worden gecorrigeerd voor (i) bedragen die aan individuele banken worden terugbetaald voor eerdere vergoedingsperioden en (ii) afgeschreven bedragen die niet konden worden geïnd. In 2021 waren dergelijke correcties echter niet nodig.

Het via jaarlijkse toezichtsvergoedingen te heffen bedrag wordt in tweeën gedeeld. Deze verdeling is gebaseerd op de status van de onder toezicht staande entiteiten als belangrijke of minder belangrijke instelling, en weerspiegelt het verschil in intensiteit van het toezicht door de ECB daarop.

Voor 2021 wordt een totaalbedrag van € 546,1 miljoen geheven bij de belangrijke instellingen; bij de minder belangrijke instellingen is dat € 31,4 miljoen euro. De toewijzing van de uitgaven wordt ondersteund door een verbeterd systeem waarmee de kosten nauwkeuriger aan de verschillende categorieën kunnen worden toegewezen. Voor 2021 zullen de belangrijke instellingen 94,6% van de totale kosten van het bankentoezicht voor de vergoedingsperiode betalen, en de minder belangrijke instellingen 5,4%.

Tabel 12

Totale inkomsten uit bankentoezichtstaken

(EUR miljoen)

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen in de tabel kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

6.5 Individuele toezichtsvergoedingen

Op bankniveau worden de vergoedingen berekend op basis van het belang en het risicoprofiel van een bank, aan de hand van jaarlijkse vergoedingsfactoren voor de onder toezicht staande banken. Voor de meeste banken is de referentiedatum voor de gegevens 31 december van het voorgaande jaar. Voor banken die tijdens de vergoedingsperiode voor het eerst op het hoogste consolidatieniveau onder toezicht staan, houdt de ECB rekening met de totale activa en de totale risicoblootstelling die door de betrokken bank zijn gerapporteerd op de referentiedatum die het dichtst bij 31 december ligt. Zij gebruikt deze cijfers vervolgens om een variabele vergoedingscomponent te berekenen voor alle maanden waarvoor de betrokken bank een toezichtsvergoeding moet betalen.[87] De per bank berekende toezichtsvergoeding wordt vervolgens jaarlijks in rekening gebracht.

Figuur 3

De variabele vergoedingscomponent wordt bepaald op basis van het belang en het risicoprofiel van de bank

De toezichtsvergoeding wordt vastgesteld op het hoogste consolidatieniveau binnen de lidstaten die deelnemen aan het SSM en omvat een variabele vergoedingscomponent en een minimumvergoedingscomponent. Deze laatste component is op alle banken gelijk van toepassing en is goed voor 10% van het totale bedrag dat moet worden verhaald. Voor de kleinste belangrijke banken, waarvan de totale activa € 10 miljard of minder bedragen, wordt de minimumvergoedingscomponent gehalveerd. Vanaf 2020 komen ook kleinere minder belangrijke banken met totale activa van hoogstens € 1 miljard in aanmerking voor een gehalveerde minimumvergoedingscomponent.

In artikel 7 van de Vergoedingenverordening wordt bepaald dat de volgende wijzigingen in de situatie van een individuele bank een aanpassing van de overeenkomstige toezichtsvergoeding vereisen: (i) de toezichtsstatus van een onder toezicht staande entiteit wordt aangepast, d.w.z. de entiteit wordt geherclassificeerd van belangrijke naar minder belangrijke instelling of omgekeerd; (ii) er wordt een vergunning verleend aan een nieuwe onder toezicht staande entiteit; of (iii) een bestaande vergunning wordt ingetrokken. Als gevolg van de overschakeling naar een ex-postfacturering konden de meeste in artikel 7 bedoelde wijzigingen die zich in 2021 voordeden, worden opgenomen in de gewone vergoedingenberekeningen. Derhalve stelde de ECB in 2021 geen besluiten inzake aanvullende toezichtsvergoedingen vast die in aanmerking moeten worden genomen in de in 2022 te factureren toezichtsvergoedingen.

Verdere informatie over de toezichtsvergoedingen is beschikbaar op de website van ECB-Bankentoezicht. Deze pagina's zijn beschikbaar in alle officiële talen van de EU en worden regelmatig bijgewerkt met nuttige, praktische informatie.

6.6 Andere inkomsten in verband met bankentoezichtstaken

De ECB heeft het recht om administratieve boetes op te leggen aan onder toezicht staande entiteiten voor het niet-naleven van verplichtingen uit hoofde van de prudentiële regelgeving voor banken in de EU (waaronder de toezichtsbesluiten van de ECB). De daarmee verband houdende inkomsten worden niet in aanmerking genomen in de berekening van de jaarlijkse toezichtsvergoedingen. De Vergoedingenverordening garandeert dat de toezichtsvergoeding geenszins wordt beïnvloed door schadevergoedingen die aan derden moeten worden betaald of door administratieve boetes (sancties) die aan de ECB moeten worden betaald door entiteiten onder toezicht. De administratieve boetes voor entiteiten onder toezicht worden als inkomsten geboekt in de winst-en-verliesrekening van de ECB. In 2021 bedroegen de inkomsten uit boetes opgelegd aan onder toezicht staande instellingen € 0,6 miljoen.

Anderzijds restitueert de ECB de aan onder toezicht staande entiteiten opgelegde administratieve sancties indien deze later door de rechtbank nietig worden verklaard. In 2021 beliepen zulke restituties € 4,8 miljoen. Het ging hier om administratieve boetes die de ECB eerder had opgelegd aan drie onder toezicht staande entiteiten binnen dezelfde groep en waarvoor de betrokken besluiten gedeeltelijk nietig werden verklaard door de rechtbank. Deze kosten worden niet meegenomen in de berekening van de jaarlijkse toezichtsvergoedingen, maar worden geboekt in de winst-en-verliesrekening van de ECB en komen ten laste van haar nettoresultaat.

7 Door de ECB vastgestelde rechtsinstrumenten

De door de ECB vastgestelde rechtsinstrumenten omvatten verordeningen, besluiten, richtsnoeren, aanbevelingen en instructies aan NCA's (zoals vermeld in artikel 9, lid 1, derde alinea, van de SSM-Verordening en artikel 22 van de SSM-Kaderverordening). Deze paragraaf bevat de rechtsinstrumenten voor het bankentoezicht die de ECB in 2021 heeft vastgesteld en gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of op de website van de ECB. Het gaat om rechtsinstrumenten die zijn vastgesteld krachtens artikel 4, lid 3, van de SSM-Verordening en andere toepasselijke rechtsinstrumenten.

7.1 ECB-verordeningen

ECB/2021/24
Verordening (EU) 2021/943 van de Europese Centrale Bank van 14 mei 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2015/534 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (PB L 210 van 14.6.2021, blz. 1)

7.2 Andere instrumenten van de ECB dan verordeningen

ECB/2021/7
Besluit (EU) 2021/432 van de Europese Centrale Bank van 1 maart 2021 betreffende de rapportage van financieringsplannen van kredietinstellingen door nationale bevoegde autoriteiten aan de Europese Centrale Bank  (PB  L  86  van  12.3.2021,  blz.  14)

ECB/2021/8
Besluit (EU) 2021/490 van de Europese Centrale Bank van 12 maart 2021 betreffende het totaalbedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2020 (PB L 101 van 23.3.2021, blz. 107)

ECB/2021/27
Besluit (EU) 2021/1074 van de Europese Centrale Bank van 18 juni 2021 betreffende de tijdelijke uitsluiting van bepaalde blootstellingen met betrekking tot centrale banken van de maatregel voor totale blootstelling in het licht van de COVID‑19-pandemie en tot intrekking van Besluit (EU) 2020/1306 (PB L 230I van 30.6.2021, blz. 1)

ECB/2021/31
Aanbeveling van de Europese Centrale Bank van 23 juli 2021 betreffende dividenduitkeringsbeleid (PB C 303 van 29.7.2021, blz. 1)

ECB/2021/33
Besluit (EU) 2021/1437 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2021 tot wijziging van Besluit (EU) 2017/934 betreffenden [sic] de delegatie van besluiten inzake de significantie van onder toezicht staande entiteiten (PB L 314 van 6.9.2021, blz. 1)

ECB/2021/34
Besluit (EU) 2017/1438 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2021 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten en de beoordeling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten  (PB  L  314  van  6.9.2017,  blz.  3)

ECB/2021/35
Besluit (EU) 2021/1439 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2021 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van eigenvermogenbesluiten (PB L 314 van 6.9.2021, blz. 8)

ECB/2021/36
Besluit (EU) 2021/1440 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2021 inzake de delegatie van de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (PB L 314 van 6.9.2021, blz. 14)

ECB/2021/37
Besluit (EU) 2021/1441 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2021 inzake de delegatie van de bevoegdheid om besluiten vast te stellen inzake krachtens nationaal recht toegewezen toezichtsbevoegdheden (PB L 314 van 6.9.2021, blz. 17)

ECB/2021/38
Besluit (EU) 2021/1442 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2021 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van besluiten inzake interne modellen en over verlenging van uiterste termijnen (PB L 314 van 6.9.2021, blz. 22)

ECB/2021/39
Besluit (EU) 2021/1396 van de Europese Centrale Bank van 13 augustus 2021 houdende wijziging van Besluit ECB/2014/29 betreffende de verstrekking aan de Europese Centrale Bank van toezichtgegevens die de onder toezicht staande entiteiten overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) nr.680/2014 van de Commissie aan de nationale bevoegde autoriteiten gerapporteerd hebben (PB L 300 van 24.8.2021, blz. 23 )

ECB/2021/40
Besluit (EU) 2021/1443 van de Europese Centrale Bank van 26 augustus 2021 tot benoeming van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van internemodellenbesluiten en besluiten tot verlenging van uiterste termijnen (PB  L  314  van  6.9.2021,  blz.  30)

ECB/2021/42
Besluit (EU) 2021/1486 van de Europese Centrale Bank van 7 september 2021 tot vaststelling van specifieke voorschriften betreffende beperkingen van de rechten van betrokkenen in verband met de taken van de Europese Centrale Bank inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 328 van 16.9.2021, blz. 15)

Rectificatie van Besluit (EU) 2021/1074 van de Europese Centrale Bank van 18 juni 2021 betreffende de tijdelijke uitsluiting van bepaalde blootstellingen met betrekking tot centrale banken van de maatregel voor totale blootstelling in het licht van de COVID-19-pandemie en tot intrekking van Besluit (EU) 2020/1306 (ECB/2021/27) (Publicatieblad van de Europese Unie L 230 I van 30 juni 2021) (PB L 234 van 2.7.2021, blz. 102)

© Europese Centrale Bank, 2022

Postadres 60640 Frankfurt am Main, Duitsland
Telefoon +49 69 1344 0
Website www.bankingsupervision.europa.eu

Alle rechten voorbehouden. Reproductie voor educatieve en niet-commerciële doeleinden is toegestaan mits de bron wordt vermeld.

Raadpleeg voor specifieke terminologie de SSM-woordenlijst (alleen beschikbaar in het Engels).

HTML ISBN 978-92-899-5091-6, ISSN 2443-5899, doi: 10.2866/49856, QB-BU-22-001-NL-Q


  1. Zie voor meer informatie over de algemene herstelcapaciteit van banken “Challenging banks’ capacity to recover from severe crises”, Supervision Newsletter, ECB-Bankentoezicht, augustus 2021.
  2. Zie Paragraaf 1.2.2. Zie ook het artikel “COVID-19: gaps in credit risk management identified” uit de toezichtnieuwsbrief van ECB-Bankentoezicht van mei 2021, en de toezichtblogs van E. McCaul “Who pays the piper calls the tune: The need for and benefit of strong credit risk management”, The Supervision Blog, 4 december 2020; en McCaul, E., “Credit risk: Acting now paves the way for sound resilience later”, The Supervision Blog, 19 juli 2021.
  3. Zie Paragraaf 3.3.5. van het rapport EBA report on the implementation of selected COVID-19 policies voor de criteria die worden gebruikt voor het identificeren van eenmalige operationele risicokosten.
  4. Zie Paragraaf 1.2.3 voor meer informatie over IT- en cyberrisico’s.
  5. Zie voor details over het einde van de liquiditeitsverlichtingsmaatregel het persbericht “ECB will not extend liquidity relief beyond December 2021” van ECB-Bankentoezicht van 17 december 2021.
  6. De standaarddefinities van handelsinkomsten in overeenstemming met de statistieken voor het bankentoezicht zijn toegepast.
  7. Financial Stability Review”, ECB, november 2021.
  8. Guide on the supervisory approach to consolidation in the banking sector”, ECB-Bankentoezicht, januari 2021.
  9. Zie het persbericht over de uitkomsten van de SSM-stresstest van 2021 van ECB-Bankentoezicht van juli 2021.
  10. Zie het persbericht over de uitkomsten van de SSM-stresstest van 2018 van ECB-Bankentoezicht van februari 2019.
  11. Commercieel onroerend goed zoals gedefinieerd in Aanbeveling ESRB/2016/14, gewijzigd door Aanbeveling ESRB/2019/3 en gerapporteerd in FINREP-template F.18.2. Deze definitie omvat vorderingen op kredietnemers uit verschillende NACE-sectoren en omvat onder meer kredietnemers met de codes 41 (Bouw van gebouwen) en 68 (Vastgoedactiviteiten).
  12. Advies van de Europese Centrale Bank van 19 februari 2021 inzake een voorstel voor een verordening betreffende markten in cryptoactiva en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 (CON/2021/4) (PB C 152 van 29.4.2021, blz. 1).
  13. Advies van de Europese Centrale Bank van 28 april 2021 inzake een voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een proefregeling voor marktinfrastructuren op basis van “distributed-ledger”-technologie (CON/2021/15) (PB C 244 van 22.6.2021, blz. 4).
  14. Advies van de Europese Centrale Bank van 4 juni 2021 inzake een voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende digitale operationele veerkracht voor de financiële sector (CON/2021/20) (PB C 343 van 26.8.2021, blz. 1).
  15. Als gevolg van de coronasituatie is het besluitvormingsproces van de ECB met betrekking tot IMI’s van maart tot september 2020 tijdelijk opgeschort. Dit hield in dat IMI-besluiten die normaal gesproken in 2020 aan banken zouden zijn verstrekt in plaats daarvan in 2021 zijn verstrekt.
  16. Omwille van het gemak worden in dit deel OSI’s en IMI’s gezamenlijk aangeduid als “overdrachten” of “inspecties”.
  17. Als gevolg van de aanhoudende COVID-19-pandemie werd de planning van OSI’s en IMI’s in 2021 slechts drie kwartalen georganiseerd. Dit betekent dat het totale aantal missies weliswaar geringer was dan vóór de pandemie, maar relatief gezien vergelijkbaar is. Vanwege de pandemie werden diverse inspecties in 2020 afgelast of uitgesteld. In 2021 was de snelle invoering van een organisatorische opzet voor inspecties op afstand zeer succesvol, waardoor de meeste inspecties volgens de oorspronkelijke planning konden worden uitgevoerd en slechts enkele inspecties geannuleerd hoefden te worden.
  18. Door middel van een campagne worden diverse OSI’s gegroepeerd waarmee hetzelfde onderwerp wordt onderzocht. Zo wordt de onderzoeksteams een raamwerk geboden voor onderlinge coördinatie, permanente samenwerking, afstemming van doelstellingen en het profiteren van synergieën.
  19. In een internationale missie ter plaatse worden de missieleider en minstens één teamlid niet geleverd door de NCA van het betrokken land van herkomst/ontvangst.
  20. In een gemend team wordt de missieleider geleverd door de NCA van het betrokken land van herkomst/ontvangst en worden ten minste twee teamleden niet geleverd door de NCA van het betrokken land van herkomst/ontvangst (één teamlid voor kleinere NCA’s).
  21. De analyse is uitgevoerd op een steekproef van 89 OSI’s waarvoor de definitieve rapporten tussen oktober 2020 en oktober 2021 zijn uitgebracht.
  22. Bij inspecties ter plaatse zijn enkele van de meest ingrijpende bevindingen met betrekking tot interne governance gesignaleerd, die zich vooral richtten op specifieke risicogebieden (zoals kredietrisico, marktrisico en IT-risico).
  23. Zie “Targeted Review of Internal Models – project report”, ECB, april 2021.
  24. EBA-richtsnoeren inzake de toepassing van de definitie van wanbetaling overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (EBA/GL/2016/07).
  25. Dit betreft de EBA-richtsnoeren inzake PD-raming, LGD-raming en de behandeling van blootstellingen ten aanzien waarvan zich wanbetaling heeft voorgedaan (EBA/GL/2017/16), EBA Guidelines for the estimate of LGD appropriate for an economic downturn (“Downturn LGD estimates”) (EBA/GL/2019/03), Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/930 van de Commissie van 1 maart 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische regelgevingsnormen ter specificatie van de aard, ernst en duur van een economische neergang als bedoeld in artikel 181, lid 1, onder b). en artikel 182, lid 1, onder b), van die verordening (PB L 204 van 10.6.2021, blz. 1), en het definitieve ontwerp van de technische regelgevingsnormen betreffende de specificatie van de beoordelingsmethodiek voor bevoegde autoriteiten betreffende de mate waarin een instelling voldoet aan de vereisten voor het gebruik van de IRB-methode overeenkomstig artikel 144, lid 2, artikel 173, lid 3, en artikel 180, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (EBA/RTS/2016/03), die onder voorbehoud van goedkeuring door de Europese Commissie is goedgekeurd.
  26. Met uitzondering van vervolgbesluiten inzake bijkomende voorschriften.
  27. Het aantal LSI’s daalde in 2021 onder meer als gevolg van de Brexit; sinds 1 januari 2021 worden filialen in het VK beschouwd als externe filialen, waardoor ze niet langer deel uitmaken van de LSI-sector van het SSM.
  28. Banken met een NPL-ratio van meer dan 5% tellen als banken met veel NPL's. Zie de EBA-richtsnoeren inzake het beheer van niet-renderende en respijtblootstellingen.
  29. Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 253).
  30. Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
  31. Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).
  32. Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).
  33. BNP Paribas, Deutsche Bank, Groupe BPCE, Groupe Crédit Agricole, ING Bank, Santander, Société Générale en UniCredit.
  34. BNP Paribas.
  35. Zie “Basel Committee advances work on addressing climate-related financial risks, specifying cryptoassets prudential treatment and reviewing G-SIB assessment methodology”, persbericht, Basel Committee on Banking Supervision, 9 november 2021, en "FSB publishes 2021 G-SIB list", persbericht, Financial Stability Board, 23 november 2021.
  36. Aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 27 mei 2020 betreffende de beperking van uitkeringen tijdens de COVID-19-pandemie (ESRB/2020/7).
  37. Aanbeveling van het Europees Comité voor Systeemrisico’s van 15 december 2020 tot wijziging van Aanbeveling ESRB/2020/07 betreffende de beperking van uitkeringen tijdens de COVID-19-pandemie (European Systemic Risk Board — ESRB/2020/15).
  38. The General Board of the European Systemic Risk Board held its 43rd regular meeting on 23 September 2021”, persbericht,, ESRB, 24 september 2021.
  39. Financial Stability Review (Engels)”, ECB, mei 2021.
  40. Information on participation in the 2022 ECB Climate Risk Stress Test (Engels)”, brief aan deelnemende banken, ECB-Bankentoezicht, 18 oktober 2021.
  41. The clock is ticking for banks to manage climate and environmental risks (Engels)”, Supervision Newsletter, ECB-Bankentoezicht, augustus 2021.
  42. IT and cyber risk: a constant challenge (Engels)”, Supervision Newsletter, ECB-Bankentoezicht, augustus 2021.
  43. Verordening (EU) Nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (SSM-Kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).
  44. Deze criteria zijn opgenomen in artikel 6, lid 4, van de SSM-Verordening.
  45. De lijst met SI’s en LSI’s van december 2021 omvat (i) de significantiebesluiten waarvan de onder toezicht staande instellingen in kennis zijn gesteld tot en met 30 november 2021 en (ii) andere veranderingen en ontwikkelingen van groepsstructuren ingaand vóór 1 november 2021.
  46. Op grond van artikel 14 van de SSM-Kaderverordening en overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de SSM-Verordening.
  47. Sommige besluiten betreffen meer dan één autorisatiebeoordeling (bijvoorbeeld bij de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen in diverse dochterinstellingen met één transactie). Voor sommige autorisatieprocedures is geen formeel ECB-besluit vereist, waaronder paspoortprocedures en het vervallen van vergunningen.
  48. Dit betreffen procedures die onderworpen zijn aan de delegatiekaders die zijn goedgekeurd krachtens Besluit (EU) 2021/1438 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2021 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten en de beoordeling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten (ECB/2021/34), en Besluit (EU) 2019/1440 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2021 inzake de delegatie van de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (ECB/2019/36).
  49. Een “gemengde financiële holding” wordt in artikel 2, lid 15, van de Richtlijn financiële conglomeraten (2002/87/EG) − waarnaar artikel 2, lid 5, van de CRR verwijst − gedefinieerd als “een moederonderneming die niet een gereglementeerde entiteit is en die samen met haar dochterondernemingen − waarvan er ten minste één een gereglementeerde entiteit met hoofdkantoor in de Gemeenschap is − en met andere entiteiten een financieel conglomeraat vormt”. Overeenkomstig artikel 2, lid 20, onder c), van de SSM-Kaderverordening wordt een “gemengde financiële holding” als “onder toezicht staande entiteit” aangemerkt als zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, lid 21, onder b), van die verordening.
  50. Vanaf 2022 gebruiken toezichthouders en banken het IMAS-portaal ook voor andere procedures (zoals niet-materiële modelwijzigingen, bijvoorbeeld, zoals beschreven in Paragraaf 5.8.2).
  51. Deze betroffen ook een klein aantal verzoeken met betrekking tot aanvullende niet-uitvoerende nevenfuncties.
  52. Met ingang van 30 december 2020 heeft Italië zich aangesloten bij andere GTM-landen en is het begonnen met de beoordeling van sleutelfuncties volgens de Italiaanse wetgeving (ministerieel decreet 169/2020).
  53. Openbare raadpleging over een concept-gids en een nieuwe vragenlijst over deskundigheid en betrouwbaarheid.
  54. Zie bijvoorbeeld “The effectiveness of European banks’ boards: progress and shortcomings”, toespraak van Andrea Enria, Voorzitter van de Raad van Toezicht van de ECB, gehouden tijdens het online seminar “Banks’ Board Members and Policy Makers: A Conversation”, van de Florence School of Banking & Finance, Frankfurt am Main, 28 mei 2021
  55. Zie bijvoorbeeld “What does the ECB expect from banks’ leaders?”, toespraak van Edouard Fernandez-Bollo, lid van de Raad van Toezicht van de ECB, gehouden tijdens het online seminar “Fit and Proper Assessment: Better Boards for Better Banks?” van de Florence School of Banking & Finance, Frankfurt am Main, 19 februari 2021. Better Boards for Better Banks?", Frankfurt am Main, 19 februari 2021.
  56. “Making sure banks are run by the right people”, The ECB Podcast, aflevering 24, 10 december 2021.
  57. “Risicobeheersing en interne beheersingsmaatregelen” betreft de mechanismen of processen waarover een entiteit dient te beschikken voor het adequaat vaststellen, beheersen en rapporteren van risico’s waaraan zij is of kan worden blootgesteld.. “Functies in leidinggevende organen” verwijst naar de mate waarin de personen die de feitelijke leiding over een instelling hebben – of degenen die gemachtigd zijn om de strategie, doelstellingen en algemene leiding van de instelling vast te stellen, en toezicht en controle uitoefenen op de besluitvorming van het management – hun verantwoordelijkheden nakomen.
  58. Zie daarvoor: “ECB contribution to the European Commission’s targeted consultation on the review of the crisis management and deposit insurance framework”. ECB, Frankfurt am Main, 2021.
  59. Verordening (EU) Nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) Nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).
  60. Artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
  61. De ECB deelt in het bijzonder informatie in het kader van de multilaterale overeenkomst over de praktische modaliteiten voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 57 bis, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/849.
  62. Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43).
  63. Gemeenschappelijke richtsnoeren inzake samenwerking en informatie-uitwisseling voor de toepassing van Richtlijn (EU) 2015/849 tussen de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op kredietinstellingen en financiële instellingen (JC 2019 81), 16 december 2019.
  64. Zie het wetgevingspakket voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, Directoraat-Generaal Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie, Europese Commissie, 20 juli 2021.
  65. Speciaal verslag nr. 29/2016 “Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme — Een goede start maar verdere verbeteringen nodig” en Speciaal verslag nr. 02/2018 "De doelmatigheid van de crisisbeheersing voor banken door de ECB"
  66. Gegevens over de genderdoelstellingen van de ECB worden periodiek gepubliceerd op de website van de ECB.
  67. Zoals goedgekeurd door de Raad van Toezicht op 25 oktober 2021 (SB/X/21/1110).
  68. ACPR, Banco de España, Banca d’Italia, Deutsche Bundesbank, De Nederlandsche Bank en de Oostenrijkse financiëlemarktautoriteit (Finanzmarktaufsicht).
  69. Het Stuurcomité ondersteunt de activiteiten van de Raad van Toezicht en bereidt de vergaderingen van de Raad voor. Het bestaat uit de Voorzitter en de Vicevoorzitter van de Raad van Toezicht, één vertegenwoordiger van de ECB en vijf vertegenwoordigers van de nationale toezichthouders. De vijf vertegenwoordigers van de nationale toezichthouders worden benoemd voor één jaar door de Raad van Toezicht, op basis van een rotatiesysteem dat een eerlijke vertegenwoordiging van de landen waarborgt.
  70. Dit zijn besluiten die werden voltooid of goedgekeurd tijdens de verslagperiode (uitgaande besluiten). Het aantal toezichtsbesluiten stemt niet overeen met het aantal vergunningsprocedures waarvan de ECB officieel in kennis werd gesteld tijdens de verslagperiode (inkomende kennisgevingsprocedures).
  71. Hiervan werden 146 besluiten goedgekeurd door het senior management binnen het delegatiekader.
  72. Artikel 6, lid 7, van het Reglement van Orde van de Raad van Toezicht voorziet in een schriftelijke procedure voor het nemen van besluiten, tenzij ten minste drie stemgerechtigde leden van de Raad van Toezicht daartegen bezwaar maken. In dat geval wordt het punt op de agenda van de volgende vergadering van de Raad van Toezicht geplaatst. Normaal gesproken heeft de Raad van Toezicht ten minste vijf werkdagen nodig voor een schriftelijke procedure.
  73. De ABoR is een ECB-orgaan waarvan de leden individueel en collectief onafhankelijk zijn van de ECB en belast zijn met de toetsing van door de Raad van Bestuur genomen toezichtsbesluiten, na ontvangst van een ontvankelijk toetsingsverzoek.
  74. Besluit van de Europese Centrale Bank van 6 februari 2014 betreffende de benoeming van vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank in de Raad van toezicht (ECB/2014/4).
  75. Zie de vacature voor ECB-vertegenwoordiger in de Raad van Toezicht.
  76. Richtsnoer (EU) 2015/856 van de Europese Centrale Bank van 12 maart 2015 houdende vaststelling van de beginselen van een Ethisch Kader voor het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (ECB/2015/12) (PB L 135 van 2.6.2015, blz. 29).
  77. Zie de artikelen 11, 12 en 17 van de Gedragscode voor hoge ambtenaren van de ECB.
  78. Richtsnoer (EU) 2021/2256 van de Europese Centrale Bank van 2 november 2021 houdende vaststelling van de beginselen van een Ethisch Kader voor het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (ECB/2021/50) (PB L 454 van 17.12.2021, blz. 21).
  79. Besluit ECB/2014/39 van de Europese Centrale Bank van 17 september 2014 houdende de tenuitvoerlegging van scheiding tussen de monetaire beleidsfunctie en de toezichtfunctie van de Europese Centrale Bank (2014/723/EU) (PB L 300 van 18.10.2014, blz. 57).
  80. Gedelegeerde Verordening (EU) 680/2014 van de Commissie
  81. Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie, Uitvoeringsverordening (EU) 2021/453 van de Commissie, en Uitvoeringsverordening (EU) 2021/763 van de Commissie.
  82. De TFHSA streeft ernaar een gelijk speelveld te creëren binnen het SSM. De task force doet dit door de beste praktijken van elk land vast te stellen en geharmoniseerde beste praktijken voor te stellen die door alle NCA's en de ECB kunnen worden overgenomen.
  83. De SSM-brede databank is een initiatief om de toezichtsrapportagevereisten van de ECB en de NCA’s te stroomlijnen en de interne governance te verbeteren. Hier wordt informatie verzameld over alle gegevensverzoeken die worden verzonden naar de onder rechtstreeks toezicht staande instellingen. Deze informatie wordt vervolgens gebruikt om de transparantie van de gegevensverzoeken voor de banken te vergroten en de rapportagelast te analyseren.
  84. Deze diensten worden onderverdeeld in de volgende clusters: huisvesting en faciliteiten, HR-diensten, gemeenschappelijke IT-diensten, gemeenschappelijke juridische, administratieve en auditdiensten, communicatie- en vertaaldiensten, en overige diensten.
  85. Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank van 22 oktober 2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2014/41).
  86. Besluit (EU) 2019/2158 van de Europese Centrale Bank betreffende de methodologie en procedures voor de gegevensvaststelling en ‐verzameling aangaande voor de berekening van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht toegepaste vergoedingsfactoren (ECB/2019/38) (PB L 327 van 17.12.2019, blz. 99).
  87. Voor entiteiten die na 1 oktober zijn opgericht, bestaat de geheven toezichtsvergoeding uit een minimumvergoedingscomponent voor uitsluitend het aantal volledige maanden waarin toezicht werd uitgeoefend.