Veelgestelde vragen over de ECB-gidsen inzake de interne processen ter beoordeling van de kapitaaltoereikendheid en de liquiditeitstoereikendheid (ICAAP’s en ILAAP’s)

Voorwoord

De ECB beschouwt de interne processen ter beoordeling van de kapitaaltoereikendheid en de liquiditeitstoereikendheid (internal capital and liquidity adequacy assessment processes - ICAAP's en ILAAP's) als interne risicobeheerprocessen die voor instellingen van cruciaal belang zijn bij het beheer van hun kapitaal- en liquiditeitstoereikendheid. Het ICAAP en het ILAAP vormen daardoor belangrijke input voor de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP) van het Europees bankentoezicht. Zij worden meegenomen in alle SREP-beoordelingen en in de procedures voor het bepalen van de Pijler 2-kapitaal- en liquiditeitsvereisten. De ECB is voornemens de belangrijke rol van het ICAAP en het ILAAP in de SREP verder te vergroten. Zo zullen zowel de kwalitatieve als kwantitatieve aspecten van het ICAAP van een instelling – waarbij de kwantitatieve aspecten betrekking hebben op de risico’s die een instelling heeft geïdentificeerd en gekwantificeerd – een zwaardere rol spelen in bijvoorbeeld de bepaling van aanvullende eigenvermogensvereisten per individueel risico.

Procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process)

Op grond van de sleutelrol die het ICAAP en ILAAP spelen bij zowel het verbeteren van de schokbestendigheid van instellingen als het verschaffen van waardevolle informatie over de kapitaal- en liquiditeitspositie van instellingen, geven de door de ECB opgedane ervaringen aan dat de ICAAP's en ILAAP's bij alle instellingen verbeterd moeten worden. Daarom heeft de ECB een meerjarenplan in gang gezet om in nauw overleg met de sector zelf een verbeterd pakket toezichtsverwachtingen ten aanzien van ICAAP en ILAAP voor belangrijke instellingen te ontwikkelen. In de ECB-gidsen inzake ICAAP en ILAAP (“de gidsen”) wordt uiteengezet hoe de ECB de in de CRD IV vastgelegde ICAAP- en ILAAP-vereisten voor belangrijke instellingen interpreteert. (Zie de artikelen 73 en 86 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).) Belangrijke instellingen worden aangemoedigd de in de gidsen uiteengezette verwachtingen in praktijk te brengen. Het is echter belangrijk hier te benadrukken dat deze gidsen niet juridisch bindend zijn en derhalve toepasselijke (nationale) wetgeving op geen enkele wijze vervangen of tenietdoen.

Om een gemeenschappelijke uitleg van de gidsen te bevorderen worden hieronder de antwoorden van de ECB gegeven op vragen die haar gedurende haar interne en externe besprekingen over ICAAP en ILAAP vaak werden gesteld.

Veelgestelde vragen

Betekent de publicatie van de gidsen dat belangrijke instellingen momenteel niet beschikken over een toereikende ICAAP en ILAAP?

De ervaring heeft de ECB geleerd dat het ICAAP en ILAAP bij alle instellingen moet worden verbeterd. Slechts enkele belangrijke instellingen hebben aanzienlijke vooruitgang geboekt met hun ICAAP en ILAAP.

Het ICAAP en ILAAP zijn voor instellingen van fundamenteel belang voor het beheer van de toereikendheid van hun kapitaal en liquiditeit. Om de verbetering van het ICAAP en ILAAP van belangrijke instellingen te bevorderen, hanteert de ECB een meerjarenplan. Op grond van een intensieve dialoog met instellingen en andere partijen uit de sector over de in 2017 gepubliceerde ontwerpleidraad en rekening houdend met andere input heeft de ECB haar toezichtsleidraad ten aanzien van het ICAAP en ILAAP verfijnd en uitgebreid. Het is van belang te benadrukken dat belangrijke instellingen worden aangemoedigd de in de gidsen uiteengezette toezichtsverwachtingen van de ECB onverwijld in de praktijk te brengen, zelfs al zullen die pas vanaf 1 januari 2019 door de toezichthouders van de ECB gebruikt gaan worden. Belangrijke instellingen die besluiten de gidsen te volgen, worden opgeroepen dit te doen in nauwe samenwerking met hun gezamenlijk toezichthoudend team (Joint Supervisory Team – JST) en dat team proactief van hun situatie en plannen op de hoogte te brengen.

Hierbij zij opgemerkt dat de ECB sinds de publicatie van de eerste verwachtingen ten aanzien van ICAAP en ILAAP in januari 2016 de algehele gedachtegang achter de gidsen niet heeft veranderd. De ECB heeft deze verwachtingen alleen verduidelijkt, en wel in drie stappen: in februari 2017, maart 2018 en met de publicatie van de definitieve versies in november 2018.

Hoe wordt in de gidsen rekening omgegaan met de indiening van informatie over het ICAAP en ILAAP in 2019?

Voor belangrijke instellingen is 31 december 2018 de referentiedatum voor het in 2019 bij de JST’s indienen van ICAAP- en ILAAP-informatie (met inbegrip van bijvoorbeeld het ICAAP-template). De ECB zal de gidsen pas vanaf 1 januari 2019 gebruiken om het ICAAP en ILAAP van belangrijke instellingen te beoordelen.

Verwacht wordt dat bij de in 2019 door belangrijke instellingen bij de ECB ingediende gegevens en informatie over ICAAP’s en ILAAP’s rekening is gehouden met de nieuw gepubliceerde gidsen. Hierbij zij opgemerkt dat de ECB sinds de publicatie van de eerste verwachtingen ten aanzien van ICAAP en ILAAP in januari 2016 de algehele gedachtegang achter de gidsen niet heeft veranderd. De ECB heeft deze verwachtingen alleen verduidelijkt, en wel in drie stappen: in februari 2017, maart 2018 en met de publicatie van de definitieve versies in november 2018. Daarnaast sluiten de gidsen volledig aan bij de in januari 2016 gepubliceerde verwachtingen ten aanzien van het ICAAP en ILAAP. Het is belangrijk op te merken dat de via het ICAAP-template verstrekte informatie over het ICAAP gebaseerd dient te zijn op het economisch perspectief.

Heeft u enige veranderingen opgemerkt in de ICAAP's en ILAAP's van belangrijke instellingen?

Ten gevolge van de aanzienlijke verschillen in de behandeling en de rol van het ICAAP en ILAAP tussen de lidstaten, bleken de werkwijzen van belangrijke instellingen zeer uiteen te lopen. Verschillen in het ICAAP, bijvoorbeeld, kwamen onder meer naar voren uit de algehele rol van het ICAAP in het bestuur en de besluitvorming van instellingen, de uiteenlopende rol van het economische tegenover het normatieve (of op regelgeving gebaseerde) perspectief en de algemene ICAAP-benadering, d.w.z. het zogeheten “going concern”-begrip tegenover het “gone concern”-concept. In sommige lidstaten worden het ICAAP en het ILAAP beschouwd als de kern van de risicobeheerprocessen van instellingen, terwijl zij in andere lidstaten gezien worden als het proces om een rapport over de kapitaal- en liquiditeitstoereikendheid voor de toezichthouder op te stellen of gebruikt worden als synoniemen voor deze rapporten. De ECB heeft vastgesteld dat slechts enkele belangrijke instellingen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt met hun ICAAP en ILAAP.

Alle belangrijke instellingen worden aangemoedigd hun ICAAP en ILAAP te verbeteren. Wij verwachten dat de publicatie van onze aanzienlijk verbeterde gidsen hen daarbij behulpzaam zal zijn.

Hoe zorgt u ervoor dat belangrijke instellingen een toereikend ICAAP en ILAAP hebben?

Ten eerste: het ICAAP en het ILAAP vormen belangrijke input voor de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP) van het Europees bankentoezicht. Zij worden meegenomen in de beoordelingen van alle SREP-elementen en in de procedures ter bepaling van het kapitaal en de liquiditeit op grond van Pijler 2. Voorzien wordt dat in de toekomst de rol van het ICAAP en het ILAAP in de SREP verder zal worden uitgebreid.

ICAAP’s en ILAAP’s zijn essentiële factoren voor de schokbestendigheid van instellingen. De ECB evalueert daarom ieder jaar deze processen in het kader van de SREP. Mocht de ECB zwakke punten identificeren, dan kan zij toezichtsmaatregelen nemen om de problemen bij de desbetreffende instelling op te lossen. Dergelijke maatregelen kunnen ook bestaan uit kapitaal- of liquiditeitsverhogingen om zo de toegenomen onzekerheid in het risicobeheer door instellingen het hoofd te bieden en belangrijke instellingen ertoe te brengen voor deze zwakke punten een oplossing te zoeken.

Hoe wordt in de gids omgegaan met “gone concern”-ICAAP-benaderingen?

Bij de ECB ligt de nadruk op het stabiel houden van de banksector door ervoor te zorgen dat instellingen de continuïteit van hun activiteiten in stand houden. Daarom wordt in de gids inzake het ICAAP een ICAAP-benadering beschreven die erop is gericht bij te dragen aan de continuïteit van instellingen door ervoor te zorgen dat ze voldoende gekapitaliseerd zijn. Sinds januari 2016 heeft de ECB continu belangrijke instellingen aangemoedigd om van een “gone concern”-ICAAP-benadering over te stappen op een benadering die is gericht op hun continuïteit.

Wat is het verschil tussen het normatieve en het economische interne ICAAP- en ILAAP-perspectief en wat wordt bedoeld met “wisselwerking’”?

ICAAP en ILAAP zijn beide gebaseerd op twee even belangrijke maar elkaar aanvullende pijlers: het economische en het normatieve perspectief. Beide perspectieven geven vanuit zeer verschillende invalshoek een indicatie van de risico’s waaraan een instelling is blootgesteld en van de kapitaal- en liquiditeitstoereikendheid van de instelling. Om de risico’s waaraan een instelling blootstaat in kaart te kunnen brengen, dient zij te overwegen haar kapitaal- en liquiditeitstoereikendheid te beheren vanuit zowel het normatieve als het economische perspectief.

Instellingen moeten te allen tijde voldoen aan de Pijler 1- en Pijler 2-kapitaal- en liquiditeitsvereisten (zoals getoetst vanuit het normatieve perspectief getoetst). Uitsluitend dit perspectief aanhouden vormt echter geen voldoende garantie voor het voortbestaan van instellingen, zoals de recente financiële crisis heeft laten zien. Enkele instellingen gaven bijvoorbeeld een gezond beeld te zien vanuit het perspectief van het prudentieel kapitaal, maar hadden moeite hun liquiditeit en financiering op peil te houden omdat hun tegenpartijen te weinig vertrouwen in hen hadden en hen niet langer accepteerden als betrouwbare tegenpartijen. Deze tegenpartijen wisten dat het economisch belang van die instellingen was verslechterd, maar dit kwam (nog) niet tot uiting in hun balans en bijvoorbeeld in hun prudentiële kapitaalratio's. In de literatuur werd voor dergelijke instellingen de term “zombiebanken” gebruikt.

Kortom: het ene perspectief kan het andere niet vervangen. In plaats daarvan zouden beide perspectieven elkaar moeten aanvullen en moet vooral een wisselwerking tussen beide ontstaan.

Is het normatieve perspectief vergelijkbaar met de door sommige instellingen in het verleden gebruikte “going concern”-benadering?

In het verleden gebruikten sommige belangrijke instellingen een ICAAP-benadering die zij wel een “going concern”-benadering noemden. De basispremisse van dergelijke benaderingen was om op dat moment (t0) vast te stellen of zij nog steeds zouden voldoen aan de door de regelgeving en het toezicht opgelegde eigenvermogensvereisten als de risico’s die zij voor de komende twaalf maanden in hun ICAAP kwantificeerden zich werkelijk zouden voordoen. In feite trokken zij voor die beoordeling het deel dat noodzakelijk was om aan de toezichts- en prudentiële kapitaalvereisten te voldoen, af van hun eigen vermogen op de balans op moment (t0). Daarna vergeleken zij dan het restant (soms ook wel het “vrije eigen vermogen” genoemd) met de risicopositie die zij hadden gekwantificeerd. In het risicobedrag waren alle risico’s opgenomen die de volgende twaalf maanden van invloed zouden kunnen zijn op het vereiste eigen vermogen en de Pijler 1-ratio’s. Vaak werd het risico gekwantificeerd met behulp van modellen die bijvoorbeeld een VaR met een betrouwbaarheidsniveau van 99% produceerden (in sommige gevallen werden lagere betrouwbaarheidsniveaus gekozen om, anders dan bij de “gone concern”-benadering, het continuïteitsaspect van hun activiteiten mee te wegen).

In feite werd hun huidige eigen vermogen vergeleken met hun Pijler 1- plus Pijler 2-vereisten, plus alle voor t0 in het ICAAP gekwantificeerde risico’s (kredietrisico, marktrisico, operationeel risico, IRRBB, etc.).

Het normatieve perspectief, zoals gedefinieerd in de gids inzake het ICAAP, verschilt van dergelijke benaderingen aangezien het voor t0 geen afzonderlijke ICAAP-risicokwantificatie voorziet. In plaats daarvan wordt van belangrijke instellingen verwacht dat zij op t0 de Pijler 1-ratio’s bepalen en deze vergelijken met hun externe kapitaalvereisten (Pijler 1, Pijler 2-kapitaalvereiste, buffers) en de Pijler 2-kapitaalaanbeveling. Deze handeling wordt na één jaar weer uitgevoerd door de Pijler 1-ratio’s op t1 te projecteren, en ook voor de daarop volgende jaren, ten minste t2 en t3. Uiteraard wordt verwacht dat deze projecties rekening houden met alle effecten die van invloed zijn op de toekomstige Pijler 1-ratio’s in de respectieve scenario’s, zoals veranderingen in risicogewogen activa, naast resultaat- en andere eigenvermogenseffecten die voortvloeien uit wanbetaling uit kredieten, schommelingen in de marktprijs, rentewijzigingen, etc.

Het normatieve perspectief is vergelijkbaar met wat veel instellingen deden bij de planning van hun prudentieel kapitaal. Belangrijke instellingen dienen zich er echter van bewust te zijn dat de verwachtingen van de ECB ten aanzien van de kapitaalplanning duidelijk verder gaan dan wat veel instellingen in het verleden gedaan hebben, bijvoorbeeld met betrekking tot het opstellen van ongunstige scenario’s en de ernst van de aannames ten aanzien van in ongunstige scenario’s getoetste toekomstige ontwikkelingen.

Wordt van instellingen verwacht dat zij Pijler 1 gebruiken als ondergrens voor hun risicokwantificaties?

Nee, dat is niet het geval. De ECB verwacht echter wel dat belangrijke instellingen prudent en conservatief te werk gaan. Dit betekent dat zij in algehele zin niet minder conservatief zouden moeten zijn bij het vaststellen van de parameters en andere aannames die ten grondslag liggen aan hun methoden voor risicokwantificatie vanuit het economische perspectief.

Dit dient overigens niet te worden verward met de toepassing van ondergrenzen door toezichthouders. Zoals voorzien in de EBA-richtsnoeren met betrekking tot de SREP, hanteert de toezichthouder voor bepaalde risico’s een ondergrens voor Pijler 1.

Richtsnoeren inzake gemeenschappelijke procedures en methoden voor het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder (EBA/GL/2014/13)

Hoe verhouden de gidsen zich tot nationale wetgeving en andere relevante bepalingen en gidsen?

In het algemeen zijn de gidsen niet juridisch bindend en daardoor is er geen sprake van dat zij enige toepasselijke wetgeving ter invoering van de artikelen 73 en 86 van de CRD IV vervangen of tenietdoen. Mochten de gidsen in bepaalde gevallen niet in overeenstemming zijn met toepasselijke wetgeving, dan zou de ECB bij haar beoordeling van het ICAAP en ILAAP van belangrijke instellingen de toepasselijke wetgeving hanteren. De ECB heeft echter de gidsen ontwikkeld in zeer nauwe samenwerking met de nationale bevoegde autoriteiten. De ECB verwacht daarom niet dat zich dergelijke strijdigheden tussen de gidsen en nationale wetgeving zullen voordoen.

Waarom verwacht de ECB managementbuffers in het ICAAP en het ILAAP? Probeert de ECB de gidsen te gebruiken om nieuwe kapitaal- en liquiditeitsvereisten in te voeren die verder gaan dan de CRD/CRR-voorzieningen?

Nee. De ECB vermeldt in de gidsen uitdrukkelijk dat dit een verkeerde interpretatie zou zijn, aangezien het concept van de managementbuffer niet betekent dat er nieuwe minimum kapitaalvereisten worden gesteld boven op de bestaande wettelijke minima. Hoewel er over het algemeen van wordt uitgegaan dat de managementbuffers groter zijn dan nul, kan een instelling, afhankelijk van het vastgestelde scenario, in theorie ook aanvoeren dat een duurzaam nastreven van haar bedrijfsmodel met een managementbuffer van nul wel degelijk mogelijk is. Het begrip managementbuffer beschrijft alleen het feit dat instellingen gewoonlijk al op eigen initiatief boven de door de toezichthouder gestelde minimumvereisten opereren, eenvoudigweg omdat zij anders niet in staat zouden zijn de tegenpartijen, klanten, werknemers en beleggers te vinden die zij nodig hebben om hun bedrijfsmodel na te streven. De gidsen roepen instellingen echter wel op om expliciet te beoordelen welk kapitaal-/liquiditeitsniveau zij ieder voor zich nodig hebben voor elk van de getoetste scenario’s. Van instellingen wordt verwacht dat zij concrete managementbuffers definiëren, deze rechtvaardigen en de rechtvaardiging met documenten staven. Dit is in lijn met de geest van het ICAAP, in die zin dat instellingen zich ten volle bewust dienen te zijn van hun risico’s en deze actief dienen te beheren.

Wat zijn de ongunstige scenario’s vanuit het normatieve perspectief?

In de gidsen worden geen concrete ongunstige scenario’s vanuit het normatieve perspectief beschreven omdat deze naar verwachting afgestemd zullen zijn op de bedrijfsactiviteiten, de bedrijfsomgeving, het risicoprofiel en de daaruit voortvloeiende kwetsbaarheden van de instellingen, die allemaal van instelling tot instelling zeer verschillen. In de gidsen wordt onder principe 7 duidelijk gesteld: “Bij de gebruikte ongunstige scenario's is het de bedoeling voldoende rekening te houden met een ernstige economische neergang en financiële schokken, relevante en op de instelling toegesneden kwetsbaarheden, blootstellingen aan belangrijke tegenpartijen, en plausibele combinaties hiervan”.

Wat betreft het niveau van intensiteit dat verwacht wordt aan ongunstige scenario’s ten grondslag te liggen, verduidelijken de gidsen ten aanzien van Principe 7 dat de ECB onder “ongunstig” ernstige stress verstaat: “De mate van intensiteit is die van stressgebeurtenissen die aannemelijk zijn en die vanuit het perspectief van de instelling even ernstig zijn als stressgebeurtenissen die waargenomen zouden kunnen worden in een crisissituatie op de markten, factoren of gebieden die voor de kapitaaltoereikendheid van de instelling het meest relevant zijn in een dergelijk scenario.”.

Wat is de definitie van intern kapitaal en interne liquiditeit?

Van de definitie van intern kapitaal wordt verwacht dat deze overeenkomt met het concept voor toereikendheid van economisch kapitaal en de interne risicokwantificeringen van de instelling. Het concept voor toereikendheid van economisch kapitaal is een intern concept dat vanuit het economisch perspectief moet waarborgen dat de instelling over voldoende financiële middelen (intern kapitaal) beschikt om haar risico's te kunnen afdekken en de continuïteit van haar bedrijfsactiviteiten op doorlopende basis in stand te kunnen houden.

Hierbij zij opgemerkt dat de omvang van het interne en het prudentiële kapitaal aanzienlijk kan verschillen, ten gevolge van de verschillende concepten die aan de definities ten grondslag liggen. Dit is het gevolg van het feit dat intern kapitaal wordt verwacht de economische waarde van de instelling te weerspiegelen, terwijl het prudentiële kapitaal voornamelijk is gebaseerd op definities in de wetgeving, maar in het algemeen daarnaast ook boekhoudkundige aannames kan bevatten. Afhankelijk van de individuele situatie van elke instelling en de toepasselijke standaarden voor financiële verslaggeving, kan een economische waarde die afwijkt van de boekwaarde aanzienlijke verschillen opleveren.

Hetzelfde gaat op voor de kwantificering van risico’s waarbij vanuit het normatieve perspectief de invloed van alle risico’s op de prudentiële ratio’s wordt beoordeeld op grond van financiëleverslaggevingsregels en wettelijke bepalingen. Vanuit het economisch perspectief wordt daarentegen beoordeeld hoe het spectrum van risico’s waaraan de instelling materieel blootstaat van invloed kan zijn op de economische waarde van de instelling. Creditspreadrisico’s voor posities die niet tegen reële waarde worden geboekt zijn een typisch voorbeeld van risico’s die, zo wordt verwacht, anders behandeld worden vanuit de twee perspectieven.

Verwacht wordt dat de definitie van de interne liquiditeitsbuffers aansluit bij het concept voor economische liquiditeitstoereikendheid en de interne risicokwantificeringen van de instelling. Het concept voor economische liquiditeitstoereikendheid is een intern concept binnen het economisch perspectief dat moet waarborgen dat de instelling over de financiële middelen (interne liquiditeit) beschikt om haar risico's en de verwachte uitstroom te dekken en de continuïteit van haar bedrijfsactiviteiten op doorlopende basis in stand te houden. Ook hier kunnen uiteenlopende onderliggende aannames en concepten leiden tot aanzienlijke verschillen in de omvang van de beschikbare liquiditeit en in stabiele financieringsbronnen.

Kan achtergestelde schuld onder het interne kapitaal vallen?

Voor tier 2-kapitaalinstrumenten/-achtergestelde schuldinstrumenten is er over het algemeen in het “term sheet” (de conditielijst) geen bepaling opgenomen die stelt dat die instrumenten verliezen zouden absorberen in scenario’s anders dan een liquidatie. Achtergestelde leningposities zullen aan de houders van de schuld worden terugbetaald wanneer de instelling wordt gecontinueerd, overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden.

Dientengevolge kunnen tier 2-kapitaalinstrumenten (met inbegrip van met name achtergestelde schuld), op grond van de aanname dat continuering van de instelling ten grondslag ligt aan de verwachtingen van de ECB ten aanzien van het ICAAP, over het algemeen niet worden gezien als risicoabsorberend in een situatie van continuering. Daarom wordt over het algemeen niet verwacht dat dergelijke instrumenten deel uitmaken van het interne kapitaal. De instelling heeft echter wel de optie aan te voeren waarom deze redenering in een bepaald geval niet opgaat.

Is de mate van intensiteit van de ongunstige scenario's vanuit het normatieve ICAAP-perspectief niet te hoog voor kapitaalplanningsdoeleinden?

Voor ongunstige scenario's vanuit het normatieve perspectief wordt van de instelling verwacht dat zij uitgaat van buitengewone maar aannemelijke stressgebeurtenissen, die dusdanig intens zijn dat zij voldoende doorwerken in de prudentiële kapitaalratio's, in het bijzonder de CET1-ratio. De mate van intensiteit is die van stressgebeurtenissen die aannemelijk zijn en die vanuit het perspectief van de instelling even ernstig zijn als stressgebeurtenissen die waargenomen zouden kunnen worden in een crisissituatie op de markten, factoren of gebieden die voor de kapitaaltoereikendheid van de instelling het meest relevant zijn in een dergelijk scenario.

Er wordt uiteraard niet van instellingen verwacht dat zij plannen maken voor dergelijke scenario’s. Er wordt echter wel van hen verwacht dat zij zich voorbereiden op een aannemelijk geval waarin dergelijke scenario’s zich zouden kunnen voordoen. In die zin dient “plannen maken” niet te worden geïnterpreteerd als een streven naar het intreden van ongunstige omstandigheden, maar als “voorbereid zijn” en “in staat zijn” toekomstige stressgebeurtenissen “te voorkomen” om zo in het geval van die ongunstige omstandigheden onderkapitalisatie te vermijden.

Wordt van instellingen verwacht dat zij ook stresstests vanuit het economische ICAAP-perspectief uitvoeren?

Omdat de verwachte mate van conservatisme die vanuit het economische perspectief aan de risicokwantificeringen ten grondslag ligt toch al zeer hoog is, zou deze ook zeer zeldzame gebeurtenissen moeten omvatten. Afhankelijk van de gebruikte risicokwantificeringsmethode wordt dit weerspiegeld in bijvoorbeeld zeer hoge betrouwbaarheidsniveaus. Dit roept de vraag op of aanvullende stresstests worden verwacht vanuit het economische perspectief.

Het antwoord op deze vraag is tweeledig: enerzijds wordt niet verwacht dat de risicokwantificeringen vanuit het economische perspectief aan stresstests worden onderworpen met behulp van ongunstige (meerjarige) stressscenario’s, zoals vanuit het normatieve perspectief. Aangezien het ICAAP echter rekening zou moeten houden met toekomstige ontwikkelingen, wordt anderzijds van instellingen verwacht dat zij zich een oordeel vormen over de gevoeligheid van hun risicokwantificeringen voor mogelijke toekomstige economische ontwikkelingen die niet in de voor de risicokwantificering gebruikte gegevens tot uiting komen.

Om een voorbeeld te geven: vóór het begin van de crisis in 2008 stegen de huizenprijzen in de Verenigde Staten continu over een zeer lange periode. De in de sector gangbare risicokwantificeringsmethoden, die over het algemeen uitsluitend naar het verleden keken, deden vermoeden dat deze langdurige trend nooit zou veranderen, hetgeen impliceerde dat continu stijgende huizenprijzen betekenden dat hypothecaire leningen geen kredietrisico met zich meebrachten. Toen de trend echter veranderde, toonde de geschiedenis aan dat deze conclusie onjuist was.

Een soortgelijke kwestie doet zich voor wanneer bijvoorbeeld instellingen vertrouwen op value-at-risk (VaR)-modellen om hun marktrisico te kwantificeren. Na een langdurige periode van stabiele/stijgende aandelenkoersen zou het gebruik van bijvoorbeeld het historische simulatieconcept voor de kwantificering van de VaR resulteren in zeer lage risicocijfers. In werkelijkheid kunnen trends echter altijd veranderen, en wel op zodanige manier dat het uit de modellen naar voren komende verleden het werkelijke risico aanzienlijk kan onderschatten. In beide gevallen zou zelfs een extreem hoog betrouwbaarheidsniveau resulteren in een fundamentele onderschatting van de risico’s.

Daarom wordt ook vanuit het economisch perspectief een alomvattend, gedegen, conservatief en op de toekomst gericht stresstestprogramma (in de zin van een beoordeling van variërende parameters) verwacht, aangezien dit van essentieel belang is om te voorkomen dat risico’s worden onderschat en ervoor te zorgen dat instellingen toereikende niveaus van kapitaal kunnen blijven aanhouden, ook vanuit een economisch perspectief. Op grond van de “wisselwerking” tussen de twee ICAAP-perspectieven wordt van instellingen verwacht dat zij bij de beoordeling van hun kapitaaltoereikendheid vanuit het economische perspectief ook gebruik maken van de ongunstige scenario’s vanuit het normatieve perspectief.

Hierbij zij opgemerkt dat de term “stresstest” soms wordt gebruikt als synoniem voor de door de EBA uitgevoerde meerjarenstresstests. Dat is niet wat in deze context wordt bedoeld. De gids inzake ICAAP vermeldt uitdrukkelijk dat de ECB niet verwacht dat instellingen meerjarenprojecties van de economische kapitaaltoereikendheidssituatie produceert door bijvoorbeeld een model voor één jaar en voor één bepaalde factor voor nog eens drie jaar te projecteren.

Wat is de verwachte mate van conservatisme bij de risicokwantificeringen vanuit het economisch perspectief?

Verwacht wordt dat de risicokwantificeringsmethoden en -aannames die gebruikt worden vanuit het economische perspectief en het normatieve perspectief, gedegen, voldoende stabiel, risicogevoelig en conservatief genoeg zijn om verliezen te kwantificeren die zich zouden kunnen voordoen, zelfs in zich zelden voordoende omstandigheden.

Naar het oordeel van de ECB is in een gedegen ICAAP de algehele mate van conservatisme vanuit het economisch perspectief doorgaans ten minste gelijk aan het niveau dat aan de basis ligt van de risicokwantificeringsmethoden van de binnen Pijler 1 gebruikte interne modellen. In plaats van op individuele basis wordt de algehele mate van conservatisme bepaald door de combinatie van de onderliggende aannames en parameters. “Combinatie” betekent in deze context dat benaderingen in lijn kunnen zijn met deze leidraad, ondanks bepaalde individuele parameters, zoals bijvoorbeeld een betrouwbaarheidsniveau van economische kapitaalmodellen dat minder conservatief is dan binnen Pijler 1. In dergelijke gevallen wordt er van instellingen verwacht dat zij aantonen hoe deze minder conservatieve aannames worden gecompenseerd, en wel op zodanige wijze dat ze, in combinatie, ten minste gelijk worden aan de mate van conservatisme dat aan de basis ligt van Pijler 1.

Wat de mate van conservatisme betreft, wordt in de gids inzake ICAAP toegelicht dat, ook al wordt over het algemeen verwacht dat het ICAAP wordt gebruikt bij de besluitvorming, er niet wordt verwacht dat elk bedrijfsbesluit wordt genomen op grond van de hoogste mate van conservatisme.

Voor verschillende doeleinden kunnen verschillende maten van conservatisme worden gehanteerd. Van instellingen wordt echter wel verwacht dat zij in staat zijn ook de risico’s die zijn gekwantificeerd op basis van een zeer hoge mate van conservatisme, te dragen. Een instelling kan bijvoorbeeld de prijsstelling van derivaten (en daardoor het besluit bepaalde producten op de markt aan te bieden of te kopen) baseren op de aanname dat zich op deze markt geen crisissituatie zal voordoen. De instelling dient echter wel in staat te zijn, wat betreft zowel het beschikbare kapitaal als de risicobeheersprocessen, om dat risico te overleven als het zich werkelijk voordoet. In dit specifieke voorbeeld zou dat dus betekenen dat de instelling in staat zou moeten zijn uit die derivatentransactie voortvloeiende verliezen te aborberen zelfs wanneer zich op de markt een crisissituatie zou voordoen.

Kan de onafhankelijke validering van de kwantitatieve aspecten van het ICAAP en ILAAP door de interne auditafdeling worden uitgevoerd?

De gidsen spreken de verwachting uit dat interne toetsingen alomvattend worden uitgevoerd door de drie verdedigingslinies, waaronder de business lines en de onafhankelijke interne beheersingsfuncties (risicobeheer, compliance en interne audit), in overeenstemming met hun respectieve rol en verantwoordelijkheden. Om te zorgen voor een gedegen stelsel van checks and balances moet de afdeling die verantwoordelijk is voor het ontwikkelen en valideren van risicokwantificeringsmethoden (de tweede verdedigingslinie) een afdeling zijn die onafhankelijk is van de risiconemende eenheden (de eerste verdedigingslinie). Daarnaast is het belangrijk dat alle activiteiten binnen de instelling (met inbegrip van die van de tweede verdedigingslinie) regelmatig worden getoetst door een andere, volledig onafhankelijke interne auditfunctie (de derde verdedigingslinie) die direct rapporteert aan het leidinggevend orgaan.

Afhankelijk van de omvang en complexiteit van de instelling kunnen er diverse organisatorische oplossingen worden gekozen om te garanderen dat de ontwikkeling en de validering van risicokwantificeringsmethoden onafhankelijk van elkaar plaatsvinden. De ECB verwacht echter dat de concepten die ten grondslag liggen aan de diverse verdedigingslinies in acht worden genomen, d.w.z. dat de onafhankelijke validering wordt uitgevoerd door een andere eenheid dan de interne auditfunctie.

Dienovereenkomstig wordt ervan uitgegaan dat de valideringsactiviteiten, die, zo wordt verwacht, worden uitgevoerd door de risicobeheersfunctie (d.w.z. de tweede verdedigingslinie), regelmatig worden getoetst door de interne auditfunctie (d.w.z. de derde verdedigingslinie). De ECB verwacht tevens dat de interne audit zich ook richt op de toereikendheid van de risicokwantificeringsmethoden in het auditplan.

Bij de aannames voor de liquiditeitsdekkingsratio (LCR) wordt uitgegaan van stressomstandigheden. Zou een projectie van de LCR binnen een ongunstig scenario niet leiden tot een duplicatie van stress in de berekening?

Nee. De LCR-projecties voor ongunstige scenario’s (d.w.z. onder stressomstandigheden) volgen exact de bepalingen betreffende gewichten, run-offpercentages, etc. in de Gedelegeerde Verordening van de Commissie (EU) 2015/61, met andere woorden: de manier waarop de LCR wordt berekend is altijd dezelfde. De ECB verwacht echter wel dat instellingen de uitstaande saldi bepalen van activa, passiva en buiten de balans opgenomen verplichtingen die gedurende een periode van stressomstandigheden deel uitmaken van de berekening van de LCR, en vervolgens die saldi vermenigvuldigen met de in de Verordening voorziene gewichten of run-offpercentages.

Het doel van deze verwachting is dat instellingen zich bewust zijn van de invloed die bepaalde ernstige maar aannemelijke toekomstige ontwikkelingen kunnen hebben op hun LCR-ratio’s (die zij ook in de toekomst zouden moeten berekenen onder dergelijke omstandigheden). Van instellingen wordt verwacht dat zij de uitkomsten van deze projecties analyseren en besluiten of zij actie dienen te ondernemen om zich op de geprojecteerde situatie voor te bereiden of deze te voorkomen.

De uitkomsten van een dergelijke analyse zouden bijvoorbeeld kunnen zijn dat de LCR-ratio tot 60% daalt. Hoewel in de CRR wordt voorzien dat de LCR soms onder 100% kan zakken, zou nog steeds van de instelling verwacht worden dat zij een antwoord geeft op de vraag of zij met een LCR van 60% nog steeds in staat zou zijn om duurzaam haar bedrijfsmodel na te streven onder de omstandigheden die zij in het desbetreffende ongunstige scenario heeft aangenomen.

Wat zijn de verwachtingen van de ECB ten aanzien van de termijn van het kapitaalplan?

De ICAAP-gids zegt hierover het volgende: “Het kapitaalplan omvat de basis- en ongunstige scenario's en kijkt ten minste drie jaar vooruit”. Dit betekent dat van instellingen wordt verwacht dat zij een kapitaalplanningsproces opzetten (vaak binnen het kader van hun reguliere meerjarenplanningsproces) dat op het moment van goedkeuring betrekking heeft op de volledige periode van ten minste drie jaar. Van instellingen wordt verwacht dat zij ervoor zorgdragen dat het kapitaalplan het gehele jaar door wordt aangepast als het door de actuele ontwikkelingen achterhaald raakt. Daarnaast wordt van instellingen verwacht dat zij het volledige kapitaalplanningsproces, met inbegrip van alle relevante functies (zoals de economische afdeling, risico-, financiële en bedrijfsafdelingen), ten minste één maal per jaar onder de loep nemen.