Menu

VEELGESTELDE VRAGEN

Veelgestelde vragen over de stresstest van 2021

Frankfurt, 30 juli 2021

Waar gaat het bij de EU-brede stresstest van 2021 om? Wat is het doel?

Met de EU-brede stresstest wordt op basis van gegevens per eind 2020 geanalyseerd hoe de kapitaalpositie van een bank zich ontwikkelt gedurende een periode van drie jaar tot en met 2023, in zowel een basisscenario als een ongunstig scenario. Dankzij deze exercitie beschikken toezichthouders, banken en andere marktpartijen over een gemeenschappelijk analytisch kader. Aan de hand daarvan kunnen ze consistent de bestendigheid van EU-banken tegen landspecifieke economische schokken beoordelen en met elkaar vergelijken. Binnen het SSM worden de resultaten van de stresstest voor alle belangrijke instellingen ook gebruikt om de Pijler 2-kapitaalbehoefte van de afzonderlijke banken te beoordelen als onderdeel van de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP).

De kwalitatieve uitkomsten worden in de SREP meegenomen bij de risicogovernance en spelen daarmee een rol in het bepalen van de Pijler 2-vereisten (Pillar 2 requirements – P2R). De kwantitatieve resultaten fungeren als belangrijke input voor de vaststelling van de Pijler 2-aanbeveling (Pillar 2 guidance – P2G).

De exercitie moet de marktdiscipline versterken door per bank consistente en gedetailleerde informatie bekend te maken, en aanschouwelijk te maken hoe bankbalansen op gemeenschappelijke schokken reageren. Opgemerkt moet worden dat stresstesten voor toezichtsdoeleinden geen vervanging vormen voor de stresstesten die banken zelf uitvoeren op basis van scenario's die op de eigen specifieke omstandigheden zijn toegesneden.

Waarom publiceert de ECB dit jaar een aantal resultaten voor SSM-banken?

Het doel van de publicatie is om de transparantie verder te versterken. Tegelijkertijd was het belangrijk om het beginsel van evenredigheid in acht te nemen: banken die deelnemen aan de SSM-stresstest zijn kleiner dan de banken die onder de EU-brede exercitie vallen en kunnen mogelijk niet dezelfde middelen voor de stresstest inzetten. In onze publicatie wordt daarmee rekening gehouden. De focus ligt op de voornaamste indicatoren en in sommige gevallen wordt er met bandbreedtes gewerkt, waarmee de noodzaak voor een groter aantal indicatoren wordt vermeden. Deze indicatoren richten zich op bankspecifieke informatie over 1) afzonderlijke resultaten op hoog niveau, 2) gegevens bij het beginpunt en 3) scenariogevoeligheden.

Wat doet de ECB met banken die in het ongunstige scenario met een (ernstig) tekort worden geconfronteerd?

Net als in eerdere jaren is ook de stresstest van 2021 geen kwestie van slagen of zakken. Er is dan ook geen sprake van een ‘tekort’ in de gebruikelijke betekenis. De exercitie levert in plaats daarvan voor elke instelling belangrijke input op voor de SREP. In de praktijk betekent dit dat bij de instellingen met een (ernstige) kapitaalafname in het ongunstige scenario het resultaat van de stresstest wordt gebruikt als uitgangspunt voor de bepaling van de P2G (zoals voorzien in het richtsnoer van de EBA inzake de SREP en stresstests voor toezichtsdoeleinden).

In lijn met deze benadering moeten banken met een (ernstige) kapitaalafname bij het ongunstige scenario in het algemeen rekening houden met een hogere P2G in vergelijking met banken die een beter resultaat hebben. Toch is er geen één-op-éénrelatie tussen de kapitaalafname in de stresstest en de P2G.

Een ernstige kapitaalafname kan bijzondere risico's aan het licht brengen bij bepaalde bedrijfsactiviteiten. In zo'n geval gebruiken de gezamenlijk toezichthoudende teams (Joint Supervisory Teams – JST’s) die informatie om deze risico's met gerichte toezichtsactie op te volgen. En waar nodig moeten er maatregelen worden getroffen om het deugdelijk beheer van die risico's te waarborgen.

Waarom worden in de SSM-publicatie niet de precieze CET1-ratio's getoond voor banken die onder de 8% zakken? Hoe moeten waarnemers de gegevens interpreteren?

De resultaten van een stresstest vormen met opzet maar één instrument in het toezichtsinstrumentarium van de ECB. In een stresstest wordt de weerbaarheid van een bank in een hypothetisch scenario beoordeeld op basis van een zeer specifieke verzameling methodologische aannames. De resultaten geven alleen maar een indicatie hoe het een bank zou vergaan bij mogelijke negatieve ontwikkelingen. Hoewel de resultaten van de stresstest een indicatie geven hoe de bank ervoor staat, in het bijzonder in vergelijking met de concurrentie, moeten de resultaten dan ook worden beoordeeld in de context van hoe de stresstest is opgezet. Voor de publicatie van 2021 hebben we de transparantie van de resultaten van de SSM-stresstest versterkt ten opzichte van 2018. In dat jaar hadden we de resultaten op hoog niveau alleen geaggregeerd gepubliceerd.

De handhaving van het beginsel van evenredigheid was tegelijkertijd een kerndoel: banken die deelnemen aan de SSM-stresstest zijn in het algemeen veel kleiner dan de grotere banken die onder de EU-brede exercitie vallen en kunnen mogelijk niet dezelfde middelen bij de stresstestprocedure inzetten.

In onze publicatiebenadering houden we hier rekening mee door maar een paar relevante indicatoren uit te lichten. Op die manier vermijden we het veel belastender proces van kwaliteitsborging dat de consistentie en juistheid van een zeer groot aantal indicatoren moet zekerstellen.

Duidelijk is dat de resultaten in deze bandbreedte variëren en dat hier ook banken onder vallen die actie moeten ondernemen om aan de minimale kapitaalvereisten te blijven voldoen. De algehele beoordeling wordt door de desbetreffende toezichtsteams uitgevoerd en de resultaten van de stresstest komen naar behoren in de SREP terecht.

Welke gevolgen van de coronacrisis signaleert de ECB? Zijn er duidelijke patronen te ontwaren?

Het negatieve scenario gaat uit van langdurige gevolgen van het coronavirus in een aanhoudend lagerenteklimaat. De herbeoordeling van de verwachtingen van marktpartijen tegen de achtergrond van dalende bedrijfswinsten leidt tot een abrupte, forse bijstelling van de waarderingen van financiële activa. De stelselbrede afname van de CET1-ratio bedraagt in het negatieve scenario -5,2 procentpunt op ‘fully loaded'-basis. De belangrijkste oorzaken van de afname in het negatieve scenario zijn kredietverliezen, de aanzienlijke druk op de nettorentebaten, de handelsinkomsten en de nettobaten uit vergoedingen en provisies, naast ook de impact van de schokken in aandelenkoersen en creditspreads op tegen reële waarde verantwoorde posities.

Overheidsgarantiestelsels en met de coronapandemie samenhangende moratoria die aan de EBA-richtsnoeren voldoen, worden expliciet meegenomen in de gehanteerde methodiek voor de stresstest. Leningen die zijn verstrekt in het kader van een door de overheid gegarandeerde regeling worden geacht door de garantie te zijn vervangen, ongeacht of de bewuste regeling naar verwachting nog geldt. De banken moeten de kredietverliezen ondertussen inschatten alsof de EBA-conforme, met de coronapandemie samenhangende moratoria geen voordelen met zich meebrengen.

Geconstateerd is daarnaast ook dat de sectoren die in 2020 kwetsbaar bleken ook hogere en volatielere waardeverminderingen laten optekenen in het ongunstige scenario. Zo meldden de sectoren groot- en detailhandel en reparaties van auto's en motorfietsen, huur- en leasingactiviteiten, alsook accommodatie de hoogste cumulatieve waardeverminderingspercentages (mediaan).

En tot slot: ondanks het door de banken geboekte succes met kostenverlagingen en het ten uitvoer brengen van gerichte strategieën voor de verlaging van niet-renderende risicoposities (non-performing exposures) sinds de stresstest van 2018 maakt een fors ernstiger macro-economisch negatief scenario dan in die exercitie het effect van die verbeteringen meer dan ongedaan en leidt dat scenario tot een hogere stelselbrede afname van de CET1-ratio dan in 2018 (5,2 procentpunt vergeleken met 4,0 procentpunt).

Hoe worden de uitkomsten van de stresstest in de SREP geïntegreerd?

De resultaten worden zowel kwalitatief als kwantitatief meegenomen in de SREP.

  • Kwalitatieve uitkomst: de JST’s kijken naar verschillende aspecten bij de beoordeling van de interne governance en het risicobeheer van een bank in de SREP, wat uiteindelijk de bepaling van de Pijler 2-vereisten beïnvloedt. Tot die aspecten behoren bijvoorbeeld de tijdigheid en juistheid van de gegevens, evenals de kwaliteit van de ontvangen informatie. Evenzo moeten op IT-gegevens gebaseerde kwantitatieve cijfers de JST’s meetbare criteria bieden om de prestatie van de banken te beoordelen aan de hand van scores op vier niveaus. Ook gemeten tijdens de hele stresstest wordt of banken in staat zijn aan de datavereisten te voldoen en hoe soepel ze reageren. De JST's voeren daarnaast tijdens de kwaliteitsborgingscyclus van de stresstest een kwalitatieve beoordeling uit van de door de banken geleverde prestatie.
  • Kwantitatieve uitkomst: bij de methodiek voor de bepaling van de P2G wordt gewerkt met een tweestappenbenadering. In stap 1 wordt de bank op basis van haar maximale CET1-afname in de stresstest ondergebracht in een bepaalde categorie. Die categorieën zijn ontwikkeld op basis van de recente ervaringen met het toezicht, de SSM-risicotolerantie en de ernst van de stresstest. In stap 2 stellen de JST’s op basis van hun deskundige oordeelsvermogen de P2G af op het eigen profiel van elke instelling. De JST’s kunnen zo'n aanpassing doen binnen de bandbreedte van de betreffende categorie en in uitzonderlijke gevallen ook daarbuiten.

Contactpersonen voor de media