PERSBERICHT

ECB vraagt feedback op ontwerprichtsnoer betreffende de materialiteitsdrempel voor achterstallige kredietverplichtingen voor minder belangrijke instellingen

20 januari 2020

  • Materialiteitsdrempel voor minder belangrijke instellingen beoogt consistentie en een gelijk speelveld tussen belangrijke en minder belangrijke instellingen binnen het gehele gemeenschappelijk toezichtsmechanisme
  • Richtsnoer stelt de absolute en de relatieve component van de materialiteitsdrempel vast
  • ECB vraagt de sector om uiterlijk maandag 17 februari 2020 commentaar te geven

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft vandaag een ontwerprichtsnoer gepubliceerd betreffende de definitie van de materialiteitsdrempel voor achterstallige kredietverplichtingen voor minder belangrijke instellingen (less significant institutions - LSI’s).

De definitie is vormgegeven in een richtsnoer van de ECB dat gericht is aan de nationale bevoegde autoriteiten. Hierbij gaat het om één materialiteitsdrempel voor alle LSI’s binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (single supervisory mechanism – SSM), voor zowel retail- als niet-retailposities, ongeacht de gehanteerde berekeningsmethode voor de kapitaalvereisten. De materialiteitsdrempel zal bestaan uit een absolute en een relatieve component. De absolute component wordt uitgedrukt in een vastgesteld maximumbedrag voor de som van alle door een debiteur verschuldigde, achterstallige bedragen. De relatieve component wordt uitgedrukt in een percentage dat de verhouding weergeeft tussen de achterstallige kredietverplichting en het totaalbedrag van alle op de balans opgenomen risicoposities van de kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen ten opzichte van die debiteur.

De voor LSI’s vastgestelde materialiteitsdrempel is in lijn met de door ECB gegeven definitie voor belangrijke instellingen (significant institutions – SI’s) in Verordening (EU) 2018/1845. De drempel zal zorgen voor consistentie in de wijze waarop risicoposities waarbij sprake is van wanbetaling worden gedefinieerd, zowel voor LSI’s als voor het gehele SSM.

De uiterste datum voor het geven van commentaar is maandag 17 februari 2020. Bij de afronding van het richtsnoer zal de ECB rekening houden met de ontvangen opmerkingen. Het ontwerprichtsnoer en de bijbehorende veelgestelde vragen zijn beschikbaar op de website van het bankentoezicht van de ECB.

De media kunnen met hun vragen terecht bij Philippe Rispal, telefoon: +49 69 1344 5482.

Toelichting:

Krachtens artikel 178, lid 2, onder d), van de verordening kapitaalvereisten (Verordening (EU) Nr. 575/2013) moet de bevoegde autoriteit een drempel vaststellen aan de hand waarvan de materialiteit van achterstallige kredietverplichtingen wordt beoordeeld. Dit is relevant voor het vaststellen van wanbetaling van debiteuren met betrekking tot de totale verplichtingen van een debiteur en op het niveau van een individuele kredietfaciliteit.

Bij het vaststellen van de materialiteitsdrempel dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/171 van de Commissie met betrekking tot technische reguleringsnormen voor de materialiteitsdrempel voor achterstallige kredietverplichtingen.

Als de bevoegde autoriteit voor het toezicht op belangrijke instellingen heeft de ECB van deze keuzemogelijkheid gebruikgemaakt door Verordening (EU) 2018/1845 (ECB/2018/26) uit te geven.

Wat LSI’s betreft, zijn de nationale bevoegde autoriteiten primair verantwoordelijk voor het gebruik van de desbetreffende keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte. De ECB heeft krachtens Verordening (EU) Nr. 1024/2013 (GTM-verordening) een overkoepelende toezichtsrol en streeft er daarom naar om waar dienstig een consistent gebruik van keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte te bevorderen met betrekking tot zowel SI’s als LSI’s. Hiertoe kan de ECB diverse maatregelen treffen, zoals het uitgeven van richtsnoeren voor de nationale bevoegde autoriteiten ter waarborging van het doeltreffend en consistent functioneren van het SSM (artikel 6, lid 5, onder a) en c), van de GTM-verordening).

Contactpersonen voor de media