Menu

PERSBERICHT

ECB vraagt banken kredietrisico aan te pakken en efficiëntie te verbeteren

28 januari 2021

  • Totaal SREP-vereisten en -aanbevelingen stabiel als gevolg van pragmatische SREP-benadering
  • Banken geven blijk van veerkracht, maar kwetsbaarheden blijven bestaan op verschillende vlakken, in het bijzonder kredietrisico
  • Toezichtsprioriteiten voor 2021: kredietrisicobeheer, kapitaalpositie, houdbaarheid van bedrijfsmodellen en governance

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft vandaag de uitkomsten gepubliceerd van haar procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP) van 2020 en haar toezichtsprioriteiten voor 2021 bekendgemaakt.

De SREP-uitkomsten van dit jaar weerspiegelen een vroeg besluit van de ECB om vanwege de coronapandemie een pragmatische aanpak te hanteren bij de uitvoering van haar jaarlijkse kernactiviteiten.

Bij haar pragmatische benadering van de SREP richtte de ECB zich op het vermogen van de banken om de uitdagingen en risico’s van de huidige pandemie voor het kapitaal en de liquiditeit het hoofd te bieden. De ECB besloot de Pijler 2-vereisten (Pillar 2 requirements – P2R) en de Pijler 2-aanbevelingen (Pillar 2 Guidance – P2G) stabiel te houden en de SREP-scores niet te veranderen, tenzij uitzonderlijke omstandigheden voor een individuele bank daartoe aanleiding gaven. Punten van zorg heeft de ECB vooral via kwalitatieve aanbevelingen aangepakt, eerder dan via toezichtsmaatregelen.

De banken in het eurogebied zijn 2020 ingegaan met aanzienlijk hogere kapitaalniveaus en een veel grotere weerbaarheid tegen economische verslechtering dan tijdens de grote financiële crisis.

Gecoördineerde beleidsmaatregelen, waaronder buitengewone toezichtsmaatregelen, hebben huishoudens en bedrijven, evenals de banksector, in aanzienlijke mate beschermd en excessieve procyclische effecten van de door de pandemie teweeggebrachte schok afgewend.

Vanaf het derde kwartaal van 2020 zijn ruime kapitaalbuffers beschikbaar gebleven. Op korte tot middellange termijn blijven aanzienlijke onzekerheden bestaan. De SREP-gegevens geven aan dat waakzaamheid nog steeds geboden is en dat er op verschillende cruciale gebieden uitdagingen voor het toezicht blijven, vooral in verband met het risico van een plotse toename van niet-renderende leningen.

In het licht van de pragmatische benadering van de ECB is het vereiste en aanbevolen kapitaal (systeembuffers en de contracyclische kapitaalbuffer niet inbegrepen) voor de SREP-cyclus van 2020 stabiel gebleven ten opzichte van 2019, op een gemiddelde van ongeveer 14%.

De P2R is eveneens stabiel gebleven, op gemiddeld ongeveer 2,1% voor de SREP 2020, op enkele uitzonderingen na, bijv. wanneer banken in de SREP-cyclus van 2020 voor het eerst een P2R hebben gekregen nadat ze onder direct toezicht van de ECB kwamen te staan.

Tegelijkertijd daalde de tier 1-kernkapitaalcomponent (Common Equity Tier 1 – CET1) van de P2R (P2R CET1) van 2,1% tot 1,2% als gevolg van de vervroegde toepassing van de herziene richtlijn kapitaalvereisten (Capital Requirements Directive V – CRD V) door de ECB. Daardoor liep de CET1-component van de SREP-kapitaalvereisten en -aanbeveling (systeembuffers en de contracyclische kapitaalbuffer niet inbegrepen) terug tot 9,6%.

De P2G bleef eveneens stabiel op ongeveer 1,4%, als gevolg van het uitstellen van de EU-brede stresstest onder leiding van de Europese Bankautoriteit (EBA) tot 2021.

De belangrijkste bevindingen van de SREP in 2020 hadden betrekking op kredietrisico, kapitaaltoereikendheid, houdbaarheid van bedrijfsmodellen en interne governance. Deze bevindingen gingen gepaard met kwalitatieve aanbevelingen. Doordat de ECB de deadlines voor vroegere kwalitatieve maatregelen uit de SREP heeft uitgesteld, zijn heel wat bevindingen uit vorige SREP-cycli niet aangepakt en zonder gevolg gebleven, met name die met betrekking tot interne governance.

Wat het kredietrisico betreft ging de aandacht van de toezichthouder vooral uit naar het adequaat classificeren en meten van risico’s in de balansen van de banken en de mate waarin banken klaar zijn om tijdig te reageren als debiteuren in moeilijkheden geraken. De verslechterende economische omstandigheden tijdens de pandemie hebben de afbouw van niet-renderende leningen vertraagd, maar de kredietportefeuilles bevatten ook een aantal problemen die nog niet volledig zichtbaar zijn. De uitfasering van verschillende steunmaatregelen in 2021 kan het risico van klifeffecten vergroten. Om een passende en voorzichtige aanpak te ondersteunen, hebben de toezichthouders aanzienlijk meer aanbevelingen aan de banken gericht.

Met betrekking tot de interne governance hebben de meeste banken de risico’s in verband met de coronapandemie correct bewaakt en beheerd. Sommige banken hebben evenwel geaarzeld bij de aanpak van governancekwesties met betrekking tot de pandemie. In een aantal gevallen was er volgens de toezichthouder onvoldoende betrokkenheid van het leidinggevend orgaan, met ontoereikende follow-up en toezicht op de bedrijfsfuncties, vooral wat adequate rapportage betreft. Voorts waren er ook problemen betreffende kredietrisicobeheer binnen de interne controlefuncties en aanhoudende structurele tekortkomingen op het gebied van aggregatie en rapportage van risicogegevens.

Met betrekking tot bedrijfsmodellen gaven toezichthouders uiting aan hun bezorgdheid over de betrouwbaarheid van de bedrijfsplannen voor sommige banken. Deze bezorgdheid werd aangepakt aan de hand van kwalitatieve aanbevelingen voor de verbetering van de winstgevendheid. De winstgevendheid liep in 2020 terug. Dat was voornamelijk te wijten aan hogere waardeverminderingen, lagere nettorentebaten en een daling van de vergoedingen en provisies. Geringere marges verhoogden de druk op banken om hun kostenstructuur aan te passen, wat in de loop van 2020 tot een aantal kostenbesparende maatregelen heeft geleid, zoals sluiting van bankfilialen, innovatieprojecten en telewerkregelingen. De recente gebeurtenissen hebben de trend van digitalisering van interne processen versterkt, hoewel één op de vier banken nog steeds te kampen heeft met vertragingen bij de uitvoering van dergelijke initiatieven. Banken hebben ook het hoofd moeten bieden aan uitdagingen bij de tenuitvoerlegging van bredere strategiewijzigingen, herstructureringsplannen en binnenlandse consolidatieactiviteiten. De toezichthouders hebben banken aangemoedigd om werk te maken van deze strategiewijzigingen en de efficiëntie te verbeteren. Ze houden nauwlettend toezicht op de uitvoering van de strategische acties van banken.

Met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid hebben de toezichthouders hun bezorgdheid geuit over de betrouwbaarheid van de kapitaalplanningskaders van banken, bijvoorbeeld over hun vermogen om betrouwbare kapitaalprognoses op te stellen over een periode van drie jaar, als onderdeel van hun interne proces ter beoordeling van de kapitaaltoereikendheid (internal capital adequacy assessment process – ICAAP). Banken met geringe kapitaalruimte, dat wil zeggen met een kleine marge tussen hun kapitaalratio en de minimumvereisten, kregen aanbevelingen om hun kapitaalplanning te verbeteren. Als onderdeel van de steunmaatregelen van de ECB mogen banken tot ten minste eind 2022 volledig gebruikmaken van hun kapitaalbuffers, met inbegrip van de Pijler 2-aanbeveling. In totaal maken negen banken gebruik van deze maatregelen, waarbij het CET1-kapitaalniveau van deze banken op basis van het derde kwartaal van 2020 lager is dan het vereiste plus aanbevolen CET1-niveau van vóór de coronamaatregelen.

Op basis van de SREP-analyse en gelet op de situatie in verband met de pandemie, heeft ECB-Bankentoezicht besloten zijn inspanningen te richten op vier cruciale gebieden die materieel door de huidige crisis zijn getroffen, en de volgende toezichtsprioriteiten voor 2021 vastgesteld: kredietrisico, kapitaalpositie, houdbaarheid van bedrijfsmodellen en governance.

Wat het kredietrisico betreft, zullen de toezichthouders zich concentreren op de adequate meting en beheersing van het kredietrisico door banken, met het oog op de tijdige identificatie en efficiënte monitoring van risico's en beperking van procyclische effecten.

Met betrekking tot de kapitaalpositie wordt de EU-brede stresstest onder leiding van de EBA cruciaal. Die vormt een belangrijk element bij de beoordeling van de kapitaalpositie van banken, naast de voortdurende toetsing van de kapitaalplanning van banken door de toezichthouder.

Wat de houdbaarheid van bedrijfsmodellen betreft, blijft het toezicht gericht op de strategische plannen van de banken en de onderliggende maatregelen om bestaande structurele tekortkomingen te verhelpen.

Met betrekking tot interne governance blijft de aandacht van de toezichthouder uitgaan naar de adequaatheid van de kaders voor risicobeheer van banken in crisistijden, de aggregatie van risicogegevens, IT- en cyberrisico’s en witwasrisico’s.

Andrea Enria, voorzitter van de Raad van Toezicht van de ECB, zal de bevindingen van de SREP-2020 verder toelichten tijdens een persconferentie die begint op donderdag 28 januari 2021 om 9.00 uur Midden-Europese tijd. De persconferentie is live te volgen via de website van ECB-Bankentoezicht.

De media kunnen met hun vragen terecht bij Andrea Zizola, tel. +49 69 1344 6551

Contactpersonen voor de media