PERSBERICHT

ECB houdt kapitaalvereisten en -aanbevelingen voor banken stabiel en vergroot transparantie

28 januari 2020

  • Totaal SREP-vereisten en -aanbevelingen voor CET1-kapitaal in 2019 onveranderd ten opzichte van 2018 (10,6%)
  • ECB publiceert bankspecifieke gegevens ter vergroting van transparantie
  • Door geringe winstgevendheid blijft bedrijfsmodelrisico het belangrijkste punt van zorg
  • Interne governance vertoont opnieuw tekenen van verslechtering

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft vandaag de uitkomsten gepubliceerd van haar procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP) van 2019. Het op grond van de SREP vereiste en aanbevolen tier 1-kernkapitaal (Common Equity Tier 1 – CET1) bedroeg in totaal 10,6% in 2019, onveranderd ten opzichte van 2018. Het CET1-kapitaal is het bankkapitaal van de hoogste kwaliteit en omvat onder meer het aandelenkapitaal. De toezichthouder stelt de Pijler 2-vereiste voor elke bank individueel vast. Deze vereiste was gemiddeld 2,1%, terwijl de niet-bindende Pijler 2-aanbeveling 1,5% bedroeg, beide onveranderd ten opzichte van het voorgaande jaar.

De SREP is een jaarlijkse exercitie aan de hand waarvan de toezichthouder de risico's van de banken onderzoekt om vervolgens voor elke bank een individuele kapitaaleis en -aanbeveling te bepalen, bovenop het wettelijk vereiste minimumkapitaal.

Als onderdeel van haar streven naar grotere transparantie publiceert de ECB voor het eerst tevens geaggregeerde gegevens naar bedrijfsmodel en bankspecifieke informatie over de Pijler 2-eisen. Wat deze SREP-cyclus betreft, hebben 108 banken ingestemd met deze openbaarmaking of deze informatie al op de eigen website gepubliceerd.

“Over het algemeen zijn we tevreden over hoe de belangrijke instellingen onder ons toezicht er qua totale kapitaalpositie voor staan,” aldus Andrea Enria, voorzitter van de Raad van Toezicht van de ECB. “Onze beoordeling bracht een aantal resterende zorgpunten aan het licht, in het bijzonder op het gebied van de bedrijfsmodellen, de interne governance en de operationele risico's van banken. Op deze terreinen zullen we onze toezichtswerkzaamheden aanscherpen.”

Het door de autoriteiten opgelegde totale CET1-kapitaalniveau, inclusief de systeem- en contracyclische buffers (die ECB-Bankentoezicht niet vaststelt), steeg met 20 basispunten naar 11,7%. Deze toename was het gevolg van een stijging met 10 basispunten van zowel de contracyclische buffer als de systeembuffers.

Het CET1-kapitaalniveau van de meeste belangrijke instellingen ligt boven het totaal vereiste en aanbevolen kapitaal. Het CET1-kapitaal van zes van de 109 banken die in de SREP-cyclus van 2019 werden beoordeeld, voldeed niet aan de Pijler 2-aanbeveling. Voor zover deze banken in het laatste kwartaal van 2019 geen bevredigende maatregelen hebben getroffen, heeft ECB-Bankentoezicht om herstelmaatregelen gevraagd met een nauwkeurig tijdschema.

Bij de SREP toetst de toezichthouder vier belangrijke elementen: de levensvatbaarheid en duurzaamheid van de bedrijfsmodellen, de toereikendheid van de interne governance en het risicomanagement, de risico's voor het kapitaal (kredietrisico, marktrisico, renterisico in het bankboek en operationeel risico) en de liquiditeits- en financieringsrisico's. De beoordeling resulteert voor elk element in een score van 1 tot 4 (1 is de beste score, 4 de slechtste). Voor elke bank worden deze scores vervolgens gecombineerd tot een totaalscore van 1 tot 4, in overeenstemming met de SREP-richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit.

Het aandeel van de banken met een totaalscore van 3 steeg naar 43% in 2019, tegen 38% in 2018. Het aandeel van de slechtst presterende banken (met een score van 4), daalde van 10% naar 8%. Daarnaast nam ook het percentage banken met een score van 2 af, van 52% naar 49%. Geen enkele belangrijke bank kreeg de beste score van 1.

Op drie terreinen zien we een opmerkelijke verslechtering van de SREP-scores.

  • Uit een beoordeling van de bedrijfsmodellen bleek dat de meeste belangrijke banken hun vermogenskosten niet terugverdienen. Hierdoor zijn ze moeilijker in staat zelf kapitaal te genereren en nieuwe aandelen uit te geven. De toezichthouder is bezorgd over de geringe winstgevendheid en richt zich daarom steeds meer op de toekomstige weerbaarheid van banken en de duurzaamheid van hun bedrijfsmodellen.
  • ECB-Bankentoezicht is bezorgd over de interne governance: over het geheel genomen zijn de governancescores de afgelopen jaren verslechterd. Drie van de vier banken (76%, tegen 67% in 2018) scoorden een 3. Slechts 18% van de banken kreeg een score van 2, tegen 25% in 2018. Uit de bevindingen komt naar voren dat de leidinggevende organen in een belangrijk aantal gevallen niet effectief zijn en dat de interne beheersingsmaatregelen zwak zijn.
  • Bovendien rapporteerde een aantal banken materiële verliezen uit gebeurtenissen die vooral met gedragsrisico samenhangen. Dit heeft geleid tot een groeiend aandeel van de banken met een score van 3 voor operationeel risico: 77%, tegen 63% in 2018. Een andere belangrijke bron van operationele risico's betreft IT-/cyberrisico's.

Als reactie op de verslechterende scores zullen de toezichthouders de duurzaamheid van de bedrijfsmodellen intensiever gaan beoordelen. Daarnaast zullen ze van banken blijven eisen dat ze de effectiviteit van hun leidinggevende organen verbeteren en hun interne beheersing en risicomanagement versterken.

Uit de SREP-cyclus bleek dat de banken met een hoog niveau van niet-renderende leningen (non-performing loans – NPL’s) er over het algemeen in slagen de doelen voor opschoning van hun balans te bereiken. Deze banken zouden door moeten gaan met de verbetering van hun kredietrisicoprofiel.

Toen de ECB vijf jaar geleden als toezichthouder aantrad, vertegenwoordigden de NPL's van de belangrijke instellingen een waarde van circa € 1 biljoen (oftewel een NPL-ratio van 8%). Eind september 2019 was dat bedrag gedaald naar € 543 miljard (NPL-ratio: 3,4%).

Uit de scores voor de liquiditeitsrisico's kwam naar voren dat de banken er qua liquiditeit goed voor stonden. Op dit terrein scoorde 76% van de banken een 2 (70% in 2018) en slechts 4 banken scoorden een 1 (tegen 12 banken in 2018). Veel belangrijke banken hebben hun eigen financieringsplannen voor 2018 niet gerealiseerd, mede als gevolg van hun veranderde verwachtingen voor de monetaire omstandigheden.

Bij vragen kunnen de media terecht bij Uta Harnischfeger, tel. +49 69 1344 6321; Andrea Zizola, tel. +49 69 1344 6551.

Toelichting:

  • De SREP-beoordelingscyclus van 2019 is in het algemeen gebaseerd op gegevens per jaareinde 2018. De uit de SREP van 2019 voortvloeiende besluiten gelden in 2020.
  • De kapitaalconserveringsbuffer, de contracyclische buffer en de systeembuffers zijn juridische vereisten die uit de Europese richtlijn kapitaalvereisten (Capital Requirements Directive – CRD IV) voortvloeien of die door de nationale autoriteiten zijn vastgesteld. (De systeembuffers omvatten de buffers voor de mondiaal systeemrelevante instellingen (global systemically important institutions - G-SII’s) en andere systeemrelevante instellingen (other systemically important institutions - O-SII's.)
  • Het op grond van de SREP benodigde kapitaal (capital demand) bestaat uit twee delen. Ten eerste de Pijler 2-vereiste (Pillar 2 requirement – P2R), ter dekking van risico's die in Pijler 1 niet of onvoldoende in aanmerking worden genomen. Ten tweede de Pijler 2- aanbeveling (Pillar 2 guidance – P2G), die het aan te houden kapitaalniveau aangeeft dat voldoende is om stresssituaties het hoofd te kunnen bieden. Dit wordt vooral beoordeeld aan de hand van het ongunstige scenario van de in het kader van het toezicht uitgevoerde stresstests. De P2R is bindend en het niet naleven ervan kan directe juridisch gevolgen hebben voor banken; de P2G is niet bindend. Niettemin verwacht ECB-Bankentoezicht dat de banken ook de P2G naleven.

Contactpersonen voor de media