Interview met Het Financieele Dagblad

Interview met Danièle Nouy, Voorzitter van de Raad van Toezicht van de ECB,
afgenomen door Giel ten Bosch en Cor de Horde op 26 April 2016 en gepubliceerd op 30 April 2016

Geen week zonder nieuws over Europese banken: een noodfonds in Italië, opmerkingen van het IMF over de beroerde toestand waarin een op de zeven banken zou verkeren. Maar Danièle Nouy, als voorzitter van de toezichtsarm van de Europese Centrale Bank (ECB) de hoogst verantwoordelijke voor het toezicht op de Europese banken, is optimistisch. Sommige problemen laten zich niet in een paar weken oplossen, maar wat telt is of we de goede kant op gaan, is haar motto.

De goede richting vasthouden, daarin wil Nouy vasthoudend zijn. ‘Ik kom uit Bretagne, de regio waarvan gezegd wordt dat de mensen er koppig zijn. Dat is een goede eigenschap voor een toezichthouder.’

Zijn Europese banken nu veiliger dan voor de Bankenunie?

Ja, absoluut. Banken zijn nu veiliger. De kapitaalposities van banken zijn significant verbeterd. Kijk naar de solvabiliteit: die is nu 4 procentpunt hoger dan in 2012. En je ziet ook verbeteringen in de winstgevendheid. We gebruiken het beste van de verschillende toezichtspraktijken.

Toch heeft het IMF onlangs gewaarschuwd dat een op de zeven banken niet levensvatbaar is bij een ongewijzigd businessmodel, en in de eurozone kan dat een op drie zijn. Heeft u dat verrast?

Banken zitten niet allemaal in dezelfde situatie. Sommige zijn harder geraakt door de crisis dan andere en zitten nog in de herstelfase. Ik denk dat ze de goede kant op gaan, maar de situatie is anders dan bij banken die minder hard geraakt zijn. Je kunt een Griekse bank niet met een Franse, Duitse of Nederlandse bank vergelijken. Bovendien is niet alles aan de banken zelf te wijten. Griekse banken kampten met politieke gebeurtenissen waar ze geen controle over hadden. Het bankentoezicht was goed, maar de banken hebben door de politieke onrust enige averij opgelopen, met herkapitalisatie tot gevolg.

Ook in Italië zijn er veel slecht presterende leningen. Hoe kan dat, acht jaar na de crisis?

De balanscontrole (in 2014, bij het begin van de Bankenunie – red.) heeft aangetoond dat sommige Italiaanse banken een kapitaaltekort hadden. Italië is een van de landen die te maken hebben met slechte leningen. Niet het enige land trouwens. En ja, slechte leningen zijn een probleem binnen de Bankenunie. Het is een lange weg om dat aan te pakken. Bij de balanscontrole konden we voor het eerst werken met een gemeenschappelijke definitie van een slecht presterende lening. Die leningen zijn goed in kaart gebracht en er zijn passende voorzieningen gevormd en dat geeft ons nu een goede basis om de kwestie aan te pakken. De slechte leningen kennen verschillende oorzaken, zoals het rechtstelsel. Zo duurt het opeisen van het onderpand van een slecht presterende lening in Italië erg lang.

Soms wel tien jaar, gaat het verhaal.

Misschien geen tien, maar het kan enkele jaren duren. De minister van Financiën daar heeft nu gezegd dat het juridisch kader voor de aanpak van slechte leningen en het opeisen van het onderpand wordt gewijzigd. Ik ben er vrij zeker van dat zodra dat gebeurt, de situatie aanzienlijk verbetert. Na een dergelijke wetswijziging kan de waarde van een portefeuille slecht presterende leningen snel stijgen. Het probleem wordt dus wel degelijk aangepakt. Maar dit is niet iets wat je in een paar weken of maanden kunt regelen. We hebben nu een werkgroep met een Ierse collega als voorzitter. Ierland heeft dit probleem goed aangepakt en in landen die dit probleem ook hebben, passen we de Ierse werkwijze toe bij de banken waarop we toezicht houden. De werkgroep neemt de portefeuilles door en formuleert methodieken om het probleem aan te pakken. Banken met te veel slechte leningen kunnen geen nieuwe kredieten uitzetten. Dat remt de economie.

Sommige achtergestelde leningen van banken zijn in handen van particulieren, die soms dachten dat het een spaarproduct was. Dat maakt resolutie van zo’n bank politiek gevoelig. Hoe ziet u dat?

Alle beleggers, of het nu particulieren zijn of instellingen, moeten volledig op de hoogte zijn van de kenmerken van wat ze in handen hebben, én de risico’s. Ze moeten weten dat de wereld is veranderd sinds 1 januari. De regel is nu: bail in, en niet langer bail out (beleggers laten meebetalen in plaats van beleggers redden – red.) Alleen tegoeden tot E 100.000 zijn gegarandeerd. Voor al het overige geldt: het hangt ervan af. Van de omvang van de verliezen die de bank heeft geleden en van de samenstelling van de balansverplichtingen.

Wat je in Portugal, Spanje en Italië hebt gezien: met particulieren is er gedoe.

Of het nu particuliere beleggers zijn of niet … het is denk ik aan de toezichthouders die waken over consumentenbescherming om te zorgen dat ze goed geïnformeerd zijn. Dat is hun werk.

Dus voor de ECB maakt het niet uit wie de belegger is? Achtergesteld is achtergesteld?

Wij zijn niet de resolutieautoriteit. Als toezichthouders hebben we te maken met situaties die we niet zelf hebben gecreëerd. Maar de regels zijn heel duidelijk: vanaf nu is er bail in. Je hoort vaak dat mensen het goed vinden dat de belastingbetaler niet hoeft bij te springen bij een bank. Maar ze vergeten dat het soms dezelfde mensen kunnen zijn: als belegger in achtergestelde bankschuld, of indirect via hun levensverzekeringspolis die daarin belegd heeft.

Hoeft de belastingbetaler nooit meer bij te springen?

Ik ben oud en dus voorzichtig genoeg om te zeggen: zeg nooit nooit. Maar we hebben een duidelijk wettelijk kader. Het zijn de beleggers die moeten betalen, dezelfde beleggers die eerder de rendementen ontvingen toen het goed ging. Wel is er nog de mogelijkheid van een herkapitalisatie uit voorzorg, die wellicht enige overheidssteun met zich mee zou kunnen meebrengen maar de voorwaarden daarvoor zijn zo streng, dat ik me afvraag of het überhaupt mogelijk is. En bij een echte resolutie is er het resolutiefonds, dat pas wordt aangesproken als 8% van de totale verplichtingen al heeft meebetaald. Dat is heel veel geld. En dan nog, dat fonds wordt gefinancierd door de banksector, het is geen publiek geld.

De verstrengeling tussen banken en landen speelde een hoofdrol bij de eurocrisis. Banken die in problemen kwamen moesten met belastinggeld worden gered.

De solidariteit die voortkomt uit een Europees depositogarantiestelsel helpt om deze verwevenheid aan te pakken. Het zou helpen als we de derde pijler van de bankenunie, het gemeenschappelijk depositogarantiestelsel voor het eurogebied, hadden.

Tegelijkertijd slepen landen die in problemen komen banken mee omdat die veel staatsobligaties op de balans hebben. Die verstrengeling is er nog steeds.

We hebben tijdens de financiële crisis geleerd dat staatsobligaties niet risicovrij zijn, daar zou dus kapitaal voor moeten worden aangehouden. Dat gebeurt nu niet. Zou dat wel gebeuren en gaat het mis, dan heeft de bank een buffer. Dat gaat allemaal niet snel en niet makkelijk, maar er wordt wel over gepraat en het gaat de goede kant op. Er zijn goede gesprekken over gevoerd door het Bazels Comité, en laatst bij de Ecofin (Europese ministers van Financiën) in Amsterdam. Het is werk in uitvoering, ik denk dat we een overeenkomst zullen bereiken over de risicoweging van aangehouden staatsobligaties, en die zou geen hele zware last hoeven te vormen, want de meeste staatsobligaties zijn vrij goed van kwaliteit. Concentratielimieten zullen meer tijd kosten. Ik ga niet wedden wanneer dit geregeld is. Maar als je een lange reis voor de boeg hebt, moet je zo vroeg mogelijk beginnen.

Zijn de Nederlandse hypotheken – die veelal aflossingsvrij zijn en in veel gevallen hoger dan de waarde van het huis – een risico voor de Nederlandse banken?

Dat staat op dit moment niet boven aan mijn lijstje van risico’s. Ik weet dat vastgoed in het algemeen een mogelijke bron van zwakheid voor banken kan zijn. En we houden het scherp in de gaten. Maar er zijn als het gaat om banken in de eurozone grotere problemen.

Maakt u zich zorgen over de lage rente?

Dat is zeker een bron van zorg. De lage rente gaat ten koste van de winstgevendheid van banken die verdienen aan rentemarges. Samen met de slechte leningen staan de risico’s voor de winstgevendheid bovenaan mijn prioriteitenlijst. En sommige banken hebben last van allebei.

De lage rente komt door economische omstandigheden en door het beleid van de ECB, banken kunnen daar dus niets aan doen.

Het is zeker een uitdaging voor ze, ja. Maar het dwingt banken ook om efficiënter te worden, nog eens na te denken over hun verdienmodel en naar hun kosten te kijken. Die zijn soms te hoog. Digitalisering bijvoorbeeld kan helpen om die kosten omlaag te brengen.

Dat betekent dat er veel banen op de tocht staan.

Er komen ook nieuwe banen bij. In de ontwikkeling van IT-systemen, in de ontwikkeling van fintech. Het belangrijkste is om de banen van de toekomst te vinden. De wereld is aan het veranderen en daar kunnen we niets tegen doen. De banken moeten klaar zijn voor de toekomst en de concurrentie is zwaar.

Bespreekt u de zorgen over de lage rente met ECB-president Draghi?

Dat ik me zorgen maak over risico’s voor de winstgevendheid is algemeen bekend, maar ik bespreek de rente niet met de president van de ECB. We praten niet over monetair beleid samen. En gelooft u mij, de toezichthouders bij de ECB sluiten echt hun ogen niet. Dit is een uitdaging voor de banken. Maar het is ook een kans. Te veel banken hebben te lang niet naar de duurzaamheid van hun verdienmodel gekeken. Dit is een goed moment om dat wel te doen. En om in sommige landen de stappen te zetten die nodig zijn. Dat kan een samengaan met andere banken zijn bijvoorbeeld. Of digitalisering, of iets anders.

Contactpersonen voor de media