Voorwoord van Mario Draghi, President van de ECB

De financiële crisis die tien jaar geleden uitbrak, heeft grote economische, maatschappelijke en financiële instabiliteit gebracht. De enorme terugval in de productie, de werkgelegenheid en de kredietverlening aan de economie tezamen met de fragmentatie van het financiële systeem langs de nationale lijnen heeft het eurogebied een aantal jaren parten gespeeld. De stabiliteit van het bankwezen kwam in gevaar en er werd breed getwijfeld aan het voortbestaan van de euro.

Door de crisis kwamen verschillende institutionele zwakheden in het eurogebied aan de oppervlakte, in het bijzonder het gebrek aan een geïntegreerde bancaire markt, gebouwd op een gemeenschappelijke toezichthouder met een gemeenschappelijke afwikkelingsautoriteit, een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en een gemeenschappelijk depositogarantiestelsel. In antwoord op de turbulentie van 2012 riepen de beleidsmakers een gemeenschappelijke toezichthouder in het leven, met de ECB aan het hoofd. Binnen twee jaar werd in samenwerking met de nationaal bevoegde autoriteiten het Europese bankentoezicht opgetuigd.

De economie van het eurogebied groeit op dit moment al meer dan vijf jaar achtereen en de groei wordt breed gedragen over landen en sectoren. Het herstel werd vooral gedreven door het monetaire beleid van de ECB, en het bankentoezicht op het niveau van het eurogebied heeft daaraan een belangrijke bijdrage geleverd.

Allereerst heeft het geïntegreerde bankentoezicht de banken sterker gemaakt, waardoor de fragmentatie van de financiële sector is overwonnen, de transmissie van het monetaire beleid is verbeterd en de kredietverlening aan huishoudens en bedrijven is hersteld. De krediettarieven in het eurogebied bevinden zich op ongekend lage niveaus.

Daarnaast heeft het Europese bankentoezicht gefungeerd als eerstelijnsverdedingingslinie tegen risico's voor de financiële stabiliteit vanuit de bankensector, door banken te verplichten om voldoende kapitaal aan te houden en te zorgen dat zij een duurzame balans weten te vinden tussen risico en opbrengst. Het monetaire beleid kon hierdoor zijn doelstelling van prijsstabiliteit blijven nastreven, zelfs toen de beleidskoers lange tijd accommoderend diende te blijven, omdat de risico's voor de financiële stabiliteit onder controle werden en worden gehouden door effectief toezicht.

Ook in 2018 blijven de banken voor enkele grote uitdagingen staan. Voorbeelden van deze uitdagingen zijn het opschonen van de balansen, het terugbrengen van problematische blootstellingen grotendeels uit de tijd van de financiële crisis, waaronder bepaalde niet-verhandelbare financiële producten, en niet-renderende leningen uit de tijd van de grote recessie. Ook de benodigde aanpassing van de bedrijfsmodellen aan nieuwe technologische ontwikkelingen en het aanpakken van de overcapaciteit en de hoge kosten blijven belangrijke uitdagingen voor de bankensector. Deze dienen prioriteit te blijven krijgen van banken die soliditeit nastreven en ten dienste willen staan van de economie van het eurogebied.


Inleidend interview met Danièle Nouy, Voorzitter van de Raad van Toezicht

Er zijn bijna tien jaar verstreken sinds het faillissement van Lehman Brothers en het begin van de financiële crisis. Is het financiële stelsel sindsdien veiliger geworden?

De mondiale financiële crisis heeft ongetwijfeld voor veel verandering gezorgd. Op mondiaal niveau hebben wij kortgeleden brede hervormingsmaatregelen afgerond: Bazel III. De regels voor de bankensector zijn aangescherpt en de leemtes in het regelgevend kader zijn opgevuld. Op Europees niveau zijn wij begonnen met de bouw van de bankenunie. De bankenunie rust op dit moment op twee pijlers: het Europees bankentoezicht en de Europese afwikkeling van banken. Samen helpen zij het toezicht op de banken in heel Europa te versterken en crises effectiever aan te pakken. Al met al kunnen we zeggen dat de bestaande architectuur van het financiële systeem in belangrijke mate is gevormd door de crisis. En deze is vele malen steviger dan voorheen en dus kunnen we stellen dat het financiële stelsel veiliger is geworden.

En de banken zelf? Hebben zij hun les geleerd?

Dat hoop ik. Laten we wel zijn, een van de belangrijkste oorzaken van de crisis was de cultuur die kortetermijngewin boven duurzaamheid op de lange termijn stelde en die vaak geen oog had voor het effect van de handelwijze van banken op de economie en de belastingbetaler. Deze cultuur dient te veranderen en de verandering dient te komen van de banken zelf, hoewel de toezichthouders ervoor dienen te zorgen dat beloningsprikkels consistent zijn en blijven.

Aan welke prikkels denkt u dan?

Falende banken kunnen nu op ordentelijke wijze worden afgewikkeld. Banken zouden hun focus daarom nu moeten verleggen naar duurzaamheid. Redding door de overheid dienen we achter ons te laten. Hierbij speelt in Europa het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme een sleutelrol. In 2017 slaagde het voor zijn eerste test toen drie grote banken omvielen en werden afgewikkeld. De boodschap is duidelijk: banken worden nu verantwoordelijk gesteld voor de gevolgen van hun gedrag; zijn ze onverstandig, dan kunnen ze in de problemen komen.

Dus de dreiging van faillissement zet de banken aan om de uitdagingen waarmee ze worden geconfronteerd aan te pakken?

Ja natuurlijk. Banken hebben al een lange weg afgelegd sinds de crisis, maar ze hebben nog steeds uitdagingen voor de boeg die aangepakt dienen te worden. En nu is het tijd om dit te doen. De tijd is rijp om vier redenen. Allereerst gaat het goed met de economie van het eurogebied. Ten tweede kunnen nieuwe technologieën een uitdaging zijn voor banken, maar ze brengen ook mogelijkheden om geld te verdienen en winstgevend te blijven. Ten derde is er zekerheid op het gebied van de regelgeving nu Bazel III is afgerond. En ten vierde is er zekerheid op het gebied van het toezicht nu het Europese bankentoezicht volledig operationeel is. De banken weten hoe we te werk gaan en wat ze van ons kunnen verwachten.

De winstgevendheid is toch een grote uitdaging voor de banken in het eurogebied?

Jazeker, het is de belangrijkste uitdaging voor de banken in het eurogebied. Een aantal van hen verdient nog steeds de kapitaalkosten niet terug en op de lange termijn is dat een onhoudbare positie. Niet alleen is dit een probleem voor deze banken zelf, maar het geeft ons als toezichthouders ook reden tot zorg. Onrendabele banken kunnen geen steun bieden aan de economische groei en kapitaalbuffers opbouwen. Ook kunnen ze op zoek gaan naar meer rendement, wat de risico's zou vergroten. Dus zijn wij als toezichthouders bezorgd over het gebrek aan winstgevendheid in de bankensector in het eurogebied.

Wat zouden banken moeten doen om hun winstgevendheid te vergroten?

Dat is een moeilijkere vraag want iedere bank is verschillend en iedere bank heeft zijn eigen strategie nodig. Het uitgangspunt voor alle banken is om een strategie te ontwikkelen en die ook uit te voeren. Hier komt het begrip “strategische sturing” om de hoek kijken. Kort gezegd heeft dit betrekking op het vermogen van het management om een koers uit te zetten naar de langetermijndoelstellingen van de bank. Dit vergt solide bedrijfsprocessen en goed bestuur, inclusief risicomanagement. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan heeft het management op ieder gewenst moment een goed overzicht van en inzicht in de stand van zaken binnen de organisatie en kan indien noodzakelijk snel bijsturen. Over het algemeen gesproken kunnen we zeggen dat hoe beter banken zijn op het gebied van strategische sturing, hoe meer succes ze hebben. Op een praktisch niveau zouden banken moeten denken aan spreiding van hun inkomstenbronnen, bijvoorbeeld door middel van nieuwe technologieën. Voor de banken van het eurogebied bestaat meer dan de helft van hun bedrijfsresultaat uit netto-rentebaten. Gegeven de ongekend lage rentestand is dit iets om aan te werken. De banken zouden bijvoorbeeld kunnen proberen om hun provisiebaten te verhogen. Veel banken hebben al aangegeven dat zij dit inderdaad van plan zijn, maar zoals ik al zei, iedere bank is anders en iedere bank dient zijn eigen weg te gaan. Meer in het algemeen dient de Europese bankensector verder te consolideren.

En de kosten? Zouden kostenbesparingen niet een andere weg naar hogere winsten kunnen zijn?

Er is ruimte voor kostenbesparingen, dat is waar. Kijk naar de grote dichtheid van bankfilialen: zijn die allemaal nog nodig in deze tijd van digitaal bankieren? Kostenbesparingen kunnen onderdeel zijn van de strategie om de winstgevendheid te vergroten, maar banken moeten geen besparingen doorvoeren op de verkeerde plaats. Inkrimping van het personeel bij risicomanagement bijvoorbeeld? Geen goed idee. Besparingen op IT-systemen? Ook geen goed idee. Banken moeten sowieso niet besparen op dingen die onontbeerlijk zijn voor hun toekomstige succes en stabiliteit.

Vormen niet-renderende leningen een gevaar voor de winstgevendheid?

Ja, zeer zeker. Niet-renderende leningen dempen de winst en ze vergen middelen en capaciteit die elders beter gebruikt kunnen worden. Gegeven het feit dat er in het eurogebied voor een totaal van bijna € 800 miljard aan niet-renderende leningen uitstaat, vormen deze leningen een behoorlijk probleem dat opgelost dient te worden. Het goede nieuws is dat de banken vorderingen maken: sinds begin 2015 is het bedrag aan uitstaande niet-renderende leningen met ongeveer € 200 miljard teruggebracht. Dat is bemoedigend, maar niet voldoende.

Welke belangrijke stappen heeft het Europese bankentoezicht genomen om het probleem van de niet-renderende leningen te helpen oplossen?

Niet-renderende leningen vormen een van onze belangrijkste toezichtsprioriteiten. Begin 2017 publiceerden wij een leidraad voor banken inzake niet-renderende leningen. Met dit document als uitgangspunt hebben wij de plannen van de banken zelf om het probleem van niet-renderende leningen aan te pakken tegen het licht gehouden. In 2018 blijven wij toezien op de implementatie van deze plannen.

Maar de banken dienen niet alleen hun bestaande niet-renderende leningen op te ruimen. Ze moeten ook iets doen aan potentiële nieuwe. Met dit doel hebben wij eind 2017 een addendum bij de leidraad gepubliceerd. Hierin staat beschreven hoe wij verwachten dat banken voorzieningen aanleggen voor nieuwe niet-renderende leningen. Deze verwachtingen zijn uiteraard niet bindend. Dit vormt het startpunt voor de toezichtsdialoog en past bij onze bank-voor-bankbenadering. Het concept is voorgelegd voor openbare raadpleging en de definitieve versie is in maart 2018 gepubliceerd.

Dus banken moeten nog steeds hun balansen opschonen?

Ja, dit gunstige tij gaat niet eeuwig duren, dus banken moeten er nu het maximale uithalen. Als er een groeivertraging komt, wordt het moeilijker om niet-renderende leningen terug te brengen. Meer algemeen gesproken, zijn schone balansen de sleutel tot winstgevendheid op de korte en middellange termijn. Tegen deze achtergrond wordt de stresstest van de Europese Bankautoriteit in 2018 het moment van de waarheid voor de banken. Deze test helpt om te beoordelen hoe veerkrachtig de banken zijn als het erop aankomt.

Zijn er naast de lage winstgevendheid en niet-renderende leningen nog meer zaken die het Europese bankentoezicht moet bewaken?

Heel veel. Wij onderzoeken bijvoorbeeld de interne modellen die banken gebruiken om de risicoweging van hun activa te bepalen. Deze zijn zeer belangrijk voor de berekening van de kapitaalvereisten en daarmee de veerkracht van de banken. Om ervoor te zorgen dat de modellen bruikbare resultaten opleveren, voeren wij op dit moment een gerichte toetsing uit van interne modellen - ons TRIM-onderzoek. Deze toetsing heeft drie doelen: ten eerste zekerstellen dat de modellen die de banken gebruiken in overeenstemming zijn met de toezichtstandaarden, ten tweede het harmoniseren van de manier waarop toezichthouders omgaan met interne modellen. En tot slot waarborgen dat de met de interne modellen berekende risicogewichten gebaseerd zijn op werkelijk risico en niet op modelkeuzes. TRIM helpt om het vertrouwen te vergroten in interne modellen, in de solvabiliteit en daarmee de veerkracht van de banken.

Heeft het onderzoek naar de interne modellen ook te maken met Bazel III en de veelbesproken outputvloer?

Ja, dat staat zeker met elkaar in verband. In het algemeen is Bazel III gericht op het bestendigen van risicogebaseerde kapitaaleisen. Dit is zeer terecht omdat risicogebaseerde kapitaaleisen efficiënt zijn en banken aanzetten om hun risico's zorgvuldig te definiëren, te meten en te beheersen. Tegen deze achtergrond zijn de interne modellen cruciaal. Als deze niet naar behoren werken, kunnen banken ondergekapitaliseerd raken en kwetsbaar worden. Zoals ik net al opmerkte, willen wij er met TRIM voor zorgen dat de interne modellen naar behoren functioneren. De toetsing wordt van onderaf uitgevoerd door de modellen zelf als basis te nemen. Tegelijkertijd wordt met Bazel III een waarborg van bovenaf geïntroduceerd, zoals de outputvloer waar u het over had. Dit zorgt ervoor dat de met de interne modellen berekende risicogewichten niet beneden een bepaald niveau dalen. Dus net als TRIM helpt de outputvloer om de risicogebaseerde kapitaaleisen serieus te nemen. Dit is zeer in het belang van de banken.

Van Bazel naar het Verenigd Koninkrijk: hoe bereidt het Europese bankentoezicht zich voor op de brexit?

De brexit zal het Europese bankenlandschap zeer zeker veranderen en zal banken aan beide zijden van het Kanaal raken. De belangrijkste zorg van de banken is om toegang te behouden tot elkaars markten. Om dit te doen, zullen zij misschien verstrekkende organisatorische veranderingen door moeten voeren en zulke veranderingen moeten natuurlijk lang van tevoren worden voorbereid.

Maar toezichthouders zullen zich eveneens moeten voorbereiden op de wereld na de brexit. Wij hebben een aantal beleidsstandpunten geformuleerd over belangrijke kwesties en wij hebben duidelijk gemaakt wat wij verwachten van banken die verhuizen naar het eurogebied. Wij houden via verschillende kanalen nauw contact met de betrokken banken. Zo krijgen wij inzicht in hun plannen en kunnen wij onze verwachtingen duidelijk maken.

Maar de gevolgen van de brexit gaan verder dan de verhuizing van een paar banken die vanuit het Verenigd Koninkrijk werkzaam zijn. Als toezichthouders moeten we sowieso nadenken over grensoverschrijdende banken: hoe gaan we zorgen dat er effectief toezicht op ze wordt gehouden en dat ze afwikkelbaar zijn? Dit heeft niet alleen betrekking op banken die vanuit het Verenigd Koninkrijk werken, maar op ook banken uit ieder ander land. En het kan gevolgen hebben voor Europese banken die buiten de EU actief zijn.

Hoe ziet u de financiële integratie in Europa verlopen na de brexit?

De brexit is een treurig verhaal, dat is wel duidelijk, maar even duidelijk is dat de financiële integratie in Europa doorgaat. Het werk aan de Europese bankenunie is in een vergevorderd stadium en het idee lijkt ook bij landen buiten het eurogebied aan te slaan, met name bij Oost-Europese en Scandinavische landen. Dit vind ik bemoedigend.

De bankenunie is echter nog niet voltooid. De ontbrekende pilaar is het Europees depositogarantiestelsel, het EDIS. Nu het bankentoezicht en de afwikkeling van banken op Europees niveau zijn gebracht, moet hetzelfde gebeuren met de garantie van deposito's. Alleen dan zullen de controle en de verantwoordelijkheid op een enkel spoor worden gebracht. In mijn optiek is het tijd om verdere stappen in de richting van het EDIS te zetten.

Naarmate de bankenunie vooruitgang boekt, zullen de banken de voordelen van een grote, geïntegreerde markt gaan ervaren; ze zullen meer grensoverschrijdend bezig zijn en een daadwerkelijke Europese bankensector gaan vormen, die dan fungeert als betrouwbare en efficiënte financier van de Europese economie.


1 De bijdrage van de toezichthouder aan de financiële stabiliteit

1.1 Kredietinstellingen: de belangrijkste risico's en algehele prestaties

De voornaamste risico's in de bankensector

Hoewel er enige verbetering zichtbaar is, is de SSM-risicokaart grotendeels ongewijzigd gebleven

Het economische klimaat waarbinnen de banken in het eurogebied actief zijn, bleef verbeteren in het afgelopen jaar en sommige banken maakten aanzienlijke winsten, hoewel andere zich nog steeds moeten herstellen. Al met al maakten de banken goede voortgang met het versterken van hun balansen en het aanpakken van niet-renderende leningen (non-performing loans - NPL's). Tegelijkertijd maakte het werk aan het afronden van de toezichtsagenda ook vorderingen, wat helpt om de onzekerheid omtrent het toezicht te verminderen.

Grafiek 1
SSM-risicokaart 2018 voor banken in het eurogebied

Bron: ECB en de nationale toezichthoudende autoriteiten.
Toelichting: De risicokaart toont de waarschijnlijkheid en het effect van risicofactoren van laag naar hoog.
*NPL's: deze risicofactor heeft uitsluitend betrekking op de banken in het eurogebied met een hoog percentage NPL's.

Een aantal risico's blijft echter bestaan en de algehele SSM-risicokaart (zie Grafiek 1) is niet significant veranderd sinds begin 2017. De drie belangrijkste risicofactoren wat betreft potentiële gevolgen en waarschijnlijkheid zijn (i) de lage rentestand en de negatieve gevolgen daarvan voor de winstgevendheid van banken; (ii) voortgaand hoge niveaus van NPL's in sommige gedeelten van het eurogebied en (iii) geopolitieke onzekerheden. Het effect van de eerste twee risicofactoren is enigszins afgenomen sinds 2016. Aan de andere kant is de geopolitieke onzekerheid aanzienlijk gestegen door de voortgaande onderhandelingen over de definitieve brexit-overeenkomst en de groeiende wereldwijde onzekerheid (tegelijkertijd nam de politieke onzekerheid in de EU enigszins af na de Franse presidentsverkiezingen).

De winstgevendheid blijft een belangrijke uitdaging

De langdurige lage rentestand blijft een probleem voor de winstgevendheid van de banken. Hoewel de financieringskosten van de banken verminderen door de lage rentestand en deze de economie een impuls geeft komen tegelijkertijd de netto-rentemarges van de banken onder druk en daarmee de winstgevendheid in gevaar. De banken zijn daarom wellicht genoodzaakt om hun bedrijfsmodellen en kostenstructuren aan te passen. Tegelijkertijd moeten de toezichthouders zorgen dat de banken geen bovenmatige risico's aangaan om hun winstgevendheid te vergroten.

Het percentage niet-renderende leningen is enigszins naar beneden gebracht, maar er is nog meer werk nodig.

Het hoge percentage niet-renderende leningen vormt een ander groot probleem voor een aanzienlijk aantal banken in het eurogebied. Vergeleken met 2016 hebben de banken wel enige vorderingen gemaakt met de aanpak van niet-renderende leningen. Dit komt tot uitdrukking in de daling van het totale percentage aan niet-renderende leningen van 6,5% in het tweede kwartaal van 2016 naar 5,5% in het tweede kwartaal van 2017. Dit neemt niet weg dat veel banken in het eurogebied nog steeds te veel van dit soort leningen op hun balansen hebben staan. Het is daarom van cruciaal belang dat banken meer aandacht gaan besteden aan het ontwikkelen en uitvoeren van ambitieuze en geloofwaardige NPL-strategieën. Tegelijkertijd zijn er verdere hervormingen nodig om de structurele belemmeringen voor de oplossing van het probleem van de NPL's weg te nemen.[1]

De invoering van het nieuwe regelgevende kader kan een uitdaging vormen voor een aantal banken.

De afronding en afstemming van het regelgevende kader komt de stabiliteit van de bankensector op de middellange termijn ten goede. De transitie naar het nieuwe toezichtslandschap kan echter op de korte termijn kosten en risico's voor de banken met zich meebrengen, waaronder het onvermogen om zich op tijd aan te passen. Naarmate er meer informatie naar buiten kwam over de uiteindelijke vorm van de verschillende regelgevende initiatieven, na overeenstemming in de internationale en Europese fora, zijn deze risico's sinds 2016 enigszins afgenomen.

De zorgen over de schuldhoudbaarheid en de geopolitieke risico's zouden een herwaardering van risico's teweeg kunnen brengen.

Schuldhoudbaarheid is nog steeds een bron van zorg voor enkele lidstaten die kwetsbaar blijven voor een mogelijke herwaardering in de obligatiemarkten (ook vanwege het huidige zeer lage niveau van de risicopremies). Landenrisico is vooral van belang in het licht van de huidige historisch grote geopolitieke onzekerheid (waaraan de brexit bijdraagt). Potentiële plotselinge veranderingen in risicobereidheid op de financiële markten kunnen gevolgen hebben voor de banken via herwaardering van de marktgewogen posities en financieringskosten.

De toezichtsprioriteiten van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism - SSM)

De toezichtsprioriteiten van het SSM betreffen de onderwerpen waaraan het toezicht in een bepaald jaar extra aandacht besteedt. Deze worden gebaseerd op een beoordeling van de belangrijkste risico's voor onder toezicht staande banken, waarbij rekening wordt gehouden met de meest recente ontwikkelingen in de economie, de regelgeving en het toezicht. De prioriteiten, die jaarlijks worden herzien, vormen een essentieel hulpmiddel om de toezichtsacties voor alle banken op een voldoende geharmoniseerde, evenredige en efficiënte wijze te coördineren en zo bij te dragen aan een gelijk speelveld en een grotere impact van het toezicht (zie Figuur 1).

Figuur 1
Toezichtsprioriteiten voor 2018 en daarna

1) Niet-renderende leningen
2) Gerichte toetsing van interne modellen
3 Intern beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid (internal capital adequacy assessment process)
4 Intern beoordelingsproces van de liquiditeitstoereikendheid (internal liquidity adequacy assessment process)
5) De lichtblauwe vinkjes geven vervolgactiviteiten aan.

Het resultaat van de gevoeligheidsanalyse van renterisico in het bankenboek

De ECB houdt voortdurend toezicht op de gevoeligheid van de rentemarges van de banken voor fluctuaties in de rentestand. Tegen de achtergrond van de lage rentestand, die gevolgen heeft voor de winstgevendheid van banken, besloot de ECB in 2017 om een meer diepgaand onderzoek uit te voeren naar de door de banken ontwikkelde strategieën om hun rentemarges op peil te houden onder verschillende scenario's.

In de eerste helft van 2017 heeft ECB-Bankentoezicht daarom een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd van het renterisico in het bankenboek, de stresstest 2017.[2] Een steekproef van 111 belangrijke instellingen (significant institutions - SI’s) werd beoordeeld aan de hand van twee complementaire indicatoren: (i) veranderingen in de nettorentebaten veroorzaakt door het rentebeloop en (ii) veranderingen in de economische waarde van het eigen vermogen [3] (dat wil zeggen de contante waarde van het bankenboek) veroorzaakt door het rentebeloop. Het doel van deze analyse was om te komen tot een toezichtsbeoordeling van het praktisch risicobeheer en om de resultaten van de verschillende banken te kunnen vergelijken. Met dit doel werd de banken gevraagd om het effect van zes hypothetische renteschokken te simuleren samen met een gestileerde ontwikkeling van hun balans.[4]

Grafiek 2
Gemiddeld geraamde nettorentebaten per renteschok

(Index 2016 = 100)

Bron: ECB.
Toelichting: De cijfers zijn gebaseerd op de totale geraamde nettorentebaten van alle grote valuta, beoordeeld voor alle 111 deelnemende banken. De parallelle verschuivingen worden op dit moment gebruikt in het rapportageproces voor renterisico in het bankenboek (+/- 200 basispunten voor EUR posities); de versteiler en de afvlakker zijn ontleend aan de recente standaarden van de BCBS ten aanzien van het renterisico in het bankenboek; de schok van eind 2010 gaat uit van een terugkeer naar het renteniveau van 2010; en de schok van eind 2016 houdt de rente constant op het niveau van eind 2016.

De resultaten laten zien dat de banken gemiddeld genomen veranderingen in de rentestand goed kunnen hanteren. Een plotselinge parallelle verschuiving in de rentetermijnstructuur van +2% zou een totaal positief effect hebben op de nettorentebaten van +10,5% over een periode van drie jaar, Grafiek 2) en een licht negatieve impact op de economische waarde van het eigen vermogen (-2,7% van de CET1)-ratio, Grafiek 3), de laatste is de slechtst mogelijke uitkomst voor de economische waarde van het eigen vermogen voor alle meegenomen renteschokken.

De resultaten van het onderzoek willen niet zeggen dat er geen risico's zijn, vooral omdat de voorspellingen van de banken over klantengedrag zijn meegenomen. Banken kunnen bijvoorbeeld hun gedragsbepaalde (non-maturity) deposito's als vasterenteverplichtingen op de lange termijn modelleren. Tijdens een periode van stijgende rentetarieven zal een snellere herwaardering dan verwacht van deze deposito's de nettorentebaten ook lager dan verwacht doen uitkomen Over het algemeen genomen baseerden de deelnemende banken hun depositomodellen op een lange periode van dalende rente. Mogelijk hebben de modellen maar gedeeltelijk rekening gehouden met de reactie van de klant op een rentestijging. Daarbij was de gemodelleerde geldigheidsduur van de kerndeposito's in enkele gevallen verrassend lang.

Grafiek 3
Gemiddelde mutatie van de economische waarde van het eigen vermogen per renteschok

(mutaties in de economische waarde van het eigen vermogen als percentage van CET1)

Bron: ECB.
Toelichting: Cijfers gebaseerd op totale voorspellingen voor de economische waarde van het eigen vermogen voor alle belangrijke valuta's en het totale CET1- vermogen voor de volledige groep van 111 deelnemende banken. De economische waarde van het eigen vermogen verandert niet bij de voorziene constante rentetarieven onder de schok van eind 2016.

De resultaten laten ook zien dat de banken ruim gebruikmaken van rentederivaten in hun bankenboeken. Over het algemeen gebruiken banken derivaten ter afdekking van de mismatch in de herwaarderingsprofielen van activa en verplichtingen. Sommige banken gebruiken echter rentederivaten om hun gewenste renteprofiel vorm te geven. Het totale effect van deze transacties op de gevoeligheid van de economische waarde van het eigen vermogen is bij alle banken zeer beperkt (+1,7% van CET1 onder de parallelle opwaartse schok). Deze beperkte invloed is echter grotendeels toe te schrijven aan de onderlinge tegengestelde transacties van deze banken, te weten transacties waarbij derivaten de geldigheidsduur van de activa verkorten en die waarbij derivaten deze verlengen (respectievelijk 55% en 45% van de steekproef).

De uitkomsten van het onderzoek in 2017 worden meegenomen in de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (supervisory review and evaluation process - SREP). Het onderzoek zal ook in de toekomst een waardevolle bijdrage leveren aan het toezichtsoverleg over renterisico in het bankenboek. Het zou kunnen fungeren als het startpunt voor vervolganalyses door de Joint Supervisory Teams (JST's).

Kader 1
Consolidatie in de bankensector – belemmeringen voor grensoverschrijdende fusies en overnames

Een gezond bankensysteem gaat gepaard met een gezonde fusie- en overnamemarkt. De Europese bankenunie met Europees bankentoezicht maakt het voor banken makkelijker om grensoverschrijdende fusies aan te gaan.

Grensoverschrijdende fusies binnen het eurogebied kunnen drie belangrijke voordelen met zich meebrengen. Ten eerste zorgt een dergelijke markt voor voortgaande financiële integratie binnen het eurogebied, wat de weg vrijmaakt voor een echte Europese bankensector. Ten tweede geven dergelijke fusies spaarders meer mogelijkheden om hun geld onder te brengen en krijgen huishoudens toegang tot een groter aantal financieringsbronnen. En ten derde verbetert de risicodeling, wat bijdraagt aan een stabielere en efficiëntere economie in de EU. Daarnaast kunnen bankfusies bijdragen aan het terugbrengen van de overcapaciteit en de banken zelf efficiënter maken. Willen deze voordelen zich echter daadwerkelijk manifesteren dan zullen de fusieactiviteiten wel prudentieel verantwoord moeten zijn.

De stand van zaken op de fusie- en overnamemarkt

Na een aanvankelijke stijging na de introductie van de euro is het aantal fusies en overnames in het eurogebied gedaald. In 2016 bereikten ze het laagste punt sinds 2000, zowel qua aantal als in waarde.[5] En deze fusies waren meer binnen het eigen land dan grensoverschrijdend.

Bankfusies zijn complex, kostbaar en risicovol en het succes ervan hangt af van bepaalde bevorderende factoren. Banken hebben vertrouwen nodig om een dergelijke stap te nemen en zij lijken het vertrouwen op dit moment nog steeds niet hebben.

Er is vooral vaak onzekerheid over de economische waarde die een fusie brengt. En er kunnen twijfels bestaan over de kwaliteit van de activa van mogelijke partners en hun vermogen om winst te genereren. In sommige delen van het eurogebied zijn de percentages NPL's nog altijd hoog en de daadwerkelijke waarde ervan is moeilijk te schatten.

Daarnaast is er onzekerheid over een aantal van de belangrijkste langetermijnaanjagers voor de resultaten van banken. Hoe zal de digitalisering en de bijbehorende verandering in de marktstructuur de optimale structuur en omvang van een bank bijvoorbeeld beïnvloeden? Is het nog steeds de moeite waard om een kantorennet over te nemen als digitaal bankieren deze steeds minder nuttig maakt? En tot slot kan ook de nog resterende onzekerheid over regelgeving een rol spelen. Veel banken lijken ook eerst de gemeenschappelijke regels en normen volledig geïmplementeerd te willen zien voordat zij zich wagen aan een fusie met een andere bank.

Deze onzekerheden worden versterkt door de grensoverschrijdende dimensie. Ten eerste vragen grensoverschrijdende fusies van banken dat zij niet alleen verder kijken dan hun eigen landsgrenzen, maar ook culturele en taalkundige barrières overwinnen. Het gebrek aan harmonisatie van de juridische en regelgevende basis voor het toetsend toezicht op fusies en overnames in de landen van het SSM kan de kosten van grensoverschrijdende fusies en overnames opdrijven en een obstakel blijken te vormen voor dergelijke fusies en overnames. De nationale wetgeving waaraan fusies onderworpen zijn verschilt van land tot land.

Meer in het algemeen speelt afbakening van vermogen binnen rechtsgebieden een rol. In het kader van de herziening van de Verordening kapitaalvereisten (Capital Requirements Regulation - CRR) en de Richtlijn kapitaalvereisten (Capital Requirements Directive - CRD IV) wordt op dit moment de mogelijkheid onderzocht om af te zien van de vereisten voor blootstellingen binnen de groep. Als dit mogelijk zou blijken, dan kan dat een positieve rol spelen bij grensoverschrijdende fusies. Daarnaast omvatten CRD IV en CRR nog een aantal opties en verantwoordelijkheden waar op nationaal niveau op verschillende manieren vorm aan wordt gegeven. Deze maken het moeilijk om te komen tot een consistent overkoepelend niveau van het toetsingsvermogen in alle lidstaten en om de vermogensposities van de verschillende banken goed te vergelijken.

Natuurlijk kunnen ook andere toezichtsfactoren een rol spelen in het consolidatiebeleid van banken. Zo kunnen zij bijvoorbeeld worden weerhouden door de aanvullende kapitaalvereisten die de toenemende omvang en de complexiteit van een bank met zich meebrengen door buffers voor andere systeemrelevante instellingen (other systemically important institution buffers – O-SII-buffers), of zelfs buffers voor mondiaal systeemrelevante banken (global systemically important banks – G-SIB-buffers).

Daar komt nog bij dat er verschillen blijven in bepaalde onderliggende nationale wetten (bijvoorbeeld de insolventiewetgeving), belastingstelsels en -regelgeving (bijvoorbeeld consumentenbescherming) in de verschillende landen van de EU en het eurogebied.

Het Europees bankentoezicht kan deze belemmeringen benoemen, maar heeft een beperkte rol in het vormen van het kader. De consolidatie zelf moet overgelaten worden aan de marktwerking en aanpassing van de wet- en regelgeving aan de wetsontwerpers.

Wat het Europees bankentoezicht wel heeft gedaan, is de onzekerheid omtrent de kwaliteit van de activa van banken helpen verminderen. De activakwaliteitsbeoordeling van 2014 vormde de eerste stap in de richting van dit doel. Daarnaast heeft het Europees toezicht een prioriteit gemaakt van het aanpakken van de NPL-portefeuilles van de banken. Toezichthouders kunnen ook zorgen voor effectieve toezichthoudende processen met betrekking tot fusies en overnames. Aan de kant van het toezicht is het belangrijk om ervoor te zorgen dat de overeengekomen hervormingen correct en consequent worden doorgevoerd, inclusief Bazel III en dat daarnaast verdere actie wordt ondernomen om de bankenunie te voltooien, met name het Europees depositogarantiestelsel. Dit alles draagt bij aan het verminderen van de onzekerheid.

Algemene prestaties van belangrijke banken in 2017

Nadat 2016 een bijzonder moeilijk jaar bleek voor de banken in het eurogebied, verbeterde de situatie enigszins in 2017. In de eerste drie kwartalen van 2016 daalde het bedrijfsresultaat exclusief bijzondere waardevermindering van de belangrijke instellingen met 10% in vergelijking met de eerste drie kwartalen van 2015. In de eerste negen maanden van 2017 herstelde het bedrijfsresultaat exclusief bijzondere waardeverminderingen zich (+2%). Tezamen met de sterke daling van de bijzondere waardeverminderingen (-14,9% vergeleken met 2016 en -35,2% vergeleken met 2015) leidde dit tot een relatieve verbetering van het rendement op het eigen vermogen op jaarbasis voor belangrijke instellingen, dat gemiddeld uitkwam op 7,0% vergeleken met 5,4% in 2016 en 5,7% in 2015.

Achter de algemene verbetering gaan echter wel aanzienlijke verschillen tussen banken schuil. Ongeveer een dozijn banken lijdt nog steeds verlies, terwijl een groep van ongeveer 24 banken een gemiddeld rendement op eigen vermogen van circa 8% liet zien over de afgelopen drie jaar. Desalniettemin maakt het feit dat veel beursgenoteerde banken nog steeds worden verhandeld tegen een koers/boekwaarde lager dan 1 duidelijk dat verdere verbetering noodzakelijk is om aan de verwachtingen van beleggers te voldoen.

De verbetering van het bedrijfsresultaat exclusief bijzondere waardeverminderingen is te danken aan de stijging van de nettoprovisiebaten van 3,2% en een stijging van 62% in het nettohandelsresultaat ten opzichte van de eerste drie kwartalen van 2016. De nettorentebaten bleven daarentegen dalen en eindigden 1,9% beneden het niveau van de eerste drie kwartalen van 2016, na in de vergelijkbare periode van 2015 al te zijn gedaald met 0,9%

Grafiek 4
Hoger rendement op het eigen vermogen in 2017 dankzij hogere bedrijfsresultaten en lagere bijzondere waardeverminderingen

(Alle posten zijn uitgedrukt als percentage van het eigen vermogen)

Bron: Statistieken over het bankentoezicht van de ECB.
Toelichting: Cijfers voor alle jaren betreffen de gecumuleerde cijfers voor het tweede kwartaal, op jaarbasis.

De daling van de nettorentebaten tussen het derde kwartaal van 2015 en het derde kwartaal van 2016 leek te zijn veroorzaakt door de gekrompen marges daar het volume van de kredietverlening met 7,4% steeg. Dit terwijl het kredietverleningsvolume met 2,1% daalde tussen het derde kwartaal van 2016 en het derde kwartaal van 2017, met name leningen aan financiële instellingen (leningen aan kredietinstellingen -11,8% en leningen aan overige financiële bedrijven -7,3%). Vermeldenswaard is wel dat ruwweg de helft van de belangrijke instellingen erin slaagden om hun nettorentebaten te verbeteren ondanks deze negatieve trend.

De positieve resultaten van de banken in de eerste drie kwartalen van 2017 werden geholpen door verminderde bedrijfskosten, die op het laagste peil sinds 2015 staan. Deze daalden met 2,3% in vergelijking met de eerste negen maanden van 2016 en met 1,6% in vergelijking met de eerste negen maanden van 2015, hoogstwaarschijnlijk dankzij de herstructureringsmaatregelen die recent door verschillende banken in het eurogebied werden genomen.


1.2 Niet-renderende leningen (non-performing loans - NPL's)

De situatie in Europa

Het niveau van de NPL's is weliswaar gedaald sinds 2015, maar dit is nog steeds onhoudbaar.

NPL's op de balansen van belangrijke instellingen bedroegen bijna € 760 miljard in het derde kwartaal van 2017, in vergelijking met € 1 biljoen begin 2015. Er zijn echter delen van de bankensector waar het niveau van de NPL's veel te hoog blijft. De NPL's zijn duidelijk een fiks probleem voor de Europese bankensector. Dit omdat de NPL's een last zijn op de balansen van banken, winsten ondermijnen, middelen onttrekken aan meer productieve doelen, en de banken weerhouden van financiering van de economie. Daarom moeten de banken iets doen aan het NPL-probleem. Het aanpakken van de NPL's was een van de belangrijkste prioriteiten van ECB-Bankentoezicht in 2017. Het onderhavige NPL-project wordt geleid door een team op hoog niveau dat rechtstreeks rapporteert aan de Raad van Toezicht van de ECB. Het belangrijkste doel van dit team is om een efficiënte en consistente aanpak van banken met hoge NPL-niveaus te ontwikkelen.

De ECB publiceert ieder kwartaal haar statistieken over het bankentoezicht[6] met daarin informatie over de activakwaliteit bij de belangrijke instellingen. Tabel 1 toont de daling van het NPL-niveau tussen 2016 en 2017.

Tabel 1
Niet renderende leningen en voorschotten – bedragen en percentages per referentieperiode

(EUR miljard; procenten)

Bron: ECB.
Toelichting: Belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau waarvoor gemeenschappelijke rapportage over kapitaaltoereikendheid (COREP) en financiële rapportage (FINREP) beschikbaar zijn. Specifiek waren er 124 belangrijke instellingen in het tweede kwartaal van 2016, 122 in het derde kwartaal, 121 in het vierde kwartaal, 118 in het eerste kwartaal van 2017 en 114 in het tweede kwartaal van 2017. Het aantal entiteiten per referentieperiode weerspiegelt veranderingen in de lijst van belangrijke instellingen als gevolg van ijkingen door ECB-Bankentoezicht, die doorgaans op kwartaalbasis plaatsvinden, plus fusies en overnames.
1) Slowakije kent geen belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau. Sommige FINREP's zijn exclusief NPL-overdrachten die lopende zijn en naar verwachting binnenkort zullen worden afgehandeld. Overeenkomstig FINREP: (i) zijn de voor handelsdoeleinden aangehouden posities niet meegerekend, (ii) maar de tegoeden bij centrale banken en de overige direct opvraagbare deposito's wel. De EBA definieert niet-renderende leningen als leningen en voorschotten aangehouden voor handelsdoeleinden die voldoen aan één van de volgende criteria of beide: (a) materiële leningen die meer dan 90 dagen achterstallig zijn; (b) het wordt onwaarschijnlijk geacht dat de debiteur zijn kredietverplichtingen volledig zal nakomen zonder onderpand te gelde te maken, ongeacht het bestaan van enig achterstallig bedrag en ongeacht het aantal achterstallige dagen. De dekkingsgraad is de verhouding tussen opgebouwde bijzondere waardeverminderingen op leningen en voorschotten en de voorraad NPL's.

Het percentage NPL's varieert behoorlijk tussen de eurolanden

Als we binnen het eurogebied kijken, blijft het percentage NPL's van land tot land behoorlijk variëren, zoals Figuur 2 toont. In het tweede kwartaal van 2017 hadden Griekse en Cypriotische belangrijke instellingen de hoogste NPL-percentages (met landgewogen gemiddelden van respectievelijk 46,6% en 34,0%). Met 18,1% hadden Portugese belangrijke instellingen de op twee na hoogste NPL-percentages. Trendmatig daalde het NPL-percentage aanzienlijk op jaarbasis voor de belangrijke instellingen op Cyprus (-6,3 procentpunten), Ierland (-5,6 procentpunten), Italië (-4,4 procentpunten) en Slovenië (-3,2 procentpunten). In het derde kwartaal van 2017 bedroeg de voorraad NPL's bij Italiaanse belangrijke instellingen € 196 miljard, gevolgd door Frankrijk met € 138 miljard, Spanje met € 112 miljard en Griekenland met € 106 miljard.

Figuur 2
Niet-renderende leningen en voorschotten1 – percentages per land, referentieperiode 2017-II

Bron: ECB.
Toelichting: Belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau waarvoor gemeenschappelijke rapportage over kapitaaltoereikendheid (COREP) en financiële rapportage (FINREP) beschikbaar zijn.
V: deze waarde is niet opgenomen om vertrouwelijkheidsredenen.
1) Slowakije kent geen belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau. Sommige FINREP's zijn exclusief NPL-overdrachten die lopende zijn en naar verwachting binnenkort zullen worden afgehandeld. Overeenkomstig FINREP: (i) zijn de voor handelsdoeleinden aangehouden posities niet meegerekend, (ii) maar de tegoeden bij centrale banken en de overige direct opvraagbare deposito's wel.
2) De leningen en voorschotten in de activakwaliteitstabellen worden weergegeven in brutoboekwaarde.
Sommige FINREP's zijn exclusief NPL-overdrachten die lopende zijn en naar verwachting binnenkort zullen worden afgehandeld.

De behoefte aan een integrale strategie voor het oplossen van het NPL-probleem

Op de volgende drie gebieden is er behoefte aan een strategie. (i) toezichthoudende acties, (ii) juridische en gerechtelijke hervormingen en (iii) secundaire markten voor NPL's

ECB-Bankentoezicht benadrukte al in een vroeg stadium dat er een gezamenlijke inspanning van alle stakeholders noodzakelijk is om het probleem van de NPL's op te lossen. Dit was ook een van de belangrijkste bevindingen van het ECB NPL- inventarisatierapport, waarvan de meest recente versie in juni 2017 werd gepubliceerd (zie Paragraaf 1.2.3.1). Dit rapport bespreekt de noodzaak van een integrale Europese strategie op de volgende kerngebieden: (i) toezichthoudende acties, (ii) juridische en gerechtelijke hervormingen en (iii) de noodzaak om secundaire markten voor problematische activa op te zetten.

Figuur 3
Een overkoepelende strategie om de NPL's aan te pakken vraagt een inspanning van alle stakeholders inclusief de EU en de nationale overheden.

Wat de toezichthoudende acties betreft, heeft ECB-Bankentoezicht een breed toezichtsraamwerk voor NPL's ingevoerd waarin onder meer het volgende:

  • leidraden voor alle belangrijke instellingen waarin de verwachtingen van de toezichthouder ten aanzien van het beheer en de vermindering van NPL's worden beschreven;
  • het ontwikkelen van kwantitatieve toezichtsverwachtingen om in de toekomst tijdig voorzieningen te kunnen treffen;
  • regelmatige inspecties ter plaatse met de nadruk op NPL's;
  • het verzamelen van relevante gegevens van banken met een hoog NPL-niveau.

Na de aanbevelingen van ECOFIN op 11 juli 2017 voor een actieplan om NPL's in Europa aan te pakken heeft ECB-Bankentoezicht zich achter de Europese Bankautoriteit (EBA) geschaard met de publicatie van algemene, eenduidige richtlijnen voor het beheer van NPL's voor alle banken in de EU. Daarnaast is ECB-Bankentoezicht in overleg met de EBA om de kredietacceptatienormen voor nieuwe leningen te verbeteren.

En meer in het algemeen heeft ECB-Bankentoezicht in 2017 actief bijgedragen aan talloze andere NPL-initiatieven op de drie bovengenoemde gebieden, waaronder die welke onderdeel zijn van het EU-actieplan (zoals in juli 2017 overeengekomen door de EU-Raad) en heeft daarbij nauw samengewerkt met de relevante stakeholders.

Kernelementen van de toezichtsbenadering voor NPL's

Inventarisatie van de gang van zaken in de verschillende landen

Er is een onderzoek uitgevoerd naar zowel de huidige toezichthoudende en regelgevende praktijk als de belemmeringen voor oplossing van het NPL-probleem.

In juni 2017 publiceerde de ECB haar meest recente inventarisatie van de nationale toezichtspraktijk en de juridische kaders voor NPL's. In dit rapport wordt de uitgevoerde analyse van de praktijk in alle 19 eurolanden per december 2016 gepresenteerd.[7] Naast de inventarisatie van best practices op toezichtsgebied was het doel van de analyse om (i) de huidige regelgevende en toezichtspraktijken in kaart te brengen en (ii) inzicht te krijgen in de belemmeringen voor het oplossen van het NPL-probleem. Deze actuele en uitgebreide inventarisatie is het vervolg op een eerdere inventarisatie van de nationale toezichtspraktijken en de juridische kaders voor NPL's. Bij de inventarisatie waren acht eurolanden betrokken, te weten Cyprus, Griekenland, Ierland, Italië, Portugal, Slovenië, Spanje en Duitsland. De resultaten werden in september 2016 gepubliceerd. Het onderzoek was gericht op het formuleren van best practices in rechtsgebieden met relatief hoge NPL-niveaus, of een "sectoraal" NPL-probleem en evaluatie van de bestaande kaders voor het beheer van deze leningen.[8]

Een van de belangrijkste lessen: alle stakeholders moeten voorbereid worden om de juridische aspecten tijdig en efficiënt in te kunnen vullen.

De inventarisatie van 2017 laat zien dat er vanuit toezichtsperspectief in het gehele eurogebied enige vooruitgang is geboekt met de aanpak van het NPL-probleem. Naast de ervaringen met rechtsgebieden met hoge NPL-niveaus leert de inventarisatie ons een belangrijke les: alle stakeholders dienen zich pro-actief in te zetten voordat het niveau van de NPL's te hoog wordt. Veel landen met lage NPL-niveaus hebben de betreffende juridische kaders niet aangepast sinds het begin van de crisis. Al met al dienen zij beter voorbereid te zijn om tijdig en effectief in te kunnen spelen op de juridische aspecten die een potentiële stijging van het NPL-niveau met zich mee kan brengen. Dit betekent bijvoorbeeld het versnellen van buitengerechtelijke procedures (zoals voor de realisatie van onderpand en de verwerking van insolventieclaims van bedrijven en huishoudens).

Wat het toezichtsregime en de procedures voor het aanpakken van NPL's betreft, illustreert de inventarisatie dat instrumenten als gerichte inspecties ter plaatse naar achterstanden in NPL-beheer een cruciale rol spelen in het opsporen van mogelijke problemen in een vroeg stadium. Wat dit betreft, vormt de leidraad van de ECB inzake NPL's, die van toepassing is op alle belangrijke instellingen, een wezenlijk onderdeel van de toezichtsbeoordeling (zie Paragraaf 1.1.2).

Wat de minder belangrijke instellingen (less significant institutions - LSI's) betreft, was er in de eurolanden over het algemeen nog steeds geen specifieke leidraad over NPL's beschikbaar ten tijde van de publicatie van de inventarisatie. Een aantal nationaal bevoegde autoriteiten (national competent authorities - NCA's) heeft echter aangegeven dat zij overwegen om de leidraad van de ECB ook toe te passen op de LSI's. Daarnaast heeft de EU-Raad in zijn conclusies van juli 2017 de EBA gevraagd om tegen de zomer van 2018 te komen met algemene richtlijnen voor NPL-beheer in overeenstemming met de genoemde ECB-leidraad, die zullen gelden voor alle banken in de gehele Europese Unie.

De inventarisatie maakt ook duidelijk dat sinds de eerste inventarisatie de juridische kaders (enkele uitzonderingen daargelaten) slechts marginaal zijn verbeterd in landen met hoge NPL-niveaus. Het is in ieder geval te vroeg om de effectiviteit van deze verbeteringen te beoordelen. De aanpassingen van de juridische systemen (waaronder de werving van insolventie-experts) houden geen gelijke tred met de ontwikkelingen op het wetgevende vlak.

De informatiesystemen voor NPL's in de meeste eurolanden hebben centrale kredietregisters, die doorgaans door de nationale centrale banken worden beheerd. Deze registers zijn niet alleen waardevolle toezichtsinstrumenten voor analyse al dan niet ter plaatse, maar ook voor het delen van informatie tussen banken.

NPL-leidraad en de gerelateerde vervolgacties

De publicatie van de leidraad voor banken inzake niet-renderende leningen betekent een belangrijke stap voorwaarts in het aanpakken van het NPL-probleem in het eurogebied.

ECB-Bankentoezicht publiceerde in maart 2017 haar kwalitatieve leidraad voor banken inzake niet-renderende leningen (hierna de NPL-leidraad).[9] De publicatie werd voorafgegaan door een openbare raadpleging, die plaatsvond tussen 12 september 2016 en 15 november 2016. Op 7 november 2016 werd een openbare hoorzitting gehouden. Bij de raadpleging zijn meer dan zevenhonderd afzonderlijke op- en aanmerkingen binnengekomen en beoordeeld. De ontwikkeling van de NPL-leidraad betekende een belangrijke stap in de richting van een aanzienlijke vermindering van NPL's in het eurogebied.

Het doel en de inhoud van de NPL-leidraad

De NPL-leidraad beschrijft de verwachtingen van de toezichthouder voor de gehele cyclus van het NPL-beheer.

De belangrijkste beleidsboodschap van de NPL-leidraad is dat de betrokken banken prioriteit dienen te geven aan het aanpakken van de hoge niveaus van de NPL's. Dit dienen zij bovendien op een gedegen manier te doen door te zich te concentreren op hun interne governance en het formuleren van hun eigen operationele plannen en kwantitatieve doelstellingen. Deze drie elementen zullen alle worden beoordeeld door de betrokken JST’s. De benadering van “pappen en nathouden” die in het verleden veel werd gezien, is niet langer houdbaar. De doelstellingen van de banken dienen op een adequate manier te worden ingebed in de beloningsstructuur van het management en dienen scherp te worden bewaakt door het bestuur.

De NPL-leidraad is een praktisch document waarin de verwachtingen van de toezichthouder worden beschreven voor alle terreinen waarmee een bank die te maken krijgt met NPL's rekening dient te houden. Het document is gebaseerd op de EBA-definitie van niet-renderende blootstellingen.[10] Daarnaast wordt de problematiek besproken van activa uit executies en renderende posities met een hoog risico om niet-renderend te worden zoals bloostellingen op een waarschuwingslijst en renderende respijtblootstellingen (performing forborne exposures).

De NPL-leidraad is ontwikkeld op basis van de actuele best practices van verschillende landen van het eurogebied. Het document is zo opgezet dat het de cyclus van het NPL-beheer volgt. Het beschrijft de verwachtingen van de toezichthouder met betrekking tot NPL-strategieën, -governance en de operationele structuur, respijtmaatregelen, NPL-herkenning, -voorzieningen, afschrijving en onderpandwaardering.

Aanvullende werkzaamheden ten aanzien van strategieën voor NPL's en activa uit executies.

Banken met hoge NPL-ratio's hebben hun strategieën voor vermindering en hun operationele plannen ter beoordeling voorgelegd aan de ECB.

Na de publicatie van de NPL-leidraad werd de belangrijke instellingen met hoge NPL-ratio's gevraagd om hun strategieën en operationele plannen ter vermindering van NPL's aan te leveren bij ECB-Bankentoezicht. Om vergelijkbare informatie en een gelijkwaardig speelveld te waarborgen, werd er een speciaal sjabloon ontwikkeld voor de banken om in te vullen. Op basis van dit sjabloon dienden de banken op portefeuilleniveau te laten zien hoe en over welke periode zij hun NPL's en activa uit executies terug zullen brengen.

Tussen maart en juni 2017 leverden de banken hun strategieën aan bij ECB-Bankentoezicht, die deze beoordeelde aan de hand van zijn toezichtsverwachtingen. De beoordeling werd per bank uitgevoerd door de Joint Supervisory Teams (JST's) met ondersteuning van een horizontaal NPL-team. Gedurende het gehele proces bleven de JST's in contact met de betreffende banken om hun strategieën te bespreken.

Hoewel NPL-strategieën, operationele plannen en kwantitatieve doelstellingen de verantwoordelijkheid zijn van de banken zelf, verwacht ECB-Bankentoezicht dat deze ambitieus en geloofwaardig zijn, zodat de NPL's en de activa uit executies tijdig en voldoende kunnen worden teruggebracht.

Beoordeling van de NPL-strategieën

De strategieën dienen ambitieus en geloofwaardig te zijn en de ondersteunende governancekaders dienen voor dit doel geschikt te zijn.

Conform de NPL-leidraad dient het governancekader van een bank ervoor te zorgen dat de NPL-strategie moeiteloos kan worden uitgevoerd. Tegen deze achtergrond beoordelen de JST's deze strategieën per bank en concentreren zich op drie kerncomponenten: (i) ambitieniveau, (ii) de geloofwaardigheid van de strategie (iii) governanceaspecten.

Het ambitieniveau wordt gemeten aan de hand van de bruto- en netto-vermindering van de niet-presterende blootstellingen en activa uit executies die een bank denkt te bereiken over een periode van drie jaar. Voor elke bank wordt een passend "ambitieniveau" gedefinieerd. Dit is gebaseerd op een aantal componenten, bijvoorbeeld de financiële situatie van de bank, het risicoprofiel, de kenmerken van de niet-presterende portefeuille en de macro-economische omgeving. ECB-Bankentoezicht heeft zowel analyses op landniveau uitgevoerd als vergelijkingen gemaakt van de door de banken met hoge NPL-ratio's aangeleverde ambitieniveaus.

Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de strategieën van de banken gebruikt ECB-Bankentoezicht een scala aan analyses om vast te stellen of de geraamde ambitieniveaus passen bij wat haalbaar is voor de betreffende banken. Enkele voorbeelden van de gebruikte indicatoren zijn de beschikbaarheid van kapitaal, voorzieningendekking en ontwikkelingen, de materialiteit van de "op activa gebaseerde" strategieën, vintageanalyses, aannames over instroom en uitstroom naar en van de niet-renderende portefeuille, inning van gelden en de middelen om deze te ondersteunen, tijdslijnen en de diversificatie van de strategische opties.

Waaruit bestaat een ambitieuze en geloofwaardige NPL-strategie?

  • Bestuursorganen houden toezicht en tonen eigenaarschap.
  • Duidelijke en ondubbelzinnige reductiedoelstellingen van onderaf gedefinieerd door de bank op basis van voldoende fijnmazige segmentatie.
  • Een gedetailleerde impactstudie ten aanzien van het vermogen, de risicogewogen activa en het voorzieningenbeleid per individuele component van de reductiestrategie met een gedetailleerdere onderbouwing voor de uitvoer van de strategie en het behalen van de doelstellingen.
  • Diversificatie over verschillende strategische mogelijkheden met een sterke nadruk op jaargangen waarvan de terugbetalingstermijn met meer dan twee jaar is overschreden.
  • Sterke strategische governance, waaronder weloverwogen incentiveregelingen voor medewerkers op senior en operationeel niveau teneinde de NPL-reductiedoelstellingen duidelijk te maken in alle stadia van de NPL-afwikkelingsketen.
  • Robuuste interne operationele capaciteit en kaders voor het effectief verminderen van NPL's, waaronder de mogelijkheid om in een vroeg stadium met kredietnemers te kunnen overleggen over verlaging van het niveau van leningen die niet-renderend dreigen te worden.
  • Indien van toepassing, een sterke nadruk op het tijdig verkopen van activa uit executies of het verhogen van de voorzieningen als deze verkoop niet op de korte termijn plaatsvindt.
  • Een gedetailleerd operationeel plan met een beschrijving van de voor succesvolle uitvoer van de strategie vereiste key deliverables, mijlpalen, maatregelen en tijdslijnen.
  • Een sterke nadruk op solide respijtbeleid, dat wil zeggen, het achterhalen van duurzame kredietrelaties en deze werkbare herstructureringsmogelijkheden bieden om hun leningen weer renderend te krijgen.
  • Een duidelijk omlijnde gereedschapskist voor respijtbeleid, met effectiviteitscontrole op een fijnmazig niveau.
  • Een fijnmazig controleraamwerk voor de implementatie van de strategie, waarmee de oorzaken van achterblijvende en beter dan gemiddelde prestaties kunnen worden achterhaald.

De beoordeling van de governance bestrijkt diverse terreinen, waaronder: (i) de zelfbeoordelingsprocessen van de banken; (ii) het niveau van het toezicht op en de controle van het strategische plan door de raad van bestuur; (iii) de stimuleringsregelingen ter bevordering van de uitvoer van de strategie; (iv) de manieren waarop de strategie is ingebed in de dagelijkse werkpraktijk; (v) het niveau van de door de bank toegewezen middelen (intern en extern) om de leningen aan te pakken; en (vi) de strategie waarop de operationele plannen zijn gebaseerd.

Kwantitatieve toezichtsverwachtingen ten aanzien van het tijdig treffen van voorzieningen.

Het conceptaddendum bij de NPL-leidraad beschrijft de verwachtingen van de toezichthouder ten aanzien van het niveau en de timing van prudentiële voorzieningen. Deze zullen per bank worden toegepast.

In overeenstemming met haar mandaat dient de ECB een toekomstgerichte benadering te hanteren teneinde risico's proactief aan de orde te stellen. Na de publicatie van de NPL-leidraad en op basis van ervaringen uit het verleden, heeft ECB-Bankentoezicht verder gewerkt aan aanvullende maatregelen voor de aanpak van NPL's. Op 4 oktober 2017 werd het conceptaddendum bij de NPL-leidraad ter raadpleging aangeboden. Dit addendum is bedoeld om banken te bewegen tijdige voorzieningen te treffen voor nieuwe NPL's om te voorkomen dat de NPL's zich opstapelen. Gedurende de openbare consultatie, die op 8 december 2017 eindigde, ontving ECB-Bankentoezicht 458 individuele opmerkingen van 36 partijen. Deze waardevolle feedback werd zorgvuldig meegewogen bij de afronding van het document.

De toezichtsverwachtingen zullen de convergentie van het toezicht bevorderen en zorgen voor een gelijkwaardig speelveld. Deze verwachtingen zijn vanzelfsprekend afhankelijk van de beoordeling op individuele basis. Dit betekent dat de in het addendum beschreven algemene verwachting van de toezichthouder van toepassing is op ongedekte leningen; 100%-dekking moet zijn gerealiseerd binnen twee jaar nadat de lening is aangemerkt als niet-renderend. Voor leningen tegen onderpand geldt een termijn van zeven jaar. Om een "afgrondeffect" te voorkomen, is het belangrijk om een geleidelijk pad te bewandelen in de richting van deze toezichtsverwachtingen, vanaf het moment van classificatie als niet-renderende blootstelling.

Het niveau van de prudentiële voorzieningen wordt beoordeeld als onderdeel van de gebruikelijke toezichtsdialoog. De toezichthouder begint met de vaststelling of de door de bank getroffen voorzieningen voldoende zijn om de verwachte kredietverliezen op te vangen. Deze voorzieningen worden dan vergeleken met de in het addendum vermelde toezichtsverwachtingen.

Meer specifiek zal de ECB gedurende de toezichtsdialoog mogelijke afwijkingen van de verwachtingen voor prudentiële voorzieningen met de banken bespreken. De ECB beoordeelt vervolgens de afwijkingen per bank en besluit na een grondige analyse, die kan bestaan uit diepgaand onderzoek of inspecties ter plaatse of allebei, of er een bankspecifieke toezichtsmaatregel nodig is. Dit is geen automatisch proces. In tegenstelling tot Pijler 1-regels zijn deze verwachtingen geen bindende voorwaarden die automatische reacties in werking stellen.

Inspectie van NPL's ter plaatse

In de loop van 2017 werden er 57 kredietrisico-inspecties afgerond, waarvan er zes werden geleid door de ECB en 51 door de nationaal bevoegde autoriteiten. Het beheer en de waardering van NPL's stond centraal bij deze inspecties en kwam aan bod in 54 van de 57 gehouden inspecties ter plaatse. In dit kader bestonden de werkzaamheden voor een groot gedeelte uit de beoordeling van NPL-strategieën, beleidslijnen en procedures (54 rapporten) en de kwantitatieve impact (37 rapporten).

NPL-strategieën, beleidslijnen en procedures

Aan de hand van de NPL-leidraad werden de belangrijkste tekortkomingen van de NPL-strategieën, beleidslijnen en procedures als volgt in kaart gebracht.

Ondanks de verbeterende NPL-governance blijven de tekortkomingen in de herkenning van NPL's zorgen baren, in het bijzonder in het geval van respijtposities.

NPL-strategie en governance: hier wordt een trend in de richting van meer actief NPL-beheer waargenomen. Dit is in de meeste gevallen toe te schijven aan de pogingen van de banken om te voldoen aan de in de NPL-leidraad beschreven verwachtingen van de toezichthouder. Het merendeel van de inspectierapporten liet echter zien dat de informatie die werd gegeven aan het bankbestuur nog steeds niet gedetailleerd genoeg is. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op de vroege signalering van risico's en de risico's de optraden in de diverse entiteiten van een groep, of die voortkomen uit de toepassing van bepaalde herstructureringsmodellen.

Wat bestaande NPL's betreft, zijn de bevindingen gerelateerd aan de toereikendheid van de voorzieningen voor kredietverliezen en het gebruik van voldoende onderpandsurpluspercentages en de disconteringstijd.

NPL-respijt: het merendeel van de banken heeft geen efficiënt respijtbeleid tot zijn beschikking, niet voor het begin van de respijtstatus, noch voor het einde daarvan. Aan het begin wordt het criterium van haalbare versus gedwongen herstructurering niet precies genoeg gedefinieerd en bepaalde respijtmaatregelen uit de NPL-leidraad worden niet als zodanig herkend (bijvoorbeeld het geven van aanvullende faciliteiten, aanvraag voor aanvullende zekerheden/onderpand). Ook de klassieke respijtmaatregelen (renteverlaging, verlenging van de termijn) leiden vaak niet tot toepassing van de NPL-status bij rapportages over klanten in financiële problemen. De regels voor het vaststellen van financiële problemen blijven zeer heterogeen en te beperkend, vaak vanwege onvoldoende beschikbare gegevens. De exitcriteria voor respijt, vooral met betrekking tot respijt tijdens de proefperiode, worden onvoldoende gecontroleerd.

NPL-herkenning/classificatie: de meeste bevindingen hadden betrekking op (i) onvoldoende criteria voor "onwaarschijnlijkheid van betaling", vooral in de sectoren scheepvaart, commercieel vastgoed, en olie en gas, of financieringstechnieken (hefboomfinanciering) en (ii) ongefundeerd vertrouwen op alleen de expliciet in de CRR vermelde backstopcriteria.

NPL-voorzieningen en waardering van onderpand: hoewel het voorzieningenproces in toenemende mate wordt ondersteund door automatisering en gerichter beleid betreffen de belangrijkste aandachtsgebieden voor verdere verbetering de onrealistische waardering van het onderpand (soms opwaartse indexering in plaats van herwaardering), de overdreven optimistische onderpandsurpluspercentages en de hersteltijden. Daarnaast hebben bepaalde banken nog steeds ongewenst beleid met betrekking tot opgebouwde, nog niet uitgekeerde rente.

NPL-gegevensintegriteit: de vele bevindingen op dit gebied omvatten het gebrek aan processen voor de verzameling van risicogegevens, vooral voor gegevens met betrekking tot de signalering van financiële problemen (bijvoorbeeld gegevens met betrekking tot de winst-en-verliesrekening, het bedrijfsresultaat en de betalingscapaciteit in verhouding tot financiële verplichtingen). Daarnaast worden essentiële parameters (zoals onderpandsurpluspercentages, verdisconteringstijd, herstelpercentages) vaak aanzienlijk verkeerd ingeschat en de criteria voor afschrijving (bijvoorbeeld uitgedrukt als periode in verzuim) in veel gevallen niet duidelijk omschreven.

Kwantitatieve beoordeling

Na de inspecties zijn er aanzienlijke kwantitatieve aanpassingen gevraagd – voornamelijk om de tekortkomingen in de voorzieningen te repareren.

Naast de gebruikelijke beoordeling van het beleid en de procedures hebben de inspectieteams ter plaatse een zeer groot aantal kredietdossiers beoordeeld. In dit kader werden soms statistische technieken gebruikt ter evaluatie van het leningenboek om vast te stellen of het voorzieningenniveau in voldoende mate voldeed aan de prudentiële vereisten (Artikel 24 van de CRR en Artikel 74 van CRD IV omgezet in nationale wetgeving en internationale normen voor financiële verslaglegging, te weten IAS 39 en IAS 8). Hoewel het merendeel van deze toetsingen resulteerde in ofwel geen materiële veranderingen of in grote lijnen aanvaardbare aanpassingen, kwamen bij enkele inspecties ter plaatse wel zeer aanzienlijke kwantitatieve tekortkomingen aan het licht die individuele toezichtsacties tot gevolg hadden.

ECB-kwartaaluitvraag van gegevens voor banken met een hoog NPL-niveau

Er is een extra kwartaaluitvraag van gegevens geïntroduceerd voor belangrijke instellingen met materiële NPL-blootstelling.

In september 2016 heeft de Raad van Toezicht van de ECB de invoering goedgekeurd van een kwartaaluitvraag van gegevens over NPL's voor belangrijke instellingen met een hoog NPL-niveau.[11] Dit heeft tot doel de door de toezichthouders verkregen informatie in het kader van de geharmoniseerde rapportage (“technische uitvoeringsnormen van de EBA met betrekking tot de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit”) aan te vullen met extra en meer gedetailleerde gegevens. Deze gegevens zijn nodig om de aan NPL's gerelateerde risico's van banken met een hoog NPL-niveau te kunnen bewaken.

De door de ECB over de gehele rapportagecyclus in 2017[12] gebruikte rapportagesjablonen vormen een aanvulling op de FINREP-sjablonen voor blootstellingen aan niet-renderende leningen en leningen in verzuim. Deze omvatten onder meer een overzicht van de bestaande NPL's per jaargang en onderpand-informatie (inclusief activa uit executies), de in- en uitstroom van NPL's en gegevens over herstructureringen en verzuim.

De gegevens uit de kwartaaluitvraag worden getoetst en door de JST's gebruikt bij de beoordeling van de aan NPL-beheer gerelateerde strategieën, procedures en organisatie van de banken. Het voorbeeld hieronder toont de niet-renderende posities waarvoor gerechtelijke procedures zijn gestart als percentage van de rapportages van de banken met een hoog NPL-niveau per eind juni 2017.

Grafiek 5
Het aandeel NPL's waarvoor gerechtelijke procedures zijn gestart naar jaargang

(procenten)

Bron: ECB.
Toelichting: Op basis van een steekproef van banken met een hoog NPL-niveau, die ongeveer 50% van het gehele NPL-volume voor alle belangrijke instellingen bestrijkt. Gegevens zijn afgerond.

De deelnemende banken werden geïnformeerd over deze gegevensuitvraag via hun SREP-brieven.[13]

Voortbouwend op de ervaringen uit de rapportagecyclus in 2017 heeft de ECB een aantal voor de kwartaaluitvraag gebruikte sjablonen aangepast en gestroomlijnd en heeft de rapporterende instellingen een aangepaste versie van de vereisten verschaft, die ingaat per 31 maart 2018.

De ECB en de EBA zijn in overleg over de mogelijkheid om deze NPL-sjablonen op te nemen in het geharmoniseerde rapportagekader.

Vooruitblik en vervolgstappen

Het oplossen van het NPL-probleem bij belangrijke instellingen blijft een van de kernprioriteiten van ECB-Bankentoezicht. De JST's blijven in nauw overleg met banken met een hoog NPL-niveau, en geven gerichte aandacht aan de strategieën van de banken om NPL's aan te pakken. Deze strategieën dienen op de voet te worden gevolgd en minstens een maal per jaar te worden herzien.

Het definitieve addendum bij de NPL-leidraad werd gepubliceerd op 15 maart 2018. Daar het addendum is gericht op nieuwe NPL's zullen mogelijke vervolgactiviteiten bij belangrijke instellingen pas geleidelijk op gang komen.

Gegeven het feit dat een groot aantal stakeholders actie dient te ondernemen om het NPL-probleem op te lossen, blijft ECB-Bankentoezicht nauw samenwerken met de overige Europese en nationale stakeholders om de overgebleven problemen in het NPL-gerelateerde kader aan te pakken, zoals beschreven in het inventarisatierapport van juni 2017.


1.3 Werk aan de themaonderzoeken

Bedrijfsmodellen en winstgevendheidsfactoren

In 2016 startte het Europese bankentoezicht een diepgaand themaonderzoek naar de bedrijfsmodellen en winstgevendheidsfactoren van het merendeel van de belangrijke instellingen. Dit onderzoek wordt in 2018 afgerond

De beoordeling van bedrijfsmodellen en winstfactoren van banken geniet hoge prioriteit bij het Europees bankentoezicht. Omdat winstgevende banken in staat zijn op autonome wijze kapitaal te genereren, kunnen ze afdoende buffers aanleggen en tegelijkertijd een acceptabele risicobereidheid houden en krediet verstrekken aan de reële economie. Aan de andere kant kunnen banken de moeite hebben om duurzame winstgevendheid te realiseren, vervallen in risicovollere activiteiten.

De winstgevendheid staat van diverse kanten onder druk

In het huidige klimaat staat de winstgevendheid van de banken in het eurogebied onder druk door de lage rentestand en de aanhoudend hoge stroom bijzondere waardeverminderingen in een aantal landen en sectoren. Ook structurele factoren spelen een rol bij de banken, zoals overcapaciteit op bepaalde markten, concurrentie van niet-banken, de groeiende vraag bij klanten naar digitale diensten, en de noodzaak om goed om te gaan met nieuwe regelgeving.

Het eerste jaar van het thematische onderzoek was een voorbereidende fase waarin de onderzoeksinstrumenten en de instructie voor de JST's werd ontwikkeld.

In het themaonderzoek komen de winstgevendheidsfactoren van de banken aan de orde, zowel op instellingsniveau als op het niveau van de bedrijfsmodellen. Hiermee worden verschillende doelen nagestreefd. Naast de beoordeling in hoeverre de banken in staat zijn om kwetsbaarheden in hun bedrijfsmodellen tegen te gaan, wordt onderzocht hoe matige winstgevendheid het gedrag van de banken beïnvloedt. Daarnaast verrijkt het onderzoek de horizontale analyse, voornamelijk door de in de JST's opgedane inzichten samen te brengen en de vervolgacties voor alle banken te harmoniseren. In het eerste jaar van het themaonderzoek werden de benodigde analyse-instrumenten ontwikkeld en werd er een gedetailleerde leidraad ter ondersteuning van de JST's samengesteld.

In het eerste kwartaal van 2017 verzamelde de ECB gegevens over de verwachte bedrijfsresultaten en de onderliggende aannames. Over het geheel genomen, verwachten de banken de komende twee jaar een geleidelijke verbetering van de winstgevendheid dankzij solide groei van de kredietverlening en lagere bijzondere waardeverminderingen; de nettowinstmarges blijven onder druk staan.

In het tweede jaar van het onderzoek analyseerden de JST's de bedrijfsmodellen en de winstgevendheidsfactoren van hun banken.

In het tweede en derde kwartaal van 2017 werd de focus van het themaonderzoek verlegd naar bankspecifieke analyses uitgevoerd door de JST's. De teams traden in direct overleg met de banken om alle aspecten van hun bedrijfsmodellen en de winstgevendheidsfactoren te kunnen evalueren. De reeks van onderzochte aspecten strekte zich uit van de kerncompetentie van banken om inkomsten te genereren tot hun vermogen om hun activiteiten te overzien en te sturen, en hun gekozen strategieën te implementeren.

De bevindingen van de JST's worden gebundeld en samengevoegd met de analytische resultaten van het DG Microprudentieel Toezicht IV met gebruik van interne en externe databronnen. Hieronder valt een grondige analyse van de meest winstgevende banken om inzicht te krijgen in de bepalende factoren voor hun resultaten en te zien of deze houdbaar zijn. De banken gebruiken aanzienlijk verschillende strategieën om hun winstgevendheid te verbeteren, waaronder groeistrategieën ter verhoging van de nettorentebaten, verhoging van de provisiebaten, kostenbesparingen en digitalisering.

Tijdens de toezichtsgesprekken met de instellingen werden tekortkomingen in de interne processen voor sturing van de winstgevendheid besproken en businessplangerelateerde zaken aan de orde gesteld, zoals het nemen van buitensporig risico. De opsporing van tekortkomingen heeft risicomitigerende maatregelen voor de betrokken banken tot gevolg. Deze maatregelen worden begin 2018 bekendgemaakt.

De resultaten van het themaonderzoek worden uiteindelijk gebruikt in de SREP voor 2018. Dit kan aanleiding zijn voor zowel inspecties ter plaatse als vervolgonderzoeken op gebieden waar tekortkomingen zijn geconstateerd. Op basis van de analyses kan ook de werkwijze van de verschillende banken worden vergeleken.

Het effect van IFRS 9 op het voorzieningenbeleid

IFRS 9 moet een oplossing bieden voor betere en tijdigere berekening van voorzieningen.

Met de nieuwe internationale norm voor financiële verslaglegging (IFRS 9), die in januari 2018 van kracht werd, wil men opvolging geven aan de geleerde lessen uit de financiële crisis, namelijk dat voorzieningen op basis van geleden verliezen vaak resulteren in "te weinig, te laat". Tegen deze achtergrond werd IFRS 9 opgetuigd om te komen tot de aanleg van adequate en tijdige voorzieningen met behulp van een nieuw model voor verwachte kredietverliezen met daarin toekomstgerichte informatie.

IFRS 9 betekent een substantiële verandering in de verwerkingsmethode voor financiële instrumenten, met een grotere rol voor oordeelsvorming in de invoering en de latere toepassing van de standaard. Omdat boekhoudkundige gegevens de basis vormen voor de berekening van de prudentiële kapitaalvereisten heeft het gemeenschappelijk toezicht dit tot een van de toezichtsprioriteiten voor 2016 en 2017 gemaakt om (i) te kunnen beoordelen hoe goed belangrijke instellingen en LSI's zijn voorbereid op de introductie van IFRS 9, (ii) de potentiële impact op de aanleg van voorzieningen te kunnen peilen en (iii) bij te dragen aan eenduidige toepassing van de nieuwe standaard. Dit onderzoek was voornamelijk gebaseerd op de geaccepteerde internationale best practices zoals beschreven in de leidraad van het Bazels Comité voor Bankentoezicht (Basel Committee on Banking Supervision - BCBS) en de Europese Bankautoriteit (European Banking Authority - EBA). Bij dit onderzoek werkte de ECB nauw samen met de nationaal bevoegde autoriteiten, de EBA en het BCBS. Deze samenwerking zal worden voortgezet gedurende de gehele periode van vervolgactiviteiten die gepland staan voor 2018.

Het potentiële negatieve effect van de introductie van IFRS 9 op het toetsingsvermogen van de banken wordt verzacht door middel van een overgangsperiode.

Wat het effect op de prudentiële rapportages betreft, is het belangrijk om te weten dat de medewetgevers van de EU aanvullende overgangsmaatregelen hebben ingesteld. Deze maatregelen hebben tot doel het potentiële negatieve effect van de introductie van IFRS 9 op het toetsingsvermogen van de banken te verzachten. De maatregelen zijn geïmplementeerd door middel van Verordening (EU) 2017/2395[14], die op 27 december 2017 werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Op de website van ECB-bankentoezicht is een rapport gepubliceerd met de resultaten van dit thematische onderzoek. Het biedt een overzicht van de belangrijkste kwalitatieve en kwantitatieve resultaten voor belangrijke instellingen en LSI's. Wat betreft de kwalitatieve resultaten is de conclusie dat er bij sommige instellingen nog ruimte voor verbetering is om IFRS 9 goed te kunnen invoeren. In het algemeen is het de toezichthouders opgevallen dat de grootste belangrijke instellingen beter zijn voorbereid op de invoering van de nieuwe normen dan de kleinere. Het meest uitdagende aspect van IFRS 9 voor belangrijke instellingen is het meten van bijzondere waardeverminderingen, omdat hiervoor een aanzienlijke aanpassing van de interne processen en systemen nodig is. Voor LSI's bestaat de grootste uitdaging uit de modellering van verwachte kredietverliezen en de beschikbaarheid van gegevens. Het themaonderzoek heeft uitgewezen dat de overgrote meerderheid van de instellingen hard werkt aan de invoering van IFRS 9.

De “fully loaded” gemiddelde negatieve invloed van IFRS 9 op de CET1-ratio wordt geschat op 40 basispunten.

Vanuit een kwantitatief oogpunt toont het rapport aan dat de “fully loaded” gemiddelde negatieve invloed op de CET1-ratio wordt geschat op 40 basispunten. Dit resultaat is gebaseerd op informatie verschaft door belangrijke instellingen die al goede voortgang hebben geboekt met de invoering van IFRS en daarom de meest betrouwbare informatie konden verstrekken. Op dezelfde manier wordt de “fully loaded” gemiddelde negatieve invloed op de CET1-ratio van LSI's geschat op 59 basispunten. Nemen we de overgangsregelingen in beschouwing dan wordt de gemiddelde negatieve invloed van IFRS 9 op de CET1-ratio op de transitiedatum geschat op circa 10 basispunten voor belangrijke instellingen en 25 basispunten voor LSI's.[15]

De eerste fase van het onderzoek voor de belangrijke instellingen werd uitgevoerd bij de instellingen die klaar waren om te worden beoordeeld in het eerste kwartaal van 2017. De bevindingen en de mogelijke noodzaak voor herstelmaatregelen werden met de betreffende instellingen gedeeld; de JST's dragen gedurende geheel 2018 zorg voor de opvolging van onopgeloste kwesties. De instellingen die nog niet volledig waren voorbereid op de beoordeling kregen in het eerste kwartaal van 2017 een waarschuwingsbrief en zijn door de JST's per 30 november 2017 beoordeeld. Er werd een horizontale evaluatie gemaakt van de mate van gereedheid van een steekproef van LSI's. De ECB en de NCA's zullen zorgdragen voor de opvolging van de implementatie van IFRS 9 door de LSI's in 2018.

Aggregatie van risicogegevens en risicorapportage

Een themaonderzoek naar de aggregatie van risicogegevens en risicorapportage behoorde in 2016 en 2017 tot de prioriteiten van het SSM.

Gedegen risicomanagement bij banken berust op zowel hoogwaardige gegevens binnen de gehele organisatie als effectieve aggregatie van risicogegevens en risicorapportage. Een belangrijke les van de financiële crisis was echter dat bepaalde banken niet in staat bleken hun risicoposities volledig in kaart te brengen. Dit kwam omdat zij geen goede risico-informatie tot hun beschikking hadden en zich baseerden op beperkte risicoaggregatiemethoden. De betreffende banken waren daardoor veel minder goed in staat om tijdig besluiten te nemen, met vergaande gevolgen voor de banken zelf en de gehele financiële sector.

Tegen deze achtergrond behoorde een themaonderzoek naar de aggregatie van risicogegevens en risicorapportage in 2016 en 2017 tot de prioriteiten van het SSM.

Dit themaonderzoek begon in 2016 met een steekproef van ongeveer 25 belangrijke instellingen. Het werd uitgevoerd door de betreffende JST's ondersteund door een centrale werkgroep gevormd door medewerkers van de ECB en de nationaal bevoegde autoriteiten. De NCA's verzorgden een operationele leidraad en zagen erop toe dat deze consequent werd toegepast op alle banken in de steekproef. Het onderzoek werd uitgevoerd op basis van het principe van proportionaliteit, rekening houdend met de omvang, de bedrijfsmodellen en de complexiteit van de onderzochte banken.

De resultaten van het onderzoek werden gedeeld met de betrokken banken en de verzoeken voor herstelmaatregelen gingen in het tweede kwartaal van 2017 uit.

De resultaten laten zien dat de implementatiestatus van de BCBS 239-principes voor de belangrijke instellingen in het onderzoek behoorlijk onbevredigend blijft. De uitkomsten van het onderzoek werden tijdens de individuele toezichtsgesprekken gedeeld met de tot de steekproef behorende banken. De verzoeken voor herstelmaatregelen werden in het tweede kwartaal van 2017 door de ECB verzonden in de afsluitende vervolgbrieven. Deze verzoeken waren in het bijzonder gericht aan banken met opmerkelijke zwakke punten die grote gevolgen zouden kunnen hebben voor hun risicoprofielen.

De banken werd verzocht om eenduidige, correcte en gedetailleerde actieplannen aan te leveren. Om de consistentie te bewaken, werden deze plannen beoordeeld door de centrale werkgroep, ondersteund door de JST's.

De door de centrale werkgroep ontwikkelde methodiek is een verrijking van de beoordelingsmethodiek voor het toezicht op de aggregatie van risicogegevens en risicorapportage. Meer in het algemeen zullen de belangrijkste resultaten van het onderzoek voor alle belangrijke instellingen worden meegenomen in de beoordeling van gegevensaggregatie en rapportagevaardigheden in het kader van de SREP.

Het onderzoek was gebaseerd op de principes voor effectieve aggregatie van risicogegevens en risicorapportage[16] van de BCBS. Aangezien de ECB bijhoudt hoe de aggregatie van risicogegevens en de rapportagevaardigheden van de instellingen verbeteren, overlegt zij regelmatig met het Risk Data Network van de BCBS over relevante inzichten.

Uitbesteding

De afgelopen tien jaar hebben technologische ontwikkelingen niet alleen de verwachtingen van de klant ten aanzien van bankdiensten veranderd, maar ook de werkwijze en de dienstverlening van banken zijn erdoor veranderd. Vooral de opkomst van cloud computing heeft een aanzienlijke invloed op de manier waarop banken hun activiteiten structureren, ofwel wat zij nog "binnenshuis" doen en welke activiteiten zij uitbesteden aan externe dienstverleners.[17] Deze ontwikkelingen brengen banken nieuwe zakelijke mogelijkheden en geven ze eenvoudige toegang tot diensten en expertise buiten het reguliere bankdomein. Deze mogelijkheden brengen echter ook risico's met zich mee die beheerst dienen te worden. En dit is natuurlijk een onderwerp dat het Europese bankentoezicht scherp in het oog houdt. Een van de zorgen is dat door uitbesteding banken in het eurogebied kunnen veranderen in lege hulzen of dat effectief bankentoezicht hierdoor belemmerd wordt, bijvoorbeeld indachtig de brexit en de potentiële verhuizing van banken uit het Verenigd Koninkrijk naar het eurogebied.

Uitbesteding werd aangemerkt als een van de toezichtsprioriteiten van het SSM voor 2017 en er werd een speciaal themaonderzoek gestart naar het beheer van uitbestede diensten en de uitbestedingspraktijk bij de banken.

De ECB is op de hoogte gesteld van bepaalde uitbestedingsovereenkomsten waarvan de procedures zijn gebaseerd op nationale regels. Meer in het algemeen gesproken, is de bepaling van de toereikendheid van uitbestedingsovereenkomsten onderdeel van de beoordeling van het risicoprofiel van een instelling, waaronder de organisatie van het risicobeheer in het kader van de SREP.[18] Tegen deze achtergrond werd uitbesteding aangemerkt als een van de toezichtsprioriteiten van het SSM voor 2017 en werd er een speciaal themaonderzoek gestart naar het beheer van uitbestede diensten en de uitbestedingspraktijk bij de banken. Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in het door de banken gebruikte beleid, de strategieën en de governance met betrekking tot uitbestedingsrisico's en hoe de banken deze risico's beoordelen en beheren.

Als onderdeel van het themaonderzoek verzamelde een horizontaal team, in samenwerking met de relevante JST's, informatie over hoe een representatieve steekproef van significante banken uitbestedingsrisico's beheert. Het onderzoek maakte duidelijk dat de banken op dit ogenblik uitbesteding zeer verschillend benaderen op het gebied van governance en controle. Ook werden onzekerheden van banken gesignaleerd met betrekking tot uitbesteding en uitbesteding van materiële activiteiten. Het team heeft de best practices onderzocht en geconstateerd dat een leidraad voor banken over het beheren van uitbestede activiteiten niet alleen nodig is vanuit het oogpunt van toezicht, maar ook welkom is voor de banken zelf.

De ontwikkelingen op het gebied van uitbesteding hebben overal ter wereld invloed op de bankensector. Zelfs binnen de landen die onder Europees bankentoezicht staan wordt uitbesteding zeer uiteenlopend benaderd in de verschillende nationale juridische kaders.

Binnen het themaonderzoek werd het uitbestedingslandschap in het eurogebied in kaart gebracht en beoordeeld, inclusief procedurele aspecten (bijvoorbeeld meldingen en goedkeuring). Een vergelijking van de nationale juridische kaders bevestigde dat het landschap zeer divers is. Hoewel de onder toezicht van het SSM staande landen de Guidelines on Outsourcing[19] van het Comité van Europese bankentoezichthouders[20] in een of andere vorm hebben overgenomen, zijn er grote verschillen in hoe formeel en gedetailleerd de daaruit voortvloeiende voorzieningen zijn. Om het beeld compleet te maken en aandacht te geven aan het internationale karakter van veel belangrijke instellingen heeft de ECB ook van gedachten gewisseld met een aantal toezichthouders buiten het eurogebied. Zo wilde de ECB meer inzicht krijgen in de verwachtingen van deze toezichthouders over het beheer van uitbestede activiteiten om op die basis het internationale speelveld gelijk te kunnen trekken.

Het onderzoek heeft laten zien dat er een duidelijke behoefte bestaat aan verdere uitwerking van de toezichtsverwachtingen ten aanzien van het uitbestedingsbeleid. Dit zou meer duidelijkheid aan de banken geven en tegelijkertijd de toezichtsbenadering van uitbesteding helpen harmoniseren. Dit project wordt opgetuigd in nauwe samenwerking met de NCA's en de EBA.


1.4 Toezicht ter plaatse

Er werden in totaal 157 inspecties ter plaatse gehouden in 2017

De derde cyclus van inspecties ter plaatse was onderdeel van het programma voor onderzoek door de toezichthouder (supervisory examination programme - SEP) voor 2017. Er werden totaal 157 inspecties gehouden in 2017 (vergeleken met 185 in 2016). De daling van de geplande inspecties ter plaatse in vergelijking met 2016 wordt verklaard door de prioritering van TRIM-inspecties en een verschuiving naar complexere en tijdrovende inspecties, met name kredietrisico-inspecties.[21]

Per 31 december 2017 waren op één na alle geplande inspecties ter plaatse gestart (156 van de 157). Hiervan werden er 64 afgerond in 2017 en de afsluitende rapporten werden besproken met de geïnspecteerde instellingen. Het totale aantal in 2017 afgeronde inspecties ter plaatse omvat tevens 98 inspecties uitgevoerd onder het SEP voor 2016, begonnen in 2016 en afgerond in 2017 plus 18 onderzoeken ter plaatse buiten de SSM-landen.

Grafiek 6
Inspecties ter plaatse in 2017: uitsplitsing naar risicotype

Toelichting: In de loop van 2017 werden er inspecties ter plaatse onder de SEP's van 2016 en 2017 afgerond. Dit verklaart waarom er meer kapitaalinspecties werden afgerond in 2017 dan het aantal inspecties onder het SEP van 2017.

Bij de planning en personele bezetting van inspecties ter plaatse wordt nauw samengewerkt met de NCA's, die nog altijd de meeste missieleiders en teamleden leveren. Op 31 december 2017 had bij 90% van de inspecties een nationaal bevoegde autoriteit aan het hoofd gestaan, met de nadruk op groepen die gevestigd zijn in de respectievelijke landen van de NCA's. De overige 10% werd geleid door de centrale afdeling voor inspecties ter plaatse van de ECB (ECB Centralised On-site Inspections Division - COI).

In 2017 kwam het Europese bankentoezicht met een complete, systeembrede visie ter verhoging van het aantal inspecties door internationale en gemengde teams in de komende jaren.

In 2017 kwam het Europese bankentoezicht met een complete, systeembrede visie ter verhoging van het aantal inspecties door internationale en gemengde teams in de komende jaren. Hiervoor werd een preciezere definitie van gemengde/internationale teams gemaakt en een actieplan ontwikkeld door de Raad van Toezicht van de ECB. Een team wordt beschouwd als “internationaal” als de missieleider en minstens één teamlid niet worden geleverd door de NCA van het betrokken gastland. Een team wordt beschouwd als “gemengd” als de missieleider geleverd wordt door de bevoegde autoriteit van het betrokken gastland en ten minste twee teamleden niet worden geleverd door de bevoegde autoriteit van het betrokken gastland.

Op basis van deze nieuwe definitie werden 29 van de 157 (18,5%) voor 2017 geplande inspecties ter plaatse uitgevoerd door gemengde/internationale teams, een lichte teruggang ten opzichte van 2016. De invoering van het nieuwe actieplan moet deze trend keren: in 2018 zal ongeveer 25% van de geplande inspecties ter plaatse worden uitgevoerd door gemengde/internationale teams.

Tabel 2
Personeelsbezetting bij inspecties: NCA vs. ECB

Aan de hand van meer dan twee jaar ervaring heeft De Raad van Toezicht van de ECB besloten het gehele[22] proces voor inspecties ter plaatse aan te passen. De aanpassingen zijn bedoeld om de algehele kwaliteit, snelheid en aansprakelijkheid van de inspecties te verhogen. De banken hebben nu de mogelijkheid om schriftelijk commentaar te geven op de bevindingen in een bijlage bij het inspectierapport. Het herziene proces voorziet in volledige transparantie en zorgt ervoor dat de betrokken JST's het commentaar van de bank kunnen opnemen in de voorbereiding van de vervolgacties.

In juli 2017 publiceerde de ECB een Gids voor inspecties ter plaatse en onderzoek van modellen voor openbare raadpleging.

In juli 2017 publiceerde de ECB een Gids voor inspecties ter plaatse en onderzoek van modellen voor openbare raadpleging. Het doel van de Gids is uit te leggen hoe ECB-Bankentoezicht de inspecties ter plaatse uitvoert en de geïnspecteerde banken hiermee een handzaam referentiedocument te bieden. De conceptgids wordt op dit moment gereviseerd en zal na goedkeuring van de Raad van Toezicht van de ECB en de geen-bezwaarprocedure van de Raad van Bestuur worden gepubliceerd.

In 2018 zullen verschillende inspecties ten aanzien van vrijwel identieke onderwerpen worden afgestemd wat betreft onderzoeksterrein en tijdstip. Dit maakt intensief overleg tussen de missieleiders en de toezichtsteams van de ECB mogelijk. Hierdoor wordt de efficiëntie van de inspecties en de consistentie van de benadering verbeterd.

De belangrijkste bevindingen van inspecties ter plaatse

De volgende analyse omvat acht risicocategorieën en 137 inspecties ter plaatse waarvan het inspectierapport tussen 1 januari 2017 en 31 oktober 2017 werd gepubliceerd.

Kredietrisico

Meer dan de helft van de kredietrisico-inspecties was geheel geconcentreerd op de kwantitatieve aspecten van het kredietrisicobeheerproces. De overige 45% was gericht op het doorlichten van de kwaliteit van de activa door middel van dossieronderzoeken en bracht een financiële impact van meer dan € 10 miljard aan het licht. De belangrijkste bevindingen zijn:

  • Onjuiste kwalificatie van debiteuren: tekortkomingen in de definitie van en/of de signalering van leningen in verzuim en niet-presterende blootstellingen; zwakke processen voor het monitoren van kredietnemers met hoog risico (systeem voor vroege waarschuwing, signalering van verzuim en interne ratings). Dit betekent dat er aanvullende voorzieningen getroffen dienen te worden.
  • Verkeerde berekening van voorzieningen: onderpandsurpluspercentages, tijd tot herstel, verdisconteringstijd, kasstroomramingen en collectieve parameters voor voorzieningen.
  • Zwakke kredietverleningsprocessen tekortschietende debiteurenanalyses, onduidelijke uitzonderingen op het mandaat-/limietsysteem van de bank.
  • Governancekwesties: tekortkomingen in het three-lines-of-defence-model voor interne controle, bijvoorbeeld een zwakke tweede verdedigingslijn: zwakke risicobeheerfunctie, gebrek aan betrokkenheid van het bestuur of het topmanagement, onvoldoende zeggenschap van de interne auditfuncties, besluitvormingsproces te veel op centraal niveau.
  • Wettelijke ratio's: verkeerde berekening van risicogewogen activa, schendingen van de grote-postenregeling.

Governancerisico

De meest frequent voorkomende onderwerpen bij inspecties ter plaatse naar interne governance en risicobeheer waren de organisatorische structuur, rollen en verantwoordelijkheden van het bestuur en de interne auditfunctie. Er werden zeer regelmatig ernstige bevindingen gedaan op de volgende terreinen:

  • Organisatiestructuur: tekortkomingen in het interne beheersingskader, niet passende of onduidelijke rapportagelijnen, gebrek aan coördinatie binnen de groep.
  • Rollen en verantwoordelijkheden van het bestuursorgaan: belangenverstrengeling, onvoldoende definitie/actualisering van strategische benaderingen, tekortkomingen in delegatie van bevoegdheden.
  • Interne auditfunctie: onvoldoende controle en vervolgacties.
  • Compliancefunctie: tekortkomingen in compliancerisicobeoordeling, onvoldoende middelen, achterhaalde beleidslijnen en procedures.
  • Risicomanagementfunctie: tekortkomingen op het gebied van risicometing, bewaking, controle en rapportage, gebrek aan opschalingsprocedures.
  • Governanceprocessen: tekortkomingen in de opzet voor strategieën en goedkeuringsprocedures voor nieuwe producten.

Operationeel risico

De meest besproken onderwerpen tijdens de inspecties van operationeel risico waren de organisatorische kaders, beleidslijnen en procedures, meting en beheer van risico, de reikwijdte van het risicomanagement en risico-identificatie. Het merendeel van de kritische bevindingen had betrekking op de volgende terreinen:

  • Organisatorische kaders, beleidslijnen en procedures: tekortschietende besluitvormingsprocedures voor operationeel risico, onvoldoende scheiding van taken, zwakheden in rapportagesystemen.
  • Meting en management van risico's: onvoldoende controle van blootstelling aan operationeel risico, tekortkomingen in de processen voor verzameling van gegevens over operationeel risico, gebrek aan risicopreventiemaatregelen bij het management van uitzonderlijke operationele risico's.
  • Reikwijdte van het risicomanagement en risico-identificatie: onvolledige verslaglegging van significante operationele risico's, tekortkomingen in operationeel risicomanagement op groepsniveau, tekortschietende beoordeling van operationeel risico in nieuwe projecten/goedkeuringsprocedures voor nieuwe producten.
  • Risicoprofiel, risicostrategie en risicobereidheid: inadequate beoordeling van operationele risicoprofielen, gebrek aan operationele risicostrategieën.

IT-risico

De inspecties van IT-risico omvatten doorgaans de volgende onderwerpen: (i) organisatorisch kader, strategie, beleidslijnen, procedures en systeemarchitectuur; (ii) organisatie en uitbesteding; (iii) risicomanagement; (iv) beveiligingsmanagement; (v) datakwaliteitsmanagement en (vi) IT-systeembeheer.

Circa een derde van de bevindingen is gerelateerd aan IT-beveiliging en de overige hebben te maken met de IT-organisatie en uitbesteding, risicomanagement, datakwaliteitsmanagement, IT-continuïteitsmanagement en softwaremanagement.

Voorbeelden van de meest ingrijpende bevindingen ten aanzien van IT- risico's zijn:

  • een gedeelte van de IT-infrastructuur heeft geen ondersteuning van de leverancier;
  • gebrek aan scheiding van taken tussen ontwikkelaars en IT- systeembeheer;
  • geen integraal bijgewerkt beveiligingsbeleid;
  • geen goede netwerksegmentatie;
  • beperkte vastlegging van beveiligingsincidenten door event managementsystemen;
  • onvoldoende processen voor hercertificatie van toegangsrechten;
  • geen integrale continuïteitstesten.

Kapitaalrisico

Bij de inspecties van het toetsingsvermogen (Pijler 1) kwamen veelal de volgende onderwerpen aan bod: governance, interne beleidslijnen en controlemaatregelen, het reconciliatieproces, datakwaliteitsborging en kapitaalvereisten voor kredietrisico. Daarnaast richtten de ICAAP-inspecties zich op de organisatiestructuur, risico-identificatie en -aggregatie, kapitaalplanning en stresstestmethodes.

Onder de meest ingrijpende bevindingen tijdens de Pijler 1-inspecties bevinden zich:

  • tekortkomingen in de opsporing en het herstel van datakwaliteitsproblemen, met fouten in de berekening van het eigen vermogen en risicogewogen activa tot gevolg;
  • ontoereikende beleidslijnen, procedures en controles voor de beoordeling van de vereisten voor kredietrisicomitigerende technieken.

De volgende belangrijke punten werden gesignaleerd tijdens de ICAAP-inspecties:

  • kwantificeringsproblematiek, in het bijzonder in de modellering van kredietrisico (bijvoorbeeld met betrekking tot de gebruikte aannames, onterechte simplificatie, parameterisatie, etc.);
  • onderontwikkelde stresstestkaders (problemen met scenariodefinitie, gebrek aan reverse stress testing);
  • ICAAP-proces niet ingebed in de managementstructuur van de bank.

Renterisico in het bankenboek

Bij alle inspecties van renterisico's in het bankenboek (Interest Rate Risk in the Banking Book - IRRBB) passeerden de meting, het management en de bewaking van risico de revue. En bij vrijwel alle inspecties kwamen zowel de risico-inventarisatie, -bereidheid en de -strategie als de reikwijdte van het risicomanagement en risico-identificatie aan bod. Belangrijke bevindingen zijn veelal gerelateerd aan de meting, het management en het bewaken van IRRBB-risico. De meest voorkomende punten die werden gesignaleerd zijn:

  • de risicomodellen zijn niet in staat om met negatieve rentetarieven om te gaan;
  • gebrek aan een geconsolideerd overzicht op holdingniveau van de door de verschillende juridische entiteiten ontwikkelde gedragsmodellen.
  • gebrek aan solide fundering voor de belangrijkste aannames in prepaymentmodellen;
  • ontoereikende dataverzameling
  • ontoereikende definitie van het limietenkader.

Liquiditeitsrisico

Bij alle inspecties van liquiditeitsrisico werd aandacht besteed aan governance, meting, bewaking en management van risico's, stress-scenario's, risicomitigatietechnieken, rapportageverplichtingen en informatievereisten. Het merendeel van de bevindingen betreft risicometing en -governance, met daaronder een aanzienlijk aandeel urgente aandachtspunten, te weten:

  • Tekortschietende risicomodellering: zwakke punten in de raming van het run-offprofiel van financiële producten, een gebrek aan invulling van de voor stresstesten gebruikte scenario's en onvoldoende datakwaliteit.
  • Governancegerelateerde onderwerpen: ontoereikende sturing van de holdingmaatschappij, onvoldoende actieve validatiefunctie, ineffectieve systemen voor vroegtijdige alarmering.

Bedrijfsmodellen en winstgevendheid

Bij de inspecties ter plaatse kwamen naast winstgeneratie en -bestemming regelmatig de aannemelijkheid van de strategische aannames, de operationele uitvoeringcapaciteiten en de financiële projecties van de instellingen aan de orde. Ernstige bevindingen kwamen vooral naar voren op de volgende gebieden:

  • Aannemelijkheid van de strategische aannames van een instelling: gebrek aan goedkeuring van het bestuur voor strategieën; beperkte betrokkenheid van het bestuur bij de ontwikkeling van strategieën; strategieën zijn onvoldoende aannemelijk.
  • Operationele uitvoeringscapaciteiten: beperkte operationele uitvoeringscapaciteiten en -middelen ter implementatie van de bedrijfsstrategie; verschillen in de financiële verslaglegging van instellingen.
  • Winstbestemming, -generatie en bewustwording tekortkomingen in prijsstellingsinstrumenten in de zin van het opnemen van alle kosten en risico's; haperende processen voor minimum floor pricing; onvoldoende analyse en bewaking van winstindicatoren en financiering.
  • Analyse van financiële prognoses (scenario's, gevoeligheden): overdreven rooskleurige financiële prognoses; onvolledige documentatie van hulpmiddelen voor het opstellen van prognoses.

Marktrisico

Bij de inspecties van marktrisico kwamen veelal de volgende onderwerpen aan bod: governance; organisatorische kaders, beleidslijnen en procedures, risico-inventarisatie, risicobereidheid en -strategie; organisatiestructuur; risicomitigatie en interne controle; classificatie van level 1-, level 2- en level 3-activa. De meest ingrijpende bevindingen hadden betrekking op risicometing. De meest gesignaleerde punten zijn:

  • Fair valuehiërarchie en -waardering onterechte classificatie (level 1, level 2 of level 3), voornamelijk tussen levels 2 en 3; behandeling van day-one profit; gebrekkige waardeaanpassingen.
  • Organisatorische kwesties: onvoldoende actie van het bestuur; onvoldoende activiteit van de interne controlefunctie; ondoelmatige IT infrastructuur.

1.5 Gerichte toetsing van interne modellen (TRIM)

De gerichte toetsing van interne modellen (targeted review of internal models - TRIM) is goed op weg en de eerste resultaten over algemene onderwerpen zijn reeds gedeeld met de banken.

De gerichte toetsing van interne modellen (TRIM) is een grootschalig en meerjarig project dat in 2017 werd gestart, na voorbereidend werk in 2016. Het doel van het project is te beoordelen of de huidige, door belangrijke instellingen in het eurogebied gebruikte en onder Pijler I goedgekeurde interne modellen geloofwaardig, afdoende en passend zijn om zo hun geloofwaardigheid te vergroten. TRIM legt zich toe op correcte en consequente implementatie van de wettelijke voorschriften ten aanzien van interne modellen. Daarmee fungeert TRIM als aanvulling op de in de recent afgeronde Bazel III-overeenkomst vastgelegde maatregelen. Het project wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met de NCA's.

Begin 2017 werden de eerste TRIM-inspecties te plaatse naar interne modellen gestart, waarmee het TRIM-project zijn uitvoeringsfase inging. Deze fase zal zich uitstrekken over geheel 2018 en 2019. Tot nu toe ontwikkelt het project zich volgens plan, dankzij de medewerking van de geïnspecteerde instellingen en de grote toewijding van de beoordelingsteams. In totaal werden 92 TRIM-inspecties ter plaatse met succes gestart in de loop van 2017. Het onderzoek omvatte de interne modellen voor kredietrisico (met de nadruk op retail- en mkb-portefeuilles), marktrisico en tegenpartijrisico. Om het gebruikelijke onderhoud van de modellen van de instellingen niet te verstoren, zijn de materiële aanpassingen in de modellen en de initiële goedkeuring ervan ook ter plaatse beoordeeld naast de inspecties onder TRIM en soms tegelijkertijd met TRIM.

De eerste resultaten van TRIM zijn reeds beschikbaar. De algemene aspecten van interne modellen, zoals modelvalidatie en -governance, werden vanaf het begin van het project meegenomen. De tijdens deze onderzoeken gevonden gevallen van niet-naleving van het bestaande regelgevende kader zijn reeds aangepakt via toezichtsbesluiten. Dit draagt bij aan het creëren van een solide en passende omgeving voor het gebruik van interne modellen en zorgt voor een gelijk speelveld voor de onder toezicht staande entiteiten.

Om een gelijk speelveld te verzekeren, wordt de TRIM-beoordelingsteams gevraagd om altijd en overal dezelfde inspectietechnieken en -instrumenten te gebruiken. De resultaten van de inspecties worden dan ook systematisch gecontroleerd op consistentie en onderworpen aan horizontale analyse en collegiale toetsing. Bij de beslissingen naar aanleiding van de TRIM-inspecties verwacht de ECB geen verdere regelgeving op het gebied van interne modellen, maar past zij de huidige wettelijke vereisten toe. Na afronding van de horizontale analyses en de collegiale toetsing kunnen aanvullende aanbevelingen en besluiten volgen.

De centrale projectteams hebben een speciaal ontwikkelde gids samengesteld om de inzichten van de ECB over de belangrijkste aspecten van de huidige regelgeving ten aanzien van de aan TRIM onderworpen interne modellen over te brengen. De eerste versie van de gids is gedeeld met de instellingen die meedoen aan het TRIM-onderzoek om hun feedback te verzamelen voor de start van de uitvoeringsfase. Daarna is de Engelstalige gids beschikbaar gesteld op de website van het bankentoezicht van de ECB.

De feedback op de gids is het TRIM-onderzoek zeer ten goede gekomen en is een verder bewijs dat de sector de doelstellingen van het project van harte onderschrijft. Naast deze feedback vormen de ervaringen uit het tot nu toe gedane onderzoek ter plaatse en de voortgaande regelgevende ontwikkelingen een solide basis voor actualisering van de gids in de toekomst.

TRIM levert een aanzienlijke bijdrage aan consistent en vergelijkbaar gebruik van interne modellen in het eurogebied en draagt daarmee bij aan een gelijk speelveld.

Het Europees bankentoezicht profiteert van deze ECB-gids en de onder TRIM ontwikkelde methodieken en instrumenten. Al met al draagt dit in aanzienlijke mate bij aan consistent en vergelijkbaar gebruik van interne modellen in het eurogebied en zorgt daarmee voor een gelijk speelveld.

Het TRIM-project is erop gericht om voortdurend in dialoog te kunnen blijven met de sector. Naast een conferentie over TRIM in februari 2017 werden regelmatig updates gegeven over de status van TRIM en werd informatie verstrekt over verwachte mijlpalen in nieuwsbrieven aan de instellingen die in augustus en december 2017 deelnamen aan TRIM. Daarnaast namen de TRIM-projectleden regelmatig deel aan evenementen in de sector.

Naast de 92 inspecties ter plaatse onder TRIM werden er in de loop van het verslagjaar 70 inspecties naar interne modellen bij belangrijke instellingen opgestart (waarvan 37 ter plaatse). In totaal waren er 133 niet aan TRIM gerelateerde inspecties afgerond tegen eind 2017, waarvan er 123 resulteerden in een beslissing van de ECB (exclusief de bijdrage van de ECB aan gezamenlijke beslissingen met andere NCA's van het betreffende land).

Grafiek 7
Aantal inspecties van interne modellen in 2017 per risicocategorie (exclusief TRIM)

Bron: ECB.


1.6 Indirect toezicht op minder belangrijke instellingen en overkoepelend toezicht (oversight)

Krachtens de SSM-Verordening is de ECB gehouden zorg te dragen voor de effectieve en consistente werking van het SSM en geeft het SSM daarmee een oversightfunctie. De NCA's blijven hoofdverantwoordelijke voor het toezicht op de minder belangrijke instellingen (less significant institutions – LSI's). Gezien de overkoepelende aard van deze functie, die moet waarborgen dat hoge toezichtsnormen consequent in het gehele eurogebied worden toegepast, heeft ECB-Bankentoezicht in nauwe samenwerking met NCA's een operationeel kader opgezet voor het overkoepelende toezicht op LSI's. In deze paragraaf staan voorbeelden van specifieke in 2017 ontplooide initiatieven.

Gemeenschappelijke toezichtsnormen en methodieken

De ECB ontwikkelt gemeenschappelijke toezichtsnormen in nauwe samenwerking met de NCA's.

De gemeenschappelijke toezichtsnormen (joint supervisory standards - JSS) en methodieken voor LSI-toezicht blijven de belangrijkste instrumenten om te komen tot een toezichtspraktijk die consistent en goed toezicht op LSI's garandeert. Na de ontwikkeling van de gemeenschappelijke normen en methodieken in de afgelopen jaren lag de nadruk in 2017 op de invoering ervan.[23] De NCA's bleven de eerder afgeronde JSS (bijvoorbeeld met betrekking tot toezichtsplanning en herstelplanning) toepassen en begonnen met de implementatie van nieuwe JSS, waaronder die voor de uitvoering van inspecties ter plaatse bij LSI's. De JSS zijn er primair op gericht de planning van inspecties te harmoniseren en te komen tot een minimumniveau van het toezichtswerk. Op dit moment wordt verder gewerkt aan de ondersteuning van de praktische implementatie van de JSS door de NCA's (bijvoorbeeld door middel van speciale workshops).

Naast de harmonisering van toezichtsprocessen zijn er meer projecten ter bevordering van een gemeenschappelijke benadering van het toezicht op de risico's die voortvloeien uit specifieke bedrijfsmodellen. Een voorbeeld hiervan zijn de JSS voor instellingen voor autofinanciering (car financing institutions – CFI's), die in 2016 werden voltooid en streven naar een consistente, gedegen en proportionele benadering van het toezicht op deze instellingen (zowel belangrijke instellingen als LSI's) binnen het eurogebied. In 2017 werden er thematische workshops georganiseerd samen met de sector. Deze waren gericht op analyse van de bedrijfsmodellen en het specifieke risicoprofiel van CFI's.

Na de ontwikkeling van een samenwerkingskader tussen de ECB en de NCA's op het gebied van crisismanagement werden er twee bijbehorende JSS ontwikkeld in 2017, die naar verwachting in 2018 worden voltooid: één met betrekking tot de toezichtspraktijk van de NCA’s ten aanzien van LSI-crisismanagement en de samenwerking met de afwikkelingsautoriteiten en de andere met betrekking tot de toezichtsprocedures van de NCA's voor LSI's die tekortschieten op het gebied van de minimale kapitaalvereisten.[24]

Het werk aan institutionele protectiestelsels (IPS) dat in 2016 werd verricht, werd in 2017 aangevuld met de verdere controle van “hybride” IPS die zowel belangrijke instellingen als LSI's onder hun leden hebben. De werkzaamheden werden verricht door de ECB en de NCA's van Oostenrijk en Duitsland, die op dit ogenblik de enige landen zijn met een hybride IPS. De reikwijdte hiervan is in overeenstemming met de vereisten voor IPS volgens Artikel 113, lid 7 en Artikel 49, lid 3 van de CRR. Het vervullen van deze verplichtingen is onderworpen aan regelmatige controle. In de komende jaren zal het werk aan IPS profiteren van de geleidelijke implementatie van de rapportagespecificaties uit de Gids van de ECB inzake de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (ECB Guide on Options and Discretions), die beschikbaarheid van IPS-gerelateerde gegevens zal vergroten.

In nauwe samenwerking met de NCA's wordt er een themaonderzoek gehouden naar IFRS 9 bij zowel LSI's als belangrijke instellingen. Het doel van dit onderzoek is om zeker te stellen dat banken binnen het eurogebied de nieuwe IFRS 9-standaard consistent invoeren. Er werden onder meer instrumenten ontwikkeld om de toezichthouders te helpen beoordelen hoe goed LSI's zijn voorbereid op IFRS 9 (zie Paragraaf 1.3.2).

Ook werd in de herfst van 2017 de Gids inzake de beoordeling van aanvragen voor een vergunning als fintechkredietinstelling[25] aangeboden voor consultatie. De definitieve versie van het de gids verschijnt begin 2018. De gids is bedoeld om de transparantie van het aanvraagproces te vergroten voor fintechkredietinstellingen die een vergunning willen aanvragen (dat wil zeggen entiteiten met een bedrijfsmodel waarbij de productie en de levering van bancaire producten en diensten is gebaseerd op technologische innovatie). Het lopende werk is gericht op de implicaties van financiële technologie (bijvoorbeeld big data, distributed ledger-technologie) voor het bankentoezicht en onderzoekt de rol van "maatwerk voor innovatie" (regulatory sandboxes).

De ECB werkt op dit moment ook het toezicht uit op financiële marktinfrastructuren (FMI's) met een CRR-bankvergunning die voornamelijk centrale tegenpartijdiensten (central counterparty - CCP) of centrale effectenbewaardiensten (central securities depository - CSD) aanbieden aan marktpartijen, waaronder SSM-banken. Om te zorgen voor een consistente, gedegen en proportionele benadering van het toezicht op deze speciale instellingen werkt de ECB nauw samen met de NCA's aan de afronding van JSS voor SREP-beoordelingen van FMI-instellingen.

Keuzemogelijkheden en nationale manoeuvreerruimte voor LSI's

Om te zorgen voor een gelijk speelveld voor alle kredietinstellingen heeft de ECB in zeer nauwe samenwerking met de NCA's besloten de uitoefening van nationale keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte voor LSI's te harmoniseren. Na een publieke raadpleging die eind januari 2017 werd afgerond, werden in april een Richtsnoer[26] en een Aanbeveling[27] aan de NCA's gepubliceerd.

Terwijl in de meerderheid van de gevallen de voorstellen voor LSI's overeenkomen met die voor belangrijke instellingen werd met betrekking tot bepaalde keuzemogelijkheden en nationale manoeuvreerruimte een proportionele benadering van het toezicht op LSI's gehanteerd die afwijkt van het beleid voor belangrijke instellingen (bijvoorbeeld bij de combinatie van het risico- en het auditcomité). Daarnaast mogen NCA's een flexibele benadering hanteren voor het gebruik van sommige keuzemogelijkheden en nationale manoeuvreerruimte in gevallen waar harmonisatie niet nodig is om robuust toezicht te garanderen of om een gelijk speelveld te bereiken. Bovendien zullen enkele van deze verschillen geleidelijk afnemen de komende jaren omdat overgangsregelingen tot een einde komen.

De afronding van het werk aan de keuzemogelijkheden en nationale manoeuvreerruimte betekent niet alleen een grote stap verder in de richting van consistent toezicht, maar ook dat de aanzienlijke verschillen in de nationale toepassing van keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte grotendeels opgelost zijn.

SREP-methodiek voor LSI's

De SREP-methodiek voor LSI's is gebaseerd op die voor belangrijke instellingen en houdt rekening met het proportionaliteitsbeginsel en flexibiliteit voor de NCA's.

Een belangrijke mijlpaal in 2017 was de afronding van de gezamenlijke werkzaamheden van de ECB en de NCA's aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke methodiek voor de SREP voor LSI's. Deze methodiek is gebaseerd op de methodiek die wordt toegepast op belangrijke instellingen en gebruikt dezelfde structurele elementen op een proportionele manier. Er zijn ook enkele vereenvoudigingen en aanpassingen doorgevoerd waardoor de NCA's enige flexibiliteit hebben gekregen om de specifieke kenmerken van LSI's en de heterogeniteit van de grondslagen voor waardering en resultaatbepaling in aanmerking te nemen. De SREP voor LSI's zal bijdragen aan de convergentie binnen de LSI-sector zorgt tevens voor een minimumniveau van harmonisatie en continuïteit in de beoordeling van belangrijke instellingen en LSI's. Als directe toezichthouders houden de NCA's de volle verantwoordelijkheid voor de uitvoer van onderzoeken en besluiten over maatregelen met betrekking tot kapitaal en liquiditeit en kwalitatieve maatregelen.

Het werk aan de SREP voor LSI's werd in 2015 gestart met de definitie van een methodiek voor een gemeenschappelijk risicobeoordelingssysteem (Risk Assessment System - RAS). De werkzaamheden werden in 2016 voortgezet, waarbij de aandacht vooral uitging naar de kwantificering van kapitaal en liquiditeit. In 2017 werd de LSI SREP-methodiek (inclusief de herziene RAS-methodiek) getest door de NCA's. Alle NCA's hebben actief deelgenomen aan de test en hebben waardevol commentaar geleverd, dat de basis vormde voor de noodzakelijke aanpassingen aan de methodiek.

Het proportionaliteitsbeginsel komt tot uitdrukking in de methodiek door middel van een model voor minimumtoezichtswerkzaamheden afhankelijk van de aan LSI's toegekende prioriteit. Hierdoor verschillen aspecten als informatiebehoefte, de intensiteit van het onderzoek en de toezichtsverwachtingen, afhankelijk van de categorie van de LSI en de aard van de activiteiten. De methodiek biedt de NCA’s enige flexibiliteit. Flexibiliteit in de SREP speelt een belangrijke rol als het gaat om de beoordeling van de ICAAP, ILAAP en de stresstest voor LSI's.

De methodiek wordt door de NCA's ingevoerd als onderdeel van de toezichtscyclus van 2018. Om een soepele overgang van de nationale SREP naar de SSM-SREP te ondersteunen zullen de NCA's de methodiek in het eerste jaar in ieder geval toepassen op LSI's met hoge prioriteit. Dit geeft de NCA's de gelegenheid om de methodiek verder te testen, vooral op de kleinere instellingen, voordat deze in 2020 definitief wordt ingevoerd. De methodiek wordt verder beoordeeld en zal indien nodig worden aangepast op basis van de ervaringen binnen het SSM en overige ontwikkelingen (bijvoorbeeld in het regelgevende kader en verdere werkzaamheden die worden verricht door de EBA en binnen het SSM).

Samenwerking bij het toezicht op de afzonderlijke LSI's

De experts van de ECB staan in voortdurend overleg met hun collega's bij de NCA's

Proportionaliteit is van cruciaal belang voor het efficiënt functioneren van het overkoepelend toezicht. De praktische toepassing van het proportionaliteitsbeginsel is gebaseerd op het prioriteringskader. Dit kader houdt rekening met zowel de intrinsieke risicograad van een bepaalde LSI als haar totale invloed op het financiële systeem.

In 2017 bleven de NCA's via het centrale meldpunt(i) ex ante meldingen doen over materiële toezichtsprocedures en materiële concepttoezichtsbesluiten gerelateerd aan LSI's die geclassificeerd zijn als hoge prioriteit (circa 100 LSI's) en (ii) ad-hocmeldingen doen over mogelijke verslechtering van de financiële situatie bij LSI's. De ervaringen van de afgelopen jaren worden gebruikt bij de samenstelling van de herziene leidraad voor meldingsplicht voor LSI's, die vanaf 2018 van toepassing is. Deze leidraad verklaart de criteria voor de definitie van materialiteit van besluiten over meldingen aan de ECB en biedt een aantal triggers en indicatoren ter bevordering van de tijdigheid van meldingen. In 2017 ontving de ECB 67 meldingen, voornamelijk over kapitaal- en governancekwesties.

Op basis van de meldingen van de NCA's en overige beschikbare informatie bleven de medewerkers van de gespecialiseerde landendesks van de ECB de LSI's in hun respectievelijke landen volgen, vooral de instellingen die te maken hebben (gehad) met financiële verslechtering. De experts van de ECB staan daarbij in continu overleg met hun collega's bij de NCA's om de implementatie te bewaken van de aanbevelingen en vervolgacties gerelateerd aan gemeenschappelijke procedures. Samenwerking ten aanzien van afzonderlijke LSI's heeft in een aantal gevallen de vorm gekregen van gezamenlijke inspecties ter plaatse en technische missies.


1.7 Macroprudentiële taken

In overeenstemming met de taken die op grond van Artikel 5 van de SSM-Verordening aan haar zijn opgedragen, bleef de ECB in 2017 actief in overleg met de NCA's over het macroprudentieel beleid in het eurogebied. De micro- en macroprudentiële gezichtspunten vanuit het gehele SSM worden samengebracht in het Macroprudentieel Forum, dat fungeert als discussieplatform voor de leden van de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht.[28] Dit zorgt ervoor dat micro- en macroprudentiële acties goed op elkaar aansluiten.

In 2017 ontving de ECB meer dan honderd meldingen over het macroprudentieel beleid van de NCA's. Het merendeel van die meldingen had betrekking op (i) driemaandelijkse besluiten over de hoogte van de anticyclische kapitaalbuffers en (ii) besluiten omtrent de vaststelling en kapitaalbehandeling van mondiaal en andere systeemrelevante kredietinstellingen.[29]

Met gebruik van de BCBS-methodiek hebben de ECB en de nationale autoriteiten zeven mondiaal systeemrelevante banken aangemerkt[30] – één minder dan vorig jaar.[31] Deze instellingen zijn ingedeeld in categorieën met gefaseerde kapitaalbuffers tussen 0,75% en 1,5% in 2018 (als de infasering in 2019 voltooid is, is het definitieve bufferniveau voor deze banken 1,0% tot 2,0%.).

De ECB ontving tevens meldingen over de kapitaalbuffers van 109 overige systeemrelevante instellingen. Deze waren in overeenstemming met de methodiek van de ECB voor het beoordelen van overige systeemrelevante instellingen en het vaststellen van hun buffers.

Bovendien heeft de ECB van enkele nationale autoriteiten meldingen ontvangen over de invoering van de systeemrisicobuffer en strengere risicogewichtvereisten, alsmede meldingen over de uitwisseling van macroprudentiële maatregelen die in andere lidstaten zijn genomen.

Ook was de ECB betrokken bij de activiteiten van het Europees comité voor systeemrisico’s (European Systemic Risk Board - ESRB), dat verantwoordelijk is voor het overkoepelende macroprudentiële toezicht op het financiële stelsel in de EU. De ESRB inventariseert en prioriteert systeemrisico en geeft indien nodig waarschuwingen en aanbevelingen voor herstelmaatregelen. De JST's gebruikten de informatie van de ESRB samen met de macroprudentiële analyses van de ECB – zowel intern als extern gepubliceerd – om te zorgen dat alle relevante risico's aan de orde kwamen. Omgekeerd maken de ESRB en de overige macroprudentiële autoriteiten gebruik van de input van de JST's om te verzekeren dat de informatie over de afzonderlijke instellingen wordt opgenomen in de systeembrede risicoanalyse en om mogelijke herstelmaatregelen te formuleren.

Daarnaast bepleit de ECB aanpassing van de methodiek voor de beoordeling van mondiaal systeemrelevante banken zodat de EU als één enkele geografische entiteit kan worden beschouwd.


2 Bijdrage van het SSM aan het EU-kader voor crisisbeheersing en ‑afwikkeling

2.1 Afwikkelingsgevallen in 2017

Het kader voor herstel en afwikkeling van de EU is van groot belang voor de stabiliteit van de banksector. ECB-Bankentoezicht speelt in dit kader een grote rol.

In de eerste helft van 2017 besloot ECB-Bankentoezicht voor het eerst om drie van de banken waarop het direct toezicht uitoefent, als (waarschijnlijk) faillerend (failing or likely to fail - FOLTF) aan te merken.

De Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme bepaalt dat wanneer een belangrijke instelling (significant institution - SI) als FOLTF wordt aangemerkt, de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (Single Resolution Board – SRB) moet beoordelen of ook aan de andere voorwaarden voor afwikkeling is voldaan. De SRB moet in het bijzonder beoordelen: (i) of het, rekening houdend met het tijdsbestek en andere ter zake doende omstandigheden, redelijkerwijze niet te verwachten valt dat met betrekking tot de entiteit te nemen alternatieve maatregelen van de particuliere sector binnen een redelijk tijdsbestek het failleren van de entiteit zouden voorkomen; en (ii) of afwikkelingsmaatregelen noodzakelijk zijn in het algemeen belang.

Wanneer aan deze laatste voorwaarde niet is voldaan, wordt de bank niet afgewikkeld, maar wordt zij onderworpen aan de toepasselijke nationale insolventieprocedure.

Voor een van de drie banken, Banco Popular Español, besloot de SRB dat aan de voorwaarden voor afwikkeling was voldaan en werd een afwikkelingsregeling vastgesteld. Voor de andere twee banken, Veneto Banca en Banca Popolare di Vicenza, concludeerde de SRB dat de afwikkeling niet noodzakelijk was in het algemeen belang, en werden de banken uiteindelijk geliquideerd volgens de Italiaanse insolventieprocedure.

Banco Popular Español

Banco Popular Español was de eerste bank die in juni 2017 door ECB-Bankentoezicht als (waarschijnlijk) faillerend werd aangemerkt.

Op 6 juni 2017 besloot ECB-Bankentoezicht Banco Popular Español als FOLTF aan te merken in overeenstemming met artikel 18, lid 1, onder a), en artikel 18, lid 4, onder c), van de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, omdat deze bank in de nabije toekomst niet in staat zou zijn haar schulden te betalen of aan andere verplichtingen te voldoen wanneer deze opeisbaar werden, als gevolg van een idiosyncratische liquiditeitscrisis. Bijgevolg concludeerde de SRB dat aan de voorwaarden voor afwikkeling was voldaan en besloot hij een afwikkelingsregeling vast te stellen, die voorzag in de afschrijving van kapitaalinstrumenten en de verkoop van de bank aan Banco Santander.

Banco Popular Español had met een aantal structurele problemen te kampen gehad, zoals een groot aantal niet-renderende leningen (non-performing loans - NPL's), een laag dekkingsniveau ten opzichte van vergelijkbare instellingen, een groot aantal hypotheekexecuties en een lage winstgevendheid.

Sinds 2012 heeft de bank drie kapitaalverhogingen verricht voor een bedrag van € 5,5 miljard. Ze is er echter niet in geslaagd haar problematische blootstelling van € 37 miljard (bruto) aan vastgoed wezenlijk af te bouwen. Bovendien heeft de verslechtering van deze portefeuille het kapitaal van de bank verder aangetast. De aankondiging van de bank, in februari 2017, dat zij aanvullende voorzieningen zou aanleggen en dat zij per jaarultimo verliezen had geleden, evenals haar aankondiging op 10 april dat er door haar krappe kapitaalpositie een kapitaalverhoging of een transactie tussen ondernemingen vereist zou kunnen zijn om een eventuele verdere waardevermindering in de portefeuille niet-renderende activa aan te pakken, resulteerde in lagere ratings en wekte grote bezorgdheid bij de cliënten van de bank. Dit leidde tot een aanzienlijke uitstroom van kasmiddelen en tot een ernstige verslechtering van de depositobasis van de bank en maakte het voor haar onmogelijk een beroep te doen op andere liquiditeitsbronnen.

Samenwerking en uitwisseling van informatie met de SRB

Nauwe samenwerking tussen ECB-Bankentoezicht en de SRB droeg bij tot succes van crisisbeheersingsproces

De verslechterende situatie van Banco Popular Español werd begin april 2017 door ECB-Bankentoezicht aan de SRB gemeld en in detail besproken tijdens door de ECB georganiseerde crisisbeheersingsvergaderingen, waaraan ook werd deelgenomen door vertegenwoordigers van de SRB. In de loop van mei 2017 werd er intensiever informatie uitgewisseld, waardoor alle belanghebbenden tijdig konden worden voorbereid. De SRB werd ook uitgenodigd om als waarnemer deel te nemen aan de vergaderingen van de Raad van Toezicht van de ECB, tijdens welke de leden van de Raad van Toezicht op de hoogte werden gebracht van de ontwikkelingen en besluiten hebben genomen over Banco Popular Español. Op de verlengde bestuursvergadering van de SRB ontving de ECB, die aanwezig was als waarnemer, ook informatie over de beoordeling van de andere voorwaarden voor afwikkeling door de SRB. De ECB heeft ook toezichtsinformatie verstrekt die relevant is voor de taak van de SRB.

Algemeen beschouwd hebben de nauwe samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen de ECB en de SRB in belangrijke mate bijgedragen aan een efficiënt crisisbeheersingsproces.

Procedurele stappen die leiden tot een FOLTF-beoordeling

Gezien de urgentie van de situatie werden de procedurele stappen voor de beoordeling van het feit of de bank al dan niet (waarschijnlijk) faillerend was, effectief afgerond in minder dan één dag.

Op 6 juni 2017 besloot de Raad van Toezicht van de ECB om het FOLTF-proces op te starten en nam zij het initiatief tot een formele overlegprocedure met de SRB.

Na raadpleging van de SRB keurde de Raad van Toezicht de FOLTF-beoordeling voor Banco Popular Español goed. Vervolgens werd deze beoordeling aan de Raad van Bestuur van de ECB voorgelegd voor goedkeuring volgens de geen-bezwaarprocedure.

De Raad van Bestuur maakte geen bezwaar tegen de beoordeling van de Raad van Toezicht, die op 6 juni naar zowel de SRB als de Europese Commissie werd verstuurd, in overeenstemming met artikel 18 van de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme. ECB-Bankentoezicht bracht ook alle betrokken autoriteiten op de hoogte van haar besluit, in overeenstemming met artikel 81 van de Richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD) en CRD IV.

Acties naar aanleiding van de FOLTF-beoordeling

Op 7 juni 2017 heeft de SRB een afwikkelingsregeling vastgesteld die voorzag in de verkoop van Banco Popular Español aan Banco Santander voor € 1 en in de afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten.

Op 7 juni 2017 stelde de SRB vast dat aan alle voorwaarden voor afwikkeling was voldaan en besloot hij een afwikkelingsregeling vast te stellen, die op dezelfde dag werd goedgekeurd door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 18, lid 7 van de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme. Het afwikkelingsbesluit omvatte de volgende elementen: (i) afschrijving van aandelen; (ii) afschrijving en omzetting van aanvullend-tier 1-instrumenten in aandelen; (iii) omzetting van uitstaande tier 2-instrumenten in aandelen met een nominale waarde van € 1; en (iv) overdracht van de hieruit voortvloeiende aandelen aan Banco Santander.

Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca

In juni 2017 werden Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca door ECB-Bankentoezicht als (waarschijnlijk) faillerend aangemerkt.

Op 23 juni 2017 werden Veneto Banca en Banca Popolare di Vicenza door ECB-Bankentoezicht als (waarschijnlijk) faillerend aangemerkt overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder a), en artikel 18, lid 4, onder a), van de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme.

De SRB concludeerde dat in geen van beide gevallen was voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling. Vervolgens werden de banken krachtens de Italiaanse insolventiewetgeving in staat van gedwongen administratieve liquidatie gesteld.

Sinds 2014 werd aan Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca, die in het noordoosten van Italië waren gevestigd en een vergelijkbaar bedrijfsmodel en marktaandeel hadden, bijzondere aandacht besteed door de toezichthouders, vanwege hun (i) lage winstgevendheid; (ii) hoge bedrijfskosten in vergelijking met hun kerninkomen; (iii) hoge financieringskosten ten gevolge van een sterk verminderde franchisewaarde; en (iv) lage activakwaliteit.

Hoewel er op verzoek van ECB-Bankentoezicht verschillende kapitaalverhogingen werden verricht, was het eigen vermogen van beide banken in de drie jaar vóór hun failleren aanzienlijk geslonken. Hieruit bleek duidelijk dat hun respectieve bedrijfsmodellen niet geschikt waren om hun winstgevendheid en levensvatbaarheid te waarborgen.

In 2017 dienden de twee banken bij de ECB een gecombineerd bedrijfsplan in ("Project Tiepolo"), dat voorzag in de fusie van de twee banken tegen eind 2017. Volgens het plan bedroeg de totale kapitaalbehoefte € 4,7 miljard.

De ECB concludeerde dat het niet plausibel was dat het plan om de twee banken te herkapitaliseren en te fuseren en de voorwaarden te scheppen voor een nieuw levensvatbaar bedrijfsmodel, effectief en tijdig kon worden uitgevoerd. De ECB oordeelde ook dat er geen andere doeltreffende toezichtsmaatregelen of vroegtijdige-interventiemaatregelen beschikbaar waren.

Samenwerking en uitwisseling van informatie met de SRB

De nauwe samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen de ECB en de SRB hebben in belangrijke mate bijgedragen aan een efficiënt crisisbeheersingsproces.

ECB-Bankentoezicht informeerde de SRB tijdig over de verslechterende situatie van Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca, en vanaf eind 2016 werd de informatie-uitwisseling versterkt.

In de eerste helft van 2017 werd de uitwisseling verder geïntensiveerd. Dankzij deze grondige en uitgebreide informatie-uitwisseling konden alle belanghebbenden tijdig worden voorbereid.

Om beter voorbereid te zijn op de mogelijkheid van een FOLTF-beoordeling werd de situatie van de twee banken in de laatste stadia van de crisisescalatie uitvoerig besproken tijdens crisisbeheersingsvergaderingen, waaraan ook de betrokken bestuurders en medewerkers van de SRB deelnamen.

De SRB werd ook uitgenodigd om als waarnemer deel te nemen aan de vergaderingen van de Raad van Toezicht van de ECB, tijdens welke de leden van de Raad van Toezicht op de hoogte werden gebracht van de situatie van Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca en alle beslissingen met betrekking tot de twee banken werden genomen. De SRB ontving dus dezelfde informatie als de leden van de Raad van Toezicht, op hetzelfde moment. Op de bestuursvergadering van de SRB ontving de ECB, die aanwezig was als waarnemer, ook informatie over de beoordeling van de andere voorwaarden voor afwikkeling door de SRB. Algemeen beschouwd waren de nauwe samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen de ECB en de SRB van fundamenteel belang om de situatie van de banken te verhelpen en hebben zij in belangrijke mate bijgedragen aan een efficiënt crisisbeheersingsproces.

Procedurele stappen die leiden tot een FOLTF-beoordeling

Op 23 juni 2017 werden Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca als (waarschijnlijk) faillerend aangemerkt.

Op 19 juni 2017 legde de ECB de laatste hand aan haar beoordeling van de tweede versie van het Tiepolo-plan dat door de twee banken werd ingediend en concludeerde zij dat dit niet geloofwaardig was.

De kapitaalsituatie van Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca was alsmaar verslechterd en de twee banken hadden de kapitaalvereisten voortdurend geschonden, ondanks de maatregelen die ze hadden genomen om deze schendingen te verhelpen. Zowel Banca Popolare di Vicenza als Veneto Banca werd in de jaren voor het besluit meerdere keren gevraagd hun zwakke punten aan te pakken. De door hen genomen maatregelen bleken echter ondoeltreffend te zijn.

In het licht van het bovenstaande oordeelde ECB-Bankentoezicht op 21 juni 2017 dat er materiële aanwijzingen waren dat Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca (waarschijnlijk) faillerend waren overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder a), en artikel 18, lid 4, onder a), van de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme.

Bijgevolg besloot de Raad van Toezicht van de ECB om het FOLTF-proces op te starten en nam zij het initiatief tot een formele overlegprocedure met de SRB, die afliep op donderdag 22 juni, om 12 uur. Op 23 juni werd de FOLF-beoordeling aan de Raad van Bestuur van de ECB voorgelegd voor goedkeuring volgens de geen-bezwaarprocedure.

De Raad van Bestuur maakte geen bezwaar tegen de beoordeling van de Raad van Toezicht, die op 6 juni naar zowel de SRB als de Europese Commissie werd verstuurd, in overeenstemming met artikel 18 van de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme. De ECB bracht ook alle relevante autoriteiten op de hoogte van haar beoordeling, in overeenstemming met artikel 81 van de BRRD en CRD IV.

Acties naar aanleiding van de FOLTF-beoordeling

Op 23 juni 2017 besloot de SRB geen afwikkelingsmaatregelen te nemen ten aanzien van Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca. Hij concludeerde dat weliswaar voldaan was aan de voorwaarden voor afwikkeling van artikel 18, lid 1, onder a) en b), van de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, maar dat de in artikel 18, lid 1, onder c), genoemde voorwaarde, die betrekking heeft op het openbaar belang, niet vervuld was.[32]

Daarom werden de twee banken geliquideerd volgens de Italiaanse insolventieprocedure.

Op 25 juni 2017 nam de Italiaanse overheid een wetsbesluit[33] aan dat onmiddellijk in werking trad. Dit besluit regelde (i) de gedwongen administratieve liquidatie van de twee banken en (ii) de liquidatiesteun die door de overheid werd verleend ter ondersteuning van de overdracht van activa en passiva aan Intesa Sanpaolo in overeenstemming met het Europese kader voor staatssteun, gelet op het regionale risico voor de financiële stabiliteit.

Op dezelfde dag kondigde de Europese Commissie de goedkeuring op grond van de EU-regels aan van de Italiaanse maatregelen om de liquidatie van Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca krachtens de nationale insolventiewetgeving te vergemakkelijken.[34]

De twee banken werden door het Italiaanse ministerie van Financiën in staat van gedwongen administratieve liquidatie gesteld, op voorstel van de Banca d’Italia, en er werden liquidateurs aangesteld.

De goede activa en passiva werden overgedragen aan Intesa Sanpaolo, die de plaats innam van de banken voor hun relaties met hun cliënten. In overeenstemming met het Europese kader voor staatssteun werd voor de aandelen en de achtergestelde schuld het principe van lastenverdeling toegepast. De niet-renderende leningen zullen worden overgedragen aan Società di Gestione degli Attivi, een vehikel dat eigendom is van het Italiaanse ministerie van Financiën en waarvan gebruikgemaakt werd voor de liquidatie van Banco di Napoli. Het plan is om deze niet-renderende leningen geleidelijk af te stoten om de overgedragen activa zoveel mogelijk te recupereren.

Als gevolg van de liquidatieprocedure werden de bankvergunningen van beide banken op 19 juli 2017 ingetrokken. Vervolgens werden twee dochterondernemingen, die niet werden overgedragen aan Intesa Sanpaolo (Banca Intermobiliare di Investimenti e Gestioni en Farbanca), als minder belangrijke instellingen aangemerkt. Bijgevolg werd het directe toezicht op deze twee dochterondernemingen in september 2017 overgedragen aan Banca d'Italia.

Belangrijkste lessen

Uit de recente gevallen van (waarschijnlijk) faillerende banken kunnen nuttige lessen worden getrokken voor de crisisbeheersing

Banco Popular Español, Veneto Banca en Banca Popolare di Vicenza waren de eerste banken die door ECB-Bankentoezicht als (waarschijnlijk) faillerend werden aangemerkt. Deze gevallen hebben nuttige lessen opgeleverd voor zowel het lopend toezicht als de werking van het kader voor crisisbeheersing.

Een van de lessen die uit al deze gevallen kon worden getrokken, is dat de nauwe samenwerking en de uitgebreide informatie-uitwisseling tussen alle belanghebbenden[35] er aanzienlijk toe hebben bijgedragen dat het proces soepel is verlopen, volgens een strak tijdschema, en alle autoriteiten in staat hebben gesteld snel te handelen en de situatie binnen de vereiste termijn aan te pakken.

De coördinatie en informatie-uitwisseling tussen ECB-Bankentoezicht en de SRB werd in beide crisisgevallen ook bewerkstelligd via kruisparticipatie in de respectieve besluitvormingsorganen. Vertegenwoordigers van de SRB namen deel aan vergaderingen van de Raad van Toezicht van de ECB en aan door de ECB georganiseerde vergaderingen van de crisisbeheersingsteams. ECB-Bankentoezicht nam ook samen met de Europese Commissie als waarnemer deel aan de bestuursvergaderingen van de SRB. Dit maakte het mogelijk om hun respectieve standpunten continu op elkaar af te stemmen en te begrijpen.

Sinds december 2015 dient een memorandum van overeenstemming (Memorandum of Understanding - MoU) als basis voor de samenwerking tussen ECB-Bankentoezicht en de SRB. Dit MoU bevat de algemene voorwaarden voor de samenwerking, met inbegrip van de uitwisseling van informatie, tussen de twee autoriteiten en beoogt te zorgen voor een efficiënte samenwerking bij de uitvoering van hun respectieve taken. In overeenstemming met de daarin opgenomen bepalingen vindt momenteel een herziening van het MoU plaats om rekening te houden met de ervaring die in de eerste twee jaar van de uitvoering ervan is opgedaan. Deze herziening zal in de eerste helft van 2018 voltooid worden (zie ook Paragraaf 2.2).

Een andere belangrijke les die getrokken kan worden, betreft het belang van het tijdstip waarop een bank als (waarschijnlijk) faillerend wordt aangemerkt. In geval van een crisis is tijdige actie van cruciaal belang om te voorkomen dat de situatie van de bank verder verslechtert, en om de algehele kosten van het failleren aldus tot een minimum te beperken. De FOLTF-beoordeling mag echter ook niet onredelijk vroeg worden gemaakt. Anders kan de waarde onnodig worden vernietigd terwijl er nog een mogelijkheid tot herstel bestaat. In dit opzicht is het van belang dat de beleidsvrijheid op toezichtsgebied die in het huidige kader is ingebed, gehandhaafd blijft.

Bovendien heeft de ervaring geleerd dat het van belang is dat effectief gebruik wordt gemaakt van vroegtijdige-interventiemaatregelen, wat in het huidige wettelijke kader moeilijk bleek te zijn. Er moeten op twee gebieden wijzigingen in het wettelijke kader moeten worden aangebracht. Er werd aanbevolen de nodige wijzigingen aan te brengen in het Advies van de ECB betreffende herzieningen van het crisisbeheerkader van de Unie (CON/2017/47).

Ten eerste is er een aanzienlijke overlapping tussen de toezichtsmaatregelen die opgelegd zijn door CRD IV en de SSM-Verordening en de vroegtijdige-interventiemaatregelen waarin de BRRD voorziet. Deze overlapping betreft zowel de inhoud als de voorwaarden voor de toepassing van de maatregelen en brengt belangrijke uitdagingen met zich mee voor de praktische uitvoering van het vroegtijdige-interventiekader, vooral in het licht van het gebrek aan duidelijkheid over de voorwaarden voor vroegtijdige interventie.

Ten tweede moet de ECB haar bevoegdheden inzake vroegtijdige interventie uitoefenen op basis van omzettingen van de BRRD in nationaal recht. Dit leidt tot onzekerheid en inconsistenties ten aanzien van de beschikbare maatregelen en de voorwaarden voor de toepassing ervan in de verschillende lidstaten.

Daarom beveelt de ECB aan: (i) de vroegtijdige-interventiemaatregelen die al beschikbaar zijn in CRD IV en de SSM-Verordening uit de BRRD te weg te laten; en (ii) de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme te wijzigen om een​directe rechtsgrondslag te bieden voor de vroegtijdige-interventiebevoegdheden van de ECB, teneinde de consistente toepassing ervan te bevorderen.

Een andere les die getrokken kan worden, heeft te maken met de noodzaak om in geval van afwikkeling de toegang tot liquide middelen te verzekeren. In sommige gevallen wordt het probleem aangepakt via het vermogen van een koper om liquiditeit te verstrekken. In andere gevallen is het belangrijk om ervoor te zorgen dat de bank, nadat de afwikkelingsinstrumenten zijn toegepast, toegang heeft tot liquide middelen totdat het vertrouwen van de markt is hersteld. In dit opzicht is de rol van het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds (Single Resolution Fund - SRF) van belang en is de ECB is een groot voorstander van het opzetten van een gemeenschappelijk vangnet voor het SRF. Dit gemeenschappelijk vangnet moet het mandaat van het SRF volledig dekken, in die zin dat het zowel beschikbaar moet zijn voor liquiditeits- als voor solvabiliteitsdoeleinden. Gezien het belang van voldoende financiering voor een ordelijk afwikkelingsproces, zou het gemeenschappelijk vangnet zo snel mogelijk moeten worden opgezet, idealiter voordat de overgangsperiode voor de volledige collectivisering van de SRF-middelen eindigt.

Vanuit het oogpunt van de financiële stabiliteit heeft de ervaring bovendien geleerd dat de afwikkelbaarheid kan worden verminderd als er achtergestelde schuldinstrumenten moeten worden aangehouden door particuliere beleggers. Daarom moet worden overwogen duidelijke en gemakkelijk te begrijpen informatievereisten vast te stellen en andere waarborgen in te bouwen om de beleggers bewust te maken van de risico's die aan dergelijke instrumenten zijn verbonden. In dezelfde geest zou het passend zijn te overwegen om voor elk instrument een minimale waarde van € 100.000 per eenheid te vereisen. Dit zou de investeringsdrempel verhogen en de bewustwording van de beleggers versterken, waardoor directe retailbeleggingen zouden kunnen worden beperkt. Voor deze aspecten zou gestreefd moeten worden naar een gemeenschappelijk kader op EU-niveau, om te voorkomen dat de lidstaten verschillende benaderingen hanteren, wat voor deze instrumenten zou leiden tot fragmentatie op de Europese markt.

Communicatie over FOLTF-gevallen

Communicatie is de sleutel tot een geslaagde crisisbeheersing

Communicatie speelt een essentiële rol bij het beheersen van een crisis. Wanneer een bank failleert, is het niet alleen van belang dat een oplossing wordt gevonden om de crisis aan te pakken, maar ook dat deze oplossing effectief aan het publiek wordt meegedeeld, om ervoor te zorgen dat er geen besmetting optreedt en de financiële stabiliteit gehandhaafd blijft. In dit opzicht is coördinatie tussen de verschillende belanghebbenden van essentieel belang om een duidelijke en uitvoerige boodschap aan het publiek over te brengen.

In tegenstelling tot de afwikkelingsmaatregelen, waarvoor de reikwijdte van de door de SRB te verrichten publicaties is vastgelegd in de SRM-Verordening[36] en in de BRRD, zijn er geen dergelijke aanwijzingen voor FOLTF-beoordelingen. Het lijkt wenselijk dat verduidelijking wordt gegeven aangaande de publicatie van FOLTF-beoordelingen.

Gecoördineerde communicatie na een FOLTF-beoordeling

Tijdige voorbereiding van de communicatie en coördinatie tussen alle betrokken belanghebbenden is essentieel voor mededelingen aan het publiek

Tijdige voorbereiding van de communicatie en het referentiekader en afstemming tussen alle belanghebbenden is cruciaal in geval van een crisis. Om die afstemming te verzekeren, zijn communicatieteams bij de SRB, de ECB en de Europese Commissie in een vroeg stadium beginnen samenwerken, ruim vóór de FOLTF-beslissingen werden genomen. Hierdoor kon er een alomvattende communicatiestrategie ten uitvoer worden gelegd, wat heeft bijgedragen aan de geslaagde aanpak van de crisis.

Bovendien moet het tijdstip van de externe communicatie, dat van groot belang is, zorgvuldig worden gekozen. In het geval van Banco Popular Español werd het FOLTF-besluit laat op een dinsdagavond genomen, waarna de kennisgevingen aan alle relevante autoriteiten werden verricht overeenkomstig artikel 81, lid 3, van de BRRD. De externe communicatie met het publiek vond de volgende ochtend plaats. De SRB kondigde toen de verkoop van de bank aan Banco Santander S.A.[37] aan, waarna ECB-Bankentoezicht het FOLTF-besluit bekendmaakte[38]. Bij de keuze van het tijdstip van de communicatie werd rekening gehouden met de noodzaak om de oplossing (afwikkeling, overdracht van een onderneming in liquidatie, enz.) samen met het probleem (failleren van de bank) bekend te maken.

De gecoördineerde communicatie was bedoeld om het publiek uitvoerig te informeren over de situatie van de bank en over de maatregelen die de betrokken autoriteiten hadden genomen.

In het geval van Veneto Banca en Banca Popolare di Vicenza maakte ECB-Bankentoezicht op vrijdag 23 juni 2017 op haar officiële website bekend dat er een FOLTF-beoordeling was verricht.[39] Op diezelfde dag informeerde de SRB het publiek over haar besluit dat afwikkeling niet gerechtvaardigd was voor de twee banken en dat zij bijgevolg zouden worden geliquideerd volgens de normale Italiaanse insolventieprocedure.[40] Ook op diezelfde dag publiceerde het Italiaanse ministerie van Financiën een persbericht waarin werd aangekondigd dat er een vergadering was gepland in het weekend teneinde alle nodige maatregelen te kunnen treffen om de continuïteit van de activiteiten van de banken te waarborgen, en tegelijkertijd alle spaarders en senior obligatiehouders te beschermen.[41]

Verzoeken om toegang van het publiek

De ECB ontving verschillende verzoeken om toegang van het publiek met betrekking tot FOLTF-beoordelingen

De ECB ontving een aantal verzoeken om toegang van het publiek, die werden ingediend op grond van Besluit ECB/2004/3 inzake de toegang van het publiek tot ECB-documenten[42], met betrekking tot de openbaarmaking van haar FOLTF-beoordelingen. Ook de Europese Commissie en de SRB ontvingen verzoeken om toegang tot de FOLTF-beoordelingen van de ECB.

Bovendien werden er verzoeken om informatie ingediend door nationale parlementen en ministeries van Financiën. Verschillende Europarlementsleden dienden schriftelijke vragen in, zowel over de afwikkeling van Banco Popular Español als over de liquidatie van Veneto Banca en Banca Popolare di Vicenza.

De ECB heeft deze vragen en informatieverzoeken beantwoord volgens de vertrouwelijkheidsregels die van toepassing zijn op het gebied van bankentoezicht. De antwoorden op de schriftelijke vragen van de Europarlementsleden werden gepubliceerd op de website van ECB-Bankentoezicht.

Publicatie van niet-vertrouwelijke versie van FOLTF-beoordelingen

In augustus 2017 besloot de ECB om niet-vertrouwelijke versies van haar FOLTF-beoordelingen openbaar te maken op de website van ECB-Bankentoezicht

Een FOLTF-beoordeling is een beoordeling van een individuele bank die de ECB verricht als toezichthouder. Dergelijke beoordelingen worden aan de SRB gericht, zodat deze kan beoordelen of aan de voorwaarden voor afwikkeling is voldaan. Een FOLTF-beoordeling is een tussenstap in het afwikkelingsproces, en de Europese Commissie en andere betrokken autoriteiten worden hiervan op de hoogte gebracht in overeenstemming met de bepalingen van artikel 18, lid 1, van de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en artikel 81, lid 3, van de BRRD. De FOLTF-beoordelingen maken deel uit van de toezichtstaken van ECB-Bankentoezicht. Daarom zijn deze beoordelingen onderworpen aan de verplichtingen inzake beroepsgeheim en de vertrouwelijkheidsvoorschriften die van toepassing zijn op alle beslissingen die de ECB neemt als toezichthouder.

Niettemin besloot de ECB met het oog op de transparantie en de verantwoordingsplicht en gelet op het algemeen openbaar belang, om niet-vertrouwelijke versies van haar FOLTF-beoordelingen te publiceren op de website van ECB-Bankentoezicht. Om te voldoen aan de verplichtingen inzake het beroepsgeheim, werd geen vertrouwelijke informatie bekendgemaakt. De publicatie van niet-vertrouwelijke FOLTF-beoordelingen vormt een uitzondering op het algemene communicatiebeleid van de ECB, dat overeenkomstig de wet[43] niet voorziet in de publicatie van individuele toezichtsbesluiten, die beschermd zijn door de regels inzake het beroepsgeheim.

In de toekomst zal een verduidelijking van het wettelijk kader met betrekking tot de publicatie van FOLTF-beoordelingen geboden zijn. Terwijl de BRRD en de Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme momenteel niet voorzien in de publicatie van FOLTF-beoordelingen, voorzien ze wel in de publicatie van de maatregel of het instrument door middel waarvan de afwikkelingsmaatregel is genomen. In combinatie met het grote aantal verzoeken om vrijgave van informatie na dergelijke beoordelingen door de bevoegde autoriteit, brengt dit een onevenwicht teweeg in de communicatie.

Audit door de Europese Rekenkamer

De Europese Rekenkamer heeft in 2017 een audit uitgevoerd naar "De doelmatigheid van de crisisbeheersing voor banken door de ECB". De ECB werkte gedurende de gehele audit nauw samen met de Europese Rekenkamer en het eindverslag werd op 16 januari 2018 gepubliceerd.[44] Het verslag biedt constructieve aanbevelingen over een reeks onderwerpen met betrekking tot samenwerking, crisisidentificatie en -respons en herstelplanning om de efficiëntie van de crisisbeheersing van de SSM verder te verbeteren. Van de acht aanbevelingen die werden gedaan, werden er zes aanvaard door de ECB. Er zijn reeds werkzaamheden aan de gang om de aanbevelingen, die onder meer betrekking hebben op de samenwerking met de SRB, aanvullende richtsnoeren voor herstelplannen en richtsnoeren voor beoordelingen van vroegtijdige interventies, ten uitvoer te leggen. Van de twee aanbevelingen die de ECB verwierp, werd één niet aanvaard omdat de ECB al richtsnoeren had ontwikkeld om FOLTF-beoordelingen in de praktijk te brengen. De andere werd afgewezen omdat de ECB oordeelde dat zij tijdens de audit haar volle medewerking had verleend aan de Europese Rekenkamer, rekening houdend met haar taak om de doelmatigheid van de crisisbeheersing door de ECB te beoordelen.[45]


2.2 Uitwisselingen met de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad

De ECB en de SRB bleven nauw samenwerken op basis van de voorwaarden van het MoU

In 2017 bleven de ECB en de SRB nauw samenwerken op basis van de voorwaarden van het bilaterale memorandum van overeenstemming (MoU). Het MoU werd eind 2015 gesloten en voorziet in regels inzake samenwerking en informatie-uitwisseling. Het hele jaar door werd zowel op regelmatige basis als op ad-hocbasis informatie uitgewisseld.

Eind 2016 kreeg de SRB directe toegang tot relevante toezichtsinformatie en toezichtsdata die zijn opgeslagen in het IT-systeem voor toezichtsinformatie van de ECB; de reikwijdte van deze toegang werd overeengekomen in het MoU. Dit heeft de voortdurende informatie-uitwisseling gestroomlijnd en geautomatiseerd en heeft ervoor gezorgd dat de rapportagelast voor de banken beperkt kon blijven. Bovendien heeft de ECB het IT-toezichtssysteem zodanig aangepast dat de SRB het vanaf 2018 ook voor afwikkelingsdoeleinden kan gebruiken.

De samenwerking tussen ECB-Bankentoezicht en de SRB nam toe, in overeenstemming met het MoU, toen de toestand van een SI verslechterde. In het bijzonder (en niet uitsluitend) vond er nauwere samenwerking en meer informatie-uitwisseling plaats met betrekking tot de banken die in 2017 als FOLTF werden aangemerkt (namelijk Banco Popular Español, Veneto Banca en Banca Popolare di Vicenza).

In overeenstemming met de bepalingen van het MoU hebben ECB-Bankentoezicht en de SRB in 2017 een begin gemaakt met de herziening van het MoU. Doel is om bepaalde delen van het MoU te herzien om rekening te houden met de ervaring die is opgedaan in de eerste twee jaar van de uitvoering ervan en om de praktische problemen die zich hebben aangediend, aan te pakken. De herziening, die naar verwachting in het eerste deel van 2018 zal worden afgerond, zal de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen ECB-Bankentoezicht en de SRB verder versterken.

Naast de informatie-uitwisseling wordt ook de nauwe samenwerking tussen ECB-Bankentoezicht en de SRB ondersteund door andere regelingen. Een vertegenwoordiger van de ECB neemt deel aan de bestuursvergaderingen en plenaire zittingen van de SRB. Evenzo wordt de SRB-voorzitter uitgenodigd voor relevante vergaderingen die worden gehouden door de Raad van Toezicht van de ECB. De bedoeling hiervan is om een ​​uitwisseling op hoog niveau tussen de twee raden te bevorderen. De constructieve en intensievere samenwerking tussen ECB-Bankentoezicht en de SRB vindt plaats op technisch niveau, binnen hun respectieve commissiestructuren. Daarnaast is er tussen de Joint Supervisory Teams en de Interne Afwikkelingsteams een wisselwerking met betrekking tot individuele banken. Bovendien vinden er op het niveau van de medewerkers regelmatig uitwisselingen plaats tussen de horizontale functies van ECB-Bankentoezicht en de SRB. De twee instellingen plegen ook nauw overleg met betrekking tot beleidsgebieden die relevant zijn voor het toezicht en de afwikkeling.

Net zoals in de voorgaande twee jaar raadpleegde ECB-Bankentoezicht de SRB over de herstelplannen die zij ontving van alle SI's waarvoor zij de consoliderende toezichthouder was. De feedback van de SRB werd vervolgens in aanmerking genomen bij de beoordeling van de herstelplannen door ECB-Bankentoezicht.

ECB-Bankentoezicht werd geraadpleegd over ontwerpafwikkelingsplannen en MREL

Omgekeerd raadpleegde de SRB in 2017 ECB-Bankentoezicht over de ontwerpafwikkelingsplannen voor een groot aantal SI's. Voor een deel van de instellingen waarvoor een afwikkelingsplan was opgesteld, werd ECB-Bankentoezicht ook geraadpleegd over de minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) die door de SRB waren vastgesteld. ECB-Bankentoezicht beoordeelde zowel de ontwerpafwikkelingsplannen als de MREL-vereiste vanuit een toezichtsperspectief en gaf feedback aan de SRB. De SRB raadpleegde ECB-Bankentoezicht eveneens over de berekening van de ex-antebijdragen aan het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds. ECB-Bankentoezicht beoordeelde de potentiële impact op SI's vanuit een continuïteitsperspectief en gaf feedback aan de SRB.


2.3 Werkzaamheden met betrekking tot de herstelplannen

De BRRD eist dat de instellingen een herstelplan opstellen en bijhouden waarin wordt uiteengezet welke maatregelen zij kunnen nemen om hun financiële positie te herstellen in geval van een aanzienlijke verslechtering

De beoordeling van de herstelplannen van SI's is onder meer vastgelegd in de BRRD, in Gedelegeerde Verordening 2016/1075[46] en in EBA-richtsnoeren[47] en maakt deel uit van de algehele reeks toezichtsactiviteiten. Doel van deze taak is om de levensvatbaarheid van banken te herstellen tijdens periodes van toegenomen spanningen. In overeenstemming met de EBA-richtsnoeren inzake gemeenschappelijke procedures en methoden voor het SREP[48], worden de algehele resultaten van de beoordeling van de herstelplannen gebruikt als input voor de SREP-beoordelingen.

De beoordelingsronde voor herstelplannen van 2016: beoordeling en benchmarking

De beoordelingsronde voor herstelplannen voor SI's die plaatsvond in 2016 - de tweede sinds de start van het SSM - begon in september 2016 en duurde tot eind augustus 2017. In totaal werden er 109 plannen ingediend door SI's. Voor de banken waarvoor de ECB de consoliderende toezichthouder is, werden de plannen ingediend in twee reeksen, in september en december 2016, waardoor de beoordeling kon worden uitgevoerd buiten de SREP-gerelateerde pieken in de werklast van de JST's en budgettaire beperkingen konden worden vermeden. De overgrote meerderheid van de herstelplannen werd in december 2016 voorgelegd aan ECB-Bankentoezicht. Het volledige proces voor het beoordelen van de herstelplannen en, indien nodig, het aansluitend bereiken van gezamenlijke besluiten over de beoordeling met andere bevoegde autoriteiten[49], kan tot zes maanden duren.

Tijdens de beoordelingsronde van 2016 konden de plannen voor het eerst volledig met elkaar worden vergeleken, aangezien alle plannen overeenkomstig de BRRD werden ingediend. Tijdens de vorige ronde werd een aanzienlijk deel van de herstelplannen ingediend overeenkomstig de van voor de BRRD bestaande nationale wetgeving. Dit was te wijten aan de late omzetting van de BRRD in sommige lidstaten. Via Gedelegeerde Verordening 2016/1075, die op 23 maart 2016 werd aangenomen, werden alle SI's bovendien geïnformeerd over de verwachte inhoud en de minimumcriteria die de bevoegde autoriteiten toepassen bij het beoordelen van herstelplannen.

Uit de benchmarking van de herstelplannen die in 2016 werden ingediend, kwam naar voor dat er aanzienlijke verbeteringen waren gerealiseerd wat de volledigheid en de kwaliteit betreft. Niettegenstaande deze verbeteringen werd voor ongeveer 20% van de beoordeelde plannen hetzij een specifiek actieplan opgesteld, wat inhield dat ECB-Bankentoezicht de betrokken banken verzocht hun herstelplan te verbeteren, hetzij besloten dat ze wezenlijke tekortkomingen vertoonden, overeenkomstig artikel 6, lid 5 van de BRRD. In het laatste geval moet de SI binnen twee maanden (verlengbaar tot drie) een herzien herstelplan indienen.

De benchmarking toonde ook aan dat een adequate herstelplanning (dat wil zeggen een goede voorbereiding op crisissituaties) de kans vergroot dat de mogelijkheden tot herstel tijdig en effectief kunnen worden toegepast.

Uit de beoordeling en benchmarking van de plannen zijn twee belangrijke conclusies naar voren gekomen. Ten eerste moeten herstelplannen praktisch uitvoerbaar zijn. Ten tweede lijken de SI's hun potentiële herstelcapaciteit te overschatten. Beide punten werden als prioritair aangemerkt voor de toekomstige beoordeling van herstelplannen door ECB-Bankentoezicht.

De beoordelingsronde voor herstelplannen van 2017: tijdschema en gestandaardiseerde sjablonen

Tijdens de beoordelingsronde van 2017 werden de herstelplannen van SI's opnieuw in twee reeksen ingediend, namelijk in september en december 2017. De beoordelingsronde zal naar verwachting duren tot de zomer van 2018. Bij de beoordelingsronde van 2017 dienden 107 SI's herstelplannen in.

Voor het tweede jaar op rij zullen de banken samen met hun herstelplan een gestandaardiseerd rapportagesjabloon indienen. Het gebruik van deze sjabloon heeft de indiening van de voor de herstelplannen benodigde gegevens en de beoordeling ervan vergemakkelijkt en heeft de kwaliteit van de ingediende gegevens aanzienlijk verbeterd.

Nabije toekomst: focus op bruikbaarheid van herstelplannen en link met crisisbeheer

Zoals uiteengezet in de resultaten van de benchmarking die de beoordelingsronde van 2016 heeft opgeleverd, is het hoofddoel dat bij de huidige beoordelingen en bij de wisselwerking met de SI’s wordt nagestreefd, de herstelplannen operationeler en bruikbaarder te maken.

Op basis van haar twee jaar ervaring kwam ECB-Bankentoezicht tot de conclusie dat niet alle plannen effectief ten uitvoer kunnen worden gelegd of in de praktijk worden omgezet in crisissituaties. Dit is te wijten aan hun omvang en complexiteit (sommige plannen zijn bijna 2000 pagina's lang) en aan het ontbreken van duidelijke processen en concrete maatregelen die aangeven hoe ze effectief ten uitvoer kunnen worden gelegd. Dit is een belangrijk nadeel, aangezien het doel van een herstelplan erin bestaat de leiding van de bank voldoende mogelijkheden te bieden die tijdig en effectief kunnen worden toegepast, met name in situaties van ernstige stress.

ECB-Bankentoezicht zal in de loop van 2018 de best practices verspreiden die door sommige SI's worden gebruikt, om de banken te helpen hun herstelplannen operationeler te maken.

Zodra de verbeterde plannen beschikbaar zijn, zal ECB-Bankentoezicht de resultaten van de herstelplanbeoordelingen systematisch kunnen gebruiken bij de identificatie en het beheer van crises, en zal ze deze resultaten kunnen integreren in de SREP-beoordeling.


2.4 Crisisbeheer voor minder belangrijke instellingen.

Het beheer van een crisissituatie waarbij een LSI betrokken is, vereist een hoog niveau van informatie-uitwisseling en coördinatie tussen de betrokken NCA, in haar hoedanigheid van rechtstreekse toezichthouder op de LSI, en de ECB, in haar toezichtsfunctie en in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor beslissingen over gemeenschappelijke procedures.

De NBA is verantwoordelijk voor toezichtsbesluiten, -maatregelen en -acties met betrekking tot een in een crisissituatie verkerende LSI. De nood aan nauwere samenwerking ontstaat wanneer de LSI het punt van niet-levensvatbaarheid nadert. Op dat moment moet de liquidatie of de afwikkeling van de LSI worden overwogen, wat kan inhouden dat gemeenschappelijke procedures worden gevolgd zoals het intrekken van de vergunning, het beoordelen van verwervingen of vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen, en het verlenen van nieuwe vergunningen (bijvoorbeeld voor een overbruggingsinstelling).

Tegen deze achtergrond volgt de ECB de situatie van in een crisissituatie verkerende LSI's, ondersteunt zij de crisisbeheersingsactiviteiten van de NCA's en bereidt zij ontwerpbesluiten voor met betrekking tot gemeenschappelijke procedures op basis van voorstellen van de NCA's. Deze besluiten worden goedgekeurd door de Raad van Toezicht en aangenomen door de Raad van Bestuur.

Crisisbeheersingskader voor LSI’s

In 2017 werd het samenwerkings-kader voor crisisbeheersing voor LSI’s operationeel. Daarnaast werden er twee nieuwe gemeen-schappelijke toezichtsnormen ontwikkeld om te zorgen voor consistentie in de procedures van de NCA's voor het omgaan met in een crisissituatie verkerende LSI's.

In 2017 werd verschillende keren gebruikgemaakt van het samenwerkingskader voor crisisbeheersing voor de ECB en de NCA's, dat in datzelfde jaar operationeel werd. Het samenwerkingskader voor crisisbeheersing voor LSI’s is bedoeld om de NCA's en de ECB te ondersteunen bij hun taken op het gebied van crisisbeheersing. Bovendien bestrijkt het de samenwerking en informatie-uitwisseling zowel tussen de ECB en de NCA's als met alle andere betrokken partijen (bijvoorbeeld de verantwoordelijke afwikkelingsautoriteiten). In 2017 werd de samenwerking tussen de NCA's en de ECB in verschillende gevallen van in een crisissituatie verkerende LSI’s gekenmerkt door een regelmatige, vruchtbare informatie-uitwisseling, waardoor er in een relatief korte tijdsspanne beslissingen konden worden genomen.

Daarnaast ontwikkelden de ECB en de NCA's in 2017 een gezamenlijke toezichtsnorm voor de toezichtspraktijken van de NCA's voor LSI-crisisbeheersing en samenwerking met de afwikkelingsautoriteiten, die zal worden afgerond in 2018. Deze gemeenschappelijke toezichtsnorm zal ervoor zorgen dat er op nationaal niveau consistente LSI-crisisbeheersingspraktijken worden toegepast en zal derhalve gemeenschappelijke toezichtsresultaten binnen het SSM bevorderen. De gemeenschappelijke toezichtsnorm zal ook de samenwerking en de informatie-uitwisseling bestrijken tussen de NCA's en de SRM-autoriteiten (de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten), indien dit relevant is voor de uitvoering van hun respectieve taken.

Parallel hiermee hebben de ECB en de NCA's in 2017 een gemeenschappelijke toezichtsnorm ontwikkeld voor de toezichtsprocedures van de NCA's voor LSI's die niet aan de minimale kapitaalvereisten voldoen, die ook in 2018 zal worden afgerond. Deze gemeenschappelijke toezichtsnorm bevordert een gemeenschappelijk begrip van de administratieve procedures die worden gebruikt om de verslechtering van de financiële situatie van de LSI's tegen te gaan, met name met betrekking tot het tijdschema voor het aanvragen van herstelmaatregelen en de voorwaarden voor het intrekken van een vergunning.


3 Het SSM als onderdeel van de Europese en mondiale toezichtsarchitectuur

3.1 Europese en internationale samenwerking

De banken in het eurogebied hebben vestigingen en dochterondernemingen in 94 landen buiten de EU (stand per 31 december 2016)

Aangezien de banken in het eurogebied vestigingen hebben in meer dan 90 niet-Europese rechtsgebieden (zie Figuur 4 hieronder) werkt het SSM intensief samen met andere toezichthoudende autoriteiten binnen en buiten de EU. De ECB hecht daarom zeer aan het bevorderen van samenwerking, hetzij door middel van een bijdrage aan colleges van toezicht hetzij door de ontwikkeling van samenwerkingsinstrumenten zoals memoranda van overeenstemming (MoU’s). Na onderhandeling zijn MoU’s gesloten met tegenpartijen als toezichthouders van EU-lidstaten buiten het eurogebied, toezichthoudende autoriteiten uit derde landen en nationale marktautoriteiten.

Figuur 4
Vestigingen en dochterondernemingen buiten de EU van banken in het eurogebied

Bronnen: Financiële verslaglegging en Register of Institutions and Affiliates Database.

ECB-Bankentoezicht werkt doorgaans samen met andere prudentiële toezichthouders via MoU’s, deelname aan colleges van toezicht of maatwerkovereenkomsten.

Figuur 5
Overzicht van de internationale en Europese samenwerkingsactiviteiten van de ECB

MoU’s voor samenwerking met andere toezichthoudende autoriteiten

Samenwerking met de autoriteiten uit derde landen

De bestaande MoU’s tussen de NCA’s in het eurogebied en de toezichthoudende autoriteiten uit derde landen worden op den duur vervangen door MoU’s tussen de ECB en de toezichthoudende autoriteiten uit derde landen

De ECB streeft naar een productieve samenwerking met de toezichthoudende autoriteiten uit derde landen en wil het lopend grensoverschrijdend toezicht vergemakkelijken. ECB-Bankentoezicht is waar mogelijk toegetreden tot bestaande vóór de totstandkoming van het SSM gesloten MoU’s tussen de NCA’s in het eurogebied en de toezichthoudende autoriteiten uit derde landen. In bepaalde gevallen zijn maatwerkoplossingen nodig geweest. Op den duur zal de ECB zelf MoU’s met de toezichthouders uit derde landen afsluiten om niet langer afhankelijk te zijn van bestaande MoU’s tussen de NCA’s in het eurogebied en de toezichthoudende autoriteiten uit derde landen.

Samenwerking binnen de Europese Economische Ruimte

De ECB werkt geregeld samen met de NCA’s van EU-landen buiten het eurogebied, in lijn met de bepalingen van CRD IV inzake samenwerking en gegevensuitwisseling tussen bevoegde autoriteiten in de EU. Overeenkomstig artikel 3, lid 6 van de SSM-Verordening bereidt de ECB thans een MoU met deze NCA’s voor om de afspraken nader uit te werken en de samenwerking te bevorderen. Daarnaast is de in 2016 door de ECB met de EU/EER gesloten MoU betreffende prudentieel toezicht op belangrijke vestigingen in de noordse landen[50] door vijf aanvullende autoriteiten ondertekend.

ECB-Bankentoezicht heeft ook twee MoU’s met nationale marktautoriteiten afgesloten. Deze MoU’s zijn gebaseerd op een sjabloon dat de ECB in samenwerking met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten (ESMA) heeft samengesteld.

Tot nu toe zijn de geheimhoudingsregelingen van 35 toezichthoudende autoriteiten uit derde landen als gelijkwaardig beoordeeld binnen het EBA-netwerk voor gelijkwaardigheid

Om consistentie op EU-niveau te waarborgen, werkt ECB-Bankentoezicht nauw samen met het EBA-netwerk voor gelijkwaardigheid, dat de geheimhoudingsregelingen van toezichthoudende autoriteiten van derde landen toetst op gelijkwaardigheid. MoU’s voor samenwerking bij toezicht mogen alleen worden afgesloten indien aan het vereiste van gelijkwaardige voorschriften inzake beroepsgeheim wordt voldoen.

Colleges van toezichthouders

Effectieve colleges van toezichthouders zijn een hoeksteen van geconsolideerd toezicht op grensoverschrijdende internationale instellingen

Colleges van toezichthouders zijn permanente maar flexibele coördinatiestructuren waaraan bevoegde autoriteiten deelnemen die betrokken zijn bij het toezicht op grensoverschrijdende bankengroepen. De colleges spelen een belangrijke rol voor banken in het eurogebied die ook in niet-eurolanden gevestigd zijn.

Op grond van Europese regelgeving zijn colleges van toezichthouders volledig bevoegd als ter zake dienende fora waarbinnen de autoriteiten die in de lidstaat van herkomst (home-toezichthouders) en in de lidstaat van ontvangst (host-toezichthouders) toezicht op grensoverschrijdende instellingen houden relevante gegevens uitwisselen en overeenstemming bereiken over de risicobeoordeling en de kapitaal- en liquiditeitseisen van banken in de EU. Daar waar JST’s toezicht houden op banken in het eurogebied, dragen colleges van toezichthouders bij aan geconsolideerd toezicht in landen buiten het eurogebied.

In 2017 fungeerde ECB-Bankentoezicht als consoliderende toezichthouder in 30 EU-colleges, die derhalve door het respectieve JST werden voorgezeten. Elk van deze colleges bestaat uit de NCA’s uit de betrokken EU-lidstaten, de EBA en de ECB. Autoriteiten uit derde landen waarin de instelling materiële dochterondernemingen en vestigingen heeft, kunnen als waarnemer in de colleges zitting nemen.

Zeven grensoverschrijdende instellingen die gevestigd zijn in EU-lidstaten buiten het eurogebied werken via een belangrijke instelling in het eurogebied. Op grond van Europese wetgeving is ECB-Bankentoezicht actief lid van de desbetreffende colleges, die elk door de betrokken NCA wordt voorgezeten. Het voor de dochteronderneming of vestiging in het eurogebied verantwoordelijke JST vertegenwoordigt de ECB in deze colleges en vervult haar taken.

Daarnaast ontplooien vier belangrijke instellingen uitsluitend buiten de EU materiële grensoverschrijdende activiteiten. Voor deze instellingen fungeert ECB-Bankentoezicht als consoliderende toezichthouder en als bestuurder van colleges voor de uitwisseling van informatie.

Voor vijf internationale instellingen waarvan het hoofdkantoor gevestigd is in derde landen met belangrijke dochterondernemingen in het eurogebied fungeren de betrokken JST’s tot slot als actieve host-toezichthouders in de door de consoliderende toezichthouder uit het derde land georganiseerde colleges.

Stand van zaken op het gebied van samenwerking

EU-lidstaten die niet de euro als munt hebben, kunnen onder strikte samenwerkingsvoorwaarden toch deelnemen aan het SSM. De belangrijkste voorwaarden voor deze samenwerking zijn vastgelegd in artikel 7 van de SSM-Verordening, terwijl de procedurele aspecten worden geregeld in Besluit ECB/2014/5. De ECB ontving in 2017 geen formele aanvragen voor samenwerking.

Review Panel van de EBA

ECB-Bankentoezicht bleef actief deelnemen aan het Review Panel van de EBA, dat collegiale toetsing uitvoert om de consistentie in toezichtresultaten te bevorderen.

In 2017 onderzocht het Panel de EBA-Richtsnoeren inzake de criteria voor de vaststelling van de voorwaarden voor toepassing van artikel 131, lid 3, van CRD IV met betrekking tot het beoordelen van andere systeemrelevante instellingen (O-SII’s). Het doel van de collegiale toetsing was een beoordeling van (i) de effectieve toepassing van de bepalingen van de Richtsnoeren en (ii) de door de betrokken autoriteiten in te voeren processen om te komen tot een passende evaluatie van de voorwaarden om te bepalen of een instelling als O-SII moet worden aangemerkt.

Aangezien de NCA’s verantwoordelijk zijn voor de identificatie van O-SII’s, was de rol van de ECB hierbij de taken van het SSM met betrekking tot aangemerkte O-SII’s inzichtelijk te maken. Op grond van CRD IV is de taak om aanvullende kapitaalbuffervereisten aan O-SII’s op te leggen aan de NCA’s toebedeeld. De ECB kan deze buffers vervolgens overeenkomstig haar macroprudentiële mandaat en verantwoordelijkheden “opwaarderen” door op grond van artikel 5 van de SSM-Verordening de eisen te verhogen. In juni 2016 introduceerde de ECB een ondergrens voor de O-SII-buffervereisten om te bewerkstelligen dat relevante macroprudentiële of systeemrisico’s in het gehele eurogebied consistent aan de orde worden gesteld. Na een beoordeling van de kennisgevingen van de NCA’s met betrekking tot hun voorgenomen kapitaalbuffers voor O-SII’s zag de ECB in 2017 geen reden om gebruik te maken van haar opwaardeerbevoegheid. Aan deze beoordeling lag ook ten grondslag dat alle O-SII-kapitaalbuffervereisten die de nationale autoriteiten aan door hen als O-SII aangemerkte banken oplegden, op minimaal de ondergrens van de ECB waren vastgesteld.

Financial Sector Assessment Programs van het IMF

De Financial Sector Assessment Programs (FSAP’s) van het IMF zijn veelomvattende en diepgaande beoordelingen van de financiële sector in een land. Ze bestaan uit (i) het vaststellen van de voornaamste kwetsbaarheden en het beoordelen van de veerkracht van de financiële sector, (ii) het beoordelen van het beleidskader voor financiële stabiliteit van een land, waaronder het toezichtskader en de toezichtspraktijk en (iii) het beoordelen van financiële vangnetten en de mate waarin het financiële stelsel in staat is om een financiële crisis te beheersen en op te lossen.

In 2017 initieerde het IMF een FSAP voor het eurogebied

In januari 2017 verzocht de voorzitter van het Economisch en Financieel Comité van de EU het IMF een FSAP voor de EU/het eurogebied uit te voeren tegen de achtergrond van de nieuwe architectuur voor bankentoezicht en afwikkeling in het eurogebied. Dit FSAP, dat in juni 2017 van start ging, richt zich daarom onder andere op bankentoezicht en crisisbeheersing door belangrijke instellingen. Daartoe maakt het IMF (i) een gedetailleerde beoordeling van de relevante[51] Bazelse kernbeginselen[52] (Basel Core Principles – BCP’s) voor een effectief bankentoezicht, waaruit een waardering volgt, en (ii) een analyse van de naleving van bepaalde elementen van de door de Raad voor Financiële Stabiliteit (Financial Stability Board – FSB) ontwikkelde Key Attributes of Effective Resolution Regimes for Financial Institutions. Het IMF maakt daarnaast (i) een analyse van het raamwerk voor het toezicht op LSI’s, waaruit geen waardering volgt, en (ii) een inschatting van de solvabiliteit van de bankensector in het kader van risicobeoordeling. Voorafgaand aan de eerste IMF-missie als onderdeel van de FSAP heeft de ECB een zelfbeoordeling van haar bedrijfscontinuïteitsplan uitgevoerd, die door de Raad van Toezicht van de ECB is geëvalueerd en door de Raad van Bestuur van de ECB is geaccordeerd. Naar aanleiding van een verzoek van het IMF om de invloed van nationale rechtskaders op de effectiviteit van het Europees bankentoezicht te evalueren, hebben de NCA’s bovendien input geleverd over relevante nationale wettelijke bepalingen. De eerste missie vond plaats in oktober/november 2017, in welke periode meer dan 60 vergaderingen werden gehouden met alle vijf organisatieonderdelen van de ECB die zich met bankentoezicht bezighouden en de relevante gemeenschappelijke diensten.

De exercitie wordt waarschijnlijk in 2018 afgerond en de conclusies ervan zullen worden meegenomen in de IMF Artikel IV-raadpleging met het eurogebied in 2018, die naar verwachting in juli 2018 wordt afgerond.

In FSAP’s van het IMF voor individuele eurolanden nemen de nationale autoriteiten het voortouw. De ECB speelt echter conform haar mandaat eveneens een belangrijke rol, waarbij haar hoofddoelstellingen zijn (i) de vergelijkbaarheid en consistentie tussen landen van het bankensectoronderdeel van de FSAP’s voor eurolanden te waarborgen, (ii) zoveel mogelijk synergieën met stresstests voor banken in de hele EU of het gehele eurogebied te benutten, en (iii) ervoor te zorgen dat de voornaamste kenmerken van het raamwerk voor micro- en macroprudentieel Europees bankentoezicht nauwgezet tot uitdrukking komen. In 2017 werden de FSAP’s voor Luxemburg en Spanje afgerond en initieerde het IMF een FSAP voor België. De FSAP’s voor Frankrijk, Italië en Malta gaan naar verwachting in de tweede helft van 2018 van start. Verwacht wordt dat de uitkomsten van de FSAP voor het eurogebied tegen die tijd openbaar zijn en aldus in de nationale exercities kunnen worden meegenomen, met name ten aanzien van de naleving van de BCP’s voor een effectief bankentoezicht.

Meer in zijn algemeenheid is de verwachting dat de conclusies en aanbevelingen uit de FSAP voor het eurogebied ten volle zullen worden benut in aankomende FSAP’s voor individuele eurolanden, zeker waar het gaat om het toezicht op en de crisisbeheersing door belangrijke instellingen. Deze aanpak, waarin de bevoegdheden op het niveau van de lidstaten, het eurogebied en de EU volledig tot uitdrukking komen, is in overeenstemming met het huidige beleidsvormingskader in Europa. Tegelijkertijd helpt deze benadering te waarborgen dat toezicht en advisering door het IMF voor alle betrokken autoriteiten effectief en relevant blijven.

Kader 2
Voorbereidingen op de brexit

De brexit kwam in de loop van 2017 hoog op de agenda van ECB-Bankentoezicht te staan. Ter bevordering van een consistente aanpak van de brexit heeft ECB-Bankentoezicht een SSM-breed project opgezet om ervoor te zorgen dat banken en toezichthouders goed zijn voorbereid.

In de praktijk omvatten de werkzaamheden van het SSM met betrekking tot de brexit zowel beleidsmatige taken als contacten met getroffen instellingen en andere belanghebbenden. Voor de aanpak en verduidelijking van toezichtskwesties die uit de brexit voortvloeien, is het belangrijk om beleidsstandpunten en verwachtingen van de toezichthouder te formuleren. De beleidsstandpunten van de ECB bieden zekerheid dat relevante vraagstukken in het gehele SSM op consistente wijze worden behandeld. Deze worden door toezichthouders in het SSM gebruikt als handvat voor een eenduidige sturing aan kredietinstellingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de noodzaak van toereikend risicomanagement, een betrouwbare infrastructuur en een personeelsbezetting die is afgestemd op de bedrijfsactiviteiten van de instelling. Voorbeelden van kwesties die aan de orde zijn gesteld, zijn de beoordeling van zogeheten “back-to-back booking models”, de behandeling van interne modellen die vanuit het Verenigd Koninkrijk naar het SSM zijn overgegaan, alsook interne governance en risicomanagement.

De ECB heeft workshops met banken georganiseerd om hen te informeren over de toezichtsverwachtingen van de ECB en de NCA’s. Daarnaast geeft de ECB advies in de vorm van op haar bankentoezichtwebsite gepubliceerde antwoorden op veelgestelde vragen, met name aan banken die hun activiteiten uit het Verenigd Koninkrijk naar het eurogebied willen brengen. In de vragen en antwoorden komen niet alleen onderwerpen als autorisaties en bankvergunningen maar ook bovengenoemde kwesties aan bod. De ECB droeg haar kernboodschappen ook uit in de zomer-, najaars- en wintereditie van de SSM Supervision Newsletter.

Om ervoor te zorgen dat belangrijke instellingen die thans in het Verenigd Koninkrijk actief zijn zich goed op de brexit voorbereiden, is de ECB een gestructureerde dialoog met deze banken aangegaan. JST’s bespreken de door de banken opgestelde brexit-gerelateerde scenario’s die in hun noodplannen zijn opgenomen. Tegelijkertijd werd nagedacht over hoe om te gaan met banken die voornemens zijn uit het Verenigd Koninkrijk naar het eurogebied te verhuizen, vooruitlopend op het verlies van hun Europees paspoort. De inzet daarbij is om te komen tot een prudente benadering ten aanzien van het verlenen van vergunningen aan nieuwe kredietinstellingen en de overdracht van activiteiten naar bestaande kredietinstellingen. De ECB en de NCA’s staan bovendien in nauw contact met andere autoriteiten die toezicht houden op entiteiten van bankconcerns in het eurogebied, waaronder toezichthouders in het Verenigd Koninkrijk en derde landen. Het doel van deze contacten is om ervoor te zorgen dat alle betrokken autoriteiten met een onderling afgestemde reactie op ontwikkelingen in de bankensector in het eurogebied kunnen komen.

De brexit blijft hoog op de toezichtsagenda voor 2018 staan

De brexit blijft een van de belangrijkste toezichtsprioriteiten. Met de inwerkingtreding van de brexit-gerelateerde plannen van banken verschuift de focus van hun activiteiten van voorbereidende werkzaamheden naar de beoordeling van feitelijke gevallen en de praktische invulling van de eerder bedoelde beleidsstandpunten. Ondanks het politiek akkoord omtrent overleg over een mogelijke overgangsperiode blijft de uitkomst van dit overleg vooralsnog onduidelijk. De ECB adviseert banken zich in een vroeg stadium proactief op de brexit voor te bereiden om ervoor te zorgen dat zij tijdig over alle voor het verrichten van werkzaamheden in de EU benodigde autorisaties beschikken. Afhankelijk van hoe het politieke debat over een overgangsperiode zich ontwikkelt, kunnen banken echter met toezichthouders kijken naar een mogelijke verlenging van de termijn voor uitvoering van bepaalde punten van hun verhuisplannen.

In samenwerking met de NCA’s blijft de ECB de plannen van instellingen voor de verhuizing van activiteiten naar het eurogebied samen met aanvragen voor bankvergunningen beoordelen. De toezichthouders kijken specifiek naar de mate waarin de banken voldoen aan de beleidsstandpunten en toezichtsverwachtingen van het SSM, met name om de vestiging van lege hulzen in het eurogebied te voorkomen, dat wil zeggen instellingen met hooguit minimale functies in het eurogebied die hun activiteiten in de EU op grote schaal aan entiteiten in derde landen uitbesteden. De ECB zal waar nodig aanvullende beleidsstandpunten formuleren en de sector en belanghebbenden van de toezichtsverwachtingen op de hoogte houden. Voor instellingen die vanwege de uitbreiding van hun activiteiten in het eurogebied naar alle waarschijnlijkheid op korte of middellange termijn als belangrijk zullen worden aangemerkt, treft de ECB voorbereidingen om de overgang van het directe toezicht daarop naar de ECB in goede banen te leiden. De ECB blijft in gesprek met zowel home-toezichthouders als host-toezichthouders om toe te zien op de gereedheid van zowel de banken in het eurogebied als inkomende banken. Daarnaast zal de ECB aanvullende workshops over de verhuisplannen van banken organiseren en de brexit-gerelateerde vragen en antwoorden op gezette tijden actualiseren.


3.2 Bijdragen aan de ontwikkeling van het Europese en internationale regelgevend kader

Bijdrage aan het Bazelse proces

2017 werd gekenmerkt door de afronding van Bazel III, de hoeksteen van het raamwerk voor bankentoezicht van na de crisis. De ECB, die actief bij de werkzaamheden van het Bazels Comité voor Bankentoezicht (Basel Committee on Banking Supervision – BCBS) is betrokken, droeg bij aan dit normeringsproces via deelname aan beleidsdiscussies, inbreng van deskundigheid in verschillende groepen van het BCBS, samenwerking met leden van het BCBS in de gehele EU en wereldwijd, en bijdragen aan relevante effectrapportages.

Afronding van Bazel III

Met de overeengekomen hervormingen wordt een belangrijke stap gezet naar het herstel van het vertrouwen in de risicogewogen kapitaalratio’s van banken

De ECB verwelkomt de afronding van Bazel III, waarmee het regelgevend kader wordt versterkt en een belangrijke stap wordt gezet naar het herstel van het vertrouwen in de risicogewogen kapitaalratio’s van banken. De ECB nam actief deel aan de beleidsdiscussies. De afronding van Bazel III is een duidelijk signaal dat de internationale samenwerking op het gebied van bankenregelgeving wordt voortgezet. De overeengekomen hervormingen dragen bij aan zekerheid ten aanzien van de regelgeving en stellen banken in staat weloverwogen besluiten te nemen. De voorgestelde periode voor gefaseerde invoering, die start in 2022 en loopt tot 2027, moet ervoor zorgen dat de gevolgen voor banken behapbaar blijven, zelfs voor de banken die het hardst door de hervormingen worden getroffen.

Nadruk op implementatie en evaluatie van het beleid

Nu de nadruk naar het doorvoeren van de overeengekomen hervormingen verschuift, staat de ECB wetgevers en het BCBS bij om te verzekeren dat de hervormingen hun doel treffen

De ECB acht het van cruciaal belang dat de overeengekomen hervormingen op consistente wijze in nationale wetgeving worden omgezet. Zij heeft daartoe technische ondersteuning aan wetgevers gegeven, met name via haar advies inzake de voorstellen van de Europese Commissie voor aanpassingen aan het CRD IV/CRR-raamwerk (zie Kader 3). De ECB verwacht ten aanzien van deze hervormingen soortgelijke ondersteuning te zullen geven.

In de komende jaren blijft het BCBS werken aan het signaleren van knelpunten waartegen toezichthouders bij de invoering van Bazel III in de praktijk aanlopen en, meer in het algemeen gesproken, aan het bevorderen van solide bankentoezicht. Het BCBS wil daarnaast de sinds de crisis doorgevoerde hervormingen evalueren. De ECB blijft actief bijdragen aan de agenda van het BCBS.

Bijdrage aan de werkzaamheden van de EBA

ECB-Bankentoezicht werkte heel 2017 nauw met de EBA samen aan de gezamenlijke doelstellingen van het vergroten van financiële stabiliteit en het bevorderen van consistent toezicht in de gehele Europese bankensector.

ECB-Bankentoezicht draagt op alle niveaus actief bij aan het werk van de EBA. In 2017 was ECB-Bankentoezicht via zijn medewerkers in totaal 45 substructuren van de EBA vertegenwoordigd, in vier waarvan als (mede)voorzitter. ECB-Bankentoezicht nam daarnaast als niet-stemgerechtigd lid deel aan de raad van toezichthouders van de EBA.

Onderstaande twee voorbeelden zijn kenmerkend voor de aanzienlijke vooruitgang die de EBA-werkgroepen hebben geboekt en voor de wijze waarop de EBA en de ECB elkaar aanvullen in het realiseren van hun gezamenlijke doelstellingen.

Ten eerste publiceerde de EBA in 2017 in samenwerking met de ESMA haar Guidelines on the assessment of suitability of members of the management body and key function holders om (i) te bewerkstelligen dat banken er goede governancestructuren op na houden en (ii) gemeenschappelijke regels vast te stellen voor de reikwijdte van de door toezichthouders uitgevoerde geschiktheidsbeoordelingen. De ECB publiceerde haar in nauwe afstemming met de EBA tot stand gekomen gids voor geschiktheidsbeoordelingen, waarin de toezichtscriteria en de procedure voor beoordeling van de geschiktheid van bestuurders van banken wordt toegelicht.

Ten tweede nam ECB-Bankentoezicht de uitgangspunten zoals verwoord in de in 2017 gepubliceerde EBA Guidelines on credit risk management practices and accounting for expected credit losses volledig over in haar interne beoordelingsmethodiek voor de mate waarin banken gereed zijn voor de invoering van IFRS 9.

De ECB deed in de loop van 2017 meldingen aan de EBA op grond van de pas toe of leg uit-procedure[53] ten aanzien van acht[54] EBA-richtsnoeren, waaronder een joint committee-richtsnoer en een EBA-aanbeveling.[55] In alle gevallen gaf de ECB de EBA te kennen dat zij aan de richtsnoeren of aanbeveling voldeed of voornemens was die op te volgen.

Kader 3
Herziening van Europese bankwetgeving (CRR/CRD IV, BRRD en SRMR)

Het voorstel

In november 2016 publiceerde de Europese Commissie een uitgebreid pakket wijzigingen in de Europese wetgeving ten aanzien van kapitaalvereisten (CRR en CRD IV) en crisisbeheersing (BRRD en SRMR). De Raad van de Europese Unie nam het voorstel van de Europese Commissie in het eerste kwartaal van 2017 in behandeling. De Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement publiceerde daarover in november 2017 een aantal ontwerpverslagen. De wijzigingen worden naar verwachting tussen eind 2018 en het eerste kwartaal van 2019 definitief vastgesteld.

De ECB verleende deskundig advies aan medewetgevers met betrekking tot de wijzigingen. Op het niveau van de EU-Raad presenteerden deskundigen van de ECB de standpunten van de ECB ten aanzien van het voorgestelde pakket regelmatig aan de Groep financiële diensten. Daarnaast bracht de ECB op verzoek van het Europees Parlement en de EU-Raad drie Adviezen uit waarin zij haar beleidsstandpunten met betrekking tot het pakket beschrijft.[56]

Tabel A
Overzicht van de prudentiële aandachtsgebieden die in het voorstel van de Europese Commissie aan de orde worden gesteld

* Dit dossier werd versneld behandeld en in december 2017 afgerond. De nieuwe bepalingen werden in januari 2018 van kracht.

Beleidsstandpunten van de ECB ten aanzien van het pakket voorgestelde hervormingen

In haar Adviezen steunde de ECB het pakket wijzigingen van de Commissie, dat erop is gericht het regelgevend kader aanzienlijk te versterken en de bankensector weerbaarder te maken. De ECB had echter ook specifieke aandachtspunten en suggesties.

Aangaande het toezichtskader sprak de ECB globaal genomen haar steun uit voor het voorstel om toezichthouders toe te staan dochterinstellingen die in een andere lidstaat dan hun moederentiteit zijn gevestigd onder bepaalde omstandigheden te ontheffen van individuele kapitaalvereisten, zonder het bewaken van de financiële stabiliteit naarmate de bankenunie haar voltooiing nadert uit het oog te verliezen. De ECB stelde bovendien dat voor passende overgangsregelingen dient te worden gezorgd. De ECB staat ook positief tegenover het voornemen om van bankengroepen in derde landen met een of meer instellingen in de EU te verlangen dat zij een intermediaire moedermaatschappij in de EU vestigen, teneinde het toezicht slagvaardiger en samenhangender te kunnen maken. Om arbitrage te voorkomen, stelde de ECB echter voor het vereiste ook op belangrijke vestigingen van toepassing te verklaren.

De herziening van Pijler 2 was een specifiek aandachtspunt voor de ECB. Hoewel het voorstel van de Commissie naar verdergaande harmonisatie streeft, had het een beperking van toezichtsacties op essentiële gebieden tot gevolg. De ECB benadrukte dat toezichthouders bij iedere instelling voldoende flexibel moeten zijn om de risico’s te meten, het aan te houden aanvullend vermogen te bepalen en wijzigingen in de samenstelling goed of af te keuren. Toezichthouders moeten bovendien waar nodig flexibel ad hoc gedetailleerde gegevens kunnen opvragen om het risicoprofiel van een instelling goed in te schatten. Deze visie werd gedeeld door de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement in haar ontwerpverslag over wijziging van CRD IV. De ECB drong ook aan op een verdere harmonisatie van het prudentieel kader in de EU door bepaalde toezichtsbevoegdheden (bijvoorbeeld in autorisatieprocedures, met name geschiktheidsbeoordelingen) in EU-wetgeving op te nemen en onhoudbare keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte te schrappen. Een dergelijke harmonisatie zorgt voor een verminderde toepassing van uiteenlopende nationale bepalingen, die effectief toezicht belemmeren. Tot slot riep de ECB op tot heroverweging van het toezicht op grote grensoverschrijdende beleggingsondernemingen die quasi bancaire activiteiten verrichten, waarbij zij in overweging gaf dergelijke ondernemingen als kredietinstellingen te behandelen. De Commissie presenteerde in december 2017 een voorstel daartoe.[57]

Ten aanzien van de invoering van Bazel-normen als de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio en de fundamentele herziening van het handelsboek benadrukte de ECB dat een zorgvuldige omzetting daarvan in EU-wetgeving noodzakelijk is met het oog op de vergelijkbaarheid en om ervoor te zorgen dat voor alle instellingen dezelfde maatstaven worden gehanteerd. De ECB adviseerde ook herzieningsclausules op te nemen voor alle normen die bij publicatie van het Advies nog in het BCBS ter discussie stonden (NSFR, LR, FRTB)

Met betrekking tot het crisisbeheerkader ondersteunde de ECB de voorgestelde introductie van een geharmoniseerde categorie voor niet-preferente schuldinstrumenten van hogere rangorde om naleving van de komende TLAC- en MREL-vereisten te bewerkstelligen. De ECB bepleitte echter de noodzaak van aanvullende hervormingen, met name de introductie van een algemene depositopreferentie ter verdere harmonisatie van de hiërarchie van crediteurenvorderingen in bankinsolventieprocedures.

De ECB stond positief tegenover de invoering van de TLAC-norm via de MREL. Ten aanzien van de kalibratie van de MREL was de ECB echter van mening dat de afwikkelingsautoriteit het MREL-herkapitalisatiebedrag naar boven moet kunnen aanpassen om te voorzien in een veiligheidsmarge. Dit zorgt ervoor dat de uit afwikkeling voortkomende entiteiten over voldoende middelen beschikken om additionele onverwachte verliezen en onvoorziene kosten te kunnen dekken in de periode na de afwikkeling. Het verdient aanbeveling de voorgestelde MREL-richtsnoeren dan te schrappen, aangezien zij het kader complexer maken en geen duidelijke voordelen opleveren. De ECB ondersteunde het voorstel om de toepassing van beperkingen op maximaal uitkeerbare bedragen uit te stellen in gevallen waarin instellingen hun gecombineerde buffervereiste schenden omdat ze niet in staat zijn passiva die niet langer aan de MREL-geschiktheids- of looptijdcriteria voldoen, te vervangen. De ECB beval echter aan het uitstel twaalf maanden te laten duren in plaats van de door de Commissie voorgestelde zes maanden.

De ECB beval ook aan haar vroegtijdige-interventiebevoegdheden rechtstreeks in de SRMR vast te leggen om ervoor te zorgen dat deze consequent worden toegepast. Tot slot adviseerde de ECB die vroegtijdige interventiemaatregelen die al uit hoofde van CRD IV en de SSM-Verordening beschikbaar zijn, uit de BRRD te verwijderen.

Bijdrage aan de werkzaamheden van de FSB

In 2017 droeg ECB-Bankentoezicht actief bij aan de werkzaamheden van de Raad voor Financiële Stabiliteit (Financial Stability Board – FSB), met name op het gebied van samenwerking bij toezicht en regelgeving, de invoering van normen en afwikkeling. ECB-Bankentoezicht nam daarnaast deel aan de vergaderingen van de regionale overleggroep voor Europa van de FSB.

De aandacht van de FSB is recent verschoven van beleidsvormgeving naar het bewaken van de invoering van financiëlemarkthervormingen en het evalueren van de gevolgen daarvan. ECB-Bankentoezicht blijft bijdragen aan de werkzaamheden van de FSB in het laatstgenoemde opzicht en legt de nadruk op de positieve effecten van financiële stabiliteit en goed functionerende bankensectoren op economische groei. ECB-Bankentoezicht draagt ook bij aan werkstromen ten aanzien van andere belangrijke onderwerpen, waaronder afwikkeling en crisisbeheer, governancekaders, beloningen en fintech.


4 Autorisatie-, handhavings- en sanctieprocedures

4.1 Ontwikkelingen met betrekking tot het aantal belangrijke instellingen en gemeenschappelijke procedures

Aantal belangrijke instellingen

De jaarlijkse beoordeling of een bank of bankgroep voldoet aan de criteria voor belangrijke instellingen[58] op basis van de SSM-Kaderverordening is gehouden in oktober 2017. Op grond van de uitkomst van deze beoordeling en veranderingen in de groepsstructuur en andere ontwikkelingen in een vijftal bankgroepen is het aantal belangrijke instellingen teruggelopen van 125 aan het begin van het jaar naar 119.

De vestiging van Barclays Bank PLC in Frankfurt is op grond van een materiële toename in omvang voor het eerst als belangrijk aangemerkt en kwam daarmee per 1 januari 2018 onder rechtstreeks toezicht van de ECB.

De banken Raiffeisen-Holding Niederösterreich-Wien reg. GmbH en SEB AG daarentegen worden niet langer aangemerkt als belangrijk, aangezien zij drie opeenvolgende kalenderjaren niet hebben voldaan aan de beoordelingscriteria. De toezichtsverantwoordelijkheid voor deze banken is overgedragen aan respectievelijk de Oostenrijkse en Duitse NCA's.

De veranderingen in groepsstructuur en andere ontwikkelingen[59] bestonden uit de verwerving van Banco BPI S.A. en Banco Popular Español S.A. door andere belangrijke instellingen en het intrekken van de bankvergunningen van Agence Française de Développement (vrijwillig), Veneto Banca S.p.A. en Banca Popolare di Vicenza S.p.A.

De lijst van onder toezicht staande entiteiten wordt gedurende het jaar bijgewerkt. De actuele versie van de lijst is te vinden op de Website van ECB-Bankentoezicht .

Tabel 3
Belangrijke en minder belangrijke banken en bankgroepen in het SSM op grond van de jaarlijkse beoordeling van 2017

Bron: ECB.
Toelichting: De totale activa van de instellingen die zijn opgenomen in de lijst van onder toezicht staande entiteiten, zoals gepubliceerd in december 2017 (de referentiedatum voor veranderingen op groepsstructuurniveau is 1 oktober 2017 en voor besluiten is dit 5 december 2017); de referentiedatum voor totale activa is 31 december 2016 (of de meest recente beschikbare datum).

In het licht van de naderende brexit volgt de ECB de plannen van banken die uit het Verenigd Koninkrijk willen vertrekken op de voet. Het doel is om de significatie-status van deze banken tijdig te kunnen bepalen en om de overdracht van toezichtsverantwoordelijkheid van de Britse autoriteiten naar de ECB of de NCA's voor die activiteiten die naar het eurogebied verhuizen, zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Alomvattende beoordelingen in 2017

Aangezien er in 2017 geen banken waren die voor het eerst aan de significantie-criteria voldeden, is er geen alomvattende beoordeling uitgevoerd[60]. Wel is de activakwaliteitsbeoordelingsmethodiek alvast geactualiseerd met het oog op de introductie van de nieuwe internationale norm voor financiële verslaglegging (IFRS 9) en het op beleggingsdiensten en -activiteiten gebaseerde risicoprofiel voor bedrijfsmodellen van banken in 2018.

Gemeenschappelijke procedures en geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsingen

In 2017 hebben NCA's in totaal 3.026 autorisatieprocedures gemeld bij ECB-Bankentoezicht, waaronder 24 vergunningaanvragen, 41 intrekkingen van vergunningen, 52 vervallen vergunningen[61], 160 verwervingen van gekwalificeerde deelnemingen, 2.301 benoemingen tot bestuurder of commissaris[62] en 448 paspoortprocedures.

In 2017 hebben de Raad van Toezicht en de Raad van Bestuur in totaal 1.673 autorisatieprocedures goedgekeurd[63]. Daarnaast zijn er door het senior management binnen het delegatieraamwerk[64] 319 autorisatieprocedures goedgekeurd, welke in juni 2017 van kracht werden. Ook zijn er nog 70 autorisatieprocedures afgerond die geen formeel ECB-besluit vereisten, hoofdzakelijk paspoort- en vervalprocedures.

Tabel 4
Bij de ECB gemelde autorisatieprocedures[65]

Bron: ECB.
1) In het ECB-jaarverslag over toezichtswerkzaamheden van 2014 vielen ingetrokken en vervallen vergunningen nog onder één procedurecategorie. In verband met de toename van het aantal vervallen vergunningen worden deze procedures sinds 2015 apart vastgelegd.

Over het geheel genomen bleef het aantal gemeenschappelijke procedures (vergunningverlening, intrekkingen, vervallen vergunningen en gekwalificeerde deelnemingen) redelijk stabiel ten opzichte van het voorgaande jaar. Het aantal geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsingen nam af met 10% vergeleken met 2016. Dit was voornamelijk het gevolg van een wetswijziging in Frankrijk, waardoor herbenoemingen van niet-uitvoerende bestuurders sinds november 2016 niet meer getoetst worden. De afname van het aantal vervallen vergunningen lag in de lijn der verwachting, aangezien het grote aantal vervallen vergunningen in 2016 vooral het gevolg was van een eenmalige gebeurtenis, namelijk de fusie van een groep gelieerde banken tot één entiteit. De aanzienlijke toename van het aantal paspoortprocedures kan verband houden met een toename van het aantal paspoortaanvragen door in het VK gevestigde banken, vooral nu de banken met het oog op de naderende brexit en de invoering van de UK Banking Reform Act hun commerciële bankactiviteiten moeten scheiden van hun beleggingsactiviteiten (ringfencing).

Ontwikkelingen in gemeenschappelijke procedures

De meeste vergunningverleningsprocedures (ca. 80%) hadden betrekking op de oprichting van nieuwe minder belangrijke instellingen. De belangrijkste aanjagers achter deze ontwikkeling in 2017 waren de fintechbedrijven, die bankdiensten verlenen aan EU-klanten op basis van digitale innovatie, en de brexit, waardoor het aantal bankvergunningaanvragen in het eurogebied in de tweede helft van 2017 toenam. In 2018 zal deze ontwikkeling zich naar verwachting voortzetten. Niet meer dan circa 20% van de vergunningverleningsprocedures had betrekking op belangrijke instellingen. Hierbij ging het met name om het verlengen van vergunningen voor beleggingsactiviteiten. In één geval ging het om de oprichting van een nieuwe dochter voor mobiele bankdiensten en in een ander geval wilde een bestaande bank verhuizen naar het eurogebied.

Intrekkings- en vervalprocedures deden zich voornamelijk voor bij kredietinstellingen die hun bancaire activiteiten vrijwillig beëindigden of bij banken die een fusie aangingen of een herstructurering doorvoerden. Bij de intrekking van vergunningen ging het in 33 van de 41 gevallen om belangrijke instellingen. In een klein aantal gevallen (5) werd het besluit tot intrekking echter genomen wegens het niet voldoen aan prudentiële vereisten.

Verschillende procedures rondom gekwalificeerde deelnemingen hielden verband met de verwerving van meerderheidsbelangen in onder toezicht staande instellingen door specifieke verwervers[66], waarbij aspecten als complexe bedrijfsstructuren, mogelijke korte beleggingshorizons of hefboomfinanciering een rol speelden. De grensoverschrijdende consolidatieactiviteiten in de bankensector die werden waargenomen bij belangrijke instellingen waren in 2017 beperkt. De meerderheid van procedures rondom gekwalificeerde deelnemingen die in 2017 aan de ECB gemeld werden betrekking op interne reorganisaties in de aandeelhoudersstructuur van onder toezicht staande instellingen. Het doel van dergelijke reorganisaties is doorgaans om de groepsstructuur te vereenvoudigen of kostenbesparingen te realiseren, maar ook fiscale optimalisatie kan een reden voor reorganisatie zijn.

Ontwikkelingen in geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsingen

Bij de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsingen ging het in twee derde van de gevallen om niet-uitvoerende bestuurders en in een derde van de gevallen om uitvoerende bestuurders. Het aantal toetsingen van sleutelfunctionarissen is te verwaarlozen, enerzijds omdat dergelijke toetsingen niet in alle lidstaten in de nationale wetgeving zijn opgenomen en anderzijds omdat benoemingen van sleutelfunctionarissen minder vaak aan de orde zijn dan die van bestuurders[67]. In ongeveer een vijfde van alle gevallen waren er specifieke punten van zorg in het spel. In veel van die gevallen verbond de ECB bepaalde voorwaarden, verplichtingen of aanbevelingen aan de benoeming, bijvoorbeeld met betrekking tot de ervaring en de tijdsbesteding van de kandidaten.

Ontwikkeling van beleidskoersen

ECB-Bankentoezicht is in 2017 verder gegaan met de ontwikkeling van beleidskoersen en de consequente implementatie daarvan in samenwerking met de NCA's en de EBA. Het doel is om tot een gemeenschappelijke toezichtspraktijk te komen en autorisatieprocedures te vereenvoudigen.

In mei 2017 is de Guide to fit and proper assessments gepubliceerd, een gids die meer duidelijkheid geeft over het beleid, de werkwijze en processen van de ECB bij de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsing van bestuurders van belangrijke instellingen. Deze toetsingen zijn van groot belang, omdat slecht functionerende bestuursorganen bij banken vaak de oorzaak zijn van knelpunten en risico's in een later stadium. Hoewel de Gids zal bijdragen aan een beter geharmoniseerd toetsingsproces, zullen er desondanks verschillen blijven bestaan als gevolg van de toepassing van nationale wetgeving. CRD IV is immers niet in alle landen op dezelfde manier en in sommige landen zelfs nog maar gedeeltelijk omgezet in nationale wetgeving. De ECB zou dan ook graag meer convergentie zien op dit gebied, zodat de principes die zijn vastgelegd in CRD IV en het nieuwe ECB-beleid zo effectief mogelijk kunnen functioneren (zie ook Kader 3).

De ECB heeft beleid ontwikkeld met betrekking tot de beoordeling van de verschillende criteria voor gekwalificeerde deelnemingen.

Een eerste lichting beleidskoersen met betrekking tot de reikwijdte van vergunningvereisten en procedurele kwesties aangaande vergunningverlening is inmiddels afgerond en het werk aan een tweede lichting, over de beoordeling van vergunningvereisten, vordert gestaag. Ook de beleidskoers met betrekking tot de beoordeling van bankvergunningaanvragen door fintechbedrijven is afgerond. Na afronding van de beleidskoersen is een tweetal richtlijnen ter consultatie voorgelegd, over de beoordelingscriteria die gehanteerd worden bij vergunningaanvragen door respectievelijk kredietinstellingen en fintech-kredietinstellingen. De publicatie van de definitieve versie van de richtlijnen staat gepland voor begin 2018.


4.2 Melding van schendingen, handhavings- en sanctieprocedures

Handhaving en sancties

Volgens de SSM-Verordening en de SSM-Kaderverordening hangt de verdeling van de handhavings- en sanctiebevoegdheden tussen de ECB en de NCA's af van de aard van de vermeende schending, de verantwoordelijke persoon en de te nemen maatregel (zie het Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden 2014).

Met het oog op efficiëntie en consistentie heeft de ECB zich in 2017 toegelegd op het verbeteren van handhavings- en sanctieprocedures, onder meer door het ontwikkelen en implementeren van nieuwe IT-instrumenten.

In totaal heeft de ECB in 2017 45 handhavings- en sanctieprocedures behandeld.

Er werden in 2017 tien sanctieprocedures opgestart. Met de 35 lopende procedures van eind 2016 heeft de ECB in 2017 in totaal 45 procedures behandeld. Het ging hierbij in 44 gevallen om sanctieprocedures en in één geval om handhavingsmaatregelen (zie Tabel 5).

Tabel 5
Handhavings- en sanctieprocedures van de ECB in 2017

Bron: ECB.
1) Twee procedures zijn behandeld in één ECB-besluit.

In 2017 heeft de ECB vijf boetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 15,3 miljoen en de handhavings- en sanctieprocedures geoptimaliseerd.

In totaal 28 van de 44 sanctieprocedures hadden betrekking op schendingen van rechtstreeks toepasselijk EU-recht, waaronder besluiten en verordeningen van de ECB. Het ging in deze 26 gevallen om belangrijke instellingen en de procedures hielden verband met eigen vermogen, verslaglegging, openbare informatieverschaffing, liquiditeit en grote blootstellingen. In 2017 heeft de ECB drie sanctiebesluiten vastgesteld, waarbij vijf boetes zijn opgelegd ter waarde van in totaal € 15,3 miljoen. Deze boetes werden opgelegd aan drie onder toezicht staande entiteiten, voor schendingen op het gebied van liquiditeit (2), verslaglegging en openbare informatieverschaffing (1), grote blootstellingen (1) en eigen vermogen (1). Negen procedures zijn stopgezet in 2017, met name op grond van de immaterialiteit van de vermeende schendingen, of bij gebrek aan een wettelijke grondslag voor het opleggen van sancties.

Naar aanleiding van het verzoek van de ECB om een procedure te starten en na beoordeling van de zaak in overeenstemming met de nationale wetgeving hebben de NCA's 28 boetes opgelegd, voor een totaalbedrag van € 5,1 miljoen.

De resterende 16 procedures hadden betrekking op vermeende schendingen van de nationale wetgeving waarin de bepalingen van CRD IV zijn omgezet en betroffen belangrijke instellingen en natuurlijke personen. De procedures hielden verband met governance, waaronder interne beheersingsmechanismen, bestuurdersfuncties en bezoldiging. Daarnaast heeft de ECB in 2017 zeven verzoeken aan NCA's gericht om op grond van hun eigen nationale bevoegdheden sanctieprocedures in te stellen. Naar aanleiding van het verzoek van de ECB om een procedure te starten en na beoordeling van de zaak in overeenstemming met de nationale wetgeving hebben de NCA's drie sanctiebesluiten vastgesteld, waarbij 28 boetes zijn opgelegd voor een totaalbedrag van € 5,1 miljoen.

De handhavingsprocedure in 2017 had betrekking op het niet naleven van een ECB-toezichtbesluit. De procedure werd eveneens in 2017 stopgezet, aangezien de onder toezicht staande entiteit alsnog tot naleving kwam.

Grafiek 8 geeft een uitgebreid overzicht van de vermeende schendingen naar onderwerp, zoals deze door de ECB in 2017 in handhavings- en sanctieprocedures zijn behandeld.

Grafiek 8
De vermeende schendingen waarvoor procedures zijn gestart hebben vooral betrekking op eigenvermogens- en kapitaalseisen

Bron: ECB.

Indien de ECB redenen heeft om te vermoeden dat er een misdrijf in het spel is, verzoekt zij de betreffende NCA om de zaak voor onderzoek en mogelijke vervolging in overeenstemming met het geldende nationale recht in handen van de bevoegde autoriteiten te geven. In 2017 heeft de ECB vijf van dergelijke verzoeken gedaan.

Ervaringen opgedaan met melding van schendingen op grond van artikel 23 van de SSM-Verordening

Het is de taak van de ECB ervoor te zorgen dat schendingen van toepasselijk EU-recht op effectieve wijze gemeld kunnen worden (het zogeheten "klokkenluiden"). De ECB heeft daarom een meldpunt voor dergelijke schendingen opgezet (het breach reporting mechanism – BRM) in de vorm van een online webformulier, toegankelijk via de website van ECB-Bankentoezicht.

In 2017 heeft de ECB 89 meldingen ontvangen.

In 2017 heeft de ECB 89 meldingen ontvangen, ongeveer evenveel als in 2016. Daarvan ging het in 61 gevallen om het een vermeende schending van toepasselijk EU-recht, waarbij 56 gevallen onder het toezichtstakenpakket van de ECB zouden vallen en vijf onder dat van de NCA's. De resterende meldingen betroffen voornamelijk nationale kwesties die geen verband hielden met prudentiële vereisten en daarmee buiten de werkingssfeer van de meldingsfaciliteit vielen, zoals consumentenbescherming.

Net als in het voorgaande jaar werden governancekwesties (85%) en een tekortschietende berekening van eigenvermogens- en kapitaalseisen (8%) het vaakst gemeld. Grafiek 9 geeft een volledig overzicht. Bij governancekwesties ging het hoofdzakelijk om risicomanagement en interne beheersingsmaatregelen, geschiktheids- en betrouwbaarheidsvereisten en organisatiestructuur[68].

Grafiek 9
De meeste schendingen die gemeld zijn via het BRM betreffen governancekwesties

Bron: ECB.

Sinds november 2017 zijn de volgende onderzoeksactiviteiten uitgevoerd met betrekking tot de ontvangen meldingen:

  • interne beoordeling aan de hand van bestaande documentatie (47% van de gevallen);
  • verzoeken om een intern onderzoek/audit of documentatie/toelichting, gericht aan de onder toezicht staande entiteit (42% van de gevallen); en
  • on-site-onderzoeken (11% van de gevallen).

5 Opzet van de organisatie: ECB-Bankentoezicht

5.1 Voldoen aan de verantwoordingsplicht

ECB-Bankentoezicht bleef intensieve contacten onderhouden met het Europees Parlement en de EU-Raad

Dit Jaarverslag is opgesteld als een van de belangrijkste verantwoordingsinstrumenten van ECB-Bankentoezicht, zoals bedoeld in de SSM-Verordening. De Verordening bepaalt dat de toezichtstaken van de ECB moeten voldoen aan passende transparantie- en verantwoordingsvereisten. Handhaving en bevordering van het verantwoordingskader, dat gedetailleerd werd omschreven in het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de ECB en in het Memorandum van overeenstemming tussen de EU-Raad en de ECB, waren ook in 2017 een prioriteit van de ECB.

In het kader van de interacties met het Europees Parlement in 2017, is de Voorzitter van de Raad van Toezicht voor de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement (ECON) verschenen om het Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden in 2016 voor te stellen (23 maart), en woonde zij twee gewone openbare hoorzittingen bij (19 juni en 9 november). Ze nam ook deel aan een openbare hoorzitting over het wetgevend pakket betreffende risicobeperking in de banksector (25 april) en aan drie ad-hocgedachtewisselingen met Europarlementsleden (23 maart, 19 juni en 9 november). De hoofdthema’s die werden besproken, waren onder andere de maatregelen om het aantal niet-renderende leningen terug te dringen, de eerste afwikkelings- en liquidatieprocedures waarbij belangrijke instellingen betrokken waren, en wetgevingsdossiers op het gebied van het bankentoezicht, waaronder de voltooiing van de bankenunie. Bovendien nam de Vicevoorzitter van de Raad van Toezicht deel aan een gezamenlijke vergadering van de ECON en de Commissie begrotingscontrole van het Europees Parlement in verband met het Speciaal Verslag van de Europese Rekenkamer over het Gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (13 februari).

De ECB publiceerde 41 antwoorden op vragen van Europarlementsleden over toezichtskwesties

In de loop van 2017 publiceerde de ECB op haar website 41 antwoorden op vragen van Europarlementsleden over toezichtskwesties. De antwoorden hadden onder meer betrekking op het juridisch kader voor het bankentoezicht alsook op het ECB-beleid over zeer uiteenlopende aspecten van het toezicht, zoals de afwikkelings- en liquidatieprocedures waarbij belangrijke instellingen betrokken zijn, de toezichtsaanpak van de ECB voor zowel belangrijke als minder belangrijke instellingen, haar beleid inzake niet-renderende leningen en haar interacties met de nationale autoriteiten.

Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord heeft de ECB bovendien systematisch de verslagen van de vergaderingen van de Raad van Toezicht aan het Europees Parlement voorgelegd.

Wat de contacten met de EU-Raad in 2017 betreft, hebben de Voorzitter en de Vicevoorzitter van de Raad van Toezicht zes vergaderingen van de Eurogroep bijgewoond: op 7 april stelde de Voorzitter het Jaarverslag van de ECB over de toezichtswerkzaamheden in 2016 voor, en op 6 november woonde ze een verdere periodieke gedachtewisseling over de uitvoering van de toezichthoudende taken van de ECB bij. ECB-Bankentoezicht nam deel aan andere vergaderingen van de Eurogroep op 26 januari, 15 juni, 11 juli en 4 december. Voorts nam de Voorzitter van de Raad van Toezicht deel aan een bespreking tijdens de informele vergadering van de Ecofin-Raad op 7 april. De onderwerpen die van belang zijn voor de ministers van Financiën en de in het Europees Parlement besproken thema’s overlapten elkaar in ruime mate.

In het kader van de in de SSM-Verordening bedoelde rapportagevereisten hebben vertegenwoordigers van de ECB die betrokken zijn bij het bankentoezicht, van gedachten gewisseld met nationale parlementen. Bovendien publiceerde de ECB op haar website twee antwoorden op vragen van nationale parlementsleden.


5.2 Evaluaties en audits van de SSM-werkzaamheden

Zowel de Europese Rekenkamer als de Europese Commissie voerden diepgaande evaluaties uit van de werkzaamheden van ECB-Bankentoezicht.

ECB-Bankentoezicht wordt uitgebreid beoordeeld door verschillende instellingen en organen van de EU, zoals de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer.

In het kader van een eerste “doelmatigheidscontrole van het bestuur bij de ECB”, krachtens artikel 20, lid 7, van de SSM-Verordening, heeft de Europese Rekenkamer in november 2016 een speciaal verslag uitgebracht, getiteld “Gemeenschappelijk toezichtsmechanisme – Goede start maar verdere verbeteringen nodig”. ECB-Bankentoezicht gaf in 2017 gevolg aan de aanbevelingen van dat verslag door onder meer:

  • de procedure voor het nemen van toezichtsbesluiten te stroomlijnen;
  • de aanwezigheid bij inspecties ter plaatse van de ECB en, meer in het algemeen, van medewerkers van NCA's uit andere landen dan het thuis- of gastland te versterken;
  • het IT-systeem voor toezichtsinformatie te verbeteren;
  • extra middelen te verlenen aan de interne auditfunctie van de ECB.

De ECB besteedde ook aanzienlijke middelen aan de door de Rekenkamer uitgevoerde tweede audit van ECB-Bankentoezicht, die was gericht op crisisbeheersing. Het verslag over die audit is op 16 januari 2018 verschenen.[69]

Overeenkomstig artikel 32 van de SSM-Verordening publiceerde de Europese Commissie op 11 oktober 2017 een evaluatie van het SSM in de vorm van een verslag[70] en een begeleidend werkdocument[71]. Voorafgaand aan de publicatie van het verslag werkte de ECB nauw met de Commissie samen, door ongeveer 130 vragen te beantwoorden en twee gezamenlijke workshops voor medewerkers te organiseren.

Het verslag van de Commissie stelt vast dat de efficiëntie van het bankentoezicht in het eurogebied is verbeterd, dankzij het geïntegreerd toezicht op kredietinstellingen, dat duidelijke voordelen oplevert in de vorm van een gelijk speelveld en vertrouwen. In het verslag werd met name beklemtoond dat het SSM “opmerkelijke inspanningen” heeft geleverd om de harmonisering te bevorderen en de kwaliteit van het toezicht te verhogen op essentiële gebieden als de SREP, het toezicht op interne modellen, geschiktheidsbeoordelingen, gemeenschappelijke procedures en colleges van toezichthouders. Het verslag waardeerde ook de constructieve manier waarop ECB-Bankentoezicht inspeelde op aanbevelingen die voortvloeiden uit beoordelingen (bv. door de Europese Rekenkamer en het IMF), de succesvolle samenwerking ervan met andere EU-instanties en internationale organen, en de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor toezichtsbesluiten, wat zou moeten leiden tot een aanzienlijk efficiëntere besluitvorming van de ECB over het toezicht. De Commissie maakte ook een aantal opmerkingen en deed enkele aanbevelingen over de werking van het SSM, bijvoorbeeld over waarborgen voor gedeelde diensten in de ECB, transparantie en de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel voor toezichtsvergoedingen. In het verslag werd geconcludeerd dat er op dat ogenblik geen wijzigingen in de SSM-verordening nodig waren.


5.3 Besluitvorming

Raad van Toezicht en Stuurcomité

In 2017 heeft de Raad van Toezicht in totaal 32 keer vergaderd, waarvan 22 keer in Frankfurt am Main en negen keer via teleconferentie. Eén vergadering werd gehouden in Helsinki, op uitnodiging van de Finse financiële toezichthouder (Finanssivalvonta). Voor de meeste besluiten volgde de Raad van Toezicht in 2017 een schriftelijke procedure[72].

Een zeer groot aantal besluiten had betrekking op afzonderlijke banken (zie Figuur 6) en werd aangenomen aan de hand van de geen-bezwaarprocedure. Dit is een tweeledige procedure waarin een ontwerpbesluit eerst ter goedkeuring aan de Raad van Toezicht wordt voorgelegd. Het definitieve ontwerpbesluit gaat vervolgens naar de Raad van Bestuur van de ECB en wordt aangenomen als die geen bezwaar maakt. Drieëndertig van de 119 bankgroepen[73] die onder direct toezicht van de ECB staan, hebben in 2017 aangegeven officiële ECB-besluiten in een andere officiële EU-taal dan het Engels te willen ontvangen.

Figuur 6
Besluiten van de Raad van Toezicht in 2017

1) De cijfers in deze figuur hebben betrekking op afzonderlijke toezichtsbesluiten die waren gericht aan onder toezicht staande entiteiten of potentiële kopers daarvan, alsook op instructies aan NCA's, SI's of LSI's. Eenzelfde besluit kan verschillende goedkeuringen bevatten. Daarnaast heeft de Raad van Toezicht besluiten genomen over enkele horizontale kwesties (bijv. gemeenschappelijke methodieken) en institutionele kwesties.
2) Waaronder besluiten in verband met de tests op korte termijn voor de SREP van zowel 2017 als 2018.

De Raad van Toezicht heeft niet alleen besluiten genomen over individuele banken, maar ook over verschillende horizontale kwesties, met name de toepassing van gemeenschappelijke methodieken en kaders voor specifieke toezichtsgebieden. Sommige besluiten werden opgesteld door tijdelijke, door de Raad van Toezicht aangewezen structuren, die bestonden uit senior managers van de ECB en de NCA's. Deze groepen hebben voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd met betrekking tot de stresstests, de SREP-methodiek, internationale inspecties ter plaatse, hoge percentages van niet-renderende leningen en de vereenvoudiging van SSM-processen.

Raad van Toezicht

Voorste rij (van links naar rechts): Stelios Georgakis (plaatsvervanger van Yiangos Demetriou), Anneli Tuominen, Vita Pilsuma (plaatsvervanger van Zoja Razmusa), Elisa Ferreira, Andreas Dombret, Danièle Nouy, Sabine Lautenschläger, Claude Simon, Pentti Hakkarainen, Ray Vella (voor de Malta Financial Services Authority), Oliver Bonello
Middelste rij (van links naar rechts): Ilias Plaskovitis, Renata Bagdonienė (plaatsvervanger van Vytautas Valvonis), Mervi Toivanen, Fabio Panetta, Helmut Ettl, Vladimír Dvořáček, Norbert Goffinet, Tom Dechaene, Denis Beau, Matej Krumberger (plaatsvervanger van Primož Dolenc)
Achterste rij (van links naar rechts): Nora Dambure (plaatsvervanger van Pēters Putniņš), Madis Müller, Kilvar Kessler, Matthias Güldner (plaatsvervanger van Felix Hufeld), Ed Sibley, Ignazio Angeloni, Andreas Ittner, Javier Alonso, Jan Sijbrand

In 2017 vergaderde het Stuurcomité 18 keer, waarvan zeventien keer in Frankfurt am Main en één keer in Helsinki, op uitnodiging van de Finse financiële toezichthouder (Finanssivalvonta). De vijf NCA-leden, die voor één jaar worden benoemd, zijn zoals gebruikelijk vervangen in april.

Daarnaast heeft het Stuurcomité zes keer vergaderd in uitgebreide samenstelling, dat wil zeggen met deelname van hooggeplaatste vertegenwoordigers van alle negentien NCA's. Twee keer waren dat fysieke bijeenkomsten in Frankfurt am Main, de vier andere waren teleconferenties. Deze vergaderingen waren gericht op de ECB-gevoeligheidsanalyse van het renterisico in het bankenboek (interest rate risk in the banking book – IRRBB) – stresstest 2017.

Stroomlijning van het besluitvormingsproces

Om haar besluitvormingsproces verder te stroomlijnen, stelde de ECB in 2017 een wettelijk kader vast voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor toezichtsbesluiten. Binnen dit kader kunnen bepaalde soorten toezichtsbesluiten worden vastgesteld door senior managers van de ECB in plaats van door de Raad van Toezicht en de Raad van Bestuur. Dit nieuwe kader wordt toegepast op routinebesluiten die weinig oordeelsvorming vergen, gelet op de materialiteit en de invloed van de besluiten die worden gedelegeerd. Zo kunnen de Raad van Toezicht en de Raad van Bestuur zich concentreren op complexere kwesties. Door een delegatiekader vast te stellen, is de ECB ook tegemoetgekomen aan de bezorgdheid die door de Europese Rekenkamer[74], de Europese Commissie[75] en het IMF[76] is geuit over de efficiëntie van het besluitvormingsproces voor toezichtsbesluiten. Daarnaast heeft de Raad van Toezicht een Simplification Group opgericht om een verdere herziening van SSM-processen te leiden, teneinde de efficiëntie van de besluitvormingsprocedure en de overige procedures te verzekeren.

De ECB heeft ook een alternatief geschiktheidsproces goedgekeurd, waarbij zij onder bepaalde omstandigheden beslissingen kan nemen die uitsluitend zijn gebaseerd op beoordelingen van de NCA’s.

Het delegatiekader

Het wettelijk kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden is gebaseerd op een aantal rechtshandelingen die op 1 juni 2017 werden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie[77].

Het algemene delegatiekader[78] voorziet in de mogelijkheid om met toezichtstaken verband houdende besluitvormingsbevoegdheden te delegeren. In het besluit over het algemene delegatiekader, dat op voorstel van de Directie werd vastgesteld door de Raad van Bestuur, worden de institutionele aspecten uiteengezet, namelijk de reikwijdte van de verantwoordelijkheden die worden toegekend aan de hoofden van de ECB-arbeidseenheden, de procedurele vereisten voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten en de rapportagevereisten voor gedelegeerde besluiten. Daarnaast stelt de Raad van Bestuur overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure delegatiebesluiten vast waarin wordt bepaald aan welke specifieke criteria moet worden voldaan voor elk type gedelegeerd toezichtsbesluit. Deze delegatiebesluiten worden aangevuld met besluiten van de Directie van de ECB tot benoeming van de hoofden van ECB-arbeidseenheden aan wie gedelegeerde besluitvormingsbevoegdheden worden toegekend (zie Figuur 7).

Het nieuwe delegatiekader werd toegepast op twee soorten toezichtsbesluiten:

  • de beoordeling van geschiktheidsvereisten[79];
  • wijzigingen in de significantie van onder toezicht staande entiteiten[80].

De besluiten tot benoeming van de hoofden van ECB-arbeidseenheden aan wie besluitvormingsbevoegdheden worden toegekend, werden goedgekeurd door de Directie[81], en de gedelegeerde besluitvorming is sinds 21 juni 2017 van kracht.

Figuur 7
Delegatiekader

Tenuitvoerlegging van het delegatiekader

Voor geschiktheidsbesluiten is de beslissing of het delegatieproces in gang kan worden gezet, in wezen afhankelijk van vier criteria:

  1. de omvang en de aard van de onder toezicht staande entiteit;
  2. het verwachte resultaat van het besluit;
  3. een reeks specifieke aspecten van de geschiktheidsbeoordeling (zoals reputatiekwesties of administratieve maatregelen die verband houden met de niet-naleving van de regelgeving inzake financiële dienstverlening);
  4. de tijdige indiening van het voorstel door de desbetreffende NCA.

Voor alle (al dan niet gedelegeerde) geschiktheidsbesluiten wordt de beoordeling zelf uitgevoerd op basis van criteria die voortvloeien uit de nationale wetten die CRD IV omzetten; bij de geschiktheidsbeoordeling wordt ook rekening gehouden met de Gids van de ECB voor beoordeling van de deskundigheid en betrouwbaarheid. Tussen juni en december 2017 werd 51% van de geschiktheidsbesluiten van de ECB vastgesteld via delegatie (zie Grafiek 10).

Bij wijzigingen in de significantie van onder toezicht staande entiteiten zorgt het delegatiekader voor een efficiëntere regelmatige bijwerking van de lijst van onder toezicht staande entiteiten (de instellingen die onder het rechtstreeks toezicht van de ECB staan). De overgrote meerderheid van deze besluiten weerspiegelen slechts veranderingen in de bedrijfsstructuur van een bankgroep. Met het oog op rechtszekerheid en transparantie dient echter een nauwkeurig overzicht te worden bijgehouden van de instellingen waarop de ECB rechtstreeks toezicht houdt. Bijgevolg kan een ECB-besluit waarin een onder toezicht staande entiteit of groep als belangrijk wordt aangemerkt, worden gewijzigd of ingetrokken door de gedelegeerde besluiten. Hieronder vallen de meeste wijzigingen in de groepsstructuur alsook veranderingen in de classificatie van een onder toezicht staande entiteit of groep van belangrijk naar minder belangrijk (over de omgekeerde verschuiving, van minder belangrijk naar belangrijk, kan niet via delegatie worden beslist). Tussen juni en december 2017 werd 52% van de significantiebesluiten van de ECB vastgesteld via delegatie (zie Grafiek 10).

Grafiek 10
Vaststelling volgens het gedelegeerd en het niet-gedelegeerd besluitvormingsproces

(procenten)

Bron: ECB.

Het delegatiekader werd vlot ten uitvoer gelegd en heeft geleid tot een goed evenwicht tussen de besluiten die worden gedelegeerd en de besluiten die worden voorgelegd aan de Raad van Toezicht en de Raad van Bestuur. Dit besluitvormingsproces “langs twee sporen”, met gedelegeerde en niet-gedelegeerde besluiten, maakt een efficiënter gebruik van de middelen mogelijk en vereenvoudigt en bespoedigt de processen.

Er zijn plannen om het delegatiekader in 2018 uit te breiden naar andere soorten toezichtsbesluiten.

Administratieve Raad voor Toetsing

Er zijn in 2017 bij de Administratieve Raad voor Toetsing[82] vier verzoeken ingediend om een administratieve toetsing van toezichtsbesluiten van de ECB (zie Tabel 6).

Tabel 6
Aantal toetsingsverzoeken

Bron: ECB.
1) De Raad heeft vier adviezen uitgebracht, waaronder één over een toetsingsverzoek dat in december 2016 werd ontvangen. Eén advies over een in december 2017 ingediend toetsingsverzoek is in behandeling.

In 2017 besloten de meeste verzoekers af te zien van een gerechtelijke toetsing na de toetsing door de Administratieve Raad. Dat betekent dat de Raad opnieuw doeltreffend is gebleken bij het terugdringen van de kosten en de tijd voor de toetsing van toezichtsbesluiten, voor alle betrokken partijen. Deze "proceseconomische" overweging was voor de EU-wetgevers een van de belangrijkste redenen om de Administratieve Raad voor Toetsing in te stellen.[83] Het toetsingsproces, en met name de hoorzitting, biedt meer kansen om de dialoog aan te gaan met de onder toezicht staande entiteit.

Getoetste onderwerpen en relevante kwesties

De aan de Administratieve Raad van Toetsing voorgelegde kwesties hadden betrekking op verschillende onderwerpen en soorten toezichtsbesluiten: corporate governance, het voldoen aan toezichtsvereisten, intrekking van een vergunning en administratieve sancties.

Net als in de voorgaande jaren had de toetsing van ECB-besluiten in 2017 vooral betrekking op de naleving van procedurele regels (met inbegrip van onder meer de vereisten voor een behoorlijke procedure, de juiste weergave van de feiten, voldoende motivering van besluiten en het evenredigheidsbeginsel), en op de samenwerking tussen de ECB en de NCA’s bij de voorbereiding van de ECB-besluiten. De Administratieve Raad was met name van oordeel dat er een sterkere motivering is vereist naarmate de opgelegde maatregelen strenger zijn.

De rol van de Administratieve Raad voor Toetsing in het besluitvormingsproces van de ECB

In zijn arresten in de zaken Landeskreditbank Baden-Württemberg – Förderbank / ECB en Crédit mutuel Arkéa / ECB[84] benadrukte het Gerecht van de Europese Unie de rol van de Administratieve Raad in het besluitvormingsproces van de ECB.

In haar krachtens artikel 32 van de SSM-Verordening[85] uitgebrachte verslag over het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme merkte de Europese Commissie op dat de betrokkenen actief gebruik hadden gemaakt van de Administratieve Raad, en dat de ECB van oordeel was dat de adviezen van de Administratieve Raad niet alleen van invloed waren geweest op de individuele gevallen waarop zij betrekking hadden, maar ook op de bredere toezichthoudende praktijk van de ECB.


5.4 ECB-Bankentoezicht: personeel

Naarmate ECB-Bankentoezicht verankerd is geraakt en zijn taken zijn geëvolueerd, is duidelijk geworden dat voor een aantal belangrijke taken meer mensen nodig zijn dan aanvankelijk gedacht.

Na een geleidelijke uitbreiding van de personele bezetting in 2016 en 2017, keurde de Raad van Bestuur voor 2017 nog eens 113,5 nieuwe fte’s (fulltime equivalenten) goed voor de centrale afdelingen van ECB-Bankentoezicht, wat het totale aantal fte’s op 1.028,5 brengt. Bij de onlangs goedgekeurde personele bezetting werd rekening gehouden met drie factoren:

  1. de behoefte aan nieuwe medewerkers doordat het aantal taken sinds 2014 is toegenomen (onder meer als gevolg van de invoering van het kader voor crisisbeheersing van de EU);
  2. de noodzaak NCA's meer tijd te geven om aan hun verplichtingen inzake de personele bijdrage aan de JST's te voldoen;
  3. door de ECB geconstateerde besparingen op de inzet van personeel (bijvoorbeeld synergieën bij het toezicht op instellingen in een gastland die deel uitmaken van dezelfde buiten het SSM vallende bankgroep).

De voor 2017 goedgekeurde personele bezetting voorzag ook in de behoefte aan medewerkers voor SSM-gerelateerde taken in gemeenschappelijke diensten (zoals administratie, human resources, financiën, communicatie, juridische diensten), waarmee de totale personele bezetting voor die diensten op 422,5 fte’s kwam.

In 2017 werden met succes 33 wervingscampagnes gevoerd om de vacatures te vervullen. Conform de standaard wervingsprocedure van de ECB moesten alle kandidaten niet alleen aantonen dat zij over de noodzakelijke vakinhoudelijke competenties beschikten, maar, voor zover van toepassing, ook over gedragscompetenties en leidinggevende vaardigheden.

Inzake genderdiversiteit is het percentage vrouwelijke werknemers licht gestegen tot 40% van alle vaste en tijdelijke personeelsleden in de centrale afdelingen van ECB-Bankentoezicht. Het aandeel vrouwelijke werknemers in leidinggevende functies veranderde niet ten opzichte van het voorgaande jaar (32%). In niet-leidinggevende functies steeg het aandeel vrouwelijke werknemers ten opzichte van het voorafgaande jaar met 2 procentpunten, tot 42% in 2017.

De brexit zal naar verwachting leiden tot een permanente toename van het aantal belangrijke instellingen die onder rechtstreeks toezicht van de ECB staan, aangezien verscheidene bankgroepen van plan zijn te verhuizen naar het eurogebied. Om het hoofd te kunnen bieden aan de verwachte extra werklast, keurde de Raad van Bestuur voor 2018 een uitbreiding van de personele bezetting met 70,5 fte’s toe voor de centrale afdelingen van ECB-Bankentoezicht. Hij stemde ook in met extra middelen voor 2019 en 2020, die zullen worden aangepast aan de werkelijke ontwikkelingen. De Raad van Bestuur heeft besloten de personele bezetting in de periode 2018-2020 geleidelijk uit te breiden. De bedoeling is de geraamde behoeften bij te stellen op basis van de werkelijke toename van de werklast en van de mogelijkheden tot een interne herschikking van de prioriteiten in de tweede helft van 2018.

Grafiek 11
Goedgekeurde personele bezetting bij de centrale afdelingen van ECB-Bankentoezicht voor de periode 2014-2018

Bron: ECB.

Aangezien de taken toenemen en de organisatie van het SSM zich ontwikkelt, is het cruciaal dat het personeelsbeheer in de gehele instelling mee evolueert. In 2017 werden het SSM-curriculum en het SSM-stageprogramma verder uitgebreid om de samenwerking met de NCA’s te bevorderen. Voorts werd een JST-roulatiebeleid uitgewerkt, en werden organisatorische wijzigingen goedgekeurd.

Reorganisatie van centrale afdelingen van ECB-Bankentoezicht

Om de omvang van de afdelingen van ECB-Bankentoezicht weer in evenwicht te brengen en de structuur af te stemmen op best practices en deugdelijk bestuur, werden eind 2017 organisatorische wijzigingen overeengekomen: de afdelingen Authorisation, Enforcement & Sanctions en Supervisory Quality Assurance moesten verhuizen van DG Microprudential Supervision IV naar het Secretariaat van de Raad van Toezicht. Dankzij die in februari 2018 doorgevoerde reorganisatie zullen de verantwoordelijkheden duidelijker afgebakend zijn, en zal de corporate governance verbeteren, omdat de kwaliteitsbewaking en de interne controle en de audits worden afgescheiden van de horizontale prudentiële kernfuncties.

Het SSM-curriculum

Voor de efficiëntie van het Europese bankentoezicht is het belangrijk dat de medewerkers van zowel de ECB als de NCA’s over de nodige vaardigheden beschikken en hun competenties gaandeweg kunnen uitbreiden. De ontwikkeling van een gemeenschappelijke aanpak van de training voor SSM-toezichthouders droeg bij aan een consistente benadering van het toezicht en een gemeenschappelijke toezichtscultuur. Die aanpak maakte het ook mogelijk profijt te trekken van schaalvoordelen, en de deskundigheid binnen het SSM te vergroten.

Sinds de lancering van het SSM-curriculum in september 2016 werden 83 SSM-brede trainingen aangeboden, wat overeenstemt met 269 trainingssessies. Ongeveer 41% van die sessies werd door de NCA’s georganiseerd, in lijn met de initiële overkoepelende doelstelling om een gecentraliseerd systeem op te richten met een SSM-brede implementatie. 2.800 mensen namen deel aan de SSM-brede opleidingen tussen september 2016 en september 2017. Iets minder dan de helft van de deelnemers kwam van NCA’s (48%) en de andere helft van de ECB (52%). Voor 2018 werd de catalogus van het trainingsaanbod aangevuld met specifieke opleidingen voor medewerkers die inspecties ter plaatse verrichten. Daarnaast zullen de opleidingen worden uitgebreid met een bredere waaier aan trainingtools, zoals e-learning en videoleren.

SSM-stageprogramma

Het SSM-stageprogramma werd in 2016 ingevoerd als een unieke kans voor jonge afgestudeerden om ervaring uit de eerste hand te verwerven in bankentoezicht in de ECB en in een of twee NCA’s. Het programma heeft bijgedragen tot een gemeenschappelijke toezichtscultuur en de opbouw van een reservoir aan talent voor het gehele SSM; na de voltooiing van hun stage zijn een aantal deelnemers aan de slag gegaan bij de ECB en de NCA’s.

Op basis van de reacties van de eerste groep van stagiairs en van de JST-coördinators, werd het programma licht aangepast om de deelnemers meer technische training te bieden. De tweede groep van SSM-stagiairs startte in oktober 2017 en telt 31 deelnemers.

SSM-roulatie

In het Europese bankentoezicht geldt een roulatiebeleid voor de ECB-medewerkers van de JST’s, teneinde beïnvloeding van de toezichthouder (supervisory capture) te voorkomen en hoge toezichtsnormen te handhaven. Roulatie wordt eveneens beschouwd als een element van loopbaanontwikkeling en als een kans voor de medewerkers om hun toezichtsexpertise te verruimen. In 2016 en 2017 kregen ruim 20 JST-coördinatoren een nieuw JST onder hun verantwoordelijkheid. Gelet op de veelal positieve reacties op basis van die ervaring, werd het SSM-JST-roulatiekader in 2017 voor alle JST-leden ingevoerd. Roulatie is nu een jaarlijkse oefening die betrekking heeft op medewerkers die al drie tot vijf jaar deel uitmaken van hetzelfde JST. De eerste volwaardige ronde vond plaats op 1 januari 2018, met 53 medewerkers die overstapten naar een ander JST.

Voorbereiding van "Supervisors Connect"

"Supervisors Connect" – het eerste interne evenement in zijn soort en van die omvang dat in het SSM wordt georganiseerd

"Supervisors Connect" is een evenement dat ECB-Bankentoezicht organiseert voor het personeel van de NCA’s, de NCB’s en de ECB. De eerste editie vindt plaats in het ECB-hoofdkantoor in Frankfurt am Main van 17 tot 19 April 2018.

Het evenement is bedoeld om de Europese toezichtscultuur verder vorm te geven door toezichthouders uit heel het eurogebied om de twee jaar samen te brengen. Het is vooral gericht op de toezichthouders van de NCA’s die weliswaar sterk betrokken zijn bij de werkzaamheden voor het SSM, maar slechts af en toe naar Frankfurt komen. Het belangrijkste doelpubliek omvat: JST-coördinatoren en subcoördinatoren, leden van het senior management die zich bezighouden met toezicht op LSI's; voorzitters en senior leden van horizontale netwerken; experts die verantwoordelijk zijn voor de voorbereiding van vergaderingen van de Raad van Toezicht (SSM-coördinatoren).

Naar verwachting zal 75% van de 350 deelnemers uit de NCA’s/NCB’s komen en 25% uit de ECB.

Om het programma van het evenement voor te bereiden, stelde de ECB in mei 2017 een stuurgroep samen met vertegenwoordigers uit vijf organisatie-eenheden van de ECB die zich met het toezicht bezighouden en het Directoraat-Generaal Communicatie.

"Supervisors Connect" staat helemaal in het teken van het doelpubliek. Veel deelnemers zullen dus eveneens optreden als sprekers en moderatoren in panelgesprekken over relevante thema’s zoals digitalisering en cyberrisico, het effect van de brexit en de uitdagingen van de banken inzake winstgevendheid.


5.5 Toepassing van de Gedragscode

De ECB dient op grond van artikel 19, lid 3, van de SSM-Verordening te beschikken over een gedragscode voor de medewerkers en leidinggevenden van de ECB die betrokken zijn bij het bankentoezicht. Deze code regelt kwesties rond belangenconflicten. De desbetreffende bepalingen staan in het Ethisch Kader van de ECB, dat door het Bureau voor Compliance en Governance (Compliance and Governance Office – CGO) wordt geïmplementeerd. Het CGO adviseert alle ECB-medewerkers over ethische vraagstukken.

Om het bewustzijn bij het personeel over beroepsethiek en integriteit verder te vergroten en een sterke ethische cultuur op te bouwen, werden in 2017 workshops en een verplicht e-learningprogramma ingevoerd. Dit programma werd in het eerste kwartaal van 2017 met succes voltooid door alle medewerkers die betrokken zijn bij het bankentoezicht.

In 2017 heeft het CGO ruim 2.000 vragen over allerlei onderwerpen ontvangen van ECB-medewerkers. Een derde van deze vragen was afkomstig van medewerkers van ECB-Bankentoezicht, en bijna de helft ervan had betrekking op persoonlijke financiële transacties, gevolgd door vragen over belangenconflicten en beperkingen na beëindiging van het dienstverband (zie Grafiek 12). Deze vragen wijzen op een sterker bewustzijn van ethische kwesties bij ECB-medewerkers. Het CGO heeft een beperkt aantal gevallen geconstateerd waarin de voorschriften van het Ethisch Kader niet werden nageleefd. Bij een derde daarvan was een medewerker of manager van ECB-Bankentoezicht betrokken. In geen van deze gevallen was er sprake van opzettelijk laakbaar handelen of andere ernstige inbreuken op de regels.

Grafiek 12
Overzicht van in 2017 ontvangen vragen van medewerkers van ECB-Bankentoezicht

Bron: ECB.

Bij drie van de bij het bankentoezicht betrokken managers en medewerkers die in 2017 ontslag namen, trad een in het Ethisch Kader voorziene afkoelingsperiode in. Twee van deze gevallen betroffen SSM-managers die horizontale functies uitoefenden en naar een financiële onderneming vertrokken, met voor beiden een afkoelingsperiode van drie maanden tot gevolg. In het derde geval vertrok een manager naar een financiële onderneming zonder verantwoordelijk te zijn voor of betrokken te zijn bij het toezicht op deze onderneming. De betrokken SSM-manager nam een effectieve afkoelingsperiode van zes maanden in acht.

Ten behoeve van een toereikende ethische en organisatiecultuur binnen het SSM heeft de ECB de door de NCA's genomen maatregelen om het Richtsnoer van de ECB na te leven, gecontroleerd. Dit Richtsnoer, waarin de algemene beginselen van een ethisch kader voor zowel de ECB en de NCA’s worden uiteengezet, is op een zeer klein aantal uitzonderingen na volledig ten uitvoer gelegd. Teneinde een afgestemde tenuitvoerlegging van het Richtsnoer te vergemakkelijken en de ethische normen op middellange termijn op een nog hoger niveau in overeenstemming te kunnen brengen, heeft de Raad van Bestuur een gespecialiseerde taskforce voor ethics en compliance officers opgericht.

Het Ethisch Comité van de ECB adviseert de leden van de besluitvormingsorganen binnen de ECB over ethische kwesties. In 2017 heeft het Comité 11 adviezen in verband met het SSM uitgebracht, waarvan de meerderheid betrekking had op de beroepswerkzaamheden van leden in overheidsinstellingen of internationale organisaties na het einde van hun ambtstermijn. In twee gevallen formuleerde het Ethisch Comité adviezen over de afkoelingsperioden voor voormalige plaatsvervangende leden van de Raad van Toezicht van de ECB die naar kredietinstellingen vertrokken, en in één geval over de afkoelingsperiode voor een lid van de Raad van Toezicht dat ging werken voor een niet-bancaire financiële instelling. Het Ethisch Comité beoordeelde ook een nieuwe externe activiteit die een lid van de Raad van Toezicht op persoonlijke titel uitoefende.


5.6 Het beginsel van scheiding tussen monetair beleid en toezicht in de praktijk

Krachtens de SSM-Verordening moet de ECB haar toezichtstaken onverminderd en afzonderlijk van haar monetairbeleidstaken uitvoeren.

Toepassing op informatie-uitwisseling en besluitvorming

In de praktijk speelde het beginsel van scheiding tussen monetair beleid en toezicht in 2017 vooral een rol bij de uitwisseling van informatie tussen verschillende beleidsgebieden[86]. Overeenkomstig Besluit ECB/2014/39 houdende de tenuitvoerlegging van scheiding tussen de monetaire beleidsfunctie en de toezichtfunctie van de Europese Centrale Bank diende de uitwisseling van informatie te geschieden op need-to-know-basis, wat wil zeggen dat elk beleidsgebied moest aantonen dat de gevraagde informatie nodig was om zijn beleidsdoelen te bereiken. In de meeste gevallen werd de toegang tot vertrouwelijke informatie rechtstreeks verleend door de ECB-beleidsfunctie die de informatie in haar bezit had. Dit gebeurde in overeenstemming met Besluit ECB/2014/39, dat bepaalt dat toegang tot informatie over geanonimiseerde data of niet-beleidsgevoelige informatie rechtstreeks door de beleidsfuncties mag worden verleend. De Directie hoefde dus niet tussen te komen om mogelijke belangenconflicten op te lossen. Desalniettemin moest de Directie een paar maal in actie komen op grond van Besluit ECB/2014/39, om de uitwisseling mogelijk te maken van niet-geanonimiseerde informatie over individuele banken (bijvoorbeeld individuele FINREP- of COREP-templates[87] of andere ruwe data) of van beleidsgevoelige beoordelingen. De toegang tot deze data werd op need-to-know-basis verleend voor een beperkte periode, na een beoordeling van de business case, om te waarborgen dat op elk relevant moment aan de need-to-know-eis werd voldaan.

Op het niveau van de besluitvorming leverde de scheiding geen problemen op, en het Bemiddelingspanel hoefde niet in actie te komen.

Beroep op gedeelde diensten

Het concept "gedeelde diensten" is belangrijk voor de werking van het SSM. Volgens dat concept werden sommige departementen van de ECB aangewezen om ondersteuning te bieden zowel aan de monetairbeleidsfunctie als aan de toezichtsfunctie. Gedeelde diensten werden opgezet met het oog op het doelmatig en effectief verlenen van diensten. Het was de bedoeling ervoor te zorgen dat inspanningen niet tweemaal werden geleverd op gebieden waar gedeelde ondersteuning, die technisch van aard is, niet tot belangenconflicten tussen de twee beleidsdomeinen van de ECB leidde. Hoewel het een langetermijnoplossing is, waarvoor gekozen werd om dubbel werk zo veel mogelijk te beperken, stelde het concept "gedeelde diensten" de ECB in staat de toezichtsfunctie sneller van middelen te voorzien en de kosten te drukken, met name tijdens de aanvangsfase. Het droeg er eveneens toe bij om de expertise van de ECB op het gebied van macro-economisch beleid en financiële stabiliteit te benutten en om dubbel werk bij het verzamelen van gegevens en het verrichten van administratieve taken terug te dringen. Dat aspect wordt ook weerspiegeld in overweging 14 van Besluit ECB/2014/39, luidens welk ‘[…] dient effectieve scheiding van de monetaire beleidsfunctie en de toezichtfunctie niet in de weg te staan aan het profijt trekken, waar mogelijk en gewenst, van alle voordelen die verwacht kunnen worden als resultaat van het combineren van deze twee beleidsfuncties in dezelfde instelling […]’.

In 2017 evalueerde de ECB de activiteiten van de organisatie-eenheden van de ECB en verschafte ze meer duidelijkheid over de definitie van het concept "gedeelde diensten. Het was de bedoeling de tenuitvoerlegging van het concept "gedeelde diensten’ verder te verbeteren op grond van de sinds 2014 opgedane ervaring en te voldoen aan de aanbeveling van de Europese Rekenkamer met betrekking tot de mogelijke risico’s i.v.m. het aanwenden van gedeelde diensten.

De organisatie-eenheden die aangewezen worden als "gedeelde diensten" zijn die welke:

  1. ondersteunende functies vervullen ten gunste van zowel de centralebankfunctie als de bankentoezichtsfunctie;
  2. kernfuncties vervullen ten behoeve van zowel de toezichtsfunctie als de centralebankfunctie, op voorwaarde dat die functies ondersteunende diensten zijn en daarbij geen aanleiding wordt gegeven tot belangenconflicten.

Met toepassing van die definitie en gelet op de opzet van de organisatie van de ECB, zijn de organisatie-eenheden die geacht worden gedeelde diensten te zijn: Interne Audit, Algemeen Beheer, Communicatie, Financiën, Human Resources, Informatiesystemen, Secretariaat, Organisatorische Effectiviteit, Beheer Operationeel Risico en Bedrijfscontinuïteit, Juridische Zaken en Statistieken.

De beoordeling van potentiële risico’s als gevolg van het beroep op gedeelde diensten bevestigde dat de genomen maatregelen de geconstateerde potentiële risico’s voldoende tot een minimum beperken.

Met betrekking tot het theoretisch risico dat het gebruik van gedeelde diensten belangenconflicten zou kunnen veroorzaken die de beleidsvorming van de ECB in het gedrang zouden kunnen brengen, werd ervoor gezorgd dat de overgrote meerderheid van de organisatie-eenheden die gedeelde diensten verstrekken, ofwel over geen relevante informatie beschikken, ofwel niet de kans hebben – als onderdeel van hun normale bedrijfsactiviteiten – de besluitvorming op enige wijze te beïnvloeden. In de overige organisatie-eenheden werd een scheidingsbeginsel ten uitvoer gelegd.

Het gevaar van een onevenwichtige behandeling van verzoeken (bv. i.v.m. indienstnemingen, vertalingen, IT), als gevolg van de ongepaste prioritering van verzoeken van hetzij de centralebankfunctie, hetzij de bankentoezichtsfunctie, wordt in alle organisatie-eenheden die gedeelde diensten verstrekken, door verscheidene maatregelen beheerst. Tot die maatregelen behoren reguliere projecties inzake de verzameling en de planning van verzoeken, de mogelijkheid om een beroep te doen op externe aanbieders ingeval de middelen krap zijn of een specifiek forum om de gedachtewisseling tussen cliënten en dienstverleners te faciliteren.

Voorts werd in 2016 een ECB-brede strategischeplanningsbenadering ingevoerd, waarbij alle organisatie-eenheden betrokken waren. Daarbij werd een formeel proces opgezet om rekening te houden met de financiële noden en de behoeften inzake personeelsbezetting van de diverse organisatie-eenheden. Het resultaat werd weerspiegeld in de begroting van de ECB, waarin de uitgaven voor de toezichtstaken afzonderlijk herkenbaar zijn en waarover de Voorzitter en de Vicevoorzitter van de Raad van Toezicht vóór de goedkeuring ervan geraadpleegd worden.

Kader 4
De uitdagingen van meertalige communicatie in het Europese bankentoezicht

De ECB heeft er zich toe verbonden te worden begrepen door en toegankelijk te zijn voor alle relevante belanghebbenden in het eurogebied en de EU. Ze stelt daarvoor alle noodzakelijke en wettelijke informatie beschikbaar in andere talen dan het Engels. Dat is een constante in de externe communicatie van de ECB sinds 1998. Sinds de ECB het Europese bankentoezicht heeft overgenomen in 2014, heeft die verbintenis een nieuwe dimensie gekregen, met name in de communicatie tussen de ECB en de onder toezicht staande entiteiten.

Krachtens de SSM-verordening hebben de entiteiten die onder rechtstreeks toezicht van de ECB staan het recht om te kiezen in welke taal ze met de ECB communiceren. Ongeveer 40 banken maken van dat recht gebruik en communiceren met de ECB in andere talen dan het Engels. Van die talen is het Duits de meest gekozen taal, namelijk door 22 banken. Voor de ECB heeft dat geleid tot een aanzienlijke stijging van de vraag naar vertaaldiensten. In 2017 alleen werden ongeveer 72.500 bladzijden vertaald in en uit het Engels voor de communicatie over het toezicht.

Om aan die stijgende vraag te voldoen, moest de ECB niet alleen meer personeel inzetten in de vertaaldiensten, maar ook haar bedrijfsmodel zodanig aanpassen dat de capaciteit op korte tijd flexibel kan worden uitgebreid om vraagpieken op te vangen. Een model dat gebaseerd is op het principe van gemeenschappelijke diensten voor de toezichts- en de centralebankpijlers is veel efficiënter gebleken dan een model op basis van SSM-specifieke taaldiensten.

Grafiek A
Vraag naar de ECB-taaldiensten 2013-2017

Bron: ECB.

Het is van groot belang dat de rechtshandelingen en rechtszaakdocumenten, zowel in het Engels als in de andere belangrijke SSM-talen, kwalitatief hoogstaand zijn. Alle relevante belanghebbenden, en in het bijzonder EU-burgers, kunnen hun rechten en plichten beter begrijpen en interpreteren wanneer de juridische documenten van de ECB duidelijk, consistent en beknopt zijn in alle relevante officiële EU-talen, en voldoen aan de EU-regels voor het opstellen van wetgeving en voor juridische vertalingen.

In 2017 was de vraag naar revisie en vertaling van juridische documenten inzake bankentoezicht goed voor in totaal 23.450 bladzijden bovenop het niet-juridische redactie- en vertaalwerk, waarvan:

  • 6.000 bladzijden rechtshandelingen voor vertaling in alle officiële EU-talen;
  • 5.150 bladzijden juridische documenten voor revisie in het Engels;
  • 12.300 bladzijden juridische documenten voor vertaling in specifieke talen van het eurogebied.

Voor individuele toezichtbesluiten en andere SSM-gerelateerde documenten, produceerde de ECB 4.260 bladzijden juridische vertaling in het Duits, 2.790 bladzijden in het Frans, 2.060 bladzijden in het Engels en 1.740 bladzijden in de overige talen van het eurogebied.


5.7 Kader voor de rapportage van gegevens en informatiemanagement

Ontwikkelingen in het kader voor gegevensrapportage

Krachtens de SSM-Kaderverordening organiseert de ECB de processen met betrekking tot de verzameling en kwaliteitscontrole van gegevens die door onder toezicht staande entiteiten zijn gerapporteerd.[88] Het gaat er met name om ervoor te zorgen dat het SSM betrouwbare en juiste toezichtsgegevens gebruikt.

Voor de verzameling van toezichtsgegevens wordt een sequentiële aanpak gehanteerd, waarbij NCA’s worden betrokken

Voor de gegevensstroom wordt een “sequentiële aanpak”[89] gehanteerd, waarbij de ECB nauw samenwerkt met de NCA’s, die als eerste de prudentiële rapporten van kredietinstellingen ontvangen en er de eerste kwaliteitscontroles op uitvoeren. De ECB werkt ook rechtstreeks samen met onder toezicht staande instellingen die direct aan de ECB rapporteren.

De sequentiële aanpak wordt momenteel verbeterd, zowel voor de korte als voor de lange termijn. Bij de aanpak voor de korte termijn, wordt NCA’s gevraagd om uiterlijk op de door de ECB gestelde deadline gegevens naar de ECB te sturen, ongeacht of de fouten die de interne validatieregels hebben opgeleverd, al dan niet hersteld zijn. Die aanpak beoogt ervoor te zorgen dat (i) de tijd tussen het insturen van de rapporten door de banken en de beschikbaarheid van de gegevens voor de toezichthouders van het SSM wordt verkort en dat (ii) de NCA/ECB-databases inhoudelijk op elkaar worden afgestemd. De NCA’s werden verzocht de kortetermijnoplossing te gebruiken voor alle sinds het tweede kwartaal van 2017 geproduceerde gegevens. Met de langetermijnaanpak wordt beoogd best practices in alle NCA’s te bepalen en op elkaar af te stemmen. De harmonisatie van methodes voor het verzamelen van toezichtsgegevens van onder toezicht staande instellingen en voor het indienen van die gegevens bij de ECB wordt thans besproken.

Toezichtsgegevens worden gedeeld met belanghebbenden

Zodra de ECB de gerapporteerde gegevens ontvangen heeft, worden ze naar het Informatiemanagementsysteem voor het SSM (IMAS) doorgestuurd, zodat ze beschikbaar worden voor eindgebruikers als de JST’s en de horizontale functies van ECB-Bankentoezicht. Geselecteerde gegevens van een deel van de instellingen (vooral belangrijke instellingen) worden bij ontvangst ook doorgestuurd naar de EBA en de SRB.

Gegevens worden maandelijks, driemaandelijks, zesmaandelijks of jaarlijks verzameld (de frequentie varieert); gegevens zijn beschikbaar vanaf de referentieperiode van december 2014 (voor zover van toepassing).

In de loop van 2017 en na de officiële publicatie van de onderliggende rechtshandelingen[90] werd de toezichtdataset uitgebreid met gegevens over toezichtsbenchmarks en financieringsplannen en werden wijzigingen aangebracht in het FINREP-rapportagekader.

Toezichtsgegevens zijn onderworpen aan kwaliteitsvereisten

De ECB beoordeelt de kwaliteit van de toezichtsgegevens ingediend krachtens zowel de door de EBA gepubliceerde technische uitvoeringsnormen als ad hoc kortlopende exercities (short term exercises - STE). Het dashboard voor gegevenskwaliteit per instelling (Data Quality Dashboard per Institution) speelt in dat verband een sleutelrol. Het verstrekt een beoordeling en vat de kwaliteit van de door een instelling gerapporteerde gegevens op gebruikersvriendelijke wijze samen. Het Dashboard werd in 2017 sterk verbeterd, teneinde informatie te verstrekken over belangrijke indicatoren van de kwaliteit van de gegevens en het overleg over aangelegenheden inzake gegevenskwaliteit tussen toezichthouders en onder toezicht staande entiteiten te faciliteren.

Geaggregeerde toezichtsgegevens en verslaggeving krachtens Pijler 3 worden gepubliceerd op de website van ECB-Bankentoezicht

Naast de dashboards, produceert de ECB regeImatig toezichtdatasets, belangrijke risico-indicatoren en verslagen voor toezichthouders. Bovendien worden elk kwartaal geaggregeerde bankgegevens over belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau op de website van ECB-Bankentoezicht gepubliceerd.[91] Die gegevens werden in 2017 sterk uitgebreid: er zijn statistieken bijgekomen over de hefboomratio en de liquiditeitsdekkingsratio, alsook grondiger uitsplitsingen (bv. per land en per bankclassificatie). Jaarlijks publiceert de ECB ook indicatoren inzake solvabiliteit en hefboomwerking op bankniveau, die door de banken conform de Pijler 3-vereisten worden bekendgemaakt.

Informatiemanagement voor het SSM – IMAS

In 2017 heeft het Informatiemanagementsysteem voor het SSM (Information Management System for the SSM - IMAS) een significante ontwikkeling ondergaan.

Er werden nieuwe modules uitgewerkt om specifieke SSM-processen beter te ondersteunen: de analyses van interne modellen en sanctieprocedures werden bijvoorbeeld geïntegreerd en worden nu gemanaged in het IMAS.

Daarnaast werden bestaande modules uitgebreid teneinde ontwikkelingen in SSM-werkzaamheden en -methodologieën te weerspiegelen, in het bijzonder in verband met lopend toezicht, inspecties ter plaatse, operationele planning, de SREP en autorisatieprocedures.


6 Verslag van de begrotingsbesteding

De SSM-Verordening bepaalt dat de ECB over voldoende middelen moet kunnen beschikken om haar toezichtstaken doeltreffend uit te voeren. Deze middelen worden gefinancierd met een toezichtsvergoeding die ten laste komt van de entiteiten waarop de ECB toezicht houdt.

De uitgaven voor de toezichtstaken zijn afzonderlijk herkenbaar binnen de begroting van de ECB.[92] De begrotingsbevoegdheid van de ECB ligt bij de Raad van Bestuur. Op grond van een voorstel van de Directie en in overleg met de Voorzitter en de Vicevoorzitter van de Raad van Toezicht stelt dit orgaan de jaarlijkse begroting van de ECB vast voor zaken die verband houden met het bankentoezicht. De Raad van Bestuur wordt bijgestaan door het Begrotingscomité (Budget Committee – BUCOM), waarin alle nationale centrale banken van het Eurosysteem en de ECB zitting hebben. Hiertoe verstrekt het BUCOM aan de Raad van Bestuur beoordelingen over de verslagen van de ECB inzake begrotingsplanning en -toezicht. De stijging op jaarbasis van de totale uitgaven voor toezichtstaken is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de goedgekeurde toenames in 2017 van het totale aantal ECB-medewerkers dat werkzaam is in het bankentoezicht, alsook aan de start van de grootschalige meerjarige gerichte toetsing van interne modellen.

De ECB verwacht een beheerste stijging van de uitgaven in 2018, voornamelijk voor het rechtstreeks toezicht op de belangrijke instellingen. Hoewel de begrote uitgaven voor gewone taken gestabiliseerd zijn, zijn er nog steeds externe factoren die een toename van de middelen voor het komende jaar vereisen, zoals uiteengezet in Hoofdstuk 1 over de toezichtsprioriteiten voor 2018. Het gaat hier met name om de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU en de tweejaarlijkse stresstests voor toezichtsdoeleinden voor de belangrijke instellingen in 2018. Bijgevolg besloot de Raad van Bestuur in september 2017, zoals nader toegelicht in Paragraaf 5.4, om het aantal ECB-medewerkers dat werkzaam is in het bankentoezicht, verder te verhogen vanaf 2018.


6.1 Uitgaven voor 2017

De uitgaven van de ECB voor de uitvoering van haar taken die gelinkt zijn aan het toezicht bestaan hoofdzakelijk uit de directe uitgaven van de Directoraten-generaal voor ECB-Bankentoezicht en het secretariaat van de Raad van Toezicht. De toezichtsfunctie maakt ook gebruik van gemeenschappelijke diensten die door de bestaande organisatie-eenheden van de ECB worden verleend (zie Paragraaf 5.6.2).

De uitgaven in 2017 lagen 6% lager dan geraamd

In april 2017 stelde de Raad van Bestuur het ECB-besluit betreffende het in 2017 via toezichtsvergoedingen te verhalen bedrag vast. [93] In dit besluit werden de jaarlijkse uitgaven voor bankentoezichtstaken geraamd op € 464,7 miljoen. Eind 2017 bedroegen de uitgaven van de ECB voor toezichtstaken € 436,7 miljoen. Dit was 6% minder dan geraamd, wat leidde tot een overschot van € 27,9 miljoen ten opzichte van de geraamde uitgaven voor 2017. Overeenkomstig de toepasselijke Verordening van de ECB betreffende een vergoeding voor toezicht (“de Vergoedingenverordening”) zal dit overschot volledig worden afgetrokken van het totale bedrag dat in 2018 zal worden geheven.[94]

Tabel 7
Uitsplitsing van de uitgaven voor ECB-Bankentoezicht (2015-2017)

(EUR miljoen)

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.

Salarissen en voordelen

Onder salarissen en voordelen vallen alle salariskosten, inclusief overwerk, toeslagen en kosten voor voordelen na beëindiging van het dienstverband en andere langetermijnvoordelen, voor toezichtsmedewerkers en voor medewerkers van de gemeenschappelijke diensten.

De werkelijke uitgaven voor salarissen en voordelen in 2017 beliepen € 215,0 miljoen, of 103% van de totale geplande uitgaven voor bankentoezichtstaken. De overbesteding in deze categorie kan worden toegeschreven aan de opname van € 12 miljoen voor voordelen na beëindiging van het dienstverband voor medewerkers, zoals pensioenuitkeringen en andere langetermijnvoordelen (bijvoorbeeld bij arbeidsongeschiktheid). Deze voordelen werden gewaardeerd op basis van de International Accounting Standard IAS 19 (Personeelsbeloningen). In deze boekhoudkundige standaard wordt het beginsel vastgelegd dat de kosten voor personeelsbeloningen moeten worden opgenomen in de periode waarin de beloning wordt verdiend door de werknemer, en niet wanneer deze wordt of dient te worden betaald.

Huur en onderhoud gebouwen

De werkelijke uitgaven voor de huur en het onderhoud van de gebouwen, waaronder de afschrijving op gebouwgebonden activa, bedroegen aan het einde van het boekjaar € 53,0 miljoen. De kosten voor 2017 komen overeen met de kosten die werden geraamd in het ECB-besluit betreffende het in 2017 via toezichtsvergoedingen te verhalen bedrag.

Overige bedrijfskosten

De post "overige bedrijfskosten" omvat kosten voor bijvoorbeeld consultancy, statistische en IT-diensten, afschrijvingen op vaste activa (behalve gebouwgebonden activa), zakenreizen en opleidingen.

De begrotingsresultaten in deze post beliepen algemeen beschouwd € 168,8 miljoen. De onderbesteding is grotendeels het gevolg van een overschatting van de begrotingsbehoeften voor activiteiten zoals zakenreizen en opleidingen en van lager dan geplande uitgaven voor consultancydiensten.

De grootste afzonderlijke activiteit die in deze post kosten oplevert, is het meerjarige TRIM-project. In 2017 bedroegen de kosten van de gerelateerde externe ondersteuning € 45,1 miljoen, wat neerkomt op een onderbesteding van € 10,9 miljoen ten opzichte van de oorspronkelijke begrotingsraming. Het project zal naar verwachting in 2019 voltooid zijn. Meer informatie over het TRIM-project is te vinden in Paragraaf 1.5.

Naast het TRIM-project omvatten de overige bedrijfskosten in 2017 de externe ondersteuning voor de uitvoering van “reguliere” taken voor het toezicht ter plaatse, de voorbereiding op de gevolgen van de wijzigingen in de IFRS 9 (Financiële Instrumenten) en de voorbereiding op de brexit. Al deze elementen worden toegelicht in de Hoofdstukken 1 en 3.

Uitgaven in 2017 per toezichtstaak

De ECB groepeert haar kosten op basis van twee benaderingen: (i) de “waarvoor”-benadering, die blijkt uit de bovenstaande categorieën van uitgaven voor lonen en voordelen, huur en diensten voor het onderhoud van de gebouwen en overige bedrijfskosten, en (ii) de “waarom”-benadering, een classificatie die gebaseerd is op taakgerichte functies. De ECB gebruikt deze classificaties ook voor de verdeling van de jaarlijkse kosten die via jaarlijkse toezichtsvergoedingen moeten worden verhaald van onder toezicht staande entiteiten, op basis van de toezichtsstatus van deze laatste als belangrijke of minder belangrijke entiteit.

Voor de toezichtstaken van de ECB zijn de voornaamste op activiteiten gebaseerde groepen:

  • rechtstreeks toezicht op belangrijke banken of bankgroepen;
  • oversight op het toezicht (indirect toezicht) op minder belangrijke banken of bankgroepen;
  • uitvoering van horizontale taken en levering van gespecialiseerde diensten.

De classificatie wordt vastgesteld op basis van de kosten die worden gemaakt door de organisatie-eenheden van de ECB die verantwoordelijk zijn voor de respectieve toezichtstaken. De kostencategorie voor het rechtstreeks toezicht op belangrijke banken of bankgroepen bestaat grotendeels uit de kosten van de JST’s en van de inspecties ter plaatse, alsook uit de kosten die verband houden met het TRIM-project. Het oversight op het toezicht op de minder belangrijke banken of bankgroepen omvat oversight-activiteiten en taken in verband met autorisaties. De horizontale taken en gespecialiseerde diensten hebben betrekking op activiteiten zoals de werkzaamheden van het secretariaat van de Raad van Toezicht, macroprudentiële taken, toezichtbeleidsvorming, statistische diensten en gespecialiseerde juridische diensten.

In de in artikel 8 van de Vergoedingenverordening vastgelegde methodologie voor de verdeling van de jaarlijkse toezichtsvergoedingen wordt bepaald dat de kosten voor horizontale taken en gespecialiseerde diensten evenredig worden toegerekend op basis van de totale kosten voor het toezicht op, respectievelijk, de belangrijke banken onder toezicht en de minder belangrijke banken onder toezicht.

Voor elke groep omvatten de onderstaande kosten de toewijzing van de gemeenschappelijke diensten die worden aangeboden door de ondersteunende organisatie-eenheden van de ECB.

Tabel 8
Kosten van de toezichtstaken van de ECB per functie (2015-2017)

(EUR miljoen)

Bron: ECB.
Toelichting: De opgetelde subtotalen kunnen door afronding enigszins afwijken van het totaalbedrag.


6.2 Vergoedingenkader 2017

Samen met de SSM-Verordening voorziet de Vergoedingenverordening in het juridisch kader voor de heffing door de ECB van een jaarlijkse toezichtsvergoeding voor de uitgaven voor haar toezichtstaken.

In de Vergoedingenverordening is vastgelegd volgens welke methode:

  1. het totale bedrag van de jaarlijkse toezichtsvergoeding wordt bepaald;
  2. het bedrag wordt berekend dat elke onder toezicht staande instelling verschuldigd is;
  3. de jaarlijkse toezichtsvergoeding wordt geïnd.

Update over de herziening van het kader voor toezichtsvergoedingen van de ECB

In 2017 is de ECB begonnen met een herziening van haar kader voor toezichtsvergoedingen. Deze herziening is gericht op de methodologie en de criteria voor de berekening van de jaarlijkse toezichtsvergoeding die bij elke onder toezicht staande entiteit en groep moet worden geheven. Dit betreft met name de voorzieningen van de Vergoedingenverordening die van belang zijn voor het vaststellen van de methodologie op basis waarvan de jaarlijkse toezichtsvergoeding wordt berekend, toegerekend en geheven, namelijk Deel III (Vaststelling van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht) en Deel V (Facturatie) van de Vergoedingenverordening. Het verhalen van de uitgaven van de ECB voor de uitvoering van haar toezichtstaken wordt vastgesteld in artikel 30 van de SSM-Verordening en valt bijgevolg niet binnen het toepassingsgebied van de herziening.

De ECB hield een openbare raadpleging over de herziening van het kader voor toezichtsvergoedingen van 2 juni tot en met 20 juli 2017. In totaal werden er 13 antwoorden ontvangen, hoofdzakelijk van verenigingen van banken. Ter vergelijking: in 2014, toen het kader werd opgezet, werden er 31 antwoorden ontvangen. De NCA’s werden geraadpleegd via de Raad van Toezicht.

Deze herziening is nog niet afgerond, maar een voorlopige beoordeling van de reacties wijst erop dat de voornaamste voorzieningen en beginselen van het kader goed worden onthaald. De meeste respondenten vroegen om aanvullende verduidelijkingen over bepaalde elementen van het kader en/of om procesgerelateerde verbeteringen zoals een meer gestroomlijnde procedure voor het verzamelen van statistische gegevens (vergoedingsfactoren). Waar mogelijk heeft de ECB in 2017 “quick wins” toegepast op basis van de ontvangen reacties, zoals verbeteringen aan de inhoud van haar website.

De resultaten van de herziening zullen in de tweede helft van 2018 worden gepubliceerd op de website van ECB-Bankentoezicht.

Totaal geheven bedrag

Vergoedingen van € 425 miljoen geheven door de ECB voor de uitoefening van toezichtstaken

In 2017 hief de ECB in totaal € 425,0 miljoen aan vergoedingen voor de uitgaven voor haar toezichtstaken. Dit bedrag is gebaseerd op de verwachte uitgaven voor het hele jaar, namelijk € 464,7 miljoen, met inachtneming van de volgende aanpassingen: (i) het overschot van € 41,1 miljoen dat is overgedragen van de vergoedingsperiode 2016, en (ii) de € 1,4 miljoen die werd terugbetaald aan individuele banken voor eerdere vergoedingsperioden.

Het via jaarlijkse toezichtsvergoedingen te heffen bedrag wordt in tweeën gedeeld. Deze verdeling is gebaseerd op de status van de onder toezicht staande entiteiten als belangrijke of minder belangrijke instellingen, en weerspiegelt het verschil in intensiteit van het toezicht door de ECB.

Tabel 9
Totale inkomsten uit bankentoezichtstaken

(EUR miljoen)

Bron: ECB.

Zoals toegelicht in Paragraaf 6.1 is er een netto-overschot van € 27,9 miljoen tussen de werkelijke uitgaven voor bankentoezichtstaken in 2017 en het bedrag dat hetzelfde jaar werd geheven. De uitgaven worden verdeeld tussen de categorieën van belangrijke en minder belangrijke banken op basis van het aandeel van de kosten voor de desbetreffende functies in 2017. Aangezien de werkelijke kosten voor het rechtstreeks toezicht op de belangrijke banken lager zijn dan gepland, is het evenwicht van de verdeling van de uitgaven voor horizontale taken verschoven in de richting van de categorie van de minder belangrijke banken. In het besluit van april 2017 werd de verdeling geraamd op 92% voor belangrijke banken onder toezicht en 8% voor minder belangrijke banken onder toezicht. De werkelijke verhouding op basis van de werkelijke uitgaven komt neer op 91% voor belangrijke banken onder toezicht en 9% voor minder belangrijke banken onder toezicht. Dit betekent dat er een tekort is in het totale bedrag dat voor 2017 werd geheven bij minder belangrijke banken, en dat de minder belangrijke banken € 2,3 miljoen extra zullen moeten betalen bovenop de vergoeding voor 2018. Ondanks deze aanpassing was de vergoeding voor minder belangrijke banken in 2017 lager dan die welke hun in 2016 werd aangerekend, namelijk € 39,3 miljoen ten opzichte van € 43,7 miljoen.

Individuele toezichtsvergoedingen

Op bankniveau worden de vergoedingen berekend op basis van het belang en het risicoprofiel van de bank, aan de hand van jaarlijkse vergoedingsfactoren die door alle onder toezicht staande banken worden verstrekt, met als referentiedatum 31 december van het voorgaande jaar. De per bank berekende toezichtsvergoeding wordt vervolgens jaarlijks in rekening gebracht en dient in het laatste kwartaal van elk boekjaar te worden betaald.

Als antwoord op de reacties die via de openbare raadpleging werden ontvangen over het kader voor toezichtsvergoedingen, werden de webpagina’s over toezichtsvergoedingen in oktober 2017 (tegelijkertijd met de uitgifte van de kennisgevingen voor de jaarlijkse vergoeding) aangevuld met een verbeterde rubriek om de eigen vergoeding in te schatten. Met behulp van de aanvullende gegevens en de vermelde voorbeelden kunnen de onder toezicht staande banken en bankgroepen hun eigen toezichtsvergoeding beter inschatten.

De toezichtsvergoeding wordt vastgesteld op het hoogste consolidatieniveau binnen de lidstaten die deelnemen aan het SSM en omvat een variabele vergoedingscomponent en een minimumvergoedingscomponent. Deze laatste component is op alle banken gelijk van toepassing en is goed voor 10% van het totale bedrag dat moet worden verhaald.[95]

Figuur 8
De variabele vergoedingscomponent wordt bepaald op basis van het belang en het risicoprofiel van de bank

In artikel 7 van de Vergoedingenverordening wordt bepaald dat de volgende wijzigingen in de situatie van een individuele bank een aanpassing van de overeenkomstige toezichtsvergoeding vereisen: (i) een verandering in de toezichtsstatus van de onder toezicht staande entiteit, d.w.z. de entiteit wordt geherclassificeerd van belangrijke naar minder belangrijke instelling of omgekeerd; (ii) er wordt een vergunning verleend aan een nieuwe onder toezicht staande entiteit; of (iii) een bestaande vergunning wordt ingetrokken. De wijzigingen met betrekking tot eerdere vergoedingsperioden die leidden tot nieuwe besluiten inzake toezichtsvergoedingen van de ECB, en dit tot april 2017, toen het totale bedrag van in 2017 te verhalen vergoedingen werd vastgelegd, vertegenwoordigden in totaal € 1,4 miljoen. Dat bedrag werd begin 2017 terugbetaald en in aanmerking genomen bij de vaststelling van het totale bedrag dat moest worden geheven, zoals goedgekeurd in april 2017. Daarna werden aanvullende wijzigingen vastgesteld in individuele toezichtsvergoedingen, waardoor € 0,3 miljoen netto extra werd terugbetaald. Dit bedrag zal in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het totale bedrag dat in 2018 zal worden geheven bij de onder toezicht staande entiteiten.

Meer informatie over toezichtsvergoedingen is te vinden op de website van ECB-Bankentoezicht. De relevante pagina's zijn beschikbaar in alle officiële talen van de EU en worden regelmatig bijgewerkt met nuttige, praktische informatie.

Andere inkomsten in verband met bankentoezichtstaken

De ECB heeft het recht om administratieve boetes op te leggen aan onder toezicht staande entiteiten voor het niet-naleven van verplichtingen uit hoofde van de prudentiële regelgeving voor banken in de EU (waaronder de toezichtsbesluiten van de ECB). De daarmee verband houdende inkomsten worden niet in aanmerking genomen in de berekening van de jaarlijkse toezichtsvergoedingen. De Vergoedingenverordening van de ECB garandeert dat de toezichtsvergoeding geenszins wordt beïnvloed door schadevergoedingen die aan derden moeten worden betaald of door administratieve boetes (sancties) die aan de ECB moeten worden betaald door entiteiten onder toezicht. De administratieve boetes voor entiteiten onder toezicht worden als inkomsten geboekt in de winst-en-verliesrekening van de ECB.

In 2017 stelde de ECB drie sanctiebesluiten vast, waarbij vijf boetes van in totaal € 15,3 miljoen werden opgelegd. Voor € 11,2 miljoen van dit bedrag wordt het onzeker geacht of het zal kunnen worden geïnd, aangezien de bankvergunning van de entiteit waaraan de boete is opgelegd, ingetrokken is en de entiteit zich momenteel in liquidatie bevindt. Overeenkomstig het voorzichtigheidsbeginsel werd aan het eind van het jaar een voorziening gevormd voor het volledige bedrag van deze vordering.

Gedetailleerde informatie over de handhavings- en sanctieactiviteiten is te vinden in Paragraaf 4.2 van dit verslag.


7 Door de ECB vastgestelde rechtsinstrumenten

De onderstaande tabel bevat de rechtsinstrumenten voor het bankentoezicht die de ECB in 2017 heeft vastgesteld en gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of op de website van de ECB. Het gaat om rechtsinstrumenten die zijn vastgesteld krachtens artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en andere toepasselijke rechtsinstrumenten.


7.1 ECB-Verordeningen

ECB/2017/25
Verordening (EU) 2017/1538 van de Europese Centrale Bank van 25 augustus 2017 tot wijziging van Verordening (EU) 2015/534 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (PB L 240 van 19.9.2017, blz. 1)

ECB/2017/26
Verordening (EU) 2017/1539 van de Europese Centrale Bank van 25 augustus 2017 houdende vaststelling van de datum van toepassing van Verordening (EU) 2017/1538 tot wijziging van Verordening (EU) 2015/534 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (ECB/2017/25) aan minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten waarop nationale kaders voor financiële verslaglegging van toepassing zijn (PB L 240 van 19.9.2017, blz. 212)


7.2 Andere rechtsinstrumenten van de ECB dan verordeningen

ECB/2017/6
Besluit (EU) 2017/274 van de Europese Centrale Bank van 10 februari 2017 houdende vaststelling van de beginselen voor feedbackverstrekking aan subcoördinatoren van bevoegde nationale autoriteiten en tot intrekking van Besluit (EU) 2016/3 (PB L 40 van 17.2.2017, blz. 72)

ECB/2017/9
Richtsnoer (EU) 2017/697 van de Europese Centrale Bank van 4 april 2017 betreffende de wijze waarop nationale bevoegde autoriteiten met betrekking tot minder belangrijke instellingen gebruikmaken van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (PB L 101 van 13.4.2017, blz. 156)

ECB/2017/10
Aanbeveling van de Europese Centrale Bank van 4 april 2017 betreffende gemeenschappelijke specificaties voor de wijze waarop nationaal bevoegde autoriteiten ten overstaan van minder belangrijke instellingen gebruikmaken van enkele keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (PB L 120 van 13.4.2017, blz. 2)

ECB/2017/11
Besluit (EU) 2017/760 van de Europese Centrale Bank van 24 april 2017 betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017 (PB L 113 van 29.4.2017, blz. 52)

ECB/2016/40
Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14)

ECB/2016/41
Besluit (EU) 2017/934 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende de delegatie van besluiten inzake de significantie van onder toezicht staande entiteiten (PB L 141 van 1.6.2017, blz. 18)

ECB/2016/42
Besluit (EU) 2017/935 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten en de beoordeling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten (PB L 141 van 1.6.2017, blz. 21)

ECB/2017/16
Besluit (EU) 2017/936 van de Europese Centrale Bank van 23 mei 2017 houdende de benoeming van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten (PB L 141 van 1.6.2017, blz. 26)

ECB/2017/17
Besluit (EU) 2017/937 van de Europese Centrale Bank van 23 mei 2017 tot benoeming van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake de significantie van onder toezicht staande entiteiten (PB L 141 van 1.6.2017, blz. 28)

ECB/2017/21
Besluit (EU) 2017/1198 van de Europese Centrale Bank van 27 juni 2017 betreffende de rapportage van financieringsplannen van kredietinstellingen door nationale bevoegde autoriteiten aan de Europese Centrale Bank (PB L 172 van 5.7.2017, blz. 32)

ECB/2017/23
Besluit (EU) 2017/1493 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2017 houdende wijziging van Besluit ECB/2014/29 betreffende de verstrekking aan de Europese Centrale Bank van toezichtgegevens die de onder toezicht staande entiteiten overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie aan de nationale bevoegde autoriteiten gerapporteerd hebben (PB L 216 van 22.8.2017, blz. 23)


8 De Europese banksector in cijfers

Voornaamste tendensen op het gebied van hefboom- en liquiditeitsindicatoren opgenomen in de gegevens gepubliceerd op de website voor ECB-Bankentoezicht

Sinds december 2016 publiceert de ECB op haar website voor bankentoezicht geaggregeerde gegevens over de balanssamenstelling, winstgevendheid, solvabiliteit en kredietrisico's van belangrijke instellingen. In 2017 werd besloten om ook gegevens te publiceren over de hefboom- en liquiditeitsdekkingsratio’s. Deze statistieken over het bankentoezicht worden op kwartaalbasis verstrekt en bevatten uitsplitsingen naar de locatie en de classificatie van de banken.

Hieronder worden een aantal belangrijke statistieken met betrekking tot de verslagperiode weergegeven. Er zij opgemerkt dat er voor de verschillende referentieperiodes verschillende steekproeven van banken werden gebruikt, aangezien de lijst van belangrijke instellingen is veranderd.

In de meest recente rapportageperioden kan een tendens naar hogere kapitaalratio's worden opgetekend op het hoogste consolidatieniveau (zie Tabel 10). In het derde kwartaal van 2017 bedroeg de totale kapitaalratio 17,98%, een stijging ten opzichte van de 17,18% een jaar eerder. Gelijkaardige stijgingen kunnen worden opgetekend voor de CET1-ratio en de Tier 1-ratio. De hefboomratio nam licht toe volgens zowel de overgangsdefinitie als de volledig ingefaseerde definitie. In het derde kwartaal van 2017 bedroeg de liquiditeitsdekkingsratio 140,27%, een stijging ten opzichte van de 137,64% een jaar eerder.

Tabel 10
Totale kapitaalratio en componenten ervan, hefboomratio en liquiditeitsdekkingsratio, per referentieperiode

(procenten)

Bron: ECB.
Toelichting: Belangrijke instellingen op het hoogste consolidatieniveau waarvoor gemeenschappelijke rapportage over kapitaaltoereikendheid (COREP) en financiële rapportage (FINREP) beschikbaar zijn. Meer specifiek waren er 122 belangrijke instellingen in het derde kwartaal van 2016, 121 in het vierde kwartaal van 2016, 118 in het eerste kwartaal van 2017 en 114 in het tweede en in het derde kwartaal van 2017. Het aantal entiteiten per referentieperiode weerspiegelt veranderingen die voortvloeien uit aanpassingen in de lijst van belangrijke instellingen ten gevolge van beoordelingen door ECB-Bankentoezicht, die gewoonlijk jaarlijks plaatsvinden, en uit fusies en overnames.

De kwaliteit van de activa verbetert

Ook de kwaliteit van de activa van de banken is verbeterd doordat de totale NPL-ratio gestaag terugloopt, van 6,49% in het derde kwartaal van 2016 tot 5,15% in het derde kwartaal van 2017 (zie Grafiek 13).

Grafiek 13
Activakwaliteit: niet-renderende leningen en voorschotten per referentieperiode

Bron: ECB.
Toelichting: steekproef zoals in Tabel 10.

De balanssamenstelling blijft stabiel (terwijl de steekproefomvang verandert)

De totale activa en verplichtingen van de banken (zie Grafiek 14 en Grafiek 15) weerspiegelen de gegevens voor de (veranderende) steekproef van entiteiten op specifieke tijdstippen. Gelet hierop zijn de voornaamste balansposten stabiel gebleven in de tijd, hoewel de samenstelling van de activa wijst op een stijgende tendens voor de balanspost “kasmiddelen, tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito's” en een dalende tendens voor balansposten “schuldtitels” en “derivaten”. Daarnaast wijst de samenstelling van de verplichtingen op een dalende tendens voor “derivaten” en “uitgegeven schuldtitels” en op een lichte stijging voor “deposito’s”.

Grafiek 14
Samenstelling van de activa per referentieperiode

(EUR miljard)

Bron: ECB.
Toelichting: steekproef zoals in Tabel 10.

Grafiek 15
Samenstelling van verplichtingen en aandelenvermogen per referentieperiode

(EUR miljard)

Bron: ECB.
Toelichting: steekproef zoals in Tabel 10.


9 Lijst van termen

Activa van niveau 1, 2 en 3: Activa worden onderverdeeld in drie categorieën op basis van de inputs die worden gebruikt om de waarde ervan te bepalen. Activa van niveau 1 worden verhandeld op actieve markten en kunnen dus worden gewaardeerd aan de hand van inputs zoals genoteerde prijzen. Activa van niveau 2 worden verhandeld op inactieve markten en vereisen dus andere inputs dan de genoteerde prijzen die worden gebruikt voor activa van niveau 1. Deze inputs moeten rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen worden waargenomen. Activa van niveau 3 worden verhandeld op markten met geen of zeer weinig activiteit. Bijgevolg zijn er geen waarneembare gegevens beschikbaar om deze activa te waarderen, en moeten zij worden gewaardeerd op basis van de beste beschikbare informatie over de aannames die marktdeelnemers bij de prijsstelling van dergelijke activa gebruiken.

Alomvattende beoordeling: financiële gezondheidscontroles die de ECB moet uitvoeren alvorens ze het rechtstreeks toezicht op een kredietinstelling op zich kan nemen. Alomvattende beoordelingen helpen ervoor te zorgen dat de banken voldoende kapitaal aanhouden en mogelijke financiële schokken kunnen opvangen. Deze beoordeling omvat een activakwaliteitsbeoordeling en een stresstest.

Bankenunie: een van de bouwstenen voor de voltooiing van de Economische en Monetaire Unie, bestaand uit een geïntegreerd financieel kader met een gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, een gemeenschappelijk mechanisme voor de afwikkeling van banken en een single rulebook (gemeenschappelijk reglement), met name inzake geharmoniseerde depositogarantiestelsels, die zich tot een gemeenschappelijk Europees depositogarantiestelsel zouden kunnen ontwikkelen.

Bazel III: een uitgebreide reeks hervormingsmaatregelen die werd ontwikkeld door het Bazels Comité voor Bankentoezicht als reactie op de financiële crisis van 2008. Bazel III bouwt voort op de regelgeving van Bazel II en heeft als doel de regelgeving voor, het toezicht op en het risicomanagement van de banksector te versterken. Deze maatregelen beogen het weerstandsvermogen van de banksector tegen schokken als gevolg van financiële en economische stress te vergroten, het risicomanagement en de governance te verbeteren en de transparantie en berichtgeving van de banken te versterken.

Bazels Comité voor Bankentoezicht (Basel Committee on Banking Supervision – BCBS): de voornaamste instelling die op mondiaal niveau standaarden voor bancaire prudentiële regelgeving opstelt en uitgeeft, en een forum voor samenwerking op het gebied van bankentoezicht. Het heeft als opdracht de regelgeving voor, het toezicht op en de praktijken van banken wereldwijd te versterken, teneinde de financiële stabiliteit te bevorderen. De ledenlijst van het BCBS omvat organisaties die bevoegd zijn voor het rechtstreeks toezicht op de banken, evenals centrale banken.

Belangrijke instelling (significant institution – SI): de criteria om te bepalen of een bank als belangrijk wordt beschouwd – en dus onder het rechtstreeks toezicht van de ECB staat – worden vastgelegd in de SSM-Verordening en de SSM-Kaderverordening. Banken moeten aan ten minste één van deze criteria voldoen om als belangrijk te worden beschouwd. Ongeacht of aan de criteria wordt voldaan, kan het SSM een instelling als belangrijk aanmerken teneinde te waarborgen dat hoge toezichtsnormen consequent worden toegepast. In totaal ziet de ECB rechtstreeks toe op 118 belangrijke bankgroepen.

Europese Bankautoriteit (European Banking Authority – EBA): een onafhankelijke EU-autoriteit die op 1 januari 2011 werd opgericht als onderdeel van het Europees Systeem voor Financieel Toezicht, met als doel een effectief en consistent niveau van prudentiële regelgeving en prudentieel toezicht in de banksector van de EU te waarborgen. De hoofdtaak van de EBA bestaat erin bij te dragen tot de totstandkoming van het single rulebook voor banken in Europa, waarmee gestreefd wordt naar gemeenschappelijke, geharmoniseerde prudentiële regels voor de gehele EU.

Geen-bezwaarprocedure: een standaard besluitvormingsproces dat bij de SSM-Verordening werd vastgelegd voor de toezichtswerkzaamheden van de ECB. De Raad van Toezicht van de ECB stelt ontwerpbesluiten op, die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Raad van Bestuur van de ECB. Besluiten worden geacht te zijn aangenomen indien de Raad van Bestuur geen bezwaar maakt binnen een vastgestelde termijn van maximaal tien werkdagen.

Gekwalificeerde deelneming: een deelneming in een kredietinstelling die ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten vertegenwoordigt, of die het mogelijk maakt aanzienlijke invloed uit te oefenen op het beleid van deze kredietinstelling.

Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM): een mechanisme dat bestaat uit de ECB en de NCA’s van de deelnemende lidstaten en dat de uitvoering van de aan de ECB toevertrouwde toezichtstaken beoogt. De ECB is verantwoordelijk voor de effectieve en consistente werking van dit mechanisme, dat deel uitmaakt van de Europese bankenunie.

Geschiktheidsbeoordeling: de toezichthouders beoordelen de geschiktheid van kandidaten voor de leidinggevende organen in banken. De ECB neemt dergelijke geschiktheidsbesluiten voor de bestuurders van de 118 grootste banken in het eurogebied, terwijl de besluiten voor de minder belangrijke instellingen worden genomen door de nationale toezichthouders, behalve bij de toekenning van een nieuwe bankvergunning.

Gezamenlijk toezichthoudend team (joint supervisory team – JST): een team van toezichthouders dat is samengesteld uit ECB- en NCA-medewerkers en dat is belast met het toezicht op een belangrijke onder toezicht staande entiteit of groep.

Intern model: elke bij de berekening van de eigenvermogensvereisten toegepaste benadering op basis van risicometing en risicomanagement die eigen is aan een kredietinstelling en waarvoor voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit is vereist, in overeenstemming met Deel Drie van de CRR.

Keuzemogelijkheden en nationale manoeuvreerruimte: keuzemogelijkheden zijn bepalingen in het EU-recht op basis waarvan de bevoegde autoriteiten of lidstaten uit een reeks van alternatieven kunnen kiezen hoe ze een bepaling naleven. Nationale manoeuvreerruimte slaat op bepalingen in de EU-bankwetgeving op basis waarvan de bevoegde autoriteiten of lidstaten kunnen kiezen of ze een specifieke bepaling al dan niet toepassen.

Maximaal uitkeerbaar bedrag (maximum distributable amount – MDA): de niet-naleving van het gecombineerde buffervereiste (combined buffer requirement – CBR) leidt tot verplichte beperkingen op uitkeringen (bijvoorbeeld dividenden, couponbetalingen op aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten, discretionaire bonussen). Een bank die niet aan haar CBR voldoet, mag automatisch niet méér dan het MDA uitkeren. Het MDA is de uitkeerbare winst van de bank, vermenigvuldigd met een factor tussen 0,6 en 0, afhankelijk van hoe ver het CET1-kapitaal onder het CBR ligt.

Minder belangrijke instelling (less significant institution – LSI): alle instellingen die onder toezicht van de NCA's staan. Belangrijke instellingen staan daarentegen onder het rechtstreeks toezicht van de ECB.

Minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities – MREL): een vereiste voor alle kredietinstellingen in de EU waarmee wordt beoogd de kredietinstellingen in staat te stellen verliezen op te vangen indien ze zouden falen. Het MREL werd door de Europese Commissie gepubliceerd in de Herstel- en afwikkelingsrichtlijn voor banken (Bank Recovery and Resolution Directive – BRRD). Dit vereiste heeft hetzelfde doel als het TLAC-vereiste. De door het MREL voorgeschreven specifieke kapitaalvereisten worden echter op een andere wijze berekend, volgens criteria die door de EBA zijn bepaald.

Nationaal bevoegde autoriteit (national competent authority – NCA): een overheidsinstantie of bij nationale wet erkend orgaan dat naar nationaal recht bevoegd is om, in het kader van het in de betrokken lidstaat geldende toezichtsstelsel, toezicht te houden op instellingen.

Niet-renderende leningen (non-performing loans – NPL's): krachtens lid 145 van bijlage V bij de technische uitvoeringsnormen van EBA inzake toezichtsrapportage zijn dit leningen die voldoen aan één of beide van de volgende criteria: (a) materiële blootstellingen die meer dan 90 dagen achterstallig zijn; (b) het wordt onwaarschijnlijk geacht dat de debiteur zijn kredietverplichtingen volledig zal nakomen zonder onderpand te gelde te maken, ongeacht het bestaan van enig achterstallig bedrag en ongeacht het aantal achterstallige dagen.

Paspoortprocedures: procedures inzake de vrijheid van vestiging en de vrijheid om diensten te verlenen in andere lidstaten voor alle kredietinstellingen waaraan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat een vergunning is verleend en die onder toezicht van deze autoriteiten staan, op voorwaarde dat deze activiteiten onder de vergunning vallen (zoals wordt geregeld in de artikelen 33 tot en met 46 van CRD IV).

Procedure voor Prudentiële Toetsing en Evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP): de procedure die richting geeft aan de prudentiële toetsing van belangrijke en minder belangrijke kredietinstellingen en waarmee wordt bepaald of er (bovenop de minimumvereisten) eventueel extra vereisten moeten worden opgelegd voor het eigen vermogen, de verslaggeving of de liquiditeit, of dat er andere toezichtsmaatregelen moeten worden genomen.

Raad voor Financiële Stabiliteit (Financial Stability Board – FSB): een internationaal orgaan dat internationale financiële stabiliteit bevordert. door nationale financiële autoriteiten en internationale normalisatie-instanties te coördineren bij hun streven naar de ontwikkeling van een stevig regelgevings- en toezichtsbeleid en andere beleidslijnen voor de financiële sector. De Raad versterkt het gelijk speelveld door een consistente tenuitvoerlegging van deze beleidslijnen in de verschillende sectoren en rechtsgebieden te bevorderen.

SSM-Kaderverordening: het wetgevend kader waarin de praktische regels worden gegeven voor de samenwerking tussen de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme, zoals bedoeld in de SSM-Verordening.

SSM-Verordening: de rechtshandeling die voorziet in de oprichting van een gemeenschappelijk toezichtsmechanisme voor kredietinstellingen in het eurogebied, en eventueel in andere EU-lidstaten, als een van de belangrijkste onderdelen van de Europese bankenunie. De SSM-Verordening draagt aan de ECB specifieke beleidsmatige taken op inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen.

Verordening en Richtlijn Kapitaalvereisten (Capital Requirements Regulation and Directive – CRR/CRD IV): Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (CRR) en Richtlijn 2013/36/EU betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (CRD IV). Gezamenlijk worden ze vaak CRD IV genoemd.

(Waarschijnlijk) faillerend (failing or likely to fail – FOLTF): er zijn vier redenen waarom een bank kan worden aangemerkt als (waarschijnlijk) faillerend: (i) ze voldoet niet langer aan de vereisten om een vergunning te verkrijgen van de toezichthouder; (ii) ze heeft meer passiva dan activa; (iii) ze is niet in staat om haar schulden te betalen wanneer deze opeisbaar worden; (iv) ze heeft buitengewone openbare financiële steun nodig. Om een bank als (waarschijnlijk) faillerend aan te merken, moet aan een van de bovenstaande voorwaarden zijn voldaan of moet het waarschijnlijk zijn dat hieraan zal worden voldaan.

© Europese Centrale Bank, 2018

Postadres 60640 Frankfurt am Main, Duitsland
Telefoon +49 69 1344 0
Internet www.bankingsupervision.europa.eu

Alle rechten voorbehouden. Reproductie voor educatieve en niet-commerciële doeleinden is toegestaan op voorwaarde dat de bron wordt vermeld.

ISSN 2443-5899 (html) DOI 10.2866/60878 (html)
ISSN 2443-5899 (pdf) DOI 10.2866/364710 (pdf)
ISBN 978-92-899-3190-8 (html) EU-catalogusnummer QB-BU-18-001-NL-Q (html)
ISBN 978-92-899-3173-1 (pdf) EU-catalogusnummer QB-BU-18-001-NL-N (pdf)


[1]Dit betekent verbetering van de efficiëntie van de secundaire markten voor problematische activa en de mechanismen voor uitwinning van onderpand, harmonisatie van de juridische kaders voor insolventie en herstructureringen.
[2]Het onderzoek omvatte geen andere risicocategorieën, zoals marktrisico.
[3]De economische waarde van het eigen vermogen toont het effect van het rentebeloop op de waarde van het bankboek van een bank.
[4]Voor meer informatie verwijzen wij u naar de website van ECB-Bankentoezicht.
[6]Statistieken over het bankentoezicht statistieken gebaseerd op de informatie verzameld in het kader van de technische uitvoeringsnormen (implementing technical standards – ITS) onder Uitvoeringsverordening (EU) No 680/2014 van de Europese Commissie en de ECB-Verordening betreffende rapportage van financiële toezichtsinformatie (ECB/2015/13).
[10]Zie Bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie.
[11]Zoals beschreven in de NPL-leidraad definieert ECB-Bankentoezicht banken met een NPL-niveau dat aanzienlijk boven het gemiddelde binnen de EU ligt als "banken met een hoog NPL-niveau".
[12]Kwartaalrapportages van 31 december 2016 tot en met 31 december 2017.
[13]De juridische basis voor de NPL-kwartaaluitvraag voor banken met een hoog NPL-niveau is Artikel 10 van de SSM-Verordening en Artikel 141 van de SSM-Kaderverordening. De ECB is gerechtigd om in de deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen te vragen om alle voor de uitvoer van haar prudentiële toezichtstaken benodigde informatie te verschaffen, waaronder periodieke gegevens voor toezichtsdoeleinden in de voorgeschreven sjablonen. De ECB heeft deze bevoegdheid gebruikt binnen de grenzen van het maximale harmonisatieprincipe onder de technische uitvoeringsnormen van de EBA. Deze benadering geeft de ECB de benodigde flexibiliteit om gegevens op te vragen van de banken teneinde haar toezichtstaken te kunnen uitvoeren en om de gegevensuitvraag periodiek aan te passen, zolang deze gegevens niet worden opgevraagd onder de technische uitvoeringsnormen van de EBA.
[14]Verordening (EU) 2017/2395 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de overgangsregelingen ter beperking van de gevolgen van de invoering van IFRS 9 voor het eigen vermogen en ter behandeling als grote risicoblootstellingen van blootstellingen met betrekking tot bepaalde overheidsinstanties welke in de nationale valuta van een lidstaat luiden (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 27).
[15]Bij de berekening van deze invloed werd ervan uitgegaan dat op de eerste dag 95% van de impact van de verwachte kredietverliezen teruggeboekt zou worden naar het CET1-kapitaal. De invloed die uitgaat van classificatie en meting is niet onderworpen aan overgangsmaatregelen.
[17]De EBA is zich hiervan bewust en heeft kort geleden haar Recommendation on outsourcing to Cloud Service Providers gepubliceerd.
[20]Committee of European Banking Supervisors - CEBS
[21]Het percentage kredietrisico-inspecties steeg met acht procentpunten in vergelijking met 2016 en de verzoeken zijn steeds meer gericht op de tijdrovende beoordeling van kredietdossiers. Het inspectiewerk ter plaatse met betrekking tot kredietrisico duurt ongeveer een derde langer dan het algemene gemiddelde.
[22]Van de benoeming van de missieleider tot het afleveren van de vervolgbrief bij de bank.
[23]Voor een Engelstalige beschrijving van de initiatieven die zijn ontplooid ter bevordering van een gemeenschappelijke toezichtsaanpak voor LSI's, zie LSI supervision within the SSM.
[24]Voor meer informatie, zie paragraaf 2.4.1.
[26]Richtsnoer (EU) nr. 2017/697 van de Europese Centrale Bank van 4 april 2017 betreffende de wijze waarop nationale bevoegde autoriteiten met betrekking to minder belangrijke instellingen gebruikmaken van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (ECB/2017/9).
[27]Aanbeveling van de Europese Centrale Bank van 4 april 2017 betreffende gemeenschappelijke specificaties voor de wijze waarop nationaal bevoegde autoriteiten ten overstaan van minder belangrijke instellingen gebruikmaken van enkele keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (ECB/2017/10).
[29]De officiële meldingen over anticyclische kapitaalbuffers worden op kwartaalbasis ontvangen en die over mondiaal systeemrelevante instellingen op jaarbasis. Daarbij hebben enkele nationale autoriteiten meldingen gedaan over overige maatregelen, bijvoorbeeld de maatregelen die zijn ingevoerd onder Artikel 458 van de CRR. Dit Artikel staat autoriteiten toe om macroprudentiële maatregelen op nationaal niveau op te leggen om systeemrisico tegen te gaan als andere instrumenten ontoereikend blijken om dit risico adequaat aan te pakken (bijvoorbeeld onder meer de maatregelen onder Artikel 124 en 164). De Belgische en Finse autoriteiten hebben bijvoorbeeld maatregelen geïntroduceerd om het risico in de woninghypotheekmarkt het hoofd te bieden.
[30]De als mondiaal systeemrelevant aangemerkte instellingen (met volledig ingefaseerde buffervereisten vanaf 2019) zijn BNP Paribas, Groupe Crédit Agricole, Deutsche Bank, ING Bank, Banco Santander, Société Générale en UniCredit Group.
[31]Groupe BCPE werd in 2017 van de lijst gehaald.
[33]Wetsbesluit nr. 99 van 25 juni 2017, gepubliceerd in het Italiaans staatsblad nr. 146 van 25 juni 2017.
[35]Met name ECB-Bankentoezicht en de SRB, evenals de nationale afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde autoriteiten en de centrale banken.
[36]Artikel 29, lid 5, van de SRM-Verordening en artikel 83, lid 4, van de BRRD.
[42]Besluit van de Europese Centrale Bank van 4 maart 2004 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank (ECB/2004/3), PB L 80 van 18.3.2004, blz. 42, laatstelijk gewijzigd bij Besluit ECB/2015/1 (PB L 84 van 28.3.2015, blz. 64).
[43]Artikel 27 van de SSM-Verordening, in samenhang met de artikelen 53 en volgende van CRD IV.
[45]Deze taak bestaat erin de doelmatigheid van de crisisbeheersing door de ECB te beoordelen, zoals bepaald in artikel 27, lid 2 van de statuten van de ESCB en artikel 20, lid 7, van de GTM-verordening.
[46]Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1075 van de Commissie van 23 maart 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de inhoud van herstelplannen, afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen, de minimumcriteria die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen met betrekking tot herstelplannen en groepsherstelplannen, de voorwaarden voor financiële steun binnen de groep, de voorwaarden voor onafhankelijke taxateurs, de contractuele erkenning van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, de procedures en de inhoud van de kennisgevingsvereisten en van de kennisgeving van opschorting en de operationele werking van de afwikkelingscolleges (PB L 184 van 8.7.2016, blz. 1).
[47]EBA-richtsnoeren inzake de minimumlijst van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren voor herstelplannen (EBA/GL/ 2015/02) en EBA-richtsnoeren voor de reeks scenario’s die moeten worden gebruikt in herstelplannen (EBA/GL/2014/06).
[48]Richtsnoeren inzake gemeenschappelijke procedures en methoden voor het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP) (EBA/GL/2014/13).
[49]Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de BRRD trachten de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen tot een gezamenlijk besluit te komen over, onder meer, de beoordeling van het groepsherstelplan.
[50]Het doel van de MoU is om samenwerking met betrekking tot belangrijke vestigingen te faciliteren tussen ECB-Bankentoezicht en de noordse autoriteiten (en tussen de noordse autoriteiten onderling) binnen en buiten het eurogebied. De MoU gaat dan ook niet alleen over entiteiten van het eurogebied maar ook over een bredere selectie van entiteiten die onder het toezicht van deze Noordse autoriteiten vallen. Naast bankentoezichttaken komen ook consumentenbescherming, betaaldiensten en betalingsverkeer en anti-witwasbeleid aan de orde. De MoU reikt dan ook verder dan de taken van ECB-Bankentoezicht. De mate van samenwerking tussen de deelnemende autoriteiten blijft echter onderworpen aan de wetten van de Europese Unie. ECB-Bankentoezicht neemt dan ook alleen deel aan de MoU waar het de eigen toezichthoudende taken betreft.
[51]Een van de 29 BCP’s, BCP 29, Misbruik van financiële diensten, valt buiten de reikwijdte van deze exercitie, aangezien het voorkomen van witwassen niet binnen het mandaat van de ECB valt. De FSAP voor het eurogebied omvat echter wel een nota van medewerkers van het IMF omtrent financiële integriteit.
[52]De 28 relevante BCP’s omvatten tezamen 216 hoofdcriteria en 17 aanvullende criteria.
[53]Artikel 16 van Verordening 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit).
[54]Met inbegrip van de kennisgeving aan de EBA ten aanzien van EBA/GL/2016/01, die een te late melding door de ECB betrof.
[56]Advies van de Europese Centrale Bank van 8 maart 2017 inzake een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft de rang van ongedekte schuldinstrumenten in de insolventierangorde (CON/2017/6); Advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017 betreffende herzieningen van het crisisbeheerkader van de Unie (CON/2017/47); Advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017 inzake wijzigingen van het Uniekader voor kapitaalvereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (CON/2017/46).
[57]Dit voorstel maakte deel uit van de bredere heroverweging van het prudentieel kader voor beleggingsondernemingen van de Commissie. Op grond van het voorstel van de Commissie zouden systeemrelevante beleggingsondernemingen (dat wil zeggen die met meer dan € 30 miljard aan activa) onderworpen zijn aan dezelfde regels en hetzelfde toezicht als banken in de EU.
[58]De beoordelingscriteria zijn opgenomen in artikel 6 lid 4 van de SSM-Verordening.
[59]De lijst van belangrijke en minder belangrijke instellingen van december 2017 omvat (i) de besluiten waarvan de onder toezicht staande instellingen in kennis zijn gesteld tot 5 december 2017 en (ii) veranderingen in groepsstructuur en andere ontwikkelingen tot 1 oktober 2017.
[60]De enige instelling die in 2017 voor het eerst als belangrijk werd aangemerkt, was de vestiging van de Britse Barclays Bank PLC in Frankfurt. Vestigingen van kredietinstellingen van niet-deelnemende lidstaten in het eurogebied worden niet op individuele basis onderworpen aan de alomvattende beoordeling.
[61]Het vervallen van een autorisatie houdt in dat, indien de nationale wetgeving hierin voorziet, de vergunning komt te vervallen zonder dat dit een formeel besluit vereist. Het gaat hierbij om een rechtsgevolg dat intreedt zodra zich een specifieke, duidelijk omschreven gebeurtenis voordoet, bijvoorbeeld wanneer een entiteit uitdrukkelijk afstand doet van de vergunning of wanneer een instelling ophoudt te bestaan, bijvoorbeeld als gevolg van een fusie.
[62]Met inbegrip van een beperkt aantal (17) verzoeken inzake bestuurlijke nevenfuncties.
[63]Deze 1.673 autorisatieprocedures waren vervat in 1.238 rechtshandelingen van de ECB. Bepaalde rechtshandelingen omvatten meer dan één autorisatieprocedure, zoals geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsingen van diverse leden van de bestuursorganen van dezelfde belangrijke instelling, of de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen in diverse dochterondernemingen als gevolg van één transactie.
[64]Deze procedures hadden betrekking op de beoordeling van bestuurders en commissarissen die onder de bepalingen van het delegatieraamwerk vallen, zoals beschreven in Besluit EU 2017-935 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten en de beoordeling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten (ECB/2016/42).
[65]Aangezien de afsluitdatum voor 2014 op 15 januari 2015 lag, is er voor de cijfers van 2014 en 2015 sprake van een beperkte dubbeltelling.
[66]"Specifieke verwervers" worden gekenmerkt door een complexe of ondoorzichtige bedrijfsstructuur, zoals private equity-fondsen of staatsobligatiefondsen.
[67]Sleutelfunctionarissen zijn werknemers die geen zitting hebben in het bestuursorgaan maar onder de algehele verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan wel een belangrijke invloed hebben op de koers van de instelling. Voorbeelden zijn een credit risk officer of een compliance officer. In 2017 toetsten 12 landen van het eurogebied op basis van nationale wetgeving hun sleutelfunctionarissen op geschiktheid en betrouwbaarheid.
[68]"Risicomanagement en interne beheersingsmaatregelen" betreft de mechanismen of processen waarover een instelling dient te beschikken om de risico's waaraan zij is of kan zijn blootgesteld adequaat te kunnen vaststellen, beheersen en rapporteren. “Organisatiestructuur” gaat over de mate waarin een instelling beschikt over duidelijk afgebakende, transparante en consistente rapportagelijnen.
[69]Zie Paragraaf 2.1.5 voor meer informatie over de audit van de Rekenkamer over crisisbeheersing.
[72]Artikel 6, lid 7, van het Reglement van Orde van de Raad van Toezicht voorziet in een schriftelijke procedure voor het nemen van besluiten, tenzij ten minste drie stemgerechtigde leden van de Raad van Toezicht daartegen bezwaar maken. In dat geval wordt het punt op de agenda van de volgende vergadering van de Raad van Toezicht geplaatst. Normaal gesproken heeft de Raad van Toezicht ten minste vijf werkdagen nodig voor een schriftelijke procedure.
[73]Aantal belangrijke instellingen per 5 december 2017. De lijst van onder toezicht staande entiteiten wordt regelmatig bijgewerkt en is beschikbaar op de website van ECB-Bankentoezicht.
[74]Speciaal verslag nr. 29 van de Europese Rekenkamer, “Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme — Een goede start maar verdere verbeteringen nodig”.
[77]Zie PB L 141 van 1 juni 2017.
[78]Algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten, Besluit ECB/2016/40.
[79]Besluit betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten en de beoordeling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten, Besluit ECB/2016/42.
[80]Besluit betreffende de delegatie van besluiten inzake de significantie van onder toezicht staande entiteiten, Besluit ECB/2016/41.
[81]Besluiten houdende de benoeming van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van gedelegeerde deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten (Besluit ECB/2017/16) en van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake de significantie van onder toezicht staande entiteiten (Besluit ECB/2017/17).
[82]De Administratieve Raad voor Toetsing bestaat uit vijf leden: Jean-Paul Redouin (Voorzitter), Concetta Brescia Morra (Vicevoorzitter), Javier Arístegui Yáñez, André Camilleri en Edgar Meister, plus twee plaatsvervangers: René Smits en Ivan Šramko.
[83]Overweging 64 van de SSM-Verordening.
[84]Zaak T-122/15, Landeskreditbank Baden-Württemberg – Förderbank / ECB, arrest van 16 mei 2017, ECLI:EU:T:2017:337 (tegen dit arrest is beroep ingesteld: Zaak C-450/17 P). Zaken T-712/15 en T-52/16, Crédit mutuel Arkéa / ECB, arrest van 13 december 2017, ECLI:EU:T:2017:900.
[85]COM(2017) 591 final.
[86]Besluit ECB/2014/39 bevat ook bepalingen over organisatorische aspecten.
[87]FINREP (FINancial REPorting) en COREP (COmmon REPorting) maken deel uit van de technische uitvoeringsnormen van de EBA. FINREP heeft betrekking op het verzamelen van financiële informatie van bankinstellingen met behulp van een gestandaardiseerd opgestelde jaarrekening (balans, winst-en-verliesrekening en gedetailleerde bijlagen). COREP heeft betrekking op het verzamelen, eveneens in gestandaardiseerde vorm, van informatie over de berekening van Pijler 1, d.w.z. gegevens over eigen vermogen, aftrekkingen en kapitaalvereisten (krediet-, markt- en operationeel risico) en grote blootstellingen.
[88]Artikel 140, lid 4, van de SSM-Kaderverordening.
[89]De "sequentiële aanpak" is het kader voor het versturen van toezichtsgegevens van de banken naar de NCA's, van de NCA's naar de ECB en van de ECB naar de EBA.
[90]Rechtshandelingen: ECB-besluit om benchmarks te gebruiken: Besluit (EU) 2017/1493 van de ECB – tot wijziging van Besluit ECB/2014/29 (ECB/2017/23); ECB-besluit betreffende financieringsplannen: Besluit (EU) 2017/1198 van de ECB – betreffende de rapportage van financieringsplannen door nationale bevoegde autoriteiten (ECB/2017/21); update van de ECB-verordening betreffende de FINREP: Verordening (EU) 2017/1538 van de ECB – tot wijziging van Verordening 2015/534 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (ECB/2017/25) en Verordening (EU) 2017/1539 van de ECB (ECB/2017/26).
[92]Overeenkomstig artikel 29 van de SSM-Verordening.
[93]Besluit (EU) 2017/760 van de Europese Centrale Bank van 24 april 2017 betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017 (ECB/2017/11).
[94]Artikel 9 van Verordening (EU) nr.1163/2014 van de Europese Centrale Bank van 22 oktober 2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2014/41).
[95]Voor de kleinste belangrijke banken, waarvan de totale activa minder dan € 10 miljard bedragen, wordt de minimumvergoedingscomponent gehalveerd.