Menu

Voorwoord van Mario Draghi, President van de ECB

Een stabiele banksector die in dienst staat van de economie is een essentiële factor in het herstel in het eurogebied. De belangrijkste les die de crisis ons heeft geleerd, is dat strikte regulering en goed toezicht essentieel zijn voor een stabiele banksector. Overmatige deregulering was een van de oorzaken van de wereldwijde financiële crisis. Striktere regels voor de financiële sector en beter toezicht horen dus werkelijk thuis op de groeiagenda. Op dit gebied is zowel in Europa als mondiaal grote vooruitgang geboekt. In november 2014 is het Europees bankentoezicht van start gegaan. Dat was een beslissende stap, die de basis heeft gelegd voor een stabielere banksector en verdergaande Europese integratie.

In de afgelopen paar jaar zijn de Europese banken bestendiger geworden tegen schokken op het gebied van kapitaal, schuldniveaus, financiering en het aangaan van risico's, waardoor ze veerkrachtig genoeg waren om de economische crisis in de opkomende markten, de scherpe daling van de olieprijzen en de directe gevolgen van de brexit het hoofd te bieden. Gezonde banken zijn ook in staat krediet te blijven verlenen, wat voor het economisch herstel in het eurogebied beslist nodig is.

Bij het schokbestendig maken van de sector heeft het Europees bankentoezicht een uiterst belangrijke rol gespeeld. De invoering van streng maar rechtvaardig bankentoezicht, dat in het gehele eurogebied volgens dezelfde hoge normen wordt uitgeoefend, heeft bij alle partijen vertrouwen gewekt in de kwaliteit van het toezicht en daardoor in de stabiliteit van de banken.

De uitdagingen zijn daarmee echter nog niet voorbij. Door de geringe winstgevendheid van de sector is deze slechts beperkt in staat het herstel van het eurogebied te ondersteunen. Overcapaciteit, inefficiënties en problematische activa uit het verleden dragen aan die geringe winstgevendheid bij. Het is aan de banken zelf om op deze uitdagingen een passende reactie te vinden, en in het belang van een sterk herstel in het eurogebied moeten ze daar snel mee zijn.

Het Europees bankentoezicht draagt in hoge mate bij aan de stabilisering van de banksector in het eurogebied. Het zorgt tevens voor een gelijk speelveld voor iedereen, wat nodig is om een gemeenschappelijke bankenmarkt te kunnen laten ontstaan. Maar om te voorkomen dat bij de integriteit van de gemeenschappelijke bankenmarkt vraagtekens ontstaan, dienen we de bankenunie te voltooien. We hebben in het eurogebied al gemeenschappelijk toezicht op en gemeenschappelijke afwikkeling van banken, zo moeten we er nu ook voor zorgen dat depositohouders overal dezelfde mate van zekerheid genieten.


Inleidend interview met Danièle Nouy, Voorzitter van de Raad van Toezicht

Het Europees bankentoezicht bestond in november 2016 twee jaar. Bent u tevreden met wat er tot nu toe is bereikt?

Ik ben eigenlijk erg trots op wat we tot nu toe hebben bereikt. We hebben in zeer korte tijd een instelling opgebouwd die bijdraagt aan de stabiliteit van de gehele Europese banksector. Natuurlijk staat het Europees bankentoezicht nog in de kinderschoenen, en het kan hier en daar beslist beter. Maar het werkt. Het werkt zelfs goed. Mensen uit heel Europa werken samen aan één gezamenlijk doel: een stabiele banksector. Een deel van hen werkt bij de ECB, een veel groter deel bij de nationale toezichthoudende autoriteiten. Samen vormen ze een waarlijk Europees team van bankentoezichthouders. Ons succes is te danken aan hun toewijding. Ik kan ze niet genoeg bedanken. Het is mij een eer en een genoegen om met al deze mensen te mogen werken: de mensen bij de ECB, de nationale toezichthouders en natuurlijk de leden van de Raad van Toezicht.


Wat zijn kort samengevat de belangrijkste wapenfeiten van het Europees bankentoezicht in 2016?

Er schieten me drie dingen te binnen. Ten eerste zijn we begonnen de niet-renderende leningen (non-performing loans – NPL's) effectief aan te pakken. We hadden daarvoor in 2015 al een taskforce opgezet. In 2016 hebben we een ontwerpleidraad opgesteld waarin wordt beschreven hoe banken moeten omgaan met hoge niveaus aan niet-renderende leningen. Dat is een belangrijke vooruitgang. Ten tweede hebben we ons werk voor een betere solvabiliteit van de banken in het eurogebied voortgezet. Ten derde hebben we het bankentoezicht in het eurogebied verder geharmoniseerd, met als doel het toezicht op alle banken aan dezelfde hoge normen te laten voldoen.


Wat hebt u precies gedaan om het toezicht te harmoniseren?

Het Europees prudentieel recht voorziet in keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die de toezichthouders enige armslag bieden bij het toepassen van de regels. In 2016 hebben we met de nationale autoriteiten afgesproken de toepassing daarvan voor het gehele eurogebied te harmoniseren en we hebben vervolgens een ECB-Verordening en een Gids uitgebracht. Een ander belangrijk instrument bij de harmonisatie van het toezicht is de Procedure voor Prudentiële Toetsing en Evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP). Dankzij de SREP worden bij het toezicht op alle banken in het eurogebied dezelfde methoden en normen gehanteerd. In 2016 hebben we de SREP verder uitgewerkt en aangepast. Daardoor bestaat er nu een sterkere correlatie tussen de extra kapitaaleisen die wij als toezichthouder aan een bank stellen en het individuele risicoprofiel van die bank.


Er is nu dus een gelijk speelveld voor alle banken in het eurogebied?

We hebben op dat vlak goede vooruitgang geboekt. Maar er zijn hier en daar nog wel wat hobbels. Zo is de regelgeving in het eurogebied nog altijd tamelijk versnipperd. Sommige regels voor de banken zijn vervat in EU-Richtlijnen en die moeten altijd in nationale wetgeving worden omgezet. Dat betekent dat de feitelijke regels van land tot land verschillen, wat het Europees bankentoezicht duurder en minder efficiënt maakt. Als de beleidsmakers de bankenunie dus serieus nemen, moeten ze de regels verder harmoniseren. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door minder met Richtlijnen en meer met Verordeningen te werken, want die zijn direct van toepassing in alle EU-landen. De recente wetsvoorstellen van de Europese Commissie, waarin veel belangrijke aspecten van het 'rulebook' opnieuw aan de orde komen, bieden een goede gelegenheid om de EU-wetgeving inzake de banken verder te harmoniseren. We mogen die gelegenheid beslist niet voorbij laten gaan. De definitieve wetstekst dient ook te waarborgen dat de toezichthouder over alle instrumenten kan beschikken die hij nodig heeft om zijn taken naar behoren uit te voeren.


Heeft het gelijke speelveld ook betrekking op banken die niet onder het directe toezicht van de ECB staan?

De ECB houdt direct toezicht op de belangrijke instellingen, dat zijn de ongeveer honderddertig grootste banken in het eurogebied. De resterende minder belangrijke banken (ongeveer 3.200) worden ook wel LSI's (less significant institutions) genoemd. Zij staan onder het directe toezicht van de nationale bevoegde autoriteiten. De ECB is indirect betrokken bij het toezicht op de LSI's. Samen met de nationale toezichthouders maken wij ons hard voor de invoering van uniforme normen, ook voor het toezicht op de LSI's. In 2016 hebben we enkele van die normen geformuleerd. We hebben onze aanpak van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte uitgebreid naar kleine banken, en we werken aan een geharmoniseerde SREP voor de LSI's. Bij de omgang met LSI's passen we uiteraard het evenredigheidsbeginsel toe. We passen de toezichtsintensiteit aan aan de risico's die kleine banken lopen.


Hoe gaat het eigenlijk met de Europese banken?

Het goede nieuws is dat ze de afgelopen paar jaar veel schokbestendiger zijn geworden. Hun kapitaalbuffers zijn aanzienlijk groter. Maar ze worden nog steeds met risico's en uitdagingen geconfronteerd. Ze moeten niet alleen bepalen hoe ze in een moeilijke markt hun winst kunnen vergroten, van hun problematische activa uit het verleden afkomen en moeten omgaan met cybercriminaliteit en andere IT-risico's, ze worden op dit moment ook met andere vragen geconfronteerd. Neemt de concurrentie van niet-banken toe? Waar gaat het met de economie van het eurogebied naartoe? Welke gevolgen heeft de brexit voor de banken in het eurogebied? En hoe ontwikkelen andere geopolitieke kwesties zich? Banken opereren in een wereld die wordt gekenmerkt door risico's en veranderingen. Ze moeten de risico's beheersen en zich aanpassen aan de veranderingen. Alleen dan kunnen ze op lange termijn winstgevend blijven.


De lage rente en de intensievere regelgeving worden vaak met name als uitdagingen voor de banken genoemd. Wat is uw kijk daarop?

Grote banken in het eurogebied halen meer dan de helft van hun totale baten uit rentebaten. De rente is dus inderdaad een belangrijk punt en de lage rente is een probleem. In 2017 gaan we de renterisico's van banken nader bekijken. Onze jaarlijkse stresstest zal dit jaar bijvoorbeeld bestaan uit een gevoeligheidsanalyse om inzicht te krijgen in de effecten van renteveranderingen op het bankenboek. Wat de regelgeving betreft: regels vormen altijd een last voor wie eraan moeten voldoen. Maar we moeten in dit geval verder kijken dan de banken. Intensievere regelgeving helpt om crises te voorkomen. We hebben geleerd dat financiële crises de economie, de belastingbetaler en uiteindelijk ook de banken zelf duur komen te staan. Tegen die achtergrond zou het hoogst welkom zijn wanneer de hervorming van de mondiale regelgeving volgens plan wordt voltooid. Die voorgenomen hervorming terugdraaien is het laatste wat we moeten doen. De financiële sector is internationaal, en de regels voor de sector moeten dat dus ook zijn. Dat is een belangrijke les uit de financiële crisis.


Hoe gaat het bankentoezicht om met de uitdagingen waar de banken voor staan?

De risico's en uitdagingen die ik zonet noemde, komen tot uiting in onze toezichtsprioriteiten voor 2017. Om te beginnen zetten we onze analyse van de bancaire bedrijfsmodellen en ons onderzoek naar hun winstfactoren voort. Daartoe zullen onze al gezamenlijke toezichthoudende teams (Joint Supervisory Teams – JST's) hun eigen bank grondig doorlichten. Ook zullen we beoordelen in hoeverre ontwikkelingen als fintech en de brexit van invloed zijn op de bedrijfsmodellen van de banken in het eurogebied. Maar uiteindelijk is het natuurlijk niet onze taak om nieuwe bedrijfsmodellen voor te schrijven. Wel kunnen we de bestaande modellen op de proef stellen en dat zullen we zeker doen. Onze tweede prioriteit is risicomanagement. In het huidige klimaat van geringe winstgevendheid en sterke liquiditeitsposities kunnen banken in de verleiding komen een gevaarlijke jacht naar rendement te beginnen, en dat maakt risicomanagement belangrijker dan ooit. Onze derde prioriteit zijn kredietrisico's, met name niet-renderende leningen. Ik heb dit belangrijke punt al eerder genoemd.


Niet-renderende leningen waren in 2016 inderdaad een belangrijk punt. Hoe staat het er nu mee?

De banken en toezichthouders hebben al veel bereikt. Dat neemt niet weg dat NPL's nog steeds een belangrijk punt vormen. NPL's vormen een dode last op de bankbalansen: ze drukken de winst en beperken banken in hun mogelijkheden om krediet te verlenen aan de economie. De leidraad die wij hebben opgesteld, helpt banken hun balans op te schonen. De leidraad bevordert een consistente benadering van forbearance (respijt), verantwoording, voorzieningenbeleid en openbaarmaking ten aanzien van niet-renderende leningen. Bovendien wordt banken met hoge NPL-niveaus dringend aangeraden om specifieke targets te formuleren en te implementeren om deze niveaus te verlagen. Samen vormen de in de leidraad beschreven best practices wat wij als toezichthouder van de banken verwachten. Onze JST's zijn al actief met de banken in gesprek over hun plannen voor de implementatie van de leidraad. Maar niet-renderende leningen zijn niet alleen een kwestie voor de banken en hun toezichthouders. Hoe snel een bank zulke leningen kan afwikkelen, hangt ook af van de wetgeving en het rechtsstelsel in een land. En in sommige landen staan die een snelle afwikkeling van NPL's in de weg. Op dit punt zouden de nationale beleidsmakers de banken kunnen helpen. Zij zouden kunnen zorgen voor een efficiënter rechtsstelsel en betere toegang tot onderpand. Ook zouden ze snelle buitengerechtelijke procedures kunnen instellen en belastingprikkels op één lijn kunnen brengen.


U noemde risicomanagement als een van de prioriteiten voor 2017. Waarom is dat?

Banken moeten uiteraard altijd en overal beschikken over een gedegen systeem van risicomanagement: risico's nemen en risicoallocatie is tenslotte hun vak. Maar goed risicomanagement is complex en vergt diverse elementen. Ten eerste de juiste cultuur, een cultuur die risicomanagement waardeert en het niet beschouwt als een rem op het streven naar meer winst. Of formeler gezegd: goed risicomanagement vergt goede governancestructuren – risicomanagers moeten een stem hebben die wordt gehoord door hen die de besluiten nemen. We hebben in juni 2016 de uitkomsten van een onderzoek naar deze kwestie gepubliceerd en daaruit blijkt dat bij veel banken op dit punt nog verbetering nodig is. Ten slotte zijn voor goed risicomanagement goede data nodig. Daarom gaan we in 2017 bekijken in hoeverre de banken aan de betreffende internationale normen voldoen. In verband hiermee zijn we met een groot project gestart om de interne modellen te beoordelen die de banken gebruiken om hun risicogewogen activa te bepalen. Die interne modellen zijn van belang, omdat op grond van de risicogewogen activa de kapitaalvereisten worden berekend. Het Europees bankentoezicht zal daarom een themaonderzoek beginnen naar de uitbestede activiteiten van banken en de wijze waarop zij de daarmee gepaard gaande risico's managen.


Hoe ziet u het Europees bankentoezicht in de iets verdere toekomst? Hoe kan dat zowel het publiek als de banken dienen?

Toezicht is voor banken een soort tegenwicht dat de stabiliteit vergroot: de banken zien meestal de rendementen, de toezichthouders de risico's; de banken zijn meestal geïnteresseerd in winstgevendheid, de toezichthouders in stabiliteit. Door hun taken te vervullen, voorkomen de toezichthouders dat banken al te grote risico's nemen en helpen ze crises in de toekomst te voorkomen. Ze beschermen spaarders, beleggers, belastingbetalers en de economie als geheel. Het Europees bankentoezicht heeft bovendien het voordeel van een specifiek Europees perspectief. Het kijkt verder dan de eigen landsgrenzen en kan daardoor risico's in een vroeg stadium signaleren en verdere verspreiding ervan voorkomen. Het handelt onafhankelijk van nationale belangen en kan daardoor voor alle banken in het eurogebied een strenge maar rechtvaardige toezichthouder zijn. Daarmee helpt het een gelijk speelveld te creëren, waarop iedereen dezelfde kansen en verantwoordelijkheden heeft. Dat is de basis voor de ontwikkeling van een waarlijk Europese banksector, ten behoeve van de gehele economie.


De bijdrage van de toezichthouder aan de financiële stabiliteit

In 2016 rapporteerden de banken in het eurogebied stabiele, maar lage winsten. Tegelijkertijd waren de risico's en uitdagingen waarvoor ze stonden, grotendeels dezelfde als in 2015. Het grootste risico betrof de duurzaamheid van hun bedrijfsmodellen en hun winstgevendheid. Andere grote risico's waren bijvoorbeeld hoge niveaus aan niet-renderende leningen en geopolitieke onzekerheid, zoals de gevolgen van de brexit op korte en middellange termijn. Het Europees bankentoezicht heeft hier bij het vaststellen van zijn toezichtsprioriteiten rekening mee gehouden.

Het Europees bankentoezicht heeft verder gewerkt aan de verbetering van zijn belangrijkste toezichtsinstrument, de Procedure voor Prudentiële Toetsing en Evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP). Daardoor bestaat er nu een veel sterker verband tussen de kapitaalvereisten die aan een bank worden gesteld en het risicoprofiel van die bank. De totale kapitaaleis als gevolg van de SREP 2016 is min of meer gelijk gebleven.

Het Europees bankentoezicht heeft in 2016 goede vooruitgang geboekt op het gebied van niet-renderende leningen. Het heeft in september een ontwerpleidraad gepubliceerd ter openbare raadpleging. De aanbevelingen en best practices uit deze leidraad helpen banken de omvang van hun NPL's effectief te verminderen.

Kredietinstellingen: de belangrijkste risico's en algehele prestaties

De grootste risico's in de banksector en de toezichtsprioriteiten

Grootste risico's voor de Europese banksector onveranderd

De meeste risico's die in 2016 zijn geconstateerd, blijven ook in 2017 van belang. De banken in het eurogebied opereren nog altijd in een omgeving die wordt gekenmerkt door geringe economische groei. De povere economische prestaties zijn van invloed op de rente en het economisch herstel en liggen ten grondslag aan de grootste risico's voor de banksector in het eurogebied, zoals weergegeven in Grafiek 1.

De lange periode van lage rente is bevorderlijk voor de economie en verkleint het wanbetalingsrisico. Aan de andere kant komen de bedrijfsmodellen van de banken hierdoor onder druk te staan, omdat de rentebaten door de lage rente achterblijven, terwijl de algehele winstgevendheid toch al gering is. De risico's ten aanzien van de houdbaarheid van de bedrijfsmodellen en de geringe winstgevendheid waren ook in 2016 een belangrijke punt van zorg voor de banksector in het eurogebied.

De banken moeten het grote aantal niet-renderende leningen terugdringen

Een andere bron van zorg is het grote aantal niet-renderende leningen (non-performing loans, NPL's) in het eurogebied. Die maken de betreffende banken niet alleen minder winstgevend, maar ook kwetsbaarder voor stemmingsveranderingen op de markten. Banken hebben daarom behoefte aan gedegen, robuuste strategieën voor het opschonen van hun balans, en actief beheer van portefeuilles met NPL's behoort daarvan deel uit te maken.

De brexit vormt een geopolitiek risico voor de banken

De geopolitieke onzekerheid neemt toe. ECB-Bankentoezicht heeft intensief contact onderhouden met de banken met de grootste risicoposities, met name over het brexit-referendum in het Verenigd Koninkrijk, om ervoor te zorgen dat zij de situatie en de risico's nauwlettend in de gaten hielden en zich op mogelijke gevolgen zouden voorbereiden. Gedurende die periode zijn er in de banksector geen liquiditeits-, financierings- of operationele risico's geconstateerd. De recente politieke ontwikkelingen kunnen echter leiden tot uitstel van investeringen en daardoor de economische groei vertragen.

Grafiek 1

Risicokaart voor het bankwezen van het eurogebied

NPL's geopolitieke onzekerheden in de EU lage rentes OME's & China omslag risicopremies wangedrag CCP-solvabiliteit concurrentie van niet-banken reactie banken op nieuwe regelgeving marktliquiditeit begrotings- onevenwichtigheden in het eurogebied lage groei in het eurogebied vastgoedmarkten cybercrime & IT- verstoringen hoog hoog laag Risicokans Risico -impact

Bron: ECB; de pijltjes geven de kanalen weer waardoor risicofactoren zich kunnen verspreiden (alleen eerste-orde-effecten zijn weergegeven); NPL: deze risicofactor is alleen van belang voor banken in het eurogebied met een hoge NPL-ratio.

Een andere kwestie is de ambiguïteit rond toekomstige regelgeving, ondanks de voordelen die een veiliger en schokbestendiger financieel stelsel biedt. De afronding van de herziening van Bazel III en de vaststelling van de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities – MREL) zullen de onzekerheid over de regelgeving verminderen en de operationele omgeving voor de banken stabiliseren. Intussen bereiden de banken zich ook voor op de invoering van IFRS 9, die begin 2018 van kracht wordt. Voor bepaalde banken zal het al met al een uitdaging blijven aan de strengere eisen te voldoen en tegelijkertijd de winstgevendheid op peil te houden.

ECB-Bankentoezicht heeft in 2016 de EU-brede stresstest van de EBA (Europese Bankautoriteit) uitgevoerd bij de banken in het eurogebied, alsmede de SREP-stresstest van ECB-Bankentoezicht.[1] De EU-brede stresstest had betrekking op 37 grote, belangrijke banken (die samen ongeveer 70 procent van de bancaire activa onder Europees bankentoezicht vertegenwoordigden). De uitkomsten van de stresstests bij deze banken zijn op 29 juli 2016 door de EBA gepubliceerd.[2] In de SREP-test kwamen nog eens 56 belangrijke instellingen in het eurogebied aan bod. Bij beide tests is min of meer dezelfde methodiek toegepast om de bestendigheid van financiële instellingen tegen ongunstige marktontwikkelingen te toetsen en input voor de SREP te genereren.

Uit de stresstests bleek het volgende.

  • Het bankenstelsel is in staat om een nog zwaardere schok te weerstaan dan de schok die in de alomvattende beoordeling van 2014 is gesimuleerd en om na de schok gemiddeld genomen hetzelfde kapitaalniveau te handhaven.
  • Grotere kredietverliezen, lagere nettorentebaten en hogere herwaarderingsverliezen op marktrisicoposities waren de belangrijkste factoren achter het verschil in testresultaten tussen het basis- en het ongunstige scenario.
  • Banken met een relatief lage kredietkwaliteit en een relatief hoge NPL-ratio kunnen gemiddeld genomen de gevolgen van de schok slechter opvangen, zowel wat betreft kredietverliezen als nettorentebaten. Dit onderstreept hoe belangrijk het is hoge NPL-niveaus aan te pakken.

Een team van ongeveer 250 mensen van de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten (national competent authorities – NCA's)/nationale centrale banken (NCB's) heeft de door de banken berekende uitkomsten van de stresstest aan een gedegen kwaliteitsborgingsprocedure onderworpen. Daarbij is gebruikgemaakt van de specifieke kennis over individuele banken van de JST's, vergelijkingen met collega-banken, de eigen top-downberekeningen van de ECB en expertise van de NCA's.

Figuur 1

Toezichtsprioriteiten voor 2016 en 2017

Toezichtsactiviteiten1 in 2017 en daarna Prioriteiten 2016 Waarschijnlijk ook in 2018 Prioriteiten 2017 Bedrijfsmodellen en winstfactoren Focus voor kredietrisico op NPL's en concentraties Risicomanagement Bedrijfsmodellen en winstfactoren Kredietrisico Risicogovernance en de kwaliteit van gegevens Kapitaal - toereikendheid Liquiditeit Voorbereidingen brexit dialoog met banken Beoordelen bedrijfsmodellen en winstfactoren van banken Consistente aanpak van NPL's/tolerantie t.a.v. blootstellingen (bijvoorbeeld diepgravende analyse/inspecties ter plaatse) Beoordelen in hoeverre banken voorbereid zijn op IFRS 9 Toezien op blootstellingsconcentraties (bijv. scheepvaart/onroerend goed) Verbetering van de ICAAP² en ILAAP³ van banken Beoordelen naleving van BCBS 239 - principes voor effectieve aggregatie van risicogegevens en - rapportage van het Bazels Comité TRIM Modellen voor kredietrisico, marktrisico en tegenpartijkredietrisico NIEUW Concurrentie van niet - banken/fintech NIEUW Uitbesteding

1 Gerichte toetsing van interne modellen
2 Internal Capital Adequacy Assessment Process (intern beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid)
3 Internal Liquidity Adequacy Assessment Process (intern beoordelingsproces van de liquiditeitstoereikendheid)
Toelichting: De themaonderzoeken hebben een donkerblauwe rand.

De kwantitatieve impact van het ongunstige stresstestscenario is één factor bij het bepalen van het niveau van de Pijler 2-aanbeveling (Pillar 2 guidance – P2G). De kwalitatieve uitkomsten van de stresstest zijn gebruikt bij het vaststellen van de Pijler 2-vereiste (Pillar 2 requirement – P2R).[3] Naast de risico's die al uit het lopende toezicht naar voren waren gekomen, bracht de stresstest bovendien belangrijke punten aan het licht waarop banken in het eurogebied kwetsbaar zouden zijn bij een negatieve schok. Zo bleken kredietverliezen vooral voort te komen uit risicoposities in ongedekte retail- en bedrijfskredieten. Uit de stresstest bleek ook nog een andere oorzaak voor kredietverliezen, namelijk de kredietverlening aan bepaalde regio's, zoals Latijns-Amerika en Midden- en Oost-Europa.

De toezichtsprioriteiten van het SSM zijn de onderwerpen waaraan het toezicht in een bepaald jaar extra aandacht besteedt. Ze worden gebaseerd op een beoordeling van de belangrijkste risico's voor onder toezicht staande banken, waarbij rekening wordt gehouden met de meest recente ontwikkelingen in de economie, de regelgeving en het toezicht. De prioriteiten, die jaarlijks worden herzien, vormen een essentieel hulpmiddel om de toezichtsacties voor alle banken op een voldoende geharmoniseerde, evenredige en efficiënte wijze te coördineren, en zo bij te dragen aan een gelijk speelveld en een grotere impact van het toezicht. (Zie Figuur 1.)


Algehele prestaties van belangrijke banken in 2016

Winst belangrijke instellingen in het eurogebied ongeveer gelijk gebleven

Uit de resultaten over de eerste drie kwartalen van 2016 blijkt dat de winstgevendheid van de belangrijke banken in 2016 ongeveer gelijk is gebleven.[4] Het gemiddelde rendement op het eigen vermogen (op jaarbasis) voor een representatieve steekproef van 101 belangrijke instellingen was 5,8% in het derde kwartaal van 2016, een lichte daling ten opzichte van de 6,0% in dezelfde periode van 2015.[5] Daarbij moet echter worden aangetekend dat achter deze geaggregeerde cijfers sterk uiteenlopende ontwikkelingen waarneembaar zijn.

5,8% rendement op het eigen vermogen

De doorlopende inkomsten zijn in 2016 afgenomen: hoewel de kredietverlening licht is gegroeid (+0,5% jaar-op-jaar), waarbij met name het volume van de bedrijfskredieten toenam (+2,8%), zijn de totale nettorentebaten van belangrijke banken gedaald met 3%. De daling concentreerde zich in het eerste kwartaal van 2016. Daarna hebben de rentebaten zich gestabiliseerd. Ook de provisiebaten vielen lager uit (-2,8% jaar-op-jaar), vooral als gevolg van lagere vergoedingen uit assetmanagement- en kapitaalmarktactiviteiten in de eerste drie kwartalen van 2016. Het is mogelijk dat zich in het vierde kwartaal van 2016 een omslag heeft voorgedaan, toen de activiteit op de kapitaalmarkten weer aantrok.

Grafiek 2

Rendement op eigen vermogen in 2016 stabiel omdat lagere bedrijfsresultaten door lagere impairmentlasten werden gecompenseerd.

(Alle cijfers zijn gewogen gemiddelden, uitgedrukt als percentage van het eigen vermogen)

-10% -5% 0% 5% 10% 15% 2015 2016 Bedrijfsresultaat vóór bijzondere waardevermindering Bijzondere waardevermindering Overige Rendement op het eigen vermogen

Cijfers voor beide jaren betreffen de gecumuleerde cijfers voor het derde kwartaal, op jaarbasis.
Bron: FINREP-kader (101 belangrijke instellingen die IFRS-gegevens rapporteren op het hoogste consolidatieniveau).

Het negatieve effect van de lagere baten werd deels gecompenseerd door lagere bedrijfskosten (-1%). Vooral op arbeidskosten (-1,4%) werd opvallend veel bespaard. Gezien de herstructureringsmaatregelen die diverse banken in het eurogebied onlangs hebben genomen, zou deze trend zich de komende kwartalen kunnen voortzetten.

Betere macro-economische omstandigheden hebben een gunstig effect gehad op de impairmentlasten, die lager uitvielen dan in 2015: bijzondere waardeverminderingen van kredieten en andere financiële activa zijn gedaald van 5,5% van het totale eigen vermogen in het derde kwartaal van 2015[6] naar 4,4% in het derde kwartaal van 2016. De verbetering was grotendeels geconcentreerd in een paar landen, terwijl in enkele andere landen de kredietverliezen al op een historisch laag peil stonden. De ervaring leert dat banken in het vierde kwartaal meestal hogere bijzondere waardeverminderingen doorvoeren, wat van invloed kan zijn de jaarwinst.

De winstgevendheid van banken profiteerde in 2016 van eenmalige baten (3,4% van het totale eigen vermogen in het derde kwartaal van 2016). De eenmalige baten waren echter lager dan in 2015 en doen zich in de komende kwartalen mogelijk niet meer voor.


Invoering van het toezichtsmodel van het SSM

Verfijning van de SSM-SREP-methodiek

Doordat de SREP-methodiek is verbeterd, bestaat er nu een sterkere correlatie tussen het risicoprofiel van banken en hun kapitaalvereisten

76% De correlatie tussen kapitaalvereisten en risicoprofiel

Op basis van een gemeenschappelijke methodiek voor de grootste bankgroepen van het eurogebied heeft het Europese bankentoezicht in 2016 voor de tweede keer de SREP gehouden. Ook nu had die tot doel een schokbestendig bankenstelsel te bevorderen dat in staat is de economie van het eurogebied op duurzame wijze te financieren. De harmonisatie die in de toezichtscyclus van 2015 al was bereikt, heeft in dat opzicht tastbare resultaten opgeleverd. Op grond van deze resultaten is de SREP-beoordeling verder verbeterd. De verbeteringen komen tot uiting in de grotere correlatie tussen de kapitaalvereisten en de risicoprofielen van de banken (van 68% na de SREP van 2015 naar 76% na die van 2016). De algehele aanpak, een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve elementen en beperkte oordeelsvrijheid, is daarbij gehandhaafd. Bovendien is de SREP-methodiek verder aangevuld, zodat de resultaten van de EU-brede stresstest van 2016 erin verwerkt konden worden.

In Figuur 2 wordt een overzicht van de SREP-methodiek gegeven. Een geactualiseerde versie van het SSM SREP-Methodiekboekje is in december 2016 gepubliceerd.

Figuur 2

Methodiek SSM-SREP 2016

De belangrijkste input voor de SREP is geleverd door de JST's, die, elk voor hun eigen bank, de onderstaande vier elementen hebben beoordeeld: bedrijfsmodel, governance en risicomanagement, kapitaalrisico's en liquiditeits- en financieringsrisico's.

De methodiek van de SSM-SREP is in 2016 verbeterd

De SREP-methodiek voor de beoordeling van governance en risicomanagement is in 2016 uitgebreid op grond van het uitgebreide themaonderzoek naar risicogovernance en risicobereidheid[7] dat de JST's in 2015 hebben uitgevoerd.

Figuur 3

P2G niet opgenomen in de berekening van het MDA

Pijler 1 (minimumvereisten) P2R Kapitaalconserveringsbuffer Anticyclische buffer G-SII-buffer O-SII-buffer SRB2 P2G Maximum van toepassing1 Triggerniveau voor MDA-beperking

1) Meest voorkomende geval; een specifieke berekening is mogelijk, afhankelijk van de tenuitvoerlegging van CRD IV, Artikel 131, lid 15, door de lidstaat
2) Systeemrisicobuffer
Toelichting: Schaal niet van betekenis. Tenuitvoerlegging van EBA-advies inzake MDA en het persbericht van 1 juli 2016.

In 2016 is bovendien de door de EBA in juli 2016 geformuleerde P2G (Pillar 2 guidance Pijler 2-aanbeveling) geïntroduceerd.[8] P2G, een aanvulling op P2R (Pillar 2 requirements – Pijler 2-vereisten), is een verwachting van de toezichthouder ten aanzien van bancair kapitaal boven op het verplichte kapitaalniveau (minimum- en aanvullende kapitaalvereisten) en boven op de gecombineerde buffers. (Zie Figuur 3.) P2G is een verwachting van de toezichthouder en blijft als zodanig buiten de berekening van het maximaal uitkeerbare bedrag (maximum distributable amount MDA) als bedoeld in Artikel 141 van de Richtlijn Kapitaalvereisten (Capital Requirements Directive – CRD IV).

Bij het formuleren van de P2G wordt een holistische benadering gevolgd die rekening houdt met de volgende elementen: de depletie van kapitaal in het ongunstige scenario van de stresstest in het algemeen; het specifieke risicoprofiel van de afzonderlijke banken en hun gevoeligheid voor de stress-scenario's; tussentijdse veranderingen in het risicoprofiel van de instelling sinds de sluitingsdatum van de stresstest; en de maatregelen die de instelling heeft genomen om haar risicogevoeligheid te verminderen.

Hoewel van banken verwacht wordt dat ze de Pijler 2-aanbevelingen opvolgen, volgen er niet automatisch beperkende maatregelen als ze dat niet doen. Bij banken die niet aan hun P2G voldoen, neemt de ECB corrigerende maatregelen die zorgvuldig zijn afgestemd op de situatie van de bank in kwestie.

SREP-CET1-eis blijft in 2017 gelijk

Op grond van de uitkomsten van de SREP 2016 blijft de totale SREP CET1-eis (Common Equity Tier 1 – tier 1-kernkapitaal) voor 2017 gelijk aan die van vorig jaar. De huidige kapitaaleis in het stelsel verschaft, ceteris paribus, ook een indicatie voor de toekomst.[9] In een aantal individuele gevallen is de SREP-CET1-eis aangepast aan de ontwikkeling van het risicoprofiel van de betreffende banken. Bij de SREP-2016 is kapitaal verschoven van Pijler 2 (2015), naar de pas ingevoerde P2G en is de opname van het niet-ingefaseerde deel van de kapitaalconserveringsbuffer geschrapt. Doordat bij de betreffende berekeningen geen rekening is gehouden met P2G, is de MDA-trigger gedaald van gemiddeld 10,2% naar gemiddeld 8,3%.

Behalve van kapitaalmaatregelen is er ook vaker gebruikgemaakt van kwalitatieve maatregelen om specifieke zwakke punten bij afzonderlijke instellingen aan te pakken. In hoeverre deze maatregelen worden toegepast, hangt samen met het risicoprofiel van de bank: hoe groter het risico, hoe waarschijnlijker dat er kwalitatieve maatregelen worden genomen.

SREP 2017: naar verwachting geen grote veranderingen

Er worden in 2017 geen grote veranderingen in de SSM-SREP-methodiek verwacht. ECB-Bankentoezicht blijft de methodiek echter verfijnen, in lijn met de toekomstgerichte benadering die het hanteert om de activiteiten en risico's van banken afdoende te monitoren.


Werkzaamheden aan andere methodieken

De doelen en opzet van de TRIM zijn gedetailleerd vastgelegd

109 onderzoeken naar interne modellen van start in 2016

De conceptuele werkzaamheden aan de interne modellen waren in 2016 gericht op de gerichte toetsing van interne modellen (targeted review of internal models – TRIM), die in 2017 van start gaat. Ter voorbereiding op de TRIM heeft ECB-Bankentoezicht:

  • een representatieve en op risico's gebaseerde selectie gemaakt van de modellen die ter plaatse moeten worden getoetst;
  • een toezichtsgids voor specifieke soorten risico's samengesteld en inspectietechnieken voor de validatie daarvan ingevoerd;[10]
  • organisatorische voorzieningen getroffen om in de komende jaren het toenemend aantal onderzoeken ter plaatse van interne modellen te kunnen uitvoeren;
  • de belangrijke instellingen regelmatig geïnformeerd over de voortgang van het project;
  • op diverse manieren informatie verzameld en SI's zo de kans geboden aan de voorbereidingsfase bij te dragen.

Grafiek 3

De meeste onderzoeken van interne modellen in 2016 hadden betrekking op kredietrisico's

87 16 5 1 0 20 40 60 80 100 120 Kredietrisico Marktrisico Tegenpartijkrediet- en CVA-risico Operationeel risico

  

In het afgelopen jaar zijn er bij belangrijke instellingen 109 onderzoeken van interne modellen gestart en 88 ECB-besluiten over interne modellen uitgevaardigd. Door de extra onderzoeken in het kader van de TRIM zullen deze aantallen in de toekomst waarschijnlijk hoger uitvallen.

Er is opnieuw vooruitgang geboekt bij de harmonisatie van beoordelingsmethoden voor interne modellen. Medewerkers van de ECB en de NCA's hebben het Europees bankentoezicht vertegenwoordigd bij Europese en internationale fora waar vragen rond interne modellen werden besproken. Ook hebben ze deelgenomen aan diverse exercities, zoals de EBA-benchmark van interne modellen.


Kredietrisico: werken aan niet-renderende leningen

De NPL-niveaus zijn sinds 2008 aanzienlijk hoger geworden

NPL's vormen een bijzondere uitdaging voor de banken. De niet-renderende leningen zijn sinds 2008 aanzienlijk in omvang toegenomen, met name in lidstaten die de afgelopen jaren substantiële economische aanpassingsprocessen hebben doorgemaakt. Grote bedragen aan niet-renderende leningen dragen bij aan de geringe winstgevendheid van de banken en beperken hun mogelijkheden om nieuwe kredieten te verlenen aan de economie.

6,49% Het gewogen gemiddelde van de bruto-NPL-ratio voor belangrijke instellingen

Het gewogen gemiddelde van de bruto-NPL-ratio van SI's was in het derde kwartaal van 2016 6,49%. In het eerste kwartaal van 2016 was dat 6,85% en in het tweede kwartaal van 2015, 7,31%. Uit de geaggregeerde cijfers voor belangrijke banken blijkt dat het totaal aan NPL's tussen het derde kwartaal van respectievelijk 2015 en 2016 met € 54 miljard is gedaald (waarvan € 15,59 miljard in het derde kwartaal van 2016). De omvang van de NPL's had in het derde kwartaal van 2016 € 921 miljard bereikt.[11]

 54 miljard Daling van het aantal niet-renderende leningen tussen het derde kwartaal van 2015 en dat van 2016

Vanaf 2014, toen de alomvattende beoordeling werd uitgevoerd, heeft de ECB de afwikkeling van NPL's steeds ondersteund door als toezichthouder voortdurend in dialoog te blijven met de betroffen banken.

  

  

De ECB helpt banken NPL's uit het verleden af te wikkelen en te voorkomen dat nieuwe ontstaan

Om een daadkrachtige en vastberaden aanpak van NPL's mogelijk te maken, heeft het Europees bankentoezicht in juli 2015 een speciale NPL-taskforce opgezet. Die bestaat uit vertegenwoordigers van NCA's en de ECB en wordt voorgezeten door Sharon Donnery, vicegouverneur van de Central Bank of Ireland. De taskforce heeft tot doel een consistente aanpak van het toezicht op instellingen met hoge NPL-niveaus te formuleren en toe te passen.

Voor de leidraad voor banken inzake niet-renderende leningen, waarvan het ontwerp is gepubliceerd, heeft de ECB gebruikgemaakt van het werk van de taskforce. Over de leidraad is tussen 12 september en 15 november 2016 een openbare raadpleging gehouden en op 7 november een openbare hoorzitting. Tijdens de officiële raadplegingsprocedure zijn meer dan zevenhonderd afzonderlijke commentaren binnengekomen en door de taskforce beoordeeld. De definitieve leidraad is in maart 2017 gepubliceerd en betekent een grote stap voorwaarts naar een aanzienlijke vermindering van de niet-renderende leningen.

Figuur 4

Percentage niet-renderende leningen in het eurogebied

< 7% < 25% > 25% 19,82%